14

Doorbraak

 

Magnus keek oplettend toe.

Nakur stond over de talnoy gebogen. Er stonden ook drie Tsuranese Grootheden toe te kijken.

'Het is niets opvallends,' zei Nakur. 'En ik kan me vergissen, maar...' Hij bewoog zijn hand over de helm van het ding en vervolgde: '...als mijn idee werkt...'

De talnoy ging rechtop zitten. Magnus zette grote ogen op en glimlachte. 'Het is je gelukt.' Magnus hield de ring vast die ze tot dan toe nodig hadden gehad om het wezen te besturen.

Nakur zei: 'Ik denk dat ik wel een manier kan vinden om de talnoy te besturen zonder die ring. Dat zou mooi zijn, want het feit dat je er waanzinnig door wordt maakt het gebruik van de ring toch wat lastig.'

Illianda floot bewonderend. 'Indrukwekkend, Nakur.' Illianda was een van de eerste Grootheden die de wispelturige Isalani hadden ontmoet, en zat er niet mee dat Nakur niet paste in de magische hiërarchie van de Tsurani ten aanzien van de Hogere en Lagere Paden. Meestal ontkende Nakur zelfs dat hij een beoefenaar van magie was. Het leek Illianda niet te kunnen schelen wat hij was, zolang het maar resultaat opleverde.  

'Maar we moeten ons nog wel bezighouden met de scheuringen die door dit ding naar onze wereld worden getrokken,' zei Fomoine. 'Als we geen beschermende afweren kunnen plaatsen, moeten we dit ding naar Midkemia terugbrengen, om het risico voor onze wereld af te wenden. Er is nog een mogelijke scheuring ontstaan sinds jullie hier voor het laatst waren. Niets specifieks, maar twee van onze broedermagiërs zijn nu naar de plek toe om te kijken of dat inderdaad is gebeurd.'  

Nakur knikte. 'Ik zal het Puc vertellen. Hij probeert de afweren te begrijpen die dit ding al zo lang voor magische detectie afschermen.'  

Magnus zei: 'Misschien kunnen we de magische krachten die het volgen ontwijken door het ding naar Midkemia te verplaatsen, maar wat als het daarvoor al te laat is?'  

De drie Tsuranese magiërs wisselden vragende blikken uit. Toen zei Savdari: 'Als het al te laat is, dan zullen we onze eigen middelen moeten gebruiken om een inval in onze wereld te voorkomen. Zo niet, dan kunnen onze beide werelden wat tijd winnen door de talnoy steeds te verplaatsen. Een paar weken daar en dan weer hier, en dan weer naar Midkemia?'

'Dat is mogelijk,' zei Magnus. 'Ik zal het er vanavond met mijn vader over hebben. Ik hoop echter dat het heen en weer schuiven van de talnoy tussen onze werelden niet nodig zal zijn en dat we snel een effectieve afweer zullen vinden.'

Nakur zei: 'Als het moet, kunnen we de talnoy snel door de scheuring verplaatsen, naar Sterrewerf en vervolgens weer ergens anders naartoe.'  

De drie Tsuranimagiërs maakten een buiging. 'Breng zoals altijd ons respect over aan Milamber,' zei Illianda, Pucs Tsurani-naam gebruikend.  

Magnus en Nakur bogen terug. 'Dat doen we, en zoals altijd betuigt hij zijn respect aan de Grootheden van Tsuranuanni.' Ze verlieten de kamer met de talnoy en liepen door verschillende zalen naar de scheuringsruimte.

In tegenstelling tot vroeger werd de scheuring tussen de Assemblee van Magiërs op Kelewan en de Academie in Sterrewerf niet meer constant open gelaten. Met de huidige zorg over scheuringen vanuit de Dasatiwereld, had het Puc en de Grootheden van Tsuranuanni beter geleken de scheuring alleen te openen als het moest. Magnus stelde zich voor het scheuringstoestel op en stak zijn armen uit, waarbij hij de juiste bezwering uitsprak. Nakur keek zwijgend toe en de jongere magiër doorliep het hele ritueel dat nodig was om de energieën op elkaar af te stemmen waarmee de kloof tussen de twee werelden werd overbrugd.  

De ruimte werd even gevuld met een vreemd gezoem, en toen gingen de haartjes op de armen en nek van Nakur en Magnus overeind staan, alsof vlakbij de bliksem was ingeslagen. Toen verscheen er een flikkerende grijze leegte voor de twee mannen. Ze stapten er beiden zonder aarzelen doorheen en stonden een tel later op het eiland bij Sterrewerf.  

Er hadden zich enkele magiërs verzameld toen de scheuring was verschenen, maar toen ze Magnus en Nakur zagen, knikten ze begroetend en vertrokken.

Magnus draaide zich om en liet de scheuring met een handgebaar verdwijnen. Met een droog glimlachje zei hij: 'Mijn vader vertelde me dat hij bijna omkwam toen hij de eerste Tsurani-scheuring wilde sluiten.'  

Nakur zei: 'Dat verhaal heb ik gehoord. En voordat je te veel eigendunk krijgt, denk er dan maar aan dat hij een machine moest uitschakelen die was gemaakt door een dozijn Grootheden, en dat hij er de hulp van je grootvader bij nodig had.'  

Magnus haalde zijn schouders op. 'Ik vergeleek mezelf niet met mijn vader of mijn grootvader, Nakur.' Hij liep in de richting van het strand. 'Ik wilde alleen zeggen dat... O, laat ook maar zitten.'  

Toen ze aan de rand van het meer aankwamen, haalde Magnus een bol te voorschijn en even later stonden de beide mannen voor de deur van Pucs studeervertrek. Magnus klopte en de stem van Puc klonk: 'Binnen.'  

Nakur wachtte even. 'Vertel jij maar aan je vader wat we hebben gedaan en ontdekt. Ik ga op zoek naar Bek.'

Magnus knikte en Nakur vertrok.

Een paar minuten later trof hij Bek aan onder een boom, waar hij zat te kijken naar een stel studenten die een lezing van Rosenvar aanhoorden. Toen hij Nakur zag aankomen, sprong hij overeind en vroeg: 'Gaan we weg?'

'Hoezo? Verveel je je?'

'Enorm. Ik heb geen idee waar die man het over heeft. En de studenten hier zijn niet zo aardig.' Hij keek Nakur aan en zei beschuldigend: 'En dat wat je in mijn hoofd hebt gedaan...' Zijn uitdrukking was een toonbeeld van frustratie, en hij leek op het punt te staan om in tranen uit te barsten. 'Een van de jongens beledigde me, en normaal zou ik hem gewoon een hele harde klap hebben gegeven, waarschijnlijk in zijn gezicht. Als hij dan weer was opgestaan, zou ik hem nog eens hebben geslagen. Ik zou hem zijn blijven slaan totdat hij niet meer opstond.' Met een bijna gepijnigd gezicht zei Bek: 'Maar ik kon het niet, Nakur. Ik kon niet eens een vuist maken. Hij stond me daar maar aan te kijken alsof er iets mis met me was, en dat was ook zo! En er was een mooi meisje dat ik wilde hebben, maar toen ze niet bleef staan om met me te praten en ik probeerde haar te grijpen, gebeurde hetzelfde! Ik kon mijn hand niet uitsteken om...' Bek vertrok zijn gezicht. 'Wat heb je met me gedaan, Nakur?'  

Nakur legde zijn hand op de schouder van de jongeman en zei: 'Iets wat ik liever niet zou doen, bij niemand, Bek. Maar je kunt voorlopig tenminste niemand kwaad doen, behalve om jezelf te verdedigen.'

Bek zuchtte. 'Zal ik altijd zo blijven?'

'Nee,' zei Nakur. 'Niet als je je impulsen en woede leert te beheersen.'

Bek lachte. 'Ik word nooit woedend, Nakur. Niet echt.'

Nakur gebaarde dat Bek moest gaan zitten, en nam naast hem plaats. 'Wat bedoel je?'

Bek haalde zijn schouders op. 'Soms erger ik me, en als ik pijn heb kan ik echt dingen stukmaken, maar ik vind de meeste dingen eigenlijk alleen maar grappig of niet grappig. Mensen hebben het over liefde, haat, afgunst en zo, en ik denk dat ik weet wat ze bedoelen, maar ik weet het niet zeker.

Ik bedoel, ik heb gezien hoe mensen zich tegenover elkaar gedragen en ik kan me nog wel iets herinneren van gevoelens van toen ik klein was, zoals wanneer mijn moeder me vasthield. Maar meestal geef ik niet om dezelfde dingen waar andere mensen om geven.' Hij keek Nakur aan en hij klonk bijna smekend. 'Ik heb vaak gedacht dat ik anders was, Nakur. Heel veel mensen hebben me dat ook verteld. En dat heeft me nooit iets kunnen schelen.' Hij liet zijn hoofd hangen en keek naar de grond. 'Maar dat wat je met me hebt gedaan, geeft me een gevoel van...'  

'Frustratie?'

Bek knikte. 'Ik kan de dingen niet meer zo doen als vroeger. Ik wilde dat meisje, Nakur. Ik vind het niet leuk als ik niet kan krijgen wat ik hebben wil!' Er kwamen tranen van frustratie in Beks ogen.

'Er heeft nog nooit iemand nee tegen je gezegd, hè?'

'Soms wel, maar dan vermoordde ik ze en pakte ik toch wat ik wilde.'

Nakur zweeg en had toen een ingeving. 'Iemand heeft me ooit eens een verhaal verteld. Het ging over een man die in een wagen reed en die werd achtervolgd door wolven. Toen de man de veiligheid van een stad bereikte, zag hij dat de poorten dicht waren. Terwijl hij om hulp riep, haalden de wolven hem in en scheurden hem aan stukken. Wat vind je van dat verhaal, Ralan?'  

Bek lachte. 'Dat vind ik best een grappig verhaal! Ik wed dat hij behoorlijk verbaasd heeft gekeken toen die beesten hem inhaalden!'

Nakur zweeg en stond op. 'Wacht hier. Ik kom zo terug.' De Isalani liep regelrecht naar Pucs studeerkamer. Hij klopte aan maar wachtte niet op antwoord voordat hij de deur opende.

'Ik moet je spreken. Nu,' zei Nakur.

Puc keek op van zijn plaats voor het open raam waar hij genoot van het zomerse briesje. Magnus zat tegenover hem, en beide mannen keken de opgewonden Isalani vragend aan. 'Wat is er?' vroeg Puc.

'Die man, Ralan Bek, is belangrijk.'

'Dat heb je al gezegd,' antwoordde Magnus.

'Nee, nog belangrijker dan we vermoedden. Hij begrijpt de Dasati.'  

Puc en Magnus keken elkaar verschrikt aan, en toen vroeg Magnus: 'Hadden we niet afgesproken dat we er met niemand anders over zouden praten?'

Nakur schudde zijn hoofd. 'Ik heb hem niets verteld. Hij kent ze omdat hij net zo is als zij. Ik begrijp nu hoe zij zo zijn geworden.'

Puc ging achterover zitten. 'Dat klinkt interessant.'

Nakur zei: 'Ik bedoel niet dat ik alle details begrijp of precies waarom het zo is, maar ik weet wat er gebeurd is.'

Puc gebaarde Nakur naar een stoel.

'Toen Kaspar beschreef wat Kalkin hem had laten zien van de Dasatiwereld, reageerden wij allemaal op dezelfde manier. Na onze zorg over de dreiging die ze kunnen zijn, vroegen we ons af hoe zo'n ras kon zijn ontstaan. Hoe kon een volk ontstaan, groeien en welvarend leven zonder mededogen, vrijgevigheid en een gevoel van gezamenlijk belang?  

Ik vermoed nu dat ze dat ooit wel hadden, maar dat het kwaad in die wereld kwam. Deze Ralan Bek is een voorbeeld van wat wij allemaal zullen worden als hetzelfde kwaad hier de overhand krijgt.' Nakur zweeg even, stond op en begon te ijsberen alsof hij moeite had zijn gedachten te ordenen.  

'Bek is zoals de goden hem hebben gemaakt.' Hij keek Magnus aan, die knikte. 'Dat heeft hij me verteld, en hij heeft gelijk. Hij weet ook dat hij niet is zoals de goden andere mannen hebben gemaakt. Maar hij begrijpt nog lang niet wat dat betekent.'  

Nakur keek om zich heen en vervolgde: 'Niemand in deze kamer is gemaakt zoals andere mannen. Elk van ons is op de een of andere manier aangeraakt, en daarom zijn we veroordeeld tot levens die zowel uniek en prachtig als vreselijk zijn.' Hijgrijnsde. 'Soms zelfs alle drie tegelijk.'  

Zijn gezicht werd weer bedachtzaam. 'Tijdens onze gevechten met de agenten van het kwaad hebben we veel gepeinsd over het doel dat een dergelijk kwaad dient. Het beste antwoord dat we hebben gevonden is een abstracte hypothese: dat er zonder kwaad geen goed zou zijn, en dat ons ultieme doel, voor het welzijn van allen, is een evenwicht te bereiken waarin het kwaad in balans is met het goede, waardoor er harmonie is in het universum.  

Maar wat als de harmonie die wij zoeken een illusie is? Wat als de natuurlijke toestand eigenlijk een onophoudelijke beweging is, een constante strijd tussen goed en kwaad? Soms zal het kwaad overheersen, en op andere momenten het goede. Wat als we vastzitten in een eindeloze eb en vloed van getijden die heen en weer spoelen over onze wereld?'  

'Je schetst een nog grauwer beeld dan gebruikelijk, Nakur,' onderbrak Puc hem.

Magnus was het ermee eens. 'Je mierenaanval op het kasteel klinkt veelbelovender dan te worden meegesleurd op eindeloze getijden.'

Nakur schudde zijn hoofd. 'Snappen jullie het niet? Dit wijst erop dat het evenwicht soms wordt verstoord! Soms sleurt de vloed alles met zich mee.' Hij wees naar buiten, waar Bek zat. 'Hij is aangeraakt door iets wat hij niet begrijpt, maar zijn begrip is niet nodig, want dat ding kan zijn wil toch wel op hem uitoefenen! De Dasati zijn niet kwaadaardig omdat ze zo wilden zijn. Ik wed dat ze in voorbije tijden op ons leken. Ja, hun wereld is vreemd en ze leven op een manier die wij niet zouden kunnen verdragen, maar ooit hielden Dasatimoeders van hun kinderen en hielden de mannen van hun vrouwen, en was er vriendschap en loyaliteit. Het ding dat wij de Naamloze noemen is maar een manifestatie van iets veel groters, iets wat niet beperkt is tot deze wereld, dit universum, of zelfs deze realiteit. Het overspant...' Hij zocht naar woorden. 'Het kwaad is overal, Puc.' Toen grijnsde hij. 'Maar dat betekent dat het goede ook overal is.' Nakur sloeg met zijn vuist in zijn hand. 'We houden onszelf voor dat we het bereik van onze beslissingen begrijpen, maar wanneer wij het hebben over eeuwen, begrijpen we die niet. Dat ding waar we tegen vechten bereidt zich al op dit conflict voor sinds de mens weinig meer was dan een dier, en het is aan de winnende hand. De Dasati zijn geworden wat ze zijn omdat het kwaad op hun wereld heeft gewonnen, Puc. In dat universum heeft datgene wat wij de Naamloze noemen het evenwicht doen omslaan en gewonnen. Zij zijn wat wij zullen worden als we falen.'

Puc zat achterover, zijn gezicht bleek en grauw. 'Dat is een grimmig beeld, mijn vriend.'

Nakur schudde zijn hoofd. 'Nee. Niet alles is verloren. Als het kwaad daar kan overwinnen,' - hij keek Puc aan en toen Magnus en grijnsde weer - 'dan kan het goede hier overwinnen!' 

 

Later wandelden Puc en Nakur over het strand en lieten zich verfrissen door de warme bries en de fijne druppeltjes zout water. 'Herinner je je Fantus nog?' vroeg Puc.

'Kulgans vuurvaraan, die af en toe bij de keuken rondhing?' 

'Ik mis hem,' zei Puc. 'Ik heb hem vijf jaar geleden voor het laatst gezien, en hij was toen erg oud, misschien wel stervende. Hij was niet echt een huisdier, meer een regelmatige gast.' Puc keek uit over de eindeloos bruisende branding, naar de golven die opbolden en naar het strand rolden om daar te breken. 'Hij was bij Kulgan die avond toen ik voor het eerst bij zijn hut in het bos nabij kasteel Schreiborg kwam. In die tijd was hij· er altijd. Toen ik mijn zoon Wiliam meenam vanaf Kelewan, werden hij en Fantus dikke vrienden. Nadat Wiliam was overleden, kwam Fantus steeds minder vaak langs.'  

'Ze zeggen dat vuurvaranen zeer intelligent zijn; misschien rouwde hij om Wiliam?'

'Dat weet ik wel zeker,' zei Puc.

'Waarom denk je nu aan hem?' vroeg Nakur.

Puc bleef staan en ging zitten op een grote rots in het klif, waar het strand een inham vormde naar de rotspunt. Als ze verder wilden lopen, zouden ze door het ondiepe water rond de rotspunt moeten waden. 'Ik weet het niet. Hij was innemend, op een onbehouwen manier. Hij deed me denken aan simpeler tijden.'

Nakur lachte. 'In alle jaren van onze vriendschap heb ik je wel vaker over simpeler tijden gehoord, Puc. Behoort daar ook de Oorlog van de Grote Scheuring toe? En je gevangenschap op Kelewan, en de tijd erna, toen je de eerste barbaarse Grootheid werd en vervolgens de oorlog beëindigde, en ook de Grote Opstand en al die andere dingen die jij, Tomas en Macros voor elkaar hebben gekregen? Dat kun je toch moeilijk simpeler tijden noemen.'  

'Misschien was ikzelf toen wel simpeler,' zei Puc, en zijn stem klonk vermoeid.

'Dat ook niet. Je zult misschien wel simpeler van begrip zijn geweest, jaren geleden. Dat geldt voor ons allemaal, in onze jeugd.'

'Fantus was wispelturig van aard, hij kon zo onvoorspelbaar zijn als een kat en zo vasthoudend als een hond. Maar ik denk dat ik vandaag aan hem denk doordat hij en Wiliam onafscheidelijk waren.'  

'En je denkt aan Wiliam?'

'Heel vaak. En aan mijn geadopteerde dochter, Gamina.'

'Waarom nu, Puc?'

'Omdat mijn kinderen weer gevaar lopen.'

Nakur lachte. 'Ik weet dat ze je zoons zijn, Puc, maar je kunt Magnus en Caleb nauwelijks nog kinderen noemen. Ze zijn niet alleen mannen, maar zeer vastberaden mannen met sterke karakters - mannen op wie elke vader trots zou zijn.'  

'Dat weet ik, en ik ben ook trots op ze,' zei Puc. 'Maar het is mijn lot dat iedereen van wie ik hou eerder zal sterven dan ik.'

'Hoe weet je dat, Puc?'

'Toen ik tegen de demon Jakan vocht, toen zijn vloot de Bitterzee op voer, heb ik geprobeerd zijn armada in mijn eentje te vernietigen - een ogenblik van arrogantie. Dat kostte me bijna het leven door een sterke magische afweer.'

'Dat weet ik nog,' zei Nakur.

'Lims-Kragma gaf me in haar paleis een keus. Alleen mijn familie weet iets over de beslissing die ik heb genomen, en dan nog maar gedeeltelijk. Kort gezegd, liet ze me terugkeren en verder gaan met mijn werk, maar in ruil daarvoor zou ik iedereen van wie ik hield eerder zien sterven dan ik.'  

Nakur ging zwijgend op de rots naast Puc zitten. Na lange tijd zei hij: 'Ik weet niet wat ik moet zeggen, Puc. Maar misschien moet je nog iets anders overwegen.'  

'Wat dan?'

'Ik ben ouder dan jij, en iedereen die ik als jongeman kende is nu dood. Iedereen. Soms herinner ik me gezichten, maar schieten de namen me niet te binnen. Het is de vloek van een lange levensduur. Maar je was misschien al vervloekt voordat je met de godin sprak.'

'Hoezo?'

'Zoals ik zei, ik leef ook al langer dan iedereen die ik vroeger kende. Mijn familie was nooit echt een familie; mijn moeder stierf eerst en mijn vader kort na haar. Het maakte niet uit, want ik had hen beiden al meer dan dertig jaar niet gezien, en ik had ook geen broers of zusters.' Hij schokschouderde. 'Maar dat betekent niet dat ik niet van mensen ben gaan houden, Puc. En het is altijd pijnlijk om ze te verliezen.

Er is een oude Isalani-zegening die wordt uitgesproken bij de geboorte van een kind: "Grootvader sterft, vader sterft, zoon sterft." Het is een zegening omdat hij de natuurlijke volgorde van het leven aangeeft. Ik ben nooit vader geweest, dus ik kan me niet voorstellen hoe het was toen je Wiliam en Gamina kwijtraakte. Maar ik weet nog wel wat het met je deed. Dat zag ik wel. Ik zag wat het voor je betekende.'

Nakur schudde zijn hoofd alsof hij naar woorden zocht. 'Maar ik heb een vrouw verloren, twee keer. De eerste keer doordat ze me verliet op zoek naar meer macht. En de tweede keer... heb ik haar gedood, Puc. Ik heb Jorma gedood. Het lichaam waarin ik haar kende was tientallen jaren eerder gestorven, en ze had een mannelijk lichaam toen ik een einde aan haar leven maakte.' Nakur lachte verdrietig. 'Maar dat veranderde niets aan het feit dat ze iemand was van wie ik ooit had gehouden, in wiens armen ik had gelegen, en in wiens aanwezigheid ik meer was dan zonder haar.' Hij keek Puc met glanzende ogen aan. 'Jij, ik en Tomas zijn voor iets gekozen door de goden, en die eer heeft een prijs. Maar ik moet me voorhouden dat het zo is omdat het zo moet zijn. Misschien is het ijdelheid, maar het gaat om ons drieën. Niet om Miranda, niet om Magnus, en om niemand anders. Alleen wij drieën.'  

'Waarom?'

'Dat weten alleen de goden,' zei Nakur met een kwaadaardig lachje. 'En zij vertellen ons de waarheid niet.'

Puc stond op en gaf aan dat het tijd was om naar de villa terug te keren. 'Liegen ze tegen ons?'

'Nou, ze houden zeker dingen voor ons achter. Denk er maar eens aan wie Kaspar op de toppen van het Ratn'gari-gebergte ontmoette.'  

'Kalkin.'

'Ja, Banath, de god van de dieven... en poetsenbakkers en leugenaars.'

'Denk je dan dat de Dasati niet zo'n grote dreiging zijn als Kalkin heeft doen voorkomen?'

'O, ik denk zeker dat ze dat zijn, en meer nog, maar ik denk dat Kalkin Kaspar alleen heeft laten zien wat hij wilde dat Kaspar zag. De goden hebben hun eigen redenen, daar ben ik zeker van, maar ik ben soms een cynische rotzak en ik wil graag weten wat Kaspar niét heeft gezien in dat visioen.'  

Puc bleef staan en legde een hand op Nakurs schouder. 'Je bedoelt toch niet wat ik denk dat je bedoelt, hè?'

Nakur grijnsde. 'Nog niet, maar we zullen misschien een keer naar de Dasati-wereld moeten gaan.'

Puc bleef even stilstaan en liep toen weer verder. 'Met opzet een scheuring openen naar de Dasati-thuiswereld? Iets roekelozers bestaat toch niet?'  

'Vast wel. Het is ons alleen nog niet te binnen geschoten,' zei Nakur lachend.

Puc lachte met hem mee. 'Ik ben niet overtuigd, Nakur. Dat kan wel eens het slechtste idee zijn in de hele geschiedenis van echt slechte ideeën.'

Nakur bleef lachen. 'Misschien, maar wat als we door daarheen te gaan kunnen voorkomen dat de Dasati hierheen komen?'  

Puc hield abrupt op met lachen. 'Wat als.. .?' Hij liep door, zijn ogen neergeslagen alsof hij in gepeins verzonken was. Toen zei hij: 'Misschien moeten we het er nog een keer over hebben.'

'Mooi. En nu we toch bezig zijn, wanneer vertel je me eens wat meer over die boodschappen van je toekomstige ik?'

'Gauw, mijn vriend,' zei Puc. 'Gauw.' Hij keek op naar de middagzon die de golven deed glinsteren. 'Ik vraag me af hoe het met Caleb en de anderen in Kesh gaat. We hebben al dagen niet van hen gehoord.'

'O, ik weet zeker dat we het wel gehoord zouden hebben als er iets belangrijks gaande was.'

 

Caleb dook naar links toen de huurmoordenaar naar hem stak met de punt van zijn zwaard en op een haar na zijn borst miste. Hij negeerde de brandende pijn in zijn schouder toen hij tegen de bemoste stenen van het riool viel, en dreef zijn eigen kling in de maag van de Nachtraaf.

De val was duivels van opzet en uitvoering. Caleb vervloekte zichzelf omdat hij een zelfingenomen idioot was geweest. Hij en Chezaruls mannen hadden niet alleen de Nachtraven geen stap voor kunnen blijven, ze waren nu duidelijk in het nadeel.

Alleen door stom geluk leefden ze nog.

Chezarul had agenten de handelaar laten volgen, en andere mannen op de uitkijk gezet bij het huis waar Zane Mudara had zien praten met de Nachtraaf. De vorige avond had een van Chezaruls agenten gerapporteerd dat de basis van de Nachtraven gevonden was. Het had dagen geduurd, maar het leek erop dat hun geduld werd beloond.  

Chezarul had een kelder van een leegstaand pakhuis geïdentificeerd als het hoofdkwartier van de Nachtraven, en had een aanval van twee zijden gepland. Er zou een groep mannen omhoogkomen uit het riool terwijl anderen het gebouw vanaf de straat zouden aanvallen.  

Aangezien de Nachtraven 's nachts het meest actief waren, werd er besloten dat een aanval halverwege de middag het beste zou zijn, omdat de meeste moordenaars dan zouden slapen. Geleid door een van Chezaruls mannen had Caleb zijn groep meegenomen het riool in, en ze hadden de hele ochtend gelopen naar posities rondom het vermoedelijke kwartier van de Nachtraven.  

In plaats van het hoofdkwartier te vinden, stuitten ze op een val, en die zagen ze alleen maar aankomen doordat ze een meute ratten tegenkwamen die op de vlucht waren geslagen. Een van de mannen had een windvlaag gevoeld, met de vage geur van rook. Caleb had nauwelijks tijd gehad om een waarschuwing te schreeuwen voordat het riool ineens vol stond met in het zwart geklede Nachtraven. Drie van Calebs mannen waren al dood voordat ze in de gaten hadden wat er gebeurde, en de rest trok zich wanordelijk terug.  

De aanval was in een aftocht veranderd, en nu was Calebs enige zorg om de rest van de mannen levend uit het riool te krijgen. Hij duwde ze langs zich heen terwijl hij in een langzamer tempo tegen de Nachtraven vocht, zodat uiteindelijk alleen hij en nog vier anderen bij de tunnelopening op een grote kruising stonden.  

Caleb wist dat hij de kruising ten minste nog een paar minuten vrij zou moeten houden zodat de andere agenten van het Conclaaf naar de stad boven hen konden vluchten.  

Hij twijfelde er niet aan dat er nog meer Nachtraven in de buurt zouden wachten, maar hij dacht niet dat ze Calebs mannen bij klaarlichte dag zouden aanvallen. De stadswacht trok zich meestal nergens veel van aan, maar ze waren wel agressief en doortastend wanneer het op burgerlijke onrust aankwam. Een gewapend conflict in de straten van Kesh leek voldoende op een opstand om te zorgen voor een snelle reactie, en als het vechten uit de hand liep zou het Binnenlegioen ook opduiken. Als dat gebeurde, konden ze alleen nog maar vluchten of sterven.  

De man naast Caleb maakte gorgelende geluiden toen zijn longen zich met bloed vulden door een wond in zijn borst. Caleb haalde woest uit met zijn zwaard en wreekte zich op de Nachtraaf door zijn arm bij de elleboog af te hakken, waarop de man schreeuwend achterover viel in het smerige water. Caleb hield stand met twee van Chezaruls mannen aan zijn zijde, en even kregen ze respijt terwijl de Nachtraven zich hergroepeerden.  

Een schreeuw van verderop in de tunnel vertelde Caleb dat er weer een man van het Conclaaf was gestorven. Caleb kon alleen maar hopen dat zijn einde snel was gekomen, want de Nachtraven pelden rustig duim voor duim de huid van een man af wanneer ze informatie van hem wilden, voordat ze hem alsnog vermoordden.

Caleb was zijn lantaarn tijdens de aftocht verloren. Er kwam wat licht de tunnel binnen door een rooster in het plafond een stuk links van hem, maar verder was het schemerig.

De drie mannen op de kruising hielden stand toen de Nachtraven op hen af kwamen. Het gebrek aan licht en hun zwarte kledij maakte het Caleb lastig om te bepalen hoeveel het er waren tot ze bijna bij hem waren.  

Hij haalde uit naar een man, die achteruit sprong, en richtte zich toen op een andere Nachtraaf achter de eerste, die hij in zijn dij raakte. De moordenaar zakte kreunend van pijn ineen, terwijl de man rechts van Caleb een andere Nachtraaf onderuit haalde.

Toen, zonder dat er een woord was gesproken, stapten de drie overblijvende Nachtraven achteruit. De man die het dichtst bij zijn gewonde collega stond, doorstak de gewonde met zijn zwaardpunt en liet het lijk zinken in het smerige rioolwater dat rond hun benen stroomde.

De Nachtraven trokken zich langzaam terug totdat ze waren opgeslokt door de duisternis. Even later zei Caleb: 'Kom mee,' en leidde zijn mannen naar het zonlicht dat door het rooster boven hen naar binnen viel.

Toen ze de cirkel van licht bereikten, zag Caleb dat er ijzeren sporten in de wand waren aangebracht, en hij gebaarde naar de twee mannen dat ze uit het riool moesten klimmen. Nadat zij veilig onderweg naar boven waren, klom Caleb achter hen aan.

Het riool kwam uit in een straatje achter in het pakhuiskwartier, en er was niemand te zien toen de drie vuile, met bloed besmeurde mannen uit het riool klommen.  

Caleb zei: 'Ga naar waar het veilig is. Als Chezarul het heeft overleefd, zal hij me wel weten te vinden. Zo niet, dan zal degene die hem vervangt me weten te vinden. Voor nu: vertrouw niemand en zeg tegen niemand iets. Wegwezen!'  

De mannen haastten zich weg, en toen ze uit het zicht waren verdwenen, vertrok Caleb in tegenovergestelde richting.

Hij bleef even staan bij een fontein en stak zijn hoofd in het water. Hij kwam proestend weer overeind en schudde het water uit zijn lange haren - ergens in het riool was hij zijn hoed verloren.  

Caleb keek om zich heen en wist dat hij er niet zeker van kon zijn dat hij niet in de gaten werd gehouden. Hij kon alleen maar hopen dat hij iemand die hem volgde kon afschudden voordat hij bij zijn toevluchtsoord aankwam.

Terwijl hij weer begon te lopen, dacht hij aan de jongens. Hij had hun heel strikte opdrachten gegeven voor als hij niet bij zonsondergang terugkeerde. Dan moesten ze De Drie Wilgen verlaten via een route die hij hun had geleerd en naar een bepaalde woning gaan. Daar moesten ze aankloppen en een bepaalde zin uitspreken. Hij hoopte dat ze hem zouden gehoorzamen.  

Caleb liep om een stapel kratten op de hoek van twee steegjes heen toen er plotseling een zwaardkling diep in zijn linkerschouder beet. Hij struikelde naar achteren en bereidde zich voor op de aanval die zou volgen.  

Twee Nachtraven blokkeerden hem de weg. Caleb wist dat hij de mannen zo snel mogelijk moest zien te doden, anders zou hij bewusteloos raken en doodbloeden door zijn verwondingen.  

De Nachtraaf die hem had verrast viel als eerste aan, en de andere man liep links om Caleb heen, dus greep Caleb de kans die hij kreeg. Hij dook naar de grond, bewoog zijn zwaard omhoog en stootte zijn kling in de maag van de eerste Nachtraaf. Vervolgens sprong hij overeind en wervelde om zijn as, waarbij hij zijn wapen een cirkel liet beschrijven. De tweede Nachtraaf had Caleb zien duiken en bewoog zijn zwaard instinctief naar links, ervan uitgaande dat Caleb hem van die kant zou aanvallen. Maar Calebs zwaard was helemaal rond gedraaid en de aanval kwam van rechts. Voordat de Nachtraaf zijn wapen kon opheffen om de slag te blokkeren, had Calebs kling al zijn nek doorgesneden.  

De tweede man viel en Caleb strompelde langs hem heen terwijl hij onhandig zijn zwaard wegstak. Hij liep als een dronken man en drukte zijn hand op zijn nu tweemaal verwonde schouder om het bloed te stelpen. Hij had maar één gedachte: bij het toevluchtsoord komen voordat hij bewusteloos raakte. 

 

'Drie straatjes,' zei Jommy lachend terwijl hij de koperstukken opstreek. Zane kreunde en gooide zijn kaarten op tafel.

Tad lachte. 'Ik zei toch dat je niet moest wedden.'

Jommy wilde iets zeggen, toen plotseling de glimlach van zijn gezicht verdween. Zijn blik schoot door de kamer en hij zei zacht: 'Let op. Er komen problemen.'

Tad en Zane keken rond in de gelagkamer en zagen dat er vier mannen in grijze mantels waren binnengekomen en zich hadden verspreid, zodat er één bij elke uitgang stond.

'Wat is er?' vroeg Tad.

'Weet ik niet, maar het is niet best,' antwoordde Jommy. 'Blijf bij me in de buurt, jongens.' Hij stond op en wachtte tot Tad en Zane hetzelfde deden. Hij zei: 'Hou je gereed.'

'Waarvoor?' vroeg Zane, net toen Jommy naar de dichtstbijzijnde man toe liep.  

De man was schijnbaar verbaasd doordat de grote roodharige jongen zo doelgericht naar hem toekwam, want hij deed geen poging zijn zwaard te trekken totdat Jommy een stoel had opgepakt en naar hem toe had gegooid, waardoor hij de mogelijkheid niet meer had.  

Terwijl de man bukte voor de eerste stoel, pakte Jommy er nog een en sloeg die kapot op het hoofd van de man. Op dat moment kwam Pablo Maguire zijn keuken uit rennen om te kijken wat er gaande was. Voordat hij twee stappen had gezet, greep een van de mannen in de grijze mantels een kleine kruisboog onder zijn kleding vandaan en schoot op de oude man. Pablo dook achter de toog en redde zijn leven, waarna hij omhoogkwam met een kortelas in zijn hand.  

Jommy en Pablo riepen allebei: 'Rennen!' Tad en Zane holden de deur uit. Jommy bleef lang genoeg staan om de man op de grond een schop in zijn gezicht te geven. Toen sprong hij de deur uit terwijl de twee dichtstbijzijnde mannen de achtervolging inzetten.  

De jongens hadden de boulevard bereikt en renden naar het plein toen de mannen hen begonnen in te halen. Jommy, die voorop liep, keek over zijn schouder om te zien of Tad en Zane nog achter hem liepen en schreeuwde: 'Volg mij!'

Hij stormde naar de fontein, waar de gebruikelijke groep leerlingen en meisjes zich had verzameld, en kwam struikelend tot stilstand voor Arkmet en de andere bakkersjongens. Hij vroeg: 'Heb je zin om iemand te slaan?'

'Jou?' vroeg Arkmet, en zette een stap achteruit.

'Nee,' zei Jommy toen Tad en Zane bij hem waren.

'Hén?' zei Arkmet grijnzend.

'Nee,' zei Jommy, en wees langs de beide broers naar de moordenaars in grijze mantels die hen naar het plein waren gevolgd. 'Hen.'

Arkmet haalde zijn schouders op. 'Waarom niet?'

Jommy, Tad en Zane gingen ervandoor, en de twee moordenaars kwamen achter hen aan, hun wapens onder hun mantels verstopt voor de stadswacht. De bakkersjongens zetten een paar stappen om hen te onderscheppen, en Arkmet zei: 'Vanwaar die haast?'  

Een van de moordenaars, een man met een grijze baard en een kaal hoofd, opende zijn mantel en liet hem zien dat hij in de ene hand een zwaard had en in de andere een dolk. Hij gromde: 'Dat wil je niet weten, jochie.'

Toen ze de wapens zagen, stapten de bakkersjongens achteruit, maar ze versperden nog steeds de weg waarlangs Tad, Zane en Jommy waren ontsnapt. Arkmet stak zijn handen in de lucht en liep ook achteruit terwijl hij zei: 'Niemand had iets over wapens gezegd.'  

'En er heeft ook niemand iets gezegd over stommelingen die ons in de weg zouden staan,' zei de moordenaar. Hij maakte een dreigend gebaar met de dolk in zijn linkerhand, terwijl zijn partner rechts om hem heen liep om te kijken waar de jongens naartoe waren gevlucht.  

'Stommelingen?' zei Arkmet terwijl de man probeerde langs hem heen te dringen. 'Stommelingen zei je?' Met verrassende woestheid haalde de breedgeschouderde jongen uit en raakte de moordenaar volop zijn kaak. De man rolde met zijn ogen en zijn knieën knikten. Zijn partner draaide zich om bij de commotie en werd begroet met een baksteen, die met grote precisie door een van de andere bakkersjongens was gegooid. De baksteen raakte de man op de brug van zijn neus, en zijn hoofd knakte achterover. Iemand gaf hem een zet waardoor hij omviel, en vervolgens gingen de bakkersjongens om de twee gevallen mannen heen staan en begonnen hen te schoppen. Ze gingen nog een tijdje door nadat de mannen al bewusteloos waren. 

 

Tad, Zane en Jommy bleven in de duisternis bij de muur. Ze waren al uren op de vlucht en waren er vrij zeker van dat ze niet meer werden gevolgd. De drie jongens dropen van het zweet, want het was een hete nacht en ze hadden al heel lang niet meer gerust.

'Wat nu?' vroeg Zane.

'We doen wat Caleb ons vertelde voor het geval er iets misging,' antwoordde Tad. 'Vier mannen die ons proberen te vermoorden is duidelijk een geval van mis, of niet?'  

'Dat zal ik niet bestrijden, vriend,' zei Jommy. 'Waar zei hij dat we heen moesten?'

Tad zei: 'Kom maar achter mij aan.'

Hij leidde zijn twee vrienden door de straten van de stad, verdwaalde twee keer maar vond uiteindelijk het door Caleb genoemde huis. Zoals hem was opgedragen liepen ze niet recht op het huis af, maar naderden ze vanuit een nauw steegje en door een gebroken plank in het hek aan de achterkant, waardoor ze in een tuintje achter een bescheiden gebouw terechtkwamen. Tad klopte aan op de keukendeur en wachtte.  

'Wie is daar?' vroeg een mannenstem.

'Zij die beschutting zoeken in de schaduwen,' antwoordde Tad.

De deur ging snel open, en ze werden naar binnen getrokken door een breedgeschouderde man in een eenvoudige tuniek en broek. 'Kom snel binnen!'

De man zei niets maar liep naar het midden van de kamer en rolde een tapijt opzij. Onder het kleed was een luik, en hij gebaarde dat Zane en Jommy het moesten openen. Ze zagen een smalle trap die de duisternis in leidde. De man stak een lantaarn aan met een waspit die in het keukenvuur lag en ging de jongens voor naar beneden. 'Ik doe het luik wel dicht als ik weer boven ben,' zei hij onder aan de trap.  

Ze waren in een smalle tunnel aangekomen die wegliep van het huis, in de richting waaruit ze waren gekomen. Ze hadden een verlaten schuur gezien aan de andere kant van de steeg, en Tad dacht dat ze daar nu ongeveer wel onder zouden zijn.

De man bleef voor een deur staan en klopte twee maal, wachtte, en klopte toen nog eens. Toen deed hij de deur open.

Ze kwamen een kleine ruimte binnen die nauwelijks groot genoeg voor hen was. Er stonden een bed, een stoel en een tafeltje. Deze bergplaats was duidelijk bedoeld voor één persoon. De man draaide zich om en zei: 'Jullie wachten hier tot morgenavond, en dan verplaatsen we jullie.'  

Toen hij langs de jongens heen liep, beseften ze dat er al iemand op het bed lag, bewusteloos. Bij de deur draaide de man zich om en zei: 'We hebben alles voor hem gedaan wat we konden. Hij had al een hoop bloed verloren voordat hij hier kwam.' Hij deed de deur achter zich dicht.

De jongens keken neer op de stille figuur. Zijn verband was doordrenkt van het bloed. 'Caleb,' fluisterde Tad.

Zane liet zich langzaam op de stoel zakken en Jommy en Tad gingen op de vloer zitten wachten.