8
Thuiskomst
De weg strekte zich uit tot aan de horizon.
Weer reden Tad en Zane op een wagen, net als bijna een halfjaar eerder. Deze keer waren ze echter onderweg naar Sterrewerf.
Toen ze in Shamata waren, hadden Caleb en de jongens gehoord over een lading goederen die langs de kust van de Dromenzee naar het Grote Sterremeer en de academie moest worden gebracht. Caleb had aangeboden de lading mee te nemen en te regelen dat iemand de wagen zou terugbrengen naar de handelsonderneming wanneer ze de vracht hadden afgeleverd. Aangezien de onderneming van zijn vader was, kreeg Caleb vlot toestemming.
Hij had de jongens verteld dat ze door Sterrewerf zouden reizen op hun weg naar het zuiden, maar dat ze slechts één nacht zouden blijven. Tad zat naast Caleb op de bok en Zane zat achterin, achter de lading en met zijn benen bungelend over de achterkant van de wagen.
Laat in de middag bereikten ze de buitengrenzen van Sterrewerf. De eerste huizen kwamen in zicht langs de oevers van het meer links van hen. Ze waren al een dag lang langs allerlei boerderijen gereden, dus ze hadden geschat dat ze voor zonsondergang bij het pakhuis zouden aankomen.
Toen ze de rand van het dorp bereikten, zwaaiden Tad en Zane naar enkele bekenden, van wie de meesten niet-begrijpend terugkeken voordat ze de jongens herkenden. Tad zei: 'De mensen kijken ons vreemd aan, Caleb.'
'Jullie zijn veranderd, Tad,' antwoordde de lange jager, nu gekleed als menner. De jongens droegen dezelfde oude tunieken en broeken die ze hadden gedragen toen ze het dorp een halfjaar eerder hadden verlaten. Ze klaagden allebei dat de kleren te strak zaten, dus had Caleb hun beloofd dat ze nieuwe zouden krijgen in Kesh.
De jongens sprongen al van de wagen voordat die helemaal stilstond en wilden weglopen. Caleb hield hen staande. 'Waar denken jullie dat jullie naartoe gaan?'
'Naar ma,' antwoordde Tad.
'Eerst uitladen,' zei hij, wijzend met zijn duim naar de lading.
'Grooms en zijn jongens laden wel uit,' zei Zane.
'Niet dit spul,' zei Caleb. 'Ik wil dat jullie de wagen daarheen brengen' - hij wees naar een leeg laadbord achter aan het stalerf - 'en daar alle lading op leggen.'
De jongens wisten dat dat betekende dat de lading bestemd was voor het eiland. Ze hadden de wagen zelf geladen en wisten hoe zwaar de vracht was, en Tad vroeg: 'Kunnen we dan ten minste wat hulp vragen?'
Caleb knikte. 'Zeg Grooms dat ik later wel met hem afreken.'
'Waar ga jij naartoe?' vroeg Tad toen Caleb wilde weglopen.
Hij draaide zich om en liep achterwaarts verder. 'Naar jullie moeder. Ik zal haar zeggen dat jullie straks komen.'
Tad sprong op de bok en stuurde het span paarden naar het laadbord, terwijl Zane op zoek ging naar Grooms - de beheerder van het pakhuis - om wat hulp te vragen bij het uitladen.
Caleb haastte zich naar Maries huis en trof haar in de achtertuin aan, waar ze aan het tuinieren was. Toen ze Caleb zag, sprong ze overeind en omhelsde hem. 'Ik heb je gemist,' zei ze tussen twee vurige kussen door. 'Het is hier zo eenzaam sinds je de jongens hebt meegenomen.' Ze omhelsde hem enige tijd stevig. 'Je zei dat je de jongens zou laten schrijven,' zei ze op licht beschuldigende toon.
'Dat heb ik ook gedaan,' antwoordde hij terwijl hij een opgevouwen stuk perkament onder zijn tuniek vandaan haalde. Grijnzend voegde hij eraan toe: 'Maar ik dacht dat ik het zelf maar moest komen brengen in plaats van een koerier te sturen.'
Ze kuste hem en zei: 'Kom binnen, drink een kom thee en vertel me wat je met ze gedaan hebt.'
Hij volgde haar naar binnen en zag de ketel leeg boven het vuur hangen. 'Ik kook niet veel voor mezelf. Ik bak nog maar één brood per week in plaats van drie of vier.' Ze schonk thee in en vroeg: 'Hoe gaat het met de jongens?'
'Het gaat ze goed,' zei Caleb. 'Er is veel veranderd in de afgelopen zes maanden.'
Ze ging bij hem aan het tafeltje zitten, dat niettemin bijna een derde van de kamer in beslag nam. 'Vertel.'
'Het ging allemaal niet helemaal zoals ik had gewenst,' zei hij. 'Het leerlingschap waarop ik had gehoopt...'
'Zeg me dan ten minste dat je eerlijk werk voor ze hebt gevonden, Caleb. Als ze luilakken en nietsnutten zijn geworden, hadden ze net zo goed hier kunnen blijven.'
Hij glimlachte. 'Nee, zo is het niet.' Toen zuchtte hij. 'Momenteel werken ze als wagenjongens.'
'Als menners?' vroeg ze terwijl ze grote ogen opzette. 'Dat is vreemd, want ze zijn allebei nooit erg gek op paarden en muilezels geweest.'
'Dat zijn ze nog steeds niet, maar het is noodzakelijk,' zei Caleb. Hij grijnsde breed. 'Ze zijn bij het pakhuis bezig met het uitladen van een wagen, met een paar jongens van Grooms. Ze komen straks.'
'Jij schavuit!' riep Marie en sloeg hem op zijn arm. 'Waarom zei je dat niet meteen?'
'Omdat ik even alleen met je wilde zijn, en zodra de jongens komen heb je geen tijd meer voor mij.'
Ze kuste hem. 'Ze zijn oud genoeg om te begrijpen dat hun moeder meer nodig heeft dan koken en naaien voor...'
Ze liet haar woorden wegsterven toen Tad door de deur naar binnen kwam met Zane op zijn hielen. Toen ze weggingen waren het jongens geweest, maar na minder dan een halfjaar tijd herkende Marie haar zoons bijna niet meer terug. Ze waren beiden zongebruind, hun schouders waren breed geworden en in hun gezichten was niets meer uit hun kindertijd te zien. Hun wangen waren smaller en de mollige kindergezichten waren vervangen door stevige kaken met stoppels erop. Uit de korte mouwen van hun tunieken staken gespierde armen met eeltige handen.
Marie stond op en de jongens renden naar haar toe om haar te omhelzen. 'Ik dacht dat ik jullie nooit meer zou zien,' zei ze, haar ogen vochtig glanzend. Ze omhelsde hen stevig en stapte achteruit. 'Jullie zijn... veranderd. Allebei.'
'Hard werk, mama,' zei Tad. 'Ik heb nog nooit zo hard gewerkt.'
'Wat hebben jullie allemaal gedaan?' vroeg ze.
De jongens keken snel naar Caleb, en Tad zei: 'Steenwerk, grotendeels. We hebben een hoop muren gebouwd. En gejaagd en gevist.'
'En een heleboel wagens bestuurd en geladen,' zei Zane. 'En ik heb leren zwemmen!'
Marie opende haar mond en sloot hem weer voordat ze kon uitbrengen: 'Ben je eindelijk over je watervrees heen?'
Zane bloosde. 'Ik was niet bang, ik hield er alleen niet zo van.'
Tad grinnikte. 'Hij had een goede leraar.'
Zane bloosde nog dieper.
Marie keek verward naar Caleb, die zei: 'Laten we wat gaan eten bij de herberg.'
'Goed idee,' zei ze. 'Ik heb niet genoeg in huis om jullie drie te eten te geven.' Tegen de jongens zei ze: 'Gaan jullie maar vooruit om je te wassen. Wij komen zo meteen.'
Toen ze weg waren, kuste ze Caleb weer vurig. Toen fluisterde ze: 'Dank je.'
'Waarvoor?' antwoordde hij zachtjes.
'Dat je voor ze hebt gezorgd. En dat je mannen van ze hebt gemaakt.'
'Ze hebben nog een lange weg te gaan.'
'Maar het is een begin,' vond Marie. 'Toen Tads vader overleed...' Ze begon te huilen.
'Wat is er?'
'Ik ben gewoon sentimenteel,' zei ze, en slikte haar tranen weg. 'Ik ben zo blij dat ik jullie weer zie, en er is zoveel veranderd n zo korte tijd.' Ze wuifde met haar hand en haalde diep adem. foen ging ze hem voor naar buiten en ze liepen samen langzaam naar de herberg.
Hij keek naar haar in het afnemende licht van de namiddag. 'We hebben vanavond wat tijd samen, Marie, alleen wij tweeën.'
Ze glimlachte. 'Dat is een ding dat zeker is.'
'Hoe is het met jou gegaan?' vroeg hij toen hij zag dat ze was afgevallen sinds hij haar de laatste keer had gezien.
'Hetzelfde als altijd. Ik verkoop wat ik in de tuin verbouw en koop wat ik nodig heb. Af en toe doe ik wat naaiwerk als iemand hulp nodig heeft, en ik ben van plan een paar kippen te kopen zodat ik zelf eieren kan eten en er misschien een paar kan verkopen.' Ze kneep hem in zijn arm. 'Ik red me wel.'
Hij zei niets, maar zijn hart brak bijna toen hij besefte hoe weinig hij aan haar had gedacht voordat hij de jongens had meegenomen. Hij legde zijn arm rond haar slanke middel en rok haar even naar zich toe terwijl ze verder liepen. Na enige tijd zei hij: 'Misschien kunnen we iets beters regelen dan dat je e gewoon alleen maar redt.'
'Wat bedoel je?'
'Later,' zei hij toen ze bij de herberg waren.
Hun maaltijd was bijna een feest. Hoewel ze maar zes maanden weg waren geweest, kwamen veel dorpelingen naar de jongens toe - nadat ze hen herkend hadden - om hen te verwelkomen en te zeggen hoezeer ze veranderd waren. Er kwamen ook een paar meisjes langs lopen, die de jongens lieten weten dat ze die avond op het plein zouden zijn.
Tijdens het eten liet Marie de jongens op voorzichtige toon veten dat Ellie over een paar maanden een kind zou krijgen. De jongens keken elkaar aan en barstten toen in lachen uit.
'Wat is er zo grappig?' vroeg hun moeder.
De jongens zeiden niets. Hun gevoelens voor het meisje leken nu zo ver weg, vergeleken met hun levendige herinneringen aan het afscheid met de zusters. In de drie dagen voordat ze waren vertrokken, waren alle zes de zusters langs geweest om hun te laten merken dat ze hun vertrek betreurden, op manieren die de beide jongens zich een jaar eerder niet hadden kunnen voorstellen.
Ze aten snel omdat ze graag hun vrienden wilden zien. Nadat ze weg waren keek Marie rond in de verder verlaten gelagkamer en vroeg: 'Slaap je vannacht hier?'
Caleb stond op en stak zijn hand naar haar uit. 'Wij slapen hier allebei. Ik heb de jongens gezegd dat ze vannacht in hun oude bedden moeten slapen.'
Marie zei: 'Ja, ze zullen wel oud genoeg zijn om te weten wat er gaande is.'
'Dat wisten ze al heel lang, Marie. Maar je zou kunnen zeggen dat ze het nu beter begrijpen.'
'O,' zei ze toen hij haar voorging op de trap naar hun kamer. 'Bedoel je...?'
'Ja.'
'Ze worden écht mannen, hè?'
'En meer hoeft een moeder niet te weten,' zei Caleb toen hij haar de kamer binnenleidde.
De volgende morgen vonden Caleb en Marie de beide jongens slapend in het huisje waar ze waren opgegroeid. Caleb maakte hen wakker met een paar speelse porren van zijn laars. 'Opstaan, jullie twee.'
De jongens kwamen overeind. Hun gezichten waren bleek, hun ogen bloeddoorlopen en ze kreunden protesterend. 'Iemand had zeker een kruik gevonden met een of ander goedje,' zei Caleb.
'Matthew Conoher en zijn broer James,' zei Zane. 'Het was brandewijn, zei hij. 'Het smaakte meer naar vernis.'
'Maar je hebt het tóch gedronken?' vroeg Marie verwonderd.
'Inderdaad,' zei Tad. Hij stond op, rekte zich uit en gaapte.
Hij droeg alleen zijn broek.
Zijn moeder bekeek de borst, buik, schouders en armen van haar zoon. 'Hoe kom je aan al die littekens?' vroeg ze met verschrikte stem. Ze kneep haar ogen samen toen ze met haar vinger over een naar uitziend litteken op zijn schouder ging.
Tad deinsde terug van haar kriebelende vinger. 'Ik droeg een behoorlijk grote steen omhoog vanaf het strand, en hij raakte uit balans. Als ik hem had losgelaten, had ik helemaal weer naar beneden moeten lopen om hem op te halen, dus probeerde ik hem vast te houden. Hij scheurde dwars door mijn hemd.'
Ze keek naar Caleb en toen naar haar zoon. 'Ik dacht even...'
Tad grijnsde. 'Wat? Dat Caleb ons had geslagen?'
'Alleen maar een beetje,' zei Caleb. 'En alleen als ze het nodig hadden.'
'Nee,' zei Marie, en ze pruilde licht geërgerd om hun geplaag. 'Ik dacht dat het misschien van een wapen was.'
Tad grijnsde. 'Nee, die niet.' Hij wees naar een ander vaag litteken over zijn ribben. 'Deze is wel van een zwaard!'
'Een zwaard!' riep zijn moeder verschrikt uit.
'Ik heb er ook een,' zei Zane, wijzend op een lang litteken op zijn onderarm. 'Die heb ik van Tad gekregen toen ik zijn slag niet snel genoeg afweerde.'
'Jullie twee,' zei ze streng, wijzend naar de jongens. 'Kleed jullie aan.' Ze draaide zich om en bitste: 'Caleb, buiten.'
Ze ging hem voor het huisje uit en vroeg: 'Wat heb je met mijn jongens gedaan?'
Caleb schudde zijn hoofd en zei: 'Precies datgene waarvoor je me gisteravond nog bedankte, Marie. Ik maak mannen van ze. Het ging allemaal niet precies zoals ik had gewild en...' Hij zweeg even. 'Ik zal je vertellen over de hinderlaag.'
Caleb vertelde haar over de bandieten zonder te verdoezelen hoe gewond hij was geraakt en zonder de vindingrijkheid van de jongens te overdrijven. Hij vertelde het verhaal zo rustig als hij kon. 'Dus toen het duidelijk was dat mijn vader dacht dat ze mijn leerlingen waren... Nou, laten we zeggen dat we toen te ver waren gevorderd om ze nog bij een vilder of bakker af te leveren en te zeggen dat hij hen onder zijn hoede moest nemen. Ze zijn nu mijn verantwoordelijkheid, en ik zorg zo goed mogelijk voor ze.'
'Maar waarom leer je ze vechten, Caleb? Wil je dan soldaten van ze maken?'
'Nee, maar ze zullen zichzelf moeten kunnen redden. Als ze bij mij zijn en voor mijn vader werken, kan dat af en toe gevaarlijk zijn. Ik wil er zeker van zijn dat ze die gevaren kunnen overleven.'
Marie leek niet overtuigd, maar zweeg een tijdje.
Het hoofd van Tad verscheen om de hoek van de deur. Hij vroeg: 'Kunnen we nu naar buiten komen?'
Caleb wenkte de jongens en Marie zei: 'Ik ben hun moeder, en ze blijven altijd mijn kleine jongens.'
'Deze kleine jongen zou nu wel iets lusten,' zei Tad.
Marie sloeg hem op zijn schouder. 'Dan moeten we naar de markt om...'
'We eten weer in de herberg,' onderbrak Caleb haar, 'maar ik moet eerst iets met jullie alle drie bespreken.'
Ze stonden in de kille buitenlucht, de jongens nog half slaperig en met samengeknepen ogen tegen het felle licht van de laaghangende zon. Caleb zei: 'Er zijn misschien betere momenten en betere plekken voor dit soort dingen, maar we zijn nu hier en dit is het moment.'
'Caleb,' onderbrak Marie hem, 'waar wil je naartoe?'
'Je jongens zijn door het lot aan mijn zorgen toevertrouwd, en hun bestemming is bepaald toen ze onzelfzuchtig naar mij terugkeerden en daardoor mijn leven redden.'
Hij keek de jongens aan. 'Jullie weten dat ik meer van jullie moeder hou dan van enige andere vrouwen dat ik haar al vele jaren trouw ben.' Hij keek Marie aan. 'Ik kan niet beloven dat ik hier vaker zal zijn dan in het verleden, dus ik wil dat je Sterrewerf verlaat en bij mijn familie komt wonen.'
'Maar dit is altijd mijn thuis geweest,' zei Marie. 'We maken een ander thuis, met zijn vieren.'
'Wat bedoel je precies, Caleb?'
'Trouw met me, en ik zal de jongens adopteren als mijn zoons. Als jullie me hebben willen.'
De jongens keken elkaar grijnzend aan en Tad zei: 'Betekent dat dat we je papa moeten noemen?'
'Alleen als je een pak slaag wilt,' zei Caleb lachend. Maar hij hield zijn ogen op Marie gericht.
Ze boog zich naar hem toe en zei zachtjes: 'Ja, Caleb. Ik ga met je mee.'
Hij kuste haar en zei: 'Zane, ga naar de herberg en zeg tegen Jakesh dat hij zijn beste bier en wijn uit de kelder haalt. Zeg hem dat hij een os laat roosteren en zijn beste maaltijden bereidt, want vanavond trakteren we het dorp op een feestmaaltijd.
Tad, zoek pater DeMonte op en vertel hem dat hij bij zonsondergang een huwelijk moet inzegenen.'
'Vandaag?' vroeg Marie.
'Waarom wachten? Ik hou van je en ik wil ervoor zorgen dat, wat er ook in de toekomst gebeurt, jij en de jongens verzorgd achterblijven. Ik wil weten dat je op me wacht.'
Met een droog glimlachje zei ze: 'Ik wacht altijd op je, Caleb. Dat weet je.'
'Als mijn vrouw?' zei hij. 'Want dat is wat ik wil.'
Ze begroef haar gezicht tegen zijn schouder en omhelsde hem stevig. Toen zei ze: 'Ja, ik trouw met je.'
De jongens juichten en renden weg om hun taken uit te voeren. Even later zei Marie: 'Weet je het zeker?'
'Ik ben nog nooit ergens zo zeker over geweest.' Hij kuste haar. 'Ik was bijna dood daar in het bos, en de gedachte dat ik jou nooit meer zou zien...' Zijn ogen glansden vochtig en zijn stem brak. 'En toen waren daar die jongens, die pracht jongens die jij hebt opgevoed, Marie...' Hij zweeg even. 'Ik wist niet of ik ze moest wurgen omdat ze me ongehoorzaam waren... Maar als ze dat niet gedaan hadden, zouden zij nu ergens in het noorden van Kesh zijn geweest op zoek naar een man die ze alleen van naam kenden, zonder geld of voedsel, terwijl mijn lijk lag te rotten langs de weg. Het is alsof de goden dit zo bedoeld hebben, mijn lief, en ik wil geen dag langer meer wachten.'
'Wanneer verhuizen we naar jouw huis, Caleb?'
'Vanavond, na het festival, want dat zal het zijn - een festival!'
'Ik heb zoveel te doen...' begon ze.
'Jij hoeft alleen maar mooi te zijn, en dat ben je al.'
'Maar toch, als we vanavond vertrekken moet ik mijn spullen pakken.'
'Welke spullen? Wat moet je meenemen? Je hebt de jongens, en niets in die hut heb je nodig waar wij naartoe gaan. Je zult het zien. En wat nog meer? Een paar voorwerpen die je graag wilt meenemen?'
'Ja, een paar.'
'Pak die dan bij elkaar en bereid je de rest van de dag voor op ons huwelijk. Ga naar de kleermaker en spaar geen kosten, en ga naar de vrouwen die je aan je zijde wilt hebben.'
Ze knikte met betraande ogen. Toen sloeg ze een hand voor haar gezicht. 'Zie me hier nu staan huilen als een dom wicht.'
Hij kuste haar en zei: 'Er is niets doms aan jou, Marie. Helemaal niets.'
Ze kuste hem weer. 'Ik moet naar de kleermaker. Bethel Lakman kennende zal ze hevig protesteren omdat ze tussen nu en zonsondergang iets voor me moet maken.'
'Laat haar maar protesteren. Als je maar iets krijgt wat je mooi vindt.'
Ze glimlachte, knikte en haastte zich weg, met haar rokken opgetrokken boven de modder.
Terwijl Caleb haar nakeek, vroeg hij zich af waarom hij plotseling de drang voelde om formeel te maken wat eigenlijk al een stille afspraak tussen hen was. Hij voelde zich even ongerust, maar zette dat snel van zich af. Hij kende de reden: hij wilde de wereld laten weten dat hij van deze vrouw hield en dat hij om haar zoons gaf alsof het zijn eigen kinderen waren. Hij wilde een tempelpriester hun huwelijk laten zegenen en hij wilde naar zijn vader met zijn gezin, in de zekerheid dat hij geen andere keus had kunnen maken.
Even later mompelde hij tegen
zichzelf: 'De zon is nog maar nauwelijks op en ik heb nu al
behoefte aan iets te drinken.' Terwijl de twijfel aan hem knaagde,
dwong hij zichzelf zich om te draaien en terug te lopen naar het
pakhuis. Hij moest een boodschap naar zijn ouders en zijn broer
sturen, en dat moest nu meteen gebeuren.
Puc en Miranda keken toe terwijl hun jongste zoon en de vrouw van wie hij hield hun geloften uitwisselden voor pater DeMonte, de plaatselijke priester van Kilian met het kerkje in Sterrewerf.
Magnus stond een paar passen achter zijn ouders en bekeek lijn jongere broer met een mengeling van plezier en afgunst. Het deed Magnus oneindig veel genoegen dat Caleb wat vreugde kon vinden in de duistere wereld waarin ze leefden.
Puc was onder de indruk van de hoeveelheid werk die in zo korte tijd was verzet. Bloemenslingers hingen van raamwerken net duivenranken, die door een paar dorpsjongens waren genaakt onder leiding van Tad. Zane had het eten en drinken geregeld, en de tafels op het dorpsplein kraakten onder hun lading. Zodra het nieuws over het huwelijk zich door het dorp had verspreid, hadden de dorpsvrouwen hun versgebakken waren en vruchtengeleien aangeboden, en tegen zonsondergang was het - zoals Caleb had voorspeld - een volledig festival.
Tad en Zane stonden op het plein aan de kant van Marie, achter de drie vrouwen die haar terzijde stonden. Ze keken naar Ellie en Grame Hodover, die zwijgend toekeken. Ellie lachte terug naar de jongens, die haar opzwellende buik zagen, en bedacht dat het lot hen op een betere weg had geleid dan ze hadden verwacht.
Ze hadden een paar minuten met Ellie gepraat die middag, en daarmee was het evenwicht tussen hen hersteld en was ze weer als hun zuster geworden. Grame, zoals altijd, was een zelfingenomen, vervelende kwast. Noch Tad, noch Zane kon begrijpen wat Ellie in hem zag, maar ze hield van hem, dus de jongens namen aan dat dat genoeg was om het met die idioot uit te houden.
Toen de priester klaar was en de gasten hadden gejuicht, wenkte Puc de jongens. Hij fluisterde iets tegen zijn vrouw, die knikte. Miranda wendde zich tot Marie, en terwijl Puc de jongens meevoerde, voelde Puc een steek van pijn. Marie zag er ouder uit dan Miranda. Ze zou oud worden terwijl Puc, Miranda en waarschijnlijk Magnus niet zouden veranderen. Wat er van Caleb zou worden, wist hij niet. Zijn zoon had bepaalde dingen in zijn karakter die niemand anders begreep of zelfs maar vermoedde, behalve misschien Nakur. Puc had al jaren geleden beseft dat het geen zin had te proberen om iets wat de Isalani interessant vond voor hem geheim te houden.
Toen ze op een stil hoekje van het plein waren aangekomen, zei Puc: 'Jongens, ik geloof dat het maar goed is dat ik jullie niet heb laten verdrinken toen jullie voor het eerst op mijn eiland kwamen.'
De jongens keken hem verschrikt aan en grijnsden toen.
'Vanaf dit moment zijn jullie mijn kleinzoons, en dat biedt zowel privileges als verantwoordelijkheid. We praten morgenochtend verder, maar nu wil ik dat jullie je in het feestgedruis storten en je moeders geluk delen.'
Ze aarzelden. Toen, met een spontaniteit die Puc verraste, omhelsden ze hem stevig. 'Dank je, Puc,' zei Zane. 'We zullen zorgen dat je trots op ons bent.'
Puc liep plotseling over van emotie. 'Dat weet ik,' fluisterde hij hees.
De jongens haastten zich weg naar de feestelijkheden terwijl Magnus en zijn moeder naar Puc toe liepen. Miranda zei: 'Je kijkt onthutst.'
'Ik werd alleen verrast, dat is alles.'
'Waardoor werd je verrast, vader?' vroeg Magnus.
'Doordat twee jongens die ik nauwelijks ken plotseling zo belangrijk voor me zijn geworden.'
Miranda glimlachte. 'Jij laat mensen altijd belangrijk voor je worden, Puc.' Ze legde een arm om zijn middel. 'Dat is een van de dingen waarom ik van je hou, maar ook iets wat me mateloos ergert.'
Zachtjes zei Puc: 'Ze herinneren me aan Wiliam.'
Zowel Miranda als Magnus zwegen enige tijd. Wiliam, Pucs eerste zoon, was jaren geleden gestorven, maar zijn vader rouwde nog steeds om hem. Magnus legde een hand op zijn vaders schouder, en de drie stonden lange tijd stil bij elkaar voordat ze terugliepen naar Caleb en zijn vrouw; en het festival.
Toen het festival ten einde liep, ging Puc een eindje wandelen met zijn jongere zoon. Nadat ze buiten gehoorsafstand van de andere feestgangers waren, zei Puc: 'Ik heb net bericht van thuis ontvangen.'
'En?'
'Er is weer een moord gepleegd in Kesh.'
Caleb wist genoeg. Hij wist dat sinds Nakur was teruggekeerd van zijn bezoek aan Ridder-Maarschalk Erik von Zwartheide, Puc alle agenten van het Conclaaf in Kesh had opgedragen alert te zijn op bewijs van de terugkeer van de Nachtraven. Gezien het feit dat de moord zo snel onder hun aandacht werd gebracht, moest het slachtoffer wel een belangrijk man zijn geweest. 'Wie was het?'
'Een mindere edele, maar wel iemand met directe banden met een belangrijke partij in de Galerij der Heren en Meesters. Ik heb nog geen volledig beeld van wat er daar gaande is, maar ik denk dat we het begin zien van een belangrijke machtsverschuiving in het Keizerrijk.'
'Een moord zo hier en daar is altijd onderdeel geweest van de politiek in Kesh, vader.'
Puc knikte. Ja, maar een heleboel moorden herinneren me maar al te sterk aan de laatste keer dat iemand probeerde daar de macht te grijpen.' Hij grijnsde. 'Hoewel die vreemde samenloop van omstandigheden ook Nakur naar mij toe heeft geleid.'
'Ik heb het verhaal gehoord,' zei Caleb, zuchtend bij het nieuws van zijn vader. 'Ik had gehoopt dat Marie en ik nog wat tijd samen konden zijn om ons huwelijk te vieren.'
'Het spijt me te moeten zeggen dat jullie maar een paar dagen tijd hebben, want je moet binnen een week in Groot Kesh zijn. Marie zal moeten wennen aan het feit dat hoewel je vaak op normale manieren reist - met paard en wagen - je net zo vaak ook op magische wijze van de ene naar de andere plek reist.' Puc keek over zijn schouder, zag geen reden tot ongerustheid en vervolgde: 'Ik heb Tal, Kaspar en Amafi al naar de hoofdstad gestuurd. Kaspar ziet er nu zo anders uit dat niemand de pas benoemde Comté du Bassillon van het hof van Bas-Tyra zal herkennen.'
'Met alle juiste documenten, ongetwijfeld.'
Puc knikte. 'Tal is een bekende voormalige kampioen van het Meestershof, en zijn bekendheid zal hem helpen om uitgenodigd te worden voor verschillende gelegenheden en op plekken waar we ogen en oren nodig hebben. Maar er zijn ook plaatsen waar een menner en zijn twee leerlingen heen kunnen...'
'Wacht even, pa! Ik wil dat je de jongens mee naar huis neemt.'
Puc greep Calebs arm. 'Ik heb je als man behandeld sinds het moment dat je me liet zien dat je de verantwoordelijkheden van een man aankon. Weet je nog hoe oud je toen was?'
'Zeventien,' zei Caleb. 'Ik weet nog dat ik je zelf vroeg om me op een missie te sturen.' Hij liet zijn hoofd hangen en wist waar dit gesprek naartoe ging.
'Hoe oud zijn Tad en Zane?'
'Zeventien, komende Midzomerdag.'
Puc zweeg even en zei toen: 'Je had geen andere keus dan de jongens mee naar het eiland te nemen. Maar door die beslissing zijn ze de zorg geworden van het Conclaaf, hoewel er grenzen waren aan hun plichten en wat we van ze konden vragen zodra we zeker wisten dat ze te vertrouwen waren. Je hebt noch mij, noch je moeder om raad gevraagd toen je besloot met Marie te trouwen en de jongens in onze familie op te nemen.'
Caleb knikte. 'Dat besef ik.'
'Ik heb je nooit kunnen zeggen waar je je geluk moest zoeken, Caleb. Dat kan niemand. Ik besef dat je leven op veel manieren moeilijker is geweest dan dat van Magnus. Jij was altijd een beetje een buitenstaander, degene zonder magische vermogens. Ik begrijp dat. Maar jouw keus heeft twee jongens in een situatie gebracht die ze nauwelijks begrijpen. Het is jouw plicht als hun stiefvader om ze te leren wat het betekent om deel uit te maken van deze familie.'
Puc staarde een tijdje in de duisternis. 'Toen wij zo oud waren als Tad en Zane was ik al twee jaar gevangene in een Tsurani-werkkamp en had Tomas met de dwergen gevochten in de Grijze Torens.
Misschien is 't het lot,' zei Puc, terwijl hij zijn zoon in de ogen keek. 'Maar of het nu het lot is, of toeval, of wat dan ook, ze maken hier nu deel van uit, en jij moet ze leren wat dat betekent.'
'Marie zal er niet gelukkig mee zijn.'
'Dat weet ik, maar wij zullen er alles aan doen om haar bij onze familie te laten horen.' Puc glimlachte. 'Denk je dat ze klaar is voor wat ze op Tovenaarseiland zal aantreffen?'
Caleb zei: 'Ze is behoorlijk evenwichtig. Ik denk dat ze er wel mee om kan gaan.' Terwijl ze zich omdraaiden om terug te keren naar het festival, voegde hij eraan toe: 'Maar misschien is het verstandig om haar niet te zeer bevriend te laten raken met de Pithirendar-gezusters tot ze een kans heeft gehad om te wennen. Er zijn dingen die een moeder niet hoeft te weten over haar zoons.'
Puc knikte. 'Je bedoelt zoals die keer toen je moeder binnenstapte in dat bordeel in Salador, op zoek naar jou?'
Caleb lachte. 'Precies, ja. Ik weet niet wie er meer van streek was; ik, moeder of de hoer.'
Puc klopte zijn zoon op de schouder. 'Ik wed dat het je moeder was.'
Caleb zei: Je hebt waarschijnlijk gelijk.'
Ze keerden terug naar het festival en Caleb ging naar zijn bruid toe. Hij voelde zich diep bedroefd toen hij overwoog hoe hij haar moest vertellen dat hij en hun zoons over een paar dagen alweer moesten vertrekken.