9
Kesh
Tal deed alsof hij geduldig was.
Petro Amafi stond rechts naast zijn meester en speelde weer zijn rol van plichtmatige lijfknecht van Tal als verveelde Koninkrijkse edele. Ver weg zag hij Kaspar staan, die nu de naam gebruikte van André Comté du Bassillon, van het hertogelijk hof in Bas-Tyra.
Net als alle andere bezoekende edelen was hij het aan zijn eer verplicht zich na aankomst in Groot Kesh te melden bij het Keizerlijk hof. Keizer Diigaí had het uiteraard veel te druk om hen te ontvangen. Kaspar, nu een laaggeplaatste ambtenaar, ondanks het feit dat hij brieven had van de Koning van de Eilanden die bevestigden dat hij tot handelsdiplomatiek gevolmachtigde was benoemd, en Talwin Hawkins, lagere edele en kampioen van het Meestershof in Roldem, hadden gewoonweg niet voldoende rang om tijd van de oude keizer in beslag te nemen.
Ze zouden worden begroet door een lagere functionaris van het hof, iemand met een voldoende hoge positie om de gasten niet te beledigen, maar laag genoeg geplaatst zodat ze hun eigen status niet zouden overschatten. Kaspar had voordat ze samen uit Roldem waren vertrokken aan Talwin uitgelegd dat Roldem zichzelf beschouwde als het culturele centrum van de Koninkrijkszee, maar dat Kesh zichzelf zag als het centrum van de hele bekende wereld, en dat was ook wel enigszins gerechtvaardigd.
Historisch gezien was het de belangrijkste natie in de hele wereld van Midkemia. Het enige wat het Keizerrijk ervan weerhield zijn grenzen verder uit te breiden, was de constante noodzaak om de zuidelijke vazalstaten, de zogenaamde 'Keshische Confederatie' onder controle te houden. Tweehonderd jaar eerder had een opstand in het zuiden ervoor gezorgd dat de noordelijke provincie van Bosanië, nu opgesplitst in het hertogdom Schreiborg en de Vrijsteden van Natal en de eilandprovincie Queg, zich kon losmaken van het Keizerrijk.
De zeemacht van Roldem was samengevoegd met de grote Oostelijke Vloot van het Koninkrijk der Eilanden, door een informele overeenkomst tussen de kleine oostelijke koninkrijken om elkaar te helpen tegen een eventuele inval van Kesh, waardoor het Keizerrijk tot het oosten beperkt bleef.
In het westen zorgden de Westelijke Vloot van het Koninkrijk en de zeemacht van het Keizerrijk Queg er samen met de economische kracht van de Vrijsteden van Natal voor dat Kesh werd ingedamd. Voorlopig was het politieke klimaat over het gehele continent Triagia dus stabiel, voor het eerst sinds eeuwen. En dat betekende dat de gevechten nu plaatsvonden langs economische en politieke grenzen, een stuk minder opvallend maar niet minder akelig en gevaarlijk dan een militaire confrontatie.
Talwin deed zijn best om ervoor te zorgen dat de stabiliteit waar de burgers van alle naties nu van genoten, zou aanhouden. Het zou duidelijk een voordeel voor de vijand zijn als er chaos ontstond in de regio.
Tal zag dat Kaspar probeerde zijn aandacht te trekken, en fluisterde tegen Amafi: 'Ga kijken wat heer André nodig heeft.'
Petro Amafi, ooit huurmoordenaar en verrader van beide mannen, liep snel langs de anderen die geduldig in de voorkamer van de ontvangstzaal stonden te wachten.
Er was een ruw patroon te zien in waar de mensen verkozen te gaan staan, want iedereen die zich meldde bij het Keizerlijk hof had wel een idee van zijn status ten opzichte van de anderen en de volgorde waarin ze zouden worden geroepen. Nabij de deur wachtten degenen die voldoende rang hadden dat ze bijna waardig genoeg waren om direct te worden voorgeleid aan de keizer: lagere prinsen van afgelegen eilanden, edelen die een bloedband hadden met een koninklijk huis, en afgevaardigden met een lagere rang dan ambassadeur.
Kaspar had ooit een hogere status gehad, aangezien hij de gebieder was geweest van het hertogdom Olasko. Het was al meer dan vijf jaar geleden dat hij op staatsbezoek in Kesh was geweest, en hij betwijfelde dat veel mensen hem zouden herkennen - hoewel hij af en toe werd aangekeken door een ambtenaar die leek te vermoeden dat hij Kaspar zou moeten kennen maar hem niet helemaal kon plaatsen. Hij schatte zelf dat hij ten minste dertig pond was afgevallen sinds hij gebieder van Olasko was geweest. Een jaar lang zwaar leven en minder eten dan hij gewend was, gevolgd door een strikt regime van inspannende oefeningen en lichte maaltijden, hadden hem slank gehouden. In plaats van de netjes geknipte baard die hij ooit had, was hij nu glad geschoren en had hij zijn haar tot op zijn schouders laten groeien. Met zijn kleding van de meest populaire kleermaker in Bas-Tyra zag hij eruit zoals een heer van dat hof betaamde.
'Meester Talwin vraagt wat u nodig hebt, verhevenheid?' zei Amafi toen hij bij Kaspar was aangekomen.
Met een lichte hoofdknik zei Kaspar: 'Zeg tegen de jonker dat ik me mogelijk moet terugtrekken. Ik denk dat ik misschien herkend ben.'
Amafi draaide zich onopvallend om alsof hij met Pasko wilde praten, de oude agent die een van de eerste leraren van Klauw was geweest. Terwijl Amafi over onbelangrijke zaken sprak, liet hij zijn blikken door de ruimte dwalen. Hij keek niemand lang genoeg aan om oogcontact te maken, maar identificeerde iedereen die mogelijk een bedreiging zou kunnen zijn. Glimlachend wendde hij zich weer tot Kaspar en zei: 'Ik neem aan dat mijn heer verwijst naar de lagere ambtenaar nabij dat deurtje rechts?'
'Eigenlijk was het een man die net nog met hem sprak voordat hij door die deur verdween,' zei Kaspar. 'Die andere kerel houdt me alleen maar in de gaten, vermoed ik.'
'Ik zal uw zorgen aan mijn meester overbrengen,' zei Amafi. 'Als we u vanavond niet meer zien, zullen we van het ergste uitgaan.'
Met een nietszeggende uitdrukking en een geforceerde glimlach zei Kaspar: 'Doe dat, Amafi.'
Pasko zei: 'Vertel het ook aan degenen die het misschien zouden willen weten.'
Amafi knikte. Pasko, een norse man van middelbare leeftijd, was door het Conclaaf gestuurd om Kaspar zorgvuldig in het oog te houden. De voormalige hertog van Olasko had het jaar ervoor veel goede wil gekweekt door het Conclaaf te berichten over de dreiging van de Dasati, maar ze vertrouwden hem nog steeds niet helemaal. Dus hield Pasko een oogje op Kaspar, terwijl Talwin een oogje hield op Amafi.
Het plan was eenvoudig: het Conclaaf had drie groepen agenten naar de stad Kesh gestuurd: Kaspar en Pasko, Tal en Amafi, en Caleb met zijn jongens. Kaspar zou als laaggeplaatste afgevaardigde toegang hebben tot veel belangrijke regerings-ministers en ambtenaren, en Tal zou zich gemakkelijk kunnen bewegen in de sociale kringen van de lagere Keshische adel. Als voormalig kampioen van het Meestershof en met zijn reputatie als rokkenjager en gokker zou het hem niet ontbreken aan uitnodigingen. Caleb en de jongens zouden kunnen opgaan tussen de gewone burgers van het Keizerrijk, van eerlijke arbeiders tot misdadigers. Het Conclaaf hoopte dat ze door het plaatsen van drie verschillende groepen agenten enig idee konden krijgen van waar de leider van de Nachtraven zich ophield. En Puc hoopte via een van die kanalen ook de verblijfplaats te ontdekken van zijn oude vijand, Leso Varen.
Amafi bracht Kaspars boodschap over aan Tal, die zei: 'Als we worden gescheiden en ondervraagd, weet je wat je moet zeggen.'
'Jawel, verhevenheid,' antwoordde de grijsharige huurmoordenaar. 'U hebt de Comté bij verschillende gelegenheden in Bas-Tyra en elders ontmoet. U hebt zelfs met hem gekaart, en was verheugd te ontdekken dat jullie op hetzelfde schip reisden van Caralién naar Kesh. We zijn over land van Wijzershoofd naar Ishlana gereisd, en vervolgens per rivierboot. De Comté zei dat hij vanuit Rillanon kwam, dus ik nam aan dat hij over land was gereisd vanuit Diep Tenter naar Jonril en toen per boot naar Caralién. Het was een fortuinlijk toeval, want de Comté is prettig gezelschap.' Met een arglistige glimlach voegde hij eraan toe: 'En een onverschillig kaartspeler.'
'Overdrijf het niet,' zei Tal. 'Maar als ze ervan uitgaan dat ik bij hem in de buurt blijf zodat ik hem kan bedriegen met kaarten, vermoeden ze misschien niet dat we samenspannen.'
'Een kleinere kwade bedoeling wordt vaak veel sneller geloofd dan een grote, verhevenheid,' fluisterde Amafi. 'Ik ben ooit een keer de galg ontlopen door te beweren dat ik een huis was binnengegaan voor het gezelschap van iemands echtgenote in plaats van om hem te vermoorden. De vrouw ontkende het hevig, maar het vreemde was dat hoe luider zij protesteerde, hoe meer de machthebbers geloofden wat ik zei. Ik werd in de gevangenis gezet, waaruit ik enkele dagen later kon ontsnappen. De man sloeg zijn vrouw; waarna zijn broer hem in een duel ombracht, en ik kreeg betaald voor de dood van de man, hoewel ik geen vinger naar hem had uitgestoken. Maar ik ben nog wel een keer bij zijn weduwe langs geweest om haar te troosten, en toen ik haar gedrag zag begreep ik hoe het kwam dat de drost mij had geloofd, en niet haar.' Met een mijmerende blik in zijn ogen voegde hij eraan toe: 'Haar verdriet maakte haar vurig.'
Tal grinnikte. Op diverse momenten sinds ze elkaar kenden zou hij Amafi met alle plezier hebben omgebracht, en hij was er zeker van dat de voormalige huurmoordenaar hem op bepaalde momenten en voor de juiste prijs zou hebben vermoord, maar ergens in de loop der tijd was hij op de schurk gesteld geraakt.
Zijn gevoelens voor Kaspar waren een stuk ingewikkelder. De man was verantwoordelijk geweest voor de totale vernietiging van zijn hele ras, en alleen door een vreemde speling van het lot was Tal Hawkins, ooit Klauw van de Zilverhavik, het noodlot bespaard van de overgrote meerderheid van de Orosini.
Maar Kaspar was nu een bondgenoot, ook een agent voor het Conclaaf der Schaduwen. En Tal was gaan begrijpen hoeveel van Kaspars moorddadige beslissingen waren genomen onder invloed van de gevaarlijkste vijand van het Conclaaf, de magiër genaamd Leso Varen. Maar ook zonder diens invloed kon Kaspar een kille, onvergeeflijke rotzak zijn. En hoewel hij Kaspar had gediend met de bedoeling hem te verraden om zijn volk te wreken, was er iets aan Kaspar dat Tal bewonderde. Het was een verwarrende situatie. Hij wist dat hij zijn leven zou geven om Kaspar te redden van hun gezamenlijke vijanden, maar onder andere omstandigheden zou hij de man met alle plezier vermoorden.
'U lijkt in gedachten verzonken, verhevenheid. Zit u iets dwars?'
'Niets meer dan het gebruikelijke, Amafi. De goden hebben soms een kwaadaardig gevoel voor humor.'
'Dat is waar, verhevenheid. Mijn vader, bij gelegenheid een wijs man, zei ooit dat we alleen gezegend waren wanneer de goden zich niets van ons aantrokken.'
Tal keek weer in de richting van Kaspar. 'Er is iets gaande.'
Amafi draaide zich om en zag een beambte van het hof tegen Kaspar spreken, en even later volgden Kaspar en Pasko de man door de kleine zijdeur waar Kaspar op had gewezen.
Tal zuchtte. 'Nou, we zullen zien of onze plannen mislukken voordat ze beginnen.'
'Laten we hopen dat de goden ons vandaag negeren, verhevenheid.'
Kaspar werd door een zeer beleefde ambtenaar door een lange reeks gangen geleid. Ze liepen langs diverse zijgangen rond de kleinere ontvangstruimte, waar bezoekende hooggeplaatsten naar de vertrekken van overheidsdienaren werden geleid.
Het paleis van de keizer overspande de gehele bovenste helft van een groot rotsplateau dat uitkeek op het Overnse Diep en de stad aan de voet ervan. Eeuwen eerder hadden Keshische bestuurders een enorm fort gebouwd op de top van dit uitsteeksel, een goed verdedigbare positie vanwaar uit het stadje beneden kon worden beschermd. In de loop der eeuwen was het oorspronkelijke fort uitgebreid, herbouwd en vergroot, totdat het gehele plateau ermee was bedekt. Er liepen tunnels omlaag in de rots, sommige naar de stad beneden. Het leek veel op een bijenkorf, vond Kaspar. Het resultaat hiervan was dat hij nauwelijks wist waar hij was. Vóór deze reis had hij zich natuurlijk nooit zorgen hoeven te maken dat hij zou verdwalen, want als bezoekend heerser was er altijd een attente Keshische edele of bureaucraat die voor hem zorgde.
Kaspar begreep de organisatie van de Keshische regering even goed als iedere buitenlander kon, en hij wist dat dit land, meer dan alle andere op Midkemia, werd bestuurd door bureaucratie, een systeem dat langer had standgehouden dan enige besturende dynastie. Koningen konden decreten uitvaardigen en prinsen konden legers bevelen, maar als de decreten niet aan het volk werden bekendgemaakt kon niemand eraan gehoorzamen, en als de bevelen voor de verplaatsing van voedsel en voorraden niet werden gegeven, zou het leger van de prins in het veld snel omkomen van de honger of zou er muiterij uitbreken.
Bij meer dan één gelegenheid was Kaspar dankbaar geweest dat zijn hertogdom hiermee vergeleken relatief klein en geordend was. Hij kende alle functionarissen in de citadel die al het grootste deel van zijn leven zijn thuis was. Hij betwijfelde of de keizer hier zelfs maar de namen kende van de dienaren in zijn privé-vertrekken.
Ze kwamen in een groot studeervertrek, en Pasko werd opgedragen op een stenen bankje buiten de deur te wachten. Kaspar werd door de deur geleid naar een nog groter vertrek, dat was ingericht met een vreemde mengeling van overdaad en functionaliteit. Midden in de kamer stond een grote tafel, en erachter zat een man in een stoel. Hij was ooit sterk en machtig geweest, maar was nu dik geworden, al zaten er onder die lagen vet nog meer dan voldoende spieren. Kaspar wist dat die oude man een geslepen en gevaarlijke geest had. Hij droeg de traditionele kledij van een rasbloed: een linnen kilt, met een geweven zijden gordel om zijn heupen, gekruiste sandalen aan zijn voeten en een blote borst. Hij droeg ook een indrukwekkende hoeveelheid juwelen, het merendeel goud en edelstenen, hoewel hij ook enkele interessante geslepen stenen aan het dozijn kettingen om zijn nek had hangen. Ze staken scherp af tegen zijn huid, die zo zwart was als de nacht. Hij keek Kaspar aan met ogen die zo donkerbruin waren dat ze zwart leken en glimlachte toen, waarbij zijn witte tanden scherp afstaken tegen zijn gezicht.
'Kaspar,' zei hij op vriendelijke toon. 'Je bent veranderd, mijn vriend. Ik zou zeggen dat je er beter uitziet, als ik daarmee niet te ver ga.' Hij wuifde het geleide weg, en toen met een handgebaar ook de twee wachten bij de deur, zodat Kaspar alleen met hem achterbleef.
Kaspar knikte lichtjes. 'Turgan Bey, Heer van de Veste, waarom ben ik niet verrast?'
'Je dacht toch niet werkelijk dat de voormalige Hertog van Olasko onopgemerkt het Keizerrijk kon binnensluipen?'
'Hoop doet leven,' zei Kaspar.
Lord Turgan gebaarde Kaspar naar een stoel. 'Comté André?' Hij las iets van een stuk perkament af. 'Ik moet toegeven dat ik me behoorlijk heb moeten inhouden om je niet al aan de grens te laten oppakken, maar ik wilde zien wat je van plan was. Als je de stad was binnengeslopen of bekende opstandelingen of smokkelaars had ontmoet, dan zou ik dit allemaal wel hebben begrepen. Maar in plaats daarvan dien je een verzoek in om je te laten presenteren als een handelsdiplomatiek gevolmachtigde van het hof van de Hertog van Bas-Tyra. En dan loop je hier plompverloren binnen en sta je te wachten als... als ik weet niet wat.'
De nog steeds sterk uitziende oude man trommelde even met zijn vingers op de tafel, en vervolgde toen: 'Dus als je een reden kunt aanvoeren waarom ik jou en die bediende van je niet voor de krokodillen in het Overnse Diep moet gooien, zou ik die graag horen. Misschien gooi ik je vriend Hawkins wel achter je aan.'
Kaspar ging achterover zitten. 'Hawkins en ik spelen kaart, en ik denk dat hij vals speelt. Meer niet. Ik dacht dat ik misschien geloofwaardiger zou overkomen als ik aankwam met een beroemde jonker uit het Koninkrijk.'
'Of je zorgt ervoor dat de jongeling vroegtijdig aan zijn einde komt.' Turgan Bey grinnikte. 'Denk je nu echt dat ik niet weet dat Talwin Hawkins je meer dan twee jaar heeft gediend? Of dat ik niet weet dat hij een hoofdrol speelde bij je ondergang? Maar toch doe je hier, in mijn eigen veste, net alsof jullie elkaar toevallig hebben ontmoet en jullie tijd verdoen met zinloze kaartspelletjes.' Hij schudde zijn hoofd. 'Ik kan niet zeggen dat ik erg gesteld op je ben, Kaspar. We hebben je altijd in de gaten gehouden vanwege de problemen die je veroorzaakte, maar zolang je op je eigen plekje van de wereld bleef, trokken we ons niet veel van je aan. En om eerlijk te zijn heb je je altijd aan je verdragen met Kesh gehouden. Maar nu je geen heerser meer bent van Olasko, hoeven we bepaalde politieke beleefdheden niet langer in acht te nemen. En aangezien je hebt geprobeerd om het paleis binnen te komen met een valse identiteit, kunnen we er wellicht van uitgaan dat je een spion bent?'
'Dat kan,' zei Kaspar glimlachend. 'En ik heb iets voor je.' Hij haalde de zwarte Nachtraaf-amulet onder zijn tuniek te voorschijn, schoof hem over de tafel naar Turgan toe en wachtte terwijl de oude minister hem oppakte en bekeek.
'Waar heb je dit vandaan?'
'Van een vriend van een vriend, die hem kreeg van heer Erik von Zwartheide.'
'Dat is een naam die een Keshische generaal slapeloze nachten kan bezorgen. Hij heeft ons een paar keer vreselijk veel gekost aan de grens.'
'Nou, als je grens commandanten niet de neiging hadden om in naam van hun keizer te veroveren zonder opdracht van jullie centrale regering, zouden jullie minder problemen hebben met Von Zwartheide.'
'We sturen niet noodzakelijk onze slimste officieren naar het westelijke front,' verzuchtte Turgan Bey. 'Die bewaren we voor hier in de hoofdstad. De politiek kost me nog eens mijn leven.' Hij tikte met zijn vinger op de amulet. 'Wat denk jij hiervan?'
'Er sterven Keshische edelen.'
'Dat gebeurt zo vaak,' zei Turgan Bey glimlachend. 'We hebben een heleboel edelen. Je kunt in de stad nog geen graankoek van een handelaarskar gooien zonder een edele te raken. Dat komt doordat de bevolking zich al duizenden jaren enthousiast voortplant.'
'Er sterven ook rasbloeds.'
Turgan Bey lachte niet meer. 'Dat had Von Zwartheide niet moeten kunnen merken. Hij moet betere spionnen hebben dan ik had gedacht. Maar ik vraag me toch nog steeds af waarom de voormalige hertog van Olasko mijn stad is binnengewandeld, en mijn paleis in, om me dit te geven. Wie heeft je gestuurd? Hertog Rodoski?'
'Ha!' zei Kaspar. 'Mijn zwager ziet mijn kop nog liever op een staak langs de ophaalbrug naar zijn citadel dan tegenover hem aan tafel. Alleen zijn liefde voor mijn zus zorgt ervoor dat ik mijn kop niet kwijtraak; naast het feit dat ik ver bij Olasko uit de buurt blijf.'
'Ben je dan door Von Zwartheide gestuurd?' zei Bey fronsend.
'Ik heb de geëerde Ridder-Maarschalk van Krondor pas één keer ontmoet, enkele jaren geleden, en toen hebben we elkaar maar kort gesproken.'
Bey kneep zijn ogen tot spleetjes. 'Wie heeft je gestuurd, Kaspar?'
'Iemand die je eraan wil herinneren dat niet alleen vijanden zich in de schaduwen verbergen,' zei Kaspar.
Turgan Bey stond op en zei: 'Kom mee.'
Hij leidde Kaspar door een ruimte die eruitzag als een wat gerieflijker werkkamer met een paar schrijftafels voor klerken en een grote leunstoel waarin de man zelf ruim zou passen. Hij gebaarde Kaspar naar het balkon, dat uitzicht bood op een weelderige tuin, drie verdiepingen onder hen. Toen zei hij: 'Nu weet ik zeker dat niemand ons afluistert.'
'Vertrouw je je eigen wachten niet?'
'Jawel, maar wanneer er leden van de Keizerlijke familie, hoe ver verwijderd ook, dood worden gevonden, vertrouw ik niemand.' Hij keek Kaspar aan. 'Heeft Nakur je gestuurd?'
'Indirect,' zei Kaspar.
'Mijn vader heeft me het verhaal verteld van de eerste keer dat die gekke Isalani in het paleis opdook. Hij en de prinsen Borric en Erland en heer James - hij was een baronet of baron toen, geloof ik - hielden de Keizerin in leven en regelden dat Diigai na haar de troon zou bestijgen door hem met haar kleindochter te laten trouwen. Ze verdedigden haar in de Keizerlijke troonzaal zelf! Tegen moordenaars die die idioot van een Awari op de troon wilden hebben. Vanaf die dag is mijn vaders houding ten opzichte van het Koninkrijk veranderd. En hij heeft me verteld hoe Nakur die valk uit zijn tas haalde en de lijn hier in het paleis herstelde.' Hij leunde achterover en vervolgde: 'Dat was een bijzondere dag. Dus je kunt je mijn verrassing voorstellen, de eerste keer dat Nakur verscheen bij mijn vaders landgoed in Geansharna - ik was toen een jaar of vijftien.' Zijn ogen versmalden. 'Die gekke Isalani is me sindsdien altijd blijven verbazen. Ik zal je niet vragen hoe het komt dat je met hem samenwerkt, maar als hij je gestuurd heeft, moet daar een goede reden voor zijn.'
'Dat is ook zo. Er werkte voor mij, of dat dacht ik tenminste, een magiër met de naam Leso Varen. Hij bleek deels verantwoordelijk voor mijn excessen in de laatste paar jaar voordat ik werd verbannen.'
Bey wilde iets zeggen maar bedacht zich, en Kaspar vervolgde: 'Als je op zeker moment een uitgebreid verslag wilt horen van wat ik heb gedaan en waarom, zal ik je dat vertellen, maar laten we nu volstaan met te zeggen dat Varen misschien wel de bron is van je huidige problemen. Als dat zo is, staat er meer op het spel dan alleen een bloediger dan gebruikelijk spel van Keshische politiek.
Als Nakur gelijk heeft, dan kan de hele regio instabiel worden en zien we misschien nog veel meer onnodige oorlogvoering.'
Bey bleef een tijd lang stil zitten en zei toen: 'Wie weten er nog meer dat je hier bent?'
'Hawkins, natuurlijk,' zei Kaspar. 'Nakur, de mannen bij ons en een paar andere agenten van het Conclaaf in het noorden, maar niemand hier in Kesh behalve jij.' Hij besloot om Calebs rol in dit alles niet te vertellen; het was altijd beter om iets achter de hand te houden voor het geval het nodig was.
'Dit wordt een probleem,' zei Turgan Bey. 'Verschillende van mijn agenten weten het, en hoewel ik graag denk dat ze allemaal boven verdenking staan, heeft de geschiedenis ons iets anders geleerd. Dus hoe gaan we deze situatie in ons voordeel gebruiken?'
'Politiek asiel?'
Bey zweeg een tijdje en zei toen: 'Dat zou kunnen werken. Dan hoeven we ons geen zorgen meer te maken over je vervalste documenten - en ik neem aan dat ze perfect zijn?'
'Onbetwistbaar.'
'Niemand zal de moeite nemen ze na te trekken. We kunnen zeggen dat het allemaal een list was om je veilig weg te krijgen van... Nou, maak maar een lijst, Kaspar. Er zijn een heleboel mensen die je graag dood zouden willen zien.'
'Hoezeer het me ook grieft,' zei Kaspar, 'ik moet toegeven dat dat waar is.'
'Dus we hebben wat details nodig om het verhaal aan te dikken, maar laten we dit zeggen: ondanks de beloften van je zwager aan je zus om je te sparen, zijn zijn agenten naar je op zoek om je snel van de wereld te helpen. Je bent Olasko ontvlucht en naar de enige plek gekomen waar je misschien veilig zou zijn, Groot Kesh. Is dat iets?'
'Het voldoet wel,' gaf Kaspar toe. 'Rodoski is een man van zijn woord, maar er zullen niet veel mensen zijn die daaraan zullen denken, en ik hád beloofd om uit Olasko weg te gaan.'
'Ik zoek wel iemand om je bij te staan, Kaspar. Dat kan ik zelf niet doen. De Vestmeester is de laatste beschermingsring rond de troon, en als mijn vermoeden waar blijkt te zijn, zal die troon al snel worden aangevallen.
De keizer gebruikt magie om zijn leven te verlengen, en hij is nu meer dan honderd jaar oud. Enkelen in de Galerij der heren en Meesters verlangen naar een verandering. De zonen van de keizer zijn dood, en zijn dochters zijn al te oud om nog nieuwe erfgenamen te baren.'
'Wie is er dan erfgenaam?'
'Sezioti, de oudste zoon van de oudste zoon van de keizer, maar hij is geen charismatische leider. Zijn jongere broer, Dangai, is heel populair. Hij is een uitstekend jager - en je weet hoe belangrijk dat is voor de rasbloeds - en is krijger geweest. Hij leidt nu het Binnenlegioen, en dat is een zeer machtige positie in het Keizerrijk.
Sezioti is een wetenschapper en hoewel hij geliefd is, wordt hij niet gezien als een geboren leider. Maar hij heeft de steun van de Meester der Paarden, heer Semalcar, en de Leider van de Keizerlijke Wagenmenners, heer Rawa, en dat is meer dan gelijk aan de invloed van het Binnenlegioen.'
'Kortom, de Galerij der Heren en Meesters is weer verdeeld, en een grootschalige burgeroorlog is niet ondenkbaar.'
'Helaas niet,' zei Turgan Bey.
'Ik denk dat we een gemeenschappelijk doel hebben,' zei Kaspar.
Bey knikte. 'Schijnbaar. Ik zal vertrekken voor je laten voorbereiden en kijken wie je kan steunen om de keizer te ontmoeten. Vertrouw me, het wordt een formaliteit tegen de tijd dat je voor Zijne Majesteit verschijnt.' Hij zweeg even. 'Maar wat doen we met Hawkins?'
'Laat hem voorlopig maar zijn gang gaan. Doe maar wat je zou hebben gedaan als hij zonder mij was gearriveerd.'
'Prima,' zei Bey. 'Ik zal je bediende laten halen, en over een dag of twee zullen we zien wat we aan je kunnen hebben.'
'Er is hier meer in het spel dan de veiligheid van het Keizerrijk, weet je,' zei Kaspar. 'Ik ben dan misschien niet welkom in Olasko, maar ik hou van mijn land. Bovendien is mijn zuster, die ik meer koester dan wie ook op deze wereld, daar met haar gezin. Wanneer er daar oorlog uitbreekt en de grenzen overgaat, is dat een bedreiging voor hen. Burgeroorlog in Kesh kan gemakkelijk voor instabiliteit in de hele regio zorgen.'
Het leek Kaspar het beste om de talnoy en het gevaar van de Dasati maar niet te noemen. Bey had zo al genoeg aan zijn hoofd.
Bey knikte. 'Ik verlang naar eenvoudiger tijden, Kaspar, toen ik me alleen maar druk hoefde te maken over groepen opstandelingen in het zuiden of ambitieuze generaals van het Koninkrijk in het noorden.' Hij wuifde Kaspar weg en zei: 'Grensoorlogen zijn zoveel minder ingewikkeld dan al deze magie, intrige en geheime bondgenootschappen. Ga uitrusten. We spreken elkaar binnenkort weer.'
Kaspar volgde een bediende naar zijn nieuwe vertrekken en was blij te zien dat ze geschikt waren voor een koning. Hij had zeven kamers tot zijn beschikking, compleet met bedienden - van wie sommigen adembenemend mooie jongedames waren, allemaal in de traditionele ras bloed-kledij, dezelfde linnen kilt en blote borst als de mannen, met een ring rond hun hals die hun rang aangaf.
Toen Pasko arriveerde, vond hij Kaspar zittend op een divan, etend van een bord fruit terwijl twee mooie jonge vrouwen naast hem stonden te wachten tot hij iets nodig had. De voormalige leraar van Klauw van de Zilverhavik en langjarig agent van het Conclaaf zei: 'Is alles gegaan zoals gepland?'
'Zoals we hadden verwacht,' zei Kaspar. 'Heer Bey is alles wat ons verteld is.'
De beide mannen keken rond in hun overdadige onderkomen. Kaspar wierp een blik op een van de meisjes, die vriendelijk naar hem glimlachte. Toen keek hij Pasko aan en zei: 'Als ik had geweten dat het zo zou zijn, dan had ik lang geleden al politiek asiel aangevraagd.'