4
Duistere Godin
Tad schrok wakker.
Iemand deed de deur open, en Tad gaf Zane een por terwijl de deur openzwaaide. De zon kwam al bijna op; aan de hemel buiten het raam was een licht rozig en grijs licht te zien, maar het was binnen nog te donker om het gezicht te kunnen zien van de man die in de deuropening stond.
'Huh?' zei Zane half slapend terwijl Tad naar de kaars tastte.
'Die heb je niet nodig,' zei de figuur in de deuropening terwijl hij een hand opstak. Plotseling stroomde er licht de kamer in, een onnatuurlijke witte gloed met een beetje blauw erin. Zane knipperde met zijn ogen, en Tad stond op toen de figuur de kamer binnenkwam. Hij was even lang als Caleb en leek ook op de jager, maar zijn huid was lichter en zijn haar was wit. Zijn ogen waren heel lichtblauw; maar de stand en uitdrukking ervan waren precies zoals die van Caleb. Toen hij binnen was verscheen ook McGrudder in de deuropening.
Zane haastte zich uit de weg toen de vreemdeling knielde en Caleb onderzocht. Even later zei de man tegen de herbergier: 'Je hebt er goed aan gedaan om contact met me op te nemen. Zijn ademhaling is onregelmatig, zijn hartslag is zwak en hij heeft hoge koorts. Als we niets doen, is hij tegen het middaguur dood.'
Toen keek de man naar Tad en zei: 'Wie ben jij?'
'Tad,' antwoordde de jongen. 'En dit is Zane. We reisden met Caleb mee.'
'Wat is jullie relatie tot mijn broer?'
Zane keek Tad aan en zei: 'Caleb nam ons mee om in de leer te gaan.'
De bleke man fronste zijn voorhoofd en zei: 'We hebben het er later wel over. Nu moet ik hem meenemen om hem te redden. Jullie blijven hier.'
'Wacht even, Magnus,' zei McGrudder. 'Je weet dat ze niet hier kunnen blijven.'
'Waarom niet?' vroeg Magnus en stond op. 'Ik kan ze niet meenemen.'
'Maar dat moet wel,' protesteerde McGrudder. 'Ze hebben je gezien, en als ze per ongeluk iets zeggen tegen de verkeerde persoon...' Hij knikte met zijn hoofd naar de jongens. 'Je weet wel.'
'Zet ze aan het werk,' stelde Magnus voor.
'Dat kan niet. Je weet dat je vader ons hier allemaal binnen een dag of twee weghaalt. Die mannen waren misschien bandieten, zoals de jongens vertelden, maar ze kunnen ook meer zijn geweest. Hoe dan ook, Puc gaat ons verhuizen, voor het geval dat, en dan komt hier een andere waard met zijn gezin. Ze zullen zeggen dat ze familie van ons zijn of dat ze de herberg gekocht hebben of zoiets.' Hij keek om zich heen alsof hij het nu al betreurde dat hij zijn gezellige herberg moest verlaten. 'De dorpelingen zullen er wel voor waken om met vreemdelingen te praten, maar die ouwe heks weet al te veel en niemand kan haar ervan weerhouden om te doen wat ze wil. En deze jongens zorgen mogelijk alleen maar voor nog meer problemen als je ze hier laat. Als ze gevolgd zijn, en als bekend is dat ze met Caleb mee reisden... Het is het beste als we hier allemaal zo snel mogelijk weg gaan. Bovendien, als Caleb ze in de leer wilde doen, zoals ze zeggen, dan weet je wat dat betekent.'
Magnus keek naar de twee jongens en zei: 'Hij ziet iets in ze. Goed dan.' Tegen de jongens zei hij: 'Blijf dicht bij me staan als :k mijn broer heb opgetild.'
Magnus pakte Caleb op alsof hij niet meer woog dan een kind, ook al waren de mannen even groot en zwaar. 'Blijf nu heel dicht bij me,' zei hij nogmaals.
Tad en Zane deden wat hij hun opdroeg en werden plotseling heel even overrompeld door duisternis. Een tel later stonden ze in een gang.
Zane viel bijna om, zo plotseling was de verandering en zo groot zijn desoriëntatie. Tad keek om zich heen en knipperde met zijn ogen.
De man die McGrudder Magnus had genoemd, liep de gang door en liet de jongens staan. Ze keken elkaar aan en zagen de weerspiegeling van hun eigen geschokte, bleke gezicht in elkaars ogen. Toen knikte Zane en renden ze achter de man aan, want ze wilden niet alleen achterblijven op deze vreemde plek.
Ondanks het gewicht van zijn broer liep Magnus snel door en de jongens moesten zich haasten om hem in te halen. Ze hadden geen oog voor hun omgeving, tot ze beseften dat ze in een heel groot gebouw waren. Alle gangen waar ze doorheen liepen, hadden granieten of marmeren wanden en vloeren en werden verlicht door toortsen in ijzeren beugels aan de wanden. Aan weerszijden was een rij zware houten deuren. Elke deur was voorzien van een raampje met een luikje, weinig meer dan een kijkgat, in het midden.
'Het lijkt wel een kerker,' mompelde Zane.
'Hoe weet jij dat nou?' vroeg Tad fluisterend. 'Heb je er ooit een gezien?'
'Nee, maar je weet wat ik bedoel. Zo hoort een kerker eruit te zien - zoals in de verhalen.'
'Ik weet wat je bedoelt,' zei Tad toen ze achter Magnus aan een hoek om gingen.
De jongens stonden abrupt stil. Voor hen kwam de lange gang uit in een enorme zaal. Ze konden het koepelplafond nauwelijks zien, zo donker was die van het roet van ten minste honderd toortsen die rondom waren opgehangen. Tegen de muur aan de achterzijde stond een standbeeld van een vrouw, met haar armen uitgestrekt alsof ze de mensen aan haar voeten in haar armen wilde sluiten. Achter haar, aan de andere kant, waren kleinere figuren in reliëf in de wanden gesneden.
'Is dat wie ik denk dat ze is?' fluisterde Tad.
'Dat moet wel, kijk maar naar het net over haar rechterarm,' zei Zane.
Beide jongens maakten alle bezwerende gebaren die ze ooit door gokkers, menners of dragers hadden zien maken, en volgden toen Magnus, die zich voort haastte. Ze waren in de tempel van Lims-Kragma: de Spanner van valstrikken, de Godin van de Dood.
Er kwamen verschillende figuren in zwarte mantels uit enkele deuren links van het beeld, en plotseling verschenen er twee mannen achter de jongens. Een van hen haastte zich langs hen heen, maar de andere bleef staan en vroeg zachtjes: 'Wat doen jullie hier, jongens?'
Tad wees naar Magnus, die zijn broer aan de voeten van het standbeeld legde, en zei: 'We horen bij hem.'
'Dan is het goed,' zei de man.
Ze knikten en liepen achter hem aan naar Magnus, die voor het beeld geknield zat. Zane bestudeerde de man vanuit zijn ooghoek, bang om hem direct aan te kijken. Hij had een heel normaal gezicht en was bijna kaal, op wat stoppels van oor tot oor op zijn achterhoofd na. Verder was hij heel onopvallend. Op één ding na: hij droeg de mantel van een priester van de Godin van de Dood.
Een oudere man kwam de zaal binnen door een deur rechts van hen, en liep langzaam naar Magnus toe met behulp van een witte staf die groter was dan hijzelf. Zijn witte haar hing tot op zijn schouders en hij was bijna bij Magnus voordat de jongens zagen dat zijn ogen troebel waren; hij was blind.
'Waarom verstoor je onze slaap, Magnus?' vroeg hij.
'Mijn broer is stervende,' antwoordde Magnus terwijl hij opstond voor de oude man. 'Je kent mijn vader, en je weet waar wij ons mee bezighouden. Het leven van mijn broer moet gespaard worden.'
De oude man keek voor zich uit en zag er breekbaar uit, maar zijn stem was diep en krachtig. 'Onze meesteres haalt ons allemaal naar zich toe wanneer het onze tijd is. Ik kan daar niets aan veranderen.'
'Je kunt hem helen!' zei Magnus. 'Ik weet welke vaardigheden je bezit, Bethanial.'
'Waarom heb je hem niet naar de tempel van Kilian of Sung gebracht? Genezen is hun domein.'
'Omdat mijn familie jaren geleden een pact heeft gesloten met jouw meesteres, en omdat zij kan besluiten mijn broer niet tot zich te roepen. Hij is bij de levenden nodig. Het is nog geen tijd.'
'Wanneer is het ooit tijd voor degenen die achterblijven?' vroeg de oude hogepriester.
Magnus stapte dichter naar hem toe en zei: 'Het is zijn tijd nog niét!'
'Wanneer is het zijn tijd dan wél?' echode een stem door de zaal, en de jongens grepen elkaar instinctief vast, want er klonk iets kouds en hopeloos in door. Maar ze hoorden ook dat de toon enigszins geruststellend klonk, met de zekerheid dat alles goed zou komen.
Magnus draaide zich om en keek naar het enorme standbeeld. 'Wanneer deze wereld veilig is,' antwoordde hij.
Even flakkerden en dimden alle toortsen.
Magnus stond in een gigantische zaal, met een plafond dat zo hoog was dat het verloren ging in de duisternis boven hem. De wanden waren zo ver weg dat hij alleen die rechts van hem kon zien; de andere wanden waren onzichtbaar.
Hij stond tussen een schaakbord van stenen katafalken. Er lagen mannen, vrouwen en kinderen op, hoewel er ook veel leeg waren. Terwijl hij toekeek, stapte er in de verte een vrouw van een katafalk af en zocht haar weg door de doolhof van steen.
Plotseling lag er op een lege steen naast Magnus een zuigeling, niet meer dan een paar uur oud. Magnus vroeg zich af hoe dit kind, dat blijkbaar na de geboorte niet lang had geleefd, van de baar zou kunnen afklimmen om naar de godin te lopen.
Toen bracht hij zichzelf in herinnering dat niets hiervan echt was. Magnus wist dat hij een illusie van de goden zag - een beeld dat was gemaakt zodat hij kon plaatsen wat hij zag van deze kracht die zo ver boven hem stond.
Magnus had normaal gesproken al weinig geduld, maar nu was er bijna niets van over. Hij wuifde met zijn hand en zei: 'Genoeg!'
De zaal verdween en hij stond boven op een berg, in een andere enorme zaal. Deze leek te zijn gebouwd van ivoor en wit marmer. Het uitgestrekte plafond werd ondersteund door pilaren, maar nu kon Magnus de wanden wel zien.
De zaal bood uitzicht op de bergpieken in de verte, en de lucht hier was bitter koud en ijl. Magnus manipuleerde de lucht rond zijn lichaam zodat hij het warmer had en gemakkelijker kon ademen. Buiten hing een zee van witte wolken net onder de rand van de vloer, en hij wist dat hij in het Paviljoen van de Goden stond, een plek waar zijn ouders hem over hadden verteld. Hij glimlachte, want hier hadden ze elkaar voor het eerst gesproken, en het leek een goede keuze voor zijn ontmoeting met de godin.
Een gestalte in een zwarte mantel zat alleen op een eenvoudige marmeren bank. Het was een jonge vrouw, en toen Magnus haar naderde, trok ze de kap van haar mantel naar achteren. Haar huid was zo wit als het fijnste porselein, maar haar haren en ogen waren zo zwart als onyx. De kleur van haar lippen was die van bloed, en haar stem klonk als een ijzige wind toen ze zei: 'Je hebt wonderbaarlijke krachten voor een sterveling, Magnus. Misschien overstijg je op een dag je vader en moeder in je beheersing van de magie. En je bent ook veel arroganter dan zij.'
'Ik ontbeer mijn vaders geduldige aard en mijn moeders aanvaarding,' zei Magnus op uitdagende toon. 'We hebben mijn broer nodig. Dat weet u.'
'Dat weet ik helemaal niet,' antwoordde de vrouw. 'Je vader kwam ooit bij me met zijn vriend, de mens die Valheru werd,' zei ze terwijl ze opstond.
Magnus was verbaasd te zien dat ze langer was dan hij. Om de een of andere reden stoorde hem dat. Met één gedachte maakte hij zichzelf langer dan de godin.
De vrouw lachte. 'En ijdel ook nog?' Ze knikte. 'Toen kwam je vader een tweede keer naar me toe.'
'Dat weet ik,' zei Magnus. 'Hij heeft ons verteld over jullie afspraak.'
'O ja?' Ze draaide hem haar rug toe en liep weg, alsof ze naar de bergpieken onder zich tuurde. 'Dat herinner ik me niet. Maar ik weet nog wel dat ik hem een keus heb gegeven.'
'Ik begrijp het niet,' zei Magnus.
'Dat weet ik. Ik weet niet wat je vader je heeft verteld van wat er op handen is, maar ik ben jou of je familie niets schuldig. Ik ben alleen jaren geleden met Puc tot een overeenstemming gekomen. Je broer kan niet onder zijn lotsbeschikking uit; hij staat voor de ingang van mijn rijk en ik heb geen enkele verplichting om hem te weigeren. Het is zijn tijd.'
'Nee,' zei een stem van achter Magnus.
Hij draaide zich om en zag een magere, broze oude vrouw met een huid als doorzichtig en verbleekt perkament, strak gespannen over haar oude botten. Haar haren waren wit en ze droeg een mantel in de kleur van de sneeuw op de bergtoppen in de verte. Haar mantel en haren werden op hun plaats gehouden met ivoren klemmen en ringen. 'Je kunt doen wat je wilt, dochter, want jij bent de heerser over je domein. Maar dat is het nu juist: je kunt doen wat je wilt.'
'Ik heb de verplichting om de orde te bewaren, en noem me geen dochter, oude vrouw. Je hoort hier niet.'
'Ik hoor nergens, lijkt het wel.' Ze keek Magnus aan en glimlachte.
Magnus keek de oude vrouw onderzoekend aan en zei: 'Jij bent de heks uit het dorp.'
'Nee,' zei de oude vrouw, 'Maar ik ken haar; haar en vele anderen.'
Magnus keek verward, want de vrouwen leken precies op elkaar. Alleen had de heks grijs haar en een leerachtige huid. 'Wie ben je dan?'
'Ik ben iemand die ooit was en die weer zal zijn, maar nu...'
'Ze is niemand,' zei Lims-Kragma.
'Ja,' zei de oude vrouw; en plotseling was ze weg. Haar woorden hingen nog een tijdje in de lucht: 'Je kunt doen wat je wilt.'
Even zwegen zowel Magnus als de godin, en toen zei de Godin van de Dood: 'Goed dan. Ik weiger je broer de toegang tot mijn rijk. Zijn oordeel komt een andere keer; neem hem mee naar je eiland.'
'Wie was dat?' vroeg Magnus.
'Iemand die was,' zei de godin. Toen voegde ze eraan toe, met een gezichtsuitdrukking die sprak van stormachtige emoties: 'En misschien heeft ze gelijk en is ze iemand die op een dag weer zal zijn.' Met een handgebaar van de godin stonden ze beiden weer in de tempel. Iedereen leek vastgenageld te staan in de tijd, als een vlieg in een stuk barnsteen, en de godin zei: 'Vraag Nakur of je vader over echo's.' Toen was ze plotseling verdwenen en begon iedereen rondom Magnus weer te bewegen.
Caleb opende kreunend zijn ogen. Hij keek knipperend in het licht en zei zwakjes: 'Broer?'
'De godin heeft je gebed verhoord,' zei de hogepriester en boog zijn hoofd. De andere priesters volgden zijn voorbeeld.
'Kom,' zei Magnus tegen de jongens, terwijl hij zijn broer optilde van de vloer. Calebs ogen vielen dicht en hij raakte weer bewusteloos, met zijn hoofd tegen de schouder van zijn broer. De jongens gingen dicht bij Magnus staan en voelden weer die vreemde sensatie van duisternis gevolgd door een moment van desoriëntatie.
Ze stonden vlak bij de oceaan. Tad en Zane roken het zeezout in de nachtelijke lucht. Tad wees naar de twee manen aan de hemel en de jongens wisten dat ze vele mijlen ten noordwesten van McGrudders herberg waren. Magnus zei niets terwijl hij naar een groot, vierkant gebouw liep, dat werd omzoomd door een grasveld. Het weelderige gazon werd onderbroken door plaveistenen die leidden naar een grote, openstaande deur, verlicht met toortsen in beugels aan weerskanten. Links van het pad stond nog een ander gebouw naast het huis, en ze roken de geuren van een houtvuur en versgebakken brood. Magnus stapte het grote gebouw binnen en sloeg linksaf. De jongens volgden hem, en bleven even staan om door de deur tegenover hen naar buiten te kijken. Er was daar een grote binnenplaats met een tuin.
Daarna haastten ze zich weer achter Magnus aan, die nu rechtsaf ging en snel een andere gang door liep naar een reeks vertrekken. Hij werd er opgewacht door een kleine man met een donkere baard, een vrouw in een konings blauwe japon van eenvoudige snit en een man in een eenvoudige oranje mantel met een versleten zoom.
De mensen negeerden de twee jongens terwijl Magnus de ruime maar spaarzaam gemeubileerde slaapkamer binnenstapte. Hij legde zijn broer op een laag bed en stapte achteruit. De man in de versleten oranje mantel onderzocht Caleb en zei toen: 'Hij heeft rust nodig, en als hij straks wakker wordt iets lichts te eten en te drinken.' Hij wendde zich tot Magnus. 'Vertel ons wat er gebeurd is.'
'Begin maar bij deze twee,' zei Magnus, wijzend naar de jongens.
De man met de baard stapte naar Tad en Zane toe. 'Ik ben Puc, Calebs vader. Wat is er gebeurd?'
Tad sprak eerst en vertelde hun over de hinderlaag, waarbij Zane hem af en toe aanvulde. Toen ze bij het verhaal over McGrudder in De Slapende Haan aankwamen, zei Magnus: 'Nu zal ik verder vertellen.' Hij wendde zich tot Puc. 'De oude heks in het dorp heeft zijn dood uitgesteld.'
De kleine man in het oranje onderbrak hem. 'Oude heks?'
'Daar kom ik zo nog op,' zei Magnus. Hij beschreef zijn reis naar de zaal van Lims-Kragma, en terwijl hij vertelde zag Tad dat Zane een stap dichter bij hem kwam staan, alsof hij steun bij hem zocht.
Toen Magnus klaar was met zijn verhaal, zei hij: 'De witharige vrouw leek precies op de dorpsheks voor zover ik me kon herinneren. Ze zei dat jullie twee' - hij gebaarde naar zijn vader en de andere man - 'wel zouden weten wie ze was. Lims-Kragma zei dat ze een echo was.'
Puc wendde zich tot de ander en vroeg: 'Nakur?'
Nakur haalde zijn schouders op. 'Herinner je je Zaltaïs nog, met wie we vochten toen de Smaragden Koningin het Koninkrijk binnenviel? Ik vertelde je dat hij een droom was.'
Magnus zei: 'Hier weet ik niets van.'
'Er zijn een heleboel dingen waar je niets van weet.' Puc fronste zijn voorhoofd terwijl hij zijn zoon aankeek. 'Wat bezielde je toen je een bezoek riskeerde aan de Godin van de Dood?'
'Ik wist dat Caleb ieder moment kon sterven, vader. En ik wist dat jij twee keer bij de godin was geweest en het had overleefd.'
'De tweede keer was niet vrijwillig,' vertelde Puc. Magnus kende het verhaal; zijn vader was bijna gedood door de demon die tijdens de Slangenoorlog de leiding had over het leger van de Smaragden Koningin.
'Maar de eerste keer ging je op zoek naar grootvader, en je bent teruggekomen,' protesteerde Magnus.
'Tomas en ik waren bijna dood na ons eerste bezoek aan Lims-Kragma. Misschien had je er nooit meer weg kunnen komen.'
'Haar paleis is een illusie, vader.'
Nakur schudde zijn hoofd. 'De illusies van de goden kunnen even gemakkelijk doden als staal of steen, Magnus. Ze zijn echt genoeg als het moet.'
Miranda zei: 'Het was gekkenwerk! Ik had allebei mijn zoons wel kunnen verliezen.'
Magnus kneep zijn blauwe ogen tot spleetjes. 'Jullie hebben me goed opgeleid. Ik liet me niet vangen in de illusie; ik heb zelfs een risico genomen en haar ontmoet in het Paviljoen van de Goden.'
Puc en Miranda keken elkaar aan toen ze dit hoorden.
'Ik zou mijn leven wagen voor dat van mijn broer,' vervolgde Magnus. Toen zijn moeder zweeg maar hem afkeurend aankeek, voegde hij eraan toe: 'Ik weet dat je voor ons beiden vreest, ma, maar we zijn er allebei nog.'
'Daar hebben we het nog wel over,' zei Puc. 'Nakur?'
'Ik zal je vertellen wat ik weet, Puc,' zei de man grijnzend. 'Maar eerst...' Hij wees met een vinger naar de jongens.
Puc draaide zich om. Hoewel hij pas nog tegen hen gesproken had, leek het wel alsof hij hen voor het eerst opmerkte. 'Wie zijn jullie?'
Tad wees met een duim naar zichzelf en zei: 'Ik ben Tad.' Toen knikte hij met zijn hoofd naar zijn halfbroer. 'Hij heet Zane. We komen uit Sterrewerf.'
'Waarom waren jullie bij mijn zoon?' vroeg Miranda.
Tad vertelde het verhaal over het festival en hoe ze in de wagen wakker waren geworden, en hoewel hij het nogal onsamenhangend bracht, begrepen de anderen nu hoe de vork in de steel zat. Uiteindelijk zei Magnus: 'Bedoel je dat jullie niet Calebs leerlingen zijn?'
Tad en Zane keken elkaar schuldbewust aan, en toen antwoordde Zane: 'Nee. Maar dat hebben we ook nooit gezegd.'
'McGrudder zei van wel.'
Tad haalde zijn schouders op. 'Caleb bracht ons naar Yar-Rin en dan zouden we doorrijden naar Kesh om iemand te zoeken die ons als leerling wilde aannemen. Als hij ons niet samen zou kunnen plaatsen, wilde hij ons meenemen naar Krondor. Hij deed het voor onze moeder.'
Puc stapte naar hen toe en zei: 'Jullie weten al meer dan jullie zouden moeten weten, alleen al door wat jullie vandaag gezien en gehoord hebben.' Hij keek zijn vrouwen zoon aan en vervolgde toen: 'Ik denk dat we moeten nadenken over wat we met jullie aanmoeten. Maar intussen kunnen jullie maar beter wat slapen.' Hij keek naar Nakur. 'We praten straks verder, maar zou je hen nu eerst in een kamer kunnen onderbrengen?'
Nakur knikte en liep snel naar de deur, waarbij hij de jongens wenkte om hem te volgen. Tad en Zane liepen achter hem aan.
'Ik heet Nakur,' zei hun geleide. 'Ik ben gokker. Kunnen jullie kaarten?' Beide jongens zeiden nee, en Nakur schudde zijn hoofd. 'Ik word roestig. Niemand op dit eiland speelt kaart. Wat doen jullie voor werk?' Hij keek over zijn schouder terwijl hij zijn vraag stelde.
De jongens zwegen en wachtten allebei tot de ander het woord nam. Uiteindelijk zei Tad: 'Van alles.'
'Wat dan, bijvoorbeeld?' vroeg Nakur toen ze in een gang met vele deuren waren aangekomen.
'Goederen laden en uitladen,' zei Zane.
'Dus jullie zijn stuwadoors?'
'Niet echt,' zei Zane. 'En we kunnen wagens besturen!'
'Dus jullie zijn menners?'
'Nee, niet echt. Maar ik kan zeilen,' zei Tad. 'En we hebben allebei wel eens gevist.'
'Ik kan een beetje jagen,' vertelde Zane. 'Caleb heeft me een keer meegenomen en me laten zien hoe ik met een boog moest schieten. Hij zei dat ik het in me had en toen heb ik zelf een hert geschoten!' Zijn trots straalde van hem af terwijl hij naast zijn stiefbroer liep.
'Ik help Fowler Kensey soms met het repareren van zijn netten,' vertelde Tad. 'En hij heeft me laten zien hoe je eenden vangt op het meer.'
'En ik heb Ingvar de smid wel eens potten helpen repareren,' zei Zane. 'Hij vindt het geen leuk werk, dus heeft hij het mij geleerd. En ik weet hoe je een vuur indamt zodat het de volgende morgen nog brandt, en hoe je staal moet temperen.' Tad keek hem twijfelend aan. 'Ik heb het hem vaak genoeg zien doen!'
Nakur leidde hen een kamer binnen waar alleen vier bedden met opgerolde matrassen in stonden. 'Nou,' zei hij, 'dat is een indrukwekkende lijst van vaardigheden, veel meer dan de meeste jongens van jullie leeftijd hebben.' Hij gebaarde naar de bedden. Terwijl de jongens elk een matras uitrolden, wees hij naar een kast bij de deur. 'De dekens liggen daar. En ook kaarsen en wat vuursteen en vuurslag, hoewel jullie die niet nodig zullen hebben. Ik verwacht dat jullie in slaap vallen zodra ik de deur dicht trek. Het duurt nog drie uur voor de zon opgaat, dus rust maar een tijdje. Iemand komt jullie halen als jullie wakker zijn en zal zorgen dat jullie te eten krijgen. Jullie zullen dan wel honger hebben.'
'Ik heb nu al honger,' zei Zane een beetje klagerig.
Tad schudde zijn hoofd.
'Maar ik kan nog wel even wachten,' voegde Zane er snel aan toe terwijl hij een paar dekens uit de kast pakte.
Toen Nakur zich omdraaide om te gaan, zei Tad: 'Heer, mag ik u iets vragen?'
'Noem me maar Nakur, geen heer. Wat wil je weten?'
'Waar zijn we?'
Nakur zweeg even en grijnsde toen. 'Dat kan ik je nog niet vertellen. Eerst moet Puc besluiten wat hij met jullie gaat doen.'
'Hoe bedoelt u, heer ... Nakur?' vroeg Tad.
Nakur glimlachte niet meer. 'Jullie hebben dingen gezien en gehoord die iemand anders het leven zouden kunnen kosten.' Tads gezicht werd bleek en Zane zette grote ogen op.
'Puc moet besluiten wat hij met jullie zal doen. Magnus dacht dat jullie Calebs leerlingen waren, en dat houdt bepaalde dingen in. Dat blijken jullie niet te zijn, en dat betekent weer andere dingen. Ik kan er niet meer over zeggen, maar Puc zal jullie snel vertellen wat hij wenst. Tot die tijd zijn jullie gasten, maar loop niet alleen rond. Begrepen?'
De jongens antwoordden in koor: 'Ja.'
Nakur vertrok.
Toen ze in bed stapten, zei Tad: 'Dit kan ons het leven kosten?'
'Hij zei iemand anders, niet ons.'
'Maar waarom?'
'Weet ik niet,' zei Zane. 'Calebs vader is machtig. Hij is een magiër net zoals zijn andere zoon.' De beide jongens hadden net als de andere gewone mensen in de streek angst voor alles wat met magie te maken had, maar omdat ze het over Calebs vader hadden, hadden ze daar nu minder last van. De jongens zagen Caleb als een vriendelijke, gulle oom, waardoor Puc bijna zoiets als een grootvader was. Dat hoopten ze tenminste.
Zane sprak weer. 'Iedereen zegt dat hij het eiland bij Sterrewerf bezit. Dan moet hij dus een soort edele zijn. Die hebben vijanden. Edelen vechten in oorlogen en zo.'
Tad legde zijn hoofd op zijn arm. 'Ik ben moe, maar ik heb geen slaap.'
'Nou, je hebt hem gehoord; we kunnen nergens naartoe. Misschien moeten we het gewoon proberen.'
Tad ging op zijn rug liggen en staarde omhoog in de duisternis. 'Ik wou dat we weer in Sterrewerf waren.'
Zane zuchtte diep. 'Ik ook.'