1
Broers

 

De jongens stormden door de deur naar buiten.

De kippen stoven alle kanten op. Het ene moment liepen ze vredig rond te struinen en te pikken naar gevallen graankorrels en af en toe een insect, en het volgende moment uitten ze een protesterend gekakel en renden ze alle kanten op toen de jongens naar buiten buitelden en met luide kreten op de straat belandden.

Voor voorbijgangers leken de jongens een kluwen van vuisten, ellebogen en knieën, dat over de grond rolde die was schoongepikt door de kippen. Ze rolden om en om en hun klappen waren weinig effectief, ondanks hun inzet. Beide jongens zochten naar ruimte om de ander goed te raken, terwijl ze tegelijkertijd probeerden hun tegenstander ervan te weerhouden terug te slaan. Het resultaat leek meer op een zinloze worstelpartij dan een echt gevecht.  

De jongens waren van ongeveer dezelfde grootte en leeftijd - zo'n zestien zomers oud. De donkerharige jongen droeg een donkerrode tuniek en een leren broek. Hij was iets kleiner dan de ander, maar had bredere schouders en leek de sterkste van de twee. De jongen met het donkerblonde haar droeg een blauwe tuniek en een leren broek. Hij had langere armen en leek de snelste van de twee.  

Ze waren bijna hun hele leven als broers opgevoed en hadden, zoals broers nu eenmaal eigen is, vaak ruzie. 'Ze waren beiden op een ruige manier knap: zongebruind en met de soepele kracht van lange uren van hard werken en nauwelijks toereikend voedsel. Geen van tweeën was dom, maar op dit moment gedroegen ze zich niet echt verstandig.

De oorzaak van hun huidige onmin kwam snel achter hen aan naar buiten en riep boos: 'Tad! Zane! Hou hier onmiddellijk mee op, anders ga ik met geen van jullie tweeën naar het festival.'

De vechters leken haar waarschuwing niet te horen terwijl ze door het stof rolden. 'Hij is begonnen!' schreeuwde de donkerharige jongen.  

'Niet waar!' riep de ander.

Het meisje was even oud als de twee rivalen. Ze had bruin haar, net als Zane, en groene ogen zoals Tad, en was slimmer dan beide jongens samen. Ze was ontegenzeggelijk het mooiste meisje van Sterrewerf.

Er kwam een oudere vrouw achter Ellie aan het huis uit, met een emmer bronwater die ze zonder pardon over de jongens leeggooide.

De jongens gaven een schreeuw toen ze plotseling een nat pak hadden, lieten elkaar los en gingen overeind zitten. 'Ma!' riep de blonde jongen. 'Waarom deed je dat? Nu zit ik helemaal onder de modder.'

'Dan zou ik me maar gaan wassen, Tad.' De vrouw was groot en zag er koninklijk uit, ondanks haar eenvoudige, zelf geweven japon. Er was wat grijs te zien in haar lichtbruine haren, en haar gezicht was zonverbrand en gerimpeld maar had een jeugdige uitdrukking. Ze keek naar de donkerharige jongen en zei: 'En jij ook, Zane.' Haar bruine ogen stonden olijk ondanks haar strenge gezichtsuitdrukking. 'Caleb komt straks, en we vertrekken met of zonder jullie twee wildebrassen.'  

De jongens stonden op en klopten zich zo goed mogelijk af, en de vrouw gooide een doek naar hen toe. 'Veeg hier de modder mee af, en spoel hem dan uit bij de bron!' sprak ze streng. 'Het is een van mijn beste keukendoeken.'  

Ellie keek naar de aarzelende ruziemakers. 'Stelletje idioten. Ik zei dat ik met jullie allebei zou gaan.'

'Maar je zei 't het eerst tegen mij,' zei Tad. 'Dus moet je eerst met mij dansen.'

'Niet waar,' zei Zane, klaar om zijn vuisten weer te gebruiken.  

'Hou op voordat jullie weer helemaal opnieuw beginnen!' riep de oudere vrouw. 'Ga je nu wassen!'

De jongens deden protesterend wat ze hun opdroeg. 'Marie, waarom vechten ze toch altijd met elkaar?' vroeg Ellie.

'Ze vervelen zich.' Toen keek ze het jonge meisje aan. 'Wanneer ga je het ze vertellen?'

'Wat moet ik vertellen?' zei Ellie, zogenaamd onschuldig.

Marie lachte. 'Je kunt het ze maar beter snel vertellen, meisje. Het is niet zo'n heel best bewaard geheim, en anders horen ze het misschien op het festival.'

Het meisje fronste haar voorhoofd en trok geërgerd haar wenkbrauwen op. 'Vroeger waren we zo ongeveer familie, weet je.'

'Alles verandert.' De oudere vrouw keek om zich heen. 'Toen mijn familie hier pas was gekomen, was Sterrewerf nog klein. Nu is het twee keer zo groot. De academie was nog maar half gebouwd, en kijk nu eens.'

Ellie knikte terwijl ze samen naar het verre eiland aan de overkant van het meer keken. 'Ik zie het elke dag, Marie. Net als jij.'

Het enorme gebouw domineerde het eiland in het midden van het Grote Sterremeer dat op een grote, donkere berg leek. Het dorp langs de rand van de academie besloeg nu het hele noordoostelijke einde van het eiland. Alleen degenen die dienden bij de Academie van Magiërs woonden er. Sterrewerf was ontstaan rond de steiger van het veer naar het eiland - het was eerst een eenvoudige handelspost, maar nu een welvarend handelscentrum in het gebied.  

'Nou, als Grame Hodover ook maar een beetje op zijn vader lijkt, begint hij te kletsen zodra hij een paar biertjes op heeft...'

'En beginnen Tad en Zane weer op elkaar in te slaan voordat iemand hen daarvan kan weerhouden,' maakte Ellie de zin voor haar af.

'Je kunt dus maar beter niet te lang meer wachten,' zei Marie terwijl ze Ellie wenkte om haar het huis in te volgen. Het huisje bestond uit een enkele ruimte met een haard, een tafel en drie bedden. Eenmaal binnen zei ze: 'Die jongens zijn je beste vrienden, al beseffen ze dat nu niet. Ze denken allebei dat ze verliefd op je zijn, maar dat komt meer voort uit hun concurrentiestrijd dan uit werkelijke verliefdheid, voor zover ik kan zien.'

Ellie knikte. 'Ik hou ook van hen, maar als broers. En zelfs al zou ik met een van de twee willen trouwen, dan zou vader...'

'Ik weet het. Je vader is de rijkste schipper in Sterrewerf en de vader van Grame is de enige molenaar, dus het is een logische stap.'  

'En ik hou ook van Grame,' zei Ellie. 'Tenminste, genoeg om bij hem te wonen.'

'Liefde is niet de eenvoudige romantiek die de verhalen je willen laten geloven,' waarschuwde Marie. 'Tads vader was een goede man, maar ook wij hebben mindere tijden gehad. Zanes vader behandelde zijn moeder goed, hoewel hij een rothumeur had wanneer hij dronk. Relaties draaien er grotendeels om dat je het goede en het slechte aanvaardt, Ellie. Zanes moeder hield van haar gezin, welke problemen ze ook veroorzaakten. Ze was mijn beste vriendin, en daarom vond ik het niet meer dan normaal dat ik Zane onder mijn hoede nam toen zijn ouders stierven.' Ze legde haar hand op Ellies arm en kneep er zachtjes in. 'Zoals ik jou ook onder mijn hoede zou hebben genomen als je vader het niet had overleefd.'  

Zanes ouders en Ellies moeder waren overleden tijdens de laatste inval van de trollen in de streek. De bloederige aanval had tientallen dorpelingen het leven gekost voordat de magiërs aan de overkant van het water te hulp waren geschoten en de monsters hadden verdreven.

'Ik weet het, Marie,' zei het meisje. 'Je bent al bijna mijn hele leven een moeder voor me. Ik bedoel, ik herinner me mijn moeder nog wel, of tenminste bepaalde dingen van haar, zoals haar stem en hoe ze deuntjes neuriede als ze kookte en ik op de vloer zat te spelen. Ik weet nog dat ze me vasthield. Ellies ogen vertroebelden even, en toen keek ze weer naar Marie. 'Maar eigenlijk ben jij de enige moeder die ik echt heb gehad.' Ze lachte. 'Mijn vader heeft me in ieder geval nooit iets verteld over hoe ik met jongens om moet gaan, behalve dan dat ik bij ze uit de buurt moest blijven!'

Marie lachte en omhelsde het meisje. 'En jij bent de dochter geweest die ik zelf niet had.'

De twee jongens kwamen terug en Tads moeder inspecteerde hen. 'Jullie zijn wel droog voordat de pret begint,' zei ze. 'En nu wil ik dat jullie beloven dat jullie vandaag niet meer zullen vechten.'  

'Goed dan, ma,' zei Tad.

'Ja, ma,' voegde Zane eraan toe.

'Waarom gaan jullie nu niet vast met zijn drieën naar het plein? Ik denk dat alle andere meisjes en jongens dat ook doen.'

'En jij dan, ma?' vroeg Zane, hoewel zijn gezicht verraadde dat hij stond te popelen om te gaan.

'Ik wacht op Caleb. Hij komt zo.'

Zane en Ellie zeiden dat ze Marie later weer zouden zien en liepen de deur uit, maar Tad aarzelde. Hij leek moeite te hebben met zijn stem, maar zei uiteindelijk: 'Ma, ga je met Caleb trouwen?'  

Marie lachte. 'Hoe kom je daar nou bij?'

'Nou, hij is hier de laatste twee maanden al drie keer geweest, en je ziet hem vaak.'

'Zijn vader heeft Sterrewerf opgebouwd, weet je nog wel?' Ze schudde haar hoofd. 'Ben je bezorgd dat ik met hem ga trouwen, of juist dat ik dat niet van plan ben?'

De jongen haalde zijn schouders op, en zijn slanke gestalte leek plotseling in de ogen van zijn moeder mannelijker. Hij antwoordde: 'Ik weet het niet. Caleb is een goed mens, geloof ik. Maar...'

'Hij is je vadler niet,' maakte ze voor hem af.

'Dat bedoelde ik niet,' zei Tad. 'Maar ... nou, hij is zo vaak weg.'

Marie lachte droog. 'Er zijn vrouwen die het een zegen vinden als hun mannen weg zijn, jongen.' Ze legde haar handen op zijn schouders en draaide hem om. 'Ga nu achter de anderen aan. Ik kom strakjes.'

Tad rende achter de andere twee aan, en Marie richtte haar aandacht op haar huisje. Alles was netjes en stofvrij; ze was dan misschien arm, maar ze was trots op haar ordelijke huishouden. Het was lastig om de boel op orde te houden met twee jongens in huis, maar ze gehoorzaamden haar meestal zonder protesteren.

Toen controleerde Marie de soep die in de ketel boven de haard pruttelde, en besloot dat hij klaar was. Van iedereen in het dorp werd verwacht dat ze iets bijdroegen aan het oogstfestival, en hoewel haar soep eenvoudige kost was, was hij heerlijk en Kraag gezien, zelfs door degenen die veel meer mee brachten.

Ze wierp een blik op de deur en verwachtte half dat ze een lange man tegen het licht afgetekend zou zien. Eventjes besefte ze bitter dat ze niet zeker wist wie ze liever wilde zien - haar overleden echtgenoot of Caleb. Toen zette ze die onzinnige gedachten van zich af en herinnerde zichzelf eraan dat het zinloos was om te verlangen naar iets wat je niet kon krijgen. Ze was een boerenvrouwen ze wist hoe het leven was: het gaf je maar zelden keuzes, en je moest vooruitkijken als je wilde overleven, niet achterom.  

 

Even later hoorde Marie iemand aankomen en draaide ze zich om. Caleb stond in de deuropening. Hij lachte scheef en vroeg: 'Verwacht je iemand?'

Ze sloeg haar armen over elkaar en keek hem schattend aan. Hij was maar een paar jaar jonger dan zijzelf, had een gladde kin en een lang gezicht zonder rimpels. Dat gaf Caleb een jong uiterlijk, ondanks het grijs dat in zijn schouderlange bruine haar verscheen. Zijn ogen waren ook bruin, en waren als die van een jager op haar gericht. Hij droeg goed gemaakte kleding van eenvoudige snit, geschikt voor een houtvester: een grote slappe hoed van zwart vilt, een donkergroene wollen tuniek die strak over zijn brede schouders zat, en een leren broek die in zijn kuithoge leren laarzen was gestopt. Ondanks zijn lange gezicht vond ze hem knap, want hij had een trotse houding. Hij sprak altijd kalm en bedachtzaam, en hij was niet bang voor stiltes. Maar de voornaamste reden waarom ze zich tot hem aangetrokken voelde was omdat als hij naar haar keek, ze het gevoel had dat hij iets van waarde in haar zag.  

Caleb lachte. 'Ben ik laat?'

'Zoals gewoonlijk,' antwoordde ze met een lichte glimlach.

Toen lachte ze en straalde haar gezicht. 'Maar niet té laat.' Ze liep naar hem toe, kuste en omhelsde hem en zei: 'De jongens zijn net weg.'

Hij greep haar stevig vast. 'Hoeveel tijd hebben we?'

Marie keek hem schuin aan en zei: 'Niet genoeg, als ik je bedoelingen goed inschat.' Ze knikte met haar hoofd naar de haard. 'Help me even met die ketel.' Ze liep naar het vuur en pakte een lange eiken stok die tegen de stenen schoorsteen stond.

Caleb haalde zijn boog van zijn schouder, maakte zijn pijlenkoker van zijn heup los en zette die samen met zijn rugzak in de hoek. Toen Marie de stok door het ijzeren handvat van de grote ketel had gestoken, pakte hij het andere uiteinde.  

Ze tilden de ketel van de ijzeren haak waaraan hij boven de vlammen hing en liepen naar de deur. 'Jij eerst,' zei hij. Eenmaal buiten draaide Caleb zich om zodat ze naast elkaar konden lopen met de ketel tussen hen in.

'Hoe was je reis?' vroeg Marie.

'Niet zo interessant,' antwoordde hij.

Ze had geleerd om niet te vragen naar zijn zaken of waar hij was geweest, want ze wist dat hij voor zijn vader werkte. Calebs vader was ooit de hertog van Sterrewerf geweest, maar nu was er niemand die het leiderschap claimde over het eiland of het dorp op de andere oever. Af en toe verhieven patrouilles van het Koninkrijkse Leger in Shamata een paar dagen in de plaatselijke herberg of reden er Keshische troepen hiernaartoe vanaf het grensfort in Nar Ayab, maar geen van beide partijen had de heerschappij over het Grote Sterremeer of het omliggende land. Deze streek stond onder het bestuur van de Academie van Magiërs op het eiland, en niemand betwistte hun autoriteit.  

Maar Puc had niet langer de leiding over de academie, en net als ieder ander in Sterrewerf wist Marie niet zeker hoe dat zo gekomen was. Zijn zonen - Caleb en zijn oudere broer Magnus - bezochten het opleidingsinstituut nog af en toe. Wat de relatie tussen Puc en de Assemblee van Magiërs ook was, hij hield stand, welke vervreemding er ook in het verleden was opgetreden.

Marie had Caleb ontmoet toen ze een jong meisje was en hij weinig meer dan een sjofele woudjongen. Ze hadden wel eens samen gespeeld, maar toen was hij verdwenen. Sommige mensen zeiden dat hij op een eiland in de Bitterzee was gaan wonen, en anderen zeiden dat hij bij de elfen verbleef. Ze hadden elkaar weer gevonden toen Caleb de leeftijd had van Tad en Zane, en Marie maar vier jaar ouder was. Hoewel haar ouders haar omgang met hem afkeurden, zeiden ze er niets van, omdat ze wisten wie Calebs vader was.  

Na de zomer waarin ze minnaars waren geworden, was hij echter weer verdwenen. Hij had nog uitgelegd dat hij voor de zaken van zijn vader weg moest, maar hij had beloofd dat hij terug zou keren. Marie had meer dan een jaar gewacht voordat ze toegaf aan de druk van haar familie. Ze trouwde met de jonge Brendan, een man op wie ze uiteindelijk zeer gesteld raakte, maar die haar hart nooit zo op hol had kunnen brengen als Caleb. De jaren verstreken, en Caleb kwam niet terug.

Wat de reden van zijn langdurige afwezigheid ook was, Marie was getrouwd, had twee zoons gekregen - een van hen was als zuigeling overleden - en had haar echtgenoot verloren voordat Caleb zonder waarschuwing weer was opgedoken, drie jaar geleden tijdens het midzomerfestival Banapis.

Haar hart had een sprongetje gemaakt toen ze hem zag, en hoewel ze zichzelf had vermaand dat ze zich liet overstelpen door de herinneringen van een dom meisje, had ze hem toch opgezocht zodra ze wist dat hij er was.

Die nacht had ze veel te veel wijn gedronken en gedanst, en ze had niet meer zoveel plezier gehad sinds voordat haar echtgenoot was overleden. Toen de jongens sliepen, had zij in Calebs armen gelegen.  

En de volgende dag was hij weer weg.

Sindsdien was ze eraan gewend geraakt dat hij zonder aankondiging opdook en weer verdween. Hij had geen beloften gedaan, en zij had daar niet om gevraagd. Maar ze hadden toch een band opgebouwd, en ze wist zeker dat er nergens een andere vrouw op hem wachtte. Waarom ze daar zo zeker van was wist ze niet, maar ze was het wel.  

'Blijf je lang?'

'Dat hangt ervan af.'

'Waar van af?' vroeg ze.

'Een paar dingen. Ik moet een boodschap afleveren bij de raad, en het kan even duren voordat ze een antwoord klaar hebben. Dus een paar dagen, misschien een week.'

'Is het iets waar je over kunt praten?'

Hij lachte. 'Niet echt. Laten we maar zeggen dat het weer een van mijn vaders zeer belangrijke brieven is.'

'En toch ga je eerst met mij naar het festival?' Ze had een wetende glimlach om haar lippen.

'Een dag meer of minder maakt geen verschil.' Hij grijnsde naar haar. 'Bovendien heb ik hier mijn eigen zaken.'

'O ja?'

'Ja,' lachte hij. 'En dat weet je best.'

Toen ze het dorpsplein naderden, werd Marie door verschillende mensen begroet. 'Nou,' fluisterde ze toen ze hun groeten had beantwoord, 'over die záken kunnen we het later wel hebben.'  

Caleb keek naar de ongebruikelijk grote mensenmenigte en vroeg: 'Zijn er nog meer mensen gearriveerd?'

'Een paar,' antwoordde ze. 'Een scheepvaartonderneming uit Shamata heeft langs de rand van de zuidweg een gebouw neergezet, vlak bij de oude stenen brug. Er werken drie nieuwe gezinnen en een paar ongetrouwde mannen uit het dorp voor ze. De vader van Ellie wordt er heel zenuwachtig van. Ik denk dat dat een deel van de reden is waarom hij haar met Grame, de zoon van Miller Hodover, wil laten trouwen. Hij wil ervoor zorgen dat hij de vervoerscontracten krijgt voor graan naar Nes en Krondor.'

'Het zal wel een goede reden zijn voor een huwelijk, denk ik,' zei Caleb, 'als je de liefde buiten beschouwing laat.'

Ze keek naar hem om te zien of hij het meende, en constateerde dat ze zijn stemming weer niet echt kon peilen. Soms was Caleb zo eenvoudig te doorgronden als een kind, maar op andere momenten had ze geen idee wat hij dacht. Helaas was dit een van die momenten.  

Ze droegen de ketel naar een van de grote houten tafels die van een naburige herberg waren geleend, en zetten hem op de plek die werd aangewezen door een van de vrouwen die hielp bij de organisatie van het feest. Een van de andere vrouwen keek op. 'Marie, Caleb,' zei ze, en glimlachte dunnetjes.

'Tessa,' antwoordde Marie.

De vrouw had het rode gezicht en de blossen van een zware drinker, en haar dikke wangen waren vertrokken in een geforceerde glimlach. 'Heb je dat lekkere soepje weer meegebracht?' merkte ze uit de hoogte op. Tessa was de vrouw van de molenaar, de aanstaande schoonmoeder van Ellie, en ze droeg kleding die paste bij haar status. Ze pakte Maries hand, waar ze zachtjes op klopte terwijl ze knikte. 'We begrijpen het wel, lieve.' Haar toon kon niet neerbuigender.

Caleb bleef op dezelfde manier glimlachen, maar de huid rond zijn ogen verstrakte iets. Hij zei: 'Dat is nog maar het begin.' Hij wees naar een vuurkuil aan de andere kant van het plein. 'We hebben ook die os gekocht die daar wordt geroosterd.' Hij knipoogde zijdelings naar Marie zodat Tessa het niet kon zien. 'En die wagen,' voegde hij eraan toe, wijzend naar een kar die het plein op kwam ratelen. 'Er staan twee vaten dwergenbier uit Dorgin op en zes kratten Ravensburger wijn.'

Tessa knipperde met haar ogen als een steenuil die in het lantaarnlicht was gevangen. 'Echt waar?' zei ze.

Caleb zei niets en boog alleen zijn hoofd, met een lichte glimlach om zijn lippen. De opgelaten molenaarsvrouw mompelde iets onverstaanbaars, glimlachte nog eens geforceerd en haastte zich weg.  

Marie wendde zich tot Caleb en zei: 'Waarom deed je dat?'

Caleb haalde zijn schouders op. 'Ik weet nog hoe je je aan haar ergerde bij het vorige Banapisfestival. Bovendien heb ik vorig jaar niet meer bijgedragen dan een stel patrijzen en wat konijnen.'

'Nee, ik bedoel: waarom zei je wij, als jij degene bent die de os en de wagen hebt gekocht?'

Caleb zei: 'Nou, omdat ik ze voor jou heb gekocht.'

Marie zweeg even voordat er een glimlachje rond haar lippen verscheen, maar in haar ogen was geen plezier te zien. 'Dankjewel voor dat gebaar, Caleb.'  

'Het was een kleine moeite,' zei hij. 'Zal ik nu wat kommen en een soeplepel gaan halen?'

'Nee' zei Marie met vlakke stem. 'Ik haal ze zelf wel even thuis op. Ga jij de jongens maar opzoeken en zorgen dat ze geen gekke dingen uithalen. Ik maak me zorgen over ze.'

Hij knikte en liep weg bij de tafel. Terwijl Caleb zich een weg baande door de snel groeiende mensenmenigte, was hij zowel geamuseerd als verrast over de veranderingen die hij sinds hij jong was in dit dorp had gezien. Hoewel zijn familie nooit in Sterrewerf had gewoond, hadden ze het vaak bezocht.

De relatie die Calebs vader met de raad van de academie had was op z'n zachtst gezegd gespannen. Caleb had Puc vaak genoeg over hen horen klagen om de reden achter die verwijdering te begrijpen, maar het waren de redenen van zijn vader, niet die van hemzelf. Magnus, zijn oudere broer, was een magiër zoals hun ouders, maar Caleb was altijd de buitenstaander geweest - de enige zonder enig magisch talent.  

De rest van :zijn familie bekeek Sterrewerf door een waas van politiek geharrewar, maar Caleb zag het alleen als de plek waar hij vroeger als kind plezier had gehad. In Sterrewerf had hij kinderen gevonden die net als hij waren - gewone jongens en meisjes die zich bezig hielden met gewone dingen, die leerden lief te hebben, te haten en te vergeven, die probeerden hun klusjes te ontlopen en vriendjes te vinden om mee te spelen. Alle dagelijkse dingen die Caleb daarvoor nooit had gekend.

Caleb had op veel manieren geprofiteerd van zijn ongebruikelijke opvoeding. Veel van zijn jeugd had hij doorgebracht in saaie lessen voor leerlingen met magische vermogens. Pas nu zag hij daar de wijsheid van in, want in tegenstelling tot de meeste mensen die geen vermogens hadden, kon hij tenminste de aanwezigheid van magie voelen. En aangezien de machtigste vijanden van het Conclaaf der Schaduwen magiërs waren, vond Caleb dat een nuttige vaardigheid.  

De kinderen van Tovenaarseiland, en zelfs degenen in zijn woonplaats op het eiland in het Grote Sterremeer, waren doordrongen van magie - zelfs wanneer ze speelden, vaak tot grote ergernis van hun leermeesters. Het grootste deel van zijn jeugd was Caleb een eenzaam kind geweest. Hoewel hij hard kon rennen en even goed met een bal kon omgaan als andere jongens van zijn leeftijd, was hij vaak alleen. Hij kon alleen maar toekijken wanneer anderen spelletjes van illusie speelden waar hij nooit aan mee kon doen, behalve als lijdend voorwerp van dc wrede grappen van andere kinderen. Vaak als hij iets wilde pakken, verdween het, of hij struikelde over dingen die plotseling voor zijn voeten verschenen.

Soms zijn de wonden uit de kindertijd het diepst. Terwijl hij opgroeide raakte Caleb minder geïsoleerd van de andere kinderen, toen hun interesses zich van het een naar het ander verplaatsten. Maar zelfs wanneer hij meedeed aan hun streken, voelde hij zich toch anders dan de anderen.

Er waren maar twee plaatsen waar Caleb zich als kind vrij en op zijn gemak had gevoeld. In zijn tiende zomer was hij naar Elvandar gebracht, waar hij vijf jaar bij de elfen had gewoond.

Caleb had alles geleerd wat hij kon over de gebruiken van de elfen, en was onderwezen in het zwaardvechten door de gemaal van de koningin, heer Tomas, Krijgsleider van Elvandar, en in het boogschieten door prins Caelin en zijn halfbroer prins Caelis. Hoewel Caleb met het zwaard niet de natuurlijke vaardigheid had van Talwin Hawkins, was hij een uitmuntend boogschutter. Zowel Tomas als prins Caelin hadden vaak gezegd dat Caleb de gelijke was van een man die Martin Langboog heette, die volgens de elfen de beste menselijke boogschutter ooit was.  

Caleb wist dat de elfen niet hielden van vleierij, dus nam hij het compliment aan als teken van wat hij had bereikt na lange, zware uren van oefenen. Hij had ervan geleerd dat zelfs een zo op het oog onmogelijk doel kon worden bereikt als je er maar genoeg moeite en opoffering voor overhad. Hij besefte ook, met spijt, dat de elfen Talwin Hawkins nooit zelf hadden zien schieten; hij was ongetwijfeld Calebs gelijke, zo niet zijn meerdere. Toch was het nog steeds geen geringe prestatie om de op één na beste menselijke boogschutter te zijn.  

Caleb koesterde een diepe genegenheid voor de elfen en hun magische thuis in Elvandar, en hij sprak hun taal goed. Maar pas in Sterrewerf had hij zijn eerste lessen over gewone dingen geleerd.

Hij zocht zich een weg over het drukke dorpsplein. Als hij kon afgaan op eerdere festivals, zouden de jongens met de anderen in de buurt van de fontein zijn.  

Hij groette veel mensen in het voorbijgaan, want zij waren dezelfde kinderen waar hij dertig jaar eerder mee had gespeeld. Sommigen van de mannen waren stevig geworden en anderen hadden grijze haren - als ze nog haren hadden. De vrouwen die hij had gekend toen ze nog meisjes waren, waren volwassen geworden, en degenen die niet dik waren geworden, hadden dat magere, ingevallen aanzien van te veel hard werk en onvoldoende rust. Enkelen van hen, zoals Marie, waren mooi gebleven ondanks de lasten van het ouderschap en het boerenwerk.  

Maar vandaag zag iedereen er blij uit, want dit was het oogstfestival, en te oordelen naar wat er allemaal op de tafels stond, was het een goed jaar geweest. De wagens met graan zouden in lange rijen over de wegen naar de Bitterzee rijden, en boten zouden van het Grote Sterremeer de rivier afzakken naar de Dromenzee en de handelshavens in Shamata of Landreth. Het vee in de weiden was vet voor de winter en de schapen zagen er gezond uit nu hun nieuwe wol aangroeide voor het koude seizoen. Overal waar hij keek zag Caleb tekenen van overvloed: vaten pas geplukte appels, manden met bessen, kersen en vijgen, allerlei soorten groenten, en bij elke boerderij die hij was gepasseerd had hij meer kippen en varkens gezien dan hij zich had kunnen voorstellen.  

Hij dacht terug aan andere jaren, waarin de oogst slecht was geweest, of de tijd na de inval van de trollen, en hij besefte dat deze mensen wel het recht hadden om hun geluk een beetje te vieren. De winters waren mild in het Dromendal, waar het maar eens in de vijftig jaar sneeuwde, en de boeren plantten er nu al de wintergewassen die nergens anders wilden groeien. Tegen de tijd dat de handelaars na de herfst terugkeerden uit het Koninkrijk en Groot Kesh, met wagens vol gereedschappen en andere noodzakelijke voorwerpen, zou de tweede oogst klaar zijn om te voldoen aan de vraag naar voedsel in het bevroren noorden. Vergeleken met de meeste boerengemeenten was Sterrewerf rijk, maar zelfs hier was het leven van een boer niet gemakkelijk.  

Caleb zette zijn overpeinzingen van zich af toen hij een hoek omhring en de jongens zag. Hij had nog maar één stap gezet, toen hij besefte dat er zo meteen problemen zouden komen.

 

Ellie stond op en zei: 'Als jullie twee nu niet onmiddellijk ophouden, ga ik weg.'  

De twee tegen wie ze het had waren Tad en Zane, die tegenover elkaar stonden, klaar om hun gevecht te hervatten. Het slanke meisje ging tussen hen in staan en begon de twee met verrassende vastberadenheid uit elkaar te duwen. Hierdoor aarzelden de jongens en had Caleb net genoeg tijd om naar hen toe te lopen en te vragen: 'Wat is er aan de hand?'

De jongens keken Caleb aan en keken vervolgens weer naar elkaar. Ellie gaf ze nog een laatste zet. Ze zei: 'Die idioten hebben besloten dat het ertoe doet wie er als eerste met mij danst.'

'Je hebt het beloofd!' riep Tad, slechts een halve tel voordat Zane hetzelfde beweerde.

Caleb glimlachte niet meer. De muzikanten hadden zich bij de vaten bier verzameld en waren hun instrumenten aan het stemmen. Zo meteen zouden ze gaan spelen, en dan zouden de jongens het op een vechten zetten. 'Jullie moeder heeft me gevraagd een oogje op jullie te houden.'

Beide jongens keken hem aan, Zanes uitdrukking maar iets vijandiger dan die van Tad.

'Blijkbaar terecht,' voegde Caleb eraan toe. Hij graaide in zijn gordeltas, haalde een grote koperen munt te voorschijn en hield die de jongens voor. 'Dit is kop, en dit is munt. Kop is Tad, munt is Zane.' Hij gooide de munt omhoog en liet hem op de grond vallen. De jongens volgden de munt argwanend met hun blikken.  

Het was munt en Zane juichte triomfantelijk: 'De eerste dans is voor mij!' Net op dat moment begonnen de muzikanten de eerste noten van de dans te spelen.

Tad wilde protesteren, maar bedacht zich toen hij de duistere uitdrukking op Zanes gezicht zag. Caleb had Ellie meegetrokken, de dansvloer op, en riep over zijn schouder: 'De winnaar krijgt de tweede dans!'  

Ellie lachte terwijl Caleb haar meevoerde door de passen van een traditionele boerendans. Zelfs degenen die niet dansten, klapten in hun handen. Toen het tijd was om Ellies handen te pakken en haar een paar keer rond te draaien, zei ze: 'Dat was slim van je, Caleb.'

'Ze lijken wel twee jonge bokken met groene geweien. Wat ga je doen?'

Ze sprak zachtjes: 'Ik ga met Grame trouwen.'

'Dat zullen ze niet leuk vinden,' zei Caleb lachend. 'Maar je kunt moeilijk met hen allebei trouwen.'

'Ik zou met geen van beiden trouwen,' zei Ellie. 'Ze zijn als broers voor me.'

Terwijl hij achter haar ging staan, zijn handen op haar heupen legde en met haar mee danste, zei hij: 'Blijkbaar zien ze jou niet als een zuster.'  

'O, dat zou wel anders zijn als er hier meer meisjes waren,' zei ze, en draaide zich naar hem om. Toen stonden ze stil en boog Caleb voor haar toen de dans voorbij was. Ze haakte haar arm in de zijne. 'Het is gewoon niet eerlijk dat die andere meisjes al besproken zijn, of te jong.'

Caleb wist waar ze aan dacht. Veel kinderen van hun leeftijd waren omgekomen tijdens de laatste inval van de trollen. De ouders van die kinderen namen het de magiërs nog steeds kwalijk dat ze niet eerder hadden ingegrepen. Caleb was ten tijde van de inval in het Oostelijke Rijk aan het werk geweest voor het Conclaaf. Dat was negen jaar geleden, toen Ellie, Zane en Tad nog maar klein waren.  

Caleb leidde Ellie langzaam terug naar de jongens, en ze kwamen bij hen aan op het moment dat het tweede dansnummer begon. Hij zette een sterke hand tegen Tads borst toen de blonde jongen weer begon te protesteren en zei: 'Bederf het feest nu niet, knul. Jij komt ook nog wel aan de beurt.'  

Tad leek te willen tegenspreken, maar toen hij Calebs ernstige uitdrukking zag, zuchtte hij alleen en knikte. 'Ja, Caleb.'  

Caleb was blij dat Zane had gewonnen, want hij was de meest heetgebakerde van de twee en zou Caleb misschien hebben gedwongen iets te doen wat hij eigenlijk niet wilde: hem fysiek tegenhouden.

Hij keek naar Tad terwijl Ellie en Zane dansten, en zag de jongen zieden van woede. Ellie had gelijk; zo waren de jongens eigenlijk helemaal niet.

Toen het nummer afgelopen was, kwam Ellie terug en was Tad aan de beurt. Net als bij het vorige nummer hield Caleb ook nu zijn blik gericht op de jongen die naast hem stond toe te kijken. Zane kon zijn jaloezie nauwelijks bedwingen.

Toen het derde dans nummer afgelopen was, zei Caleb: 'Ik heb zin in iets te drinken. Gaan jullie drieën mee?'

Ellie stemde enthousiast in voor hen allen, en haakte haar arm weer door die van Caleb, zodat de jongens niets anders konden doen dan volgen. Ze liepen naar een tafel waar vier mannen kruiken vulden met bier en die zo snel mogelijk uitdeelden. Ellie sloeg de sterke drank af, maar nam Zanes aanbod aan om wat water met vruchtensap voor haar te halen. Toen Tad aanbood om iets te eten voor haar te halen, weigerde ze, maar omdat hij zo overduidelijk teleurgesteld was, zei ze: 'Misschien iets kleins, tot we gezamenlijk gaan eten?'  

Hij rende weg en Caleb zuchtte: 'Wat moeten we toch met die twee?'

'Ik weet het niet, maar we moeten wel iets doen. Ze hebben de hele dag weinig te doen. Ze zijn geen jongens voor sterke drank ... nog niet.'

Caleb begreep wat ze bedoelde. Sterrewerf was groot genoeg voor een behoorlijke hoeveelheid handel en een paar ondernemingen - een ijzerhandelaar had het jaar ervoor een werkplaats geopend waar hij ijzer bewerkte dat vanuit de heuvels kwam, maar het meeste van het werk werd door zijn familieleden gedaan. Er was niet genoeg werk voor alle mannen, en zonder vaders die hun een vak konden leren, groeiden Tad en Zane op zonder vaardigheden. Ze werden onstuimig en futloos.  

Hij wist dat ze allebei intelligente, vaardige jongemannen waren, maar zonder iets wat richting gaf aan hun leven zouden ze kunnen verdwalen. Meer dan één jonge zoon was geëindigd als bandiet of deed dagklusjes in de stad.

Caleb overwoog de kwestie nog toen Marie weer verscheen. Hij knikte naar haar en liep op haar af. Zane stond in de buurt van Ellie en wachtte ongeduldig tot ze hem aandacht schonk. Caleb zei tegen Marie, zachtjes zodat de jongen hem niet kon horen: 'Ik begreep eerder niet goed wat je bedoelde. Ik dacht dat je bedoelde dat je je vandáág zorgen maakte over de jongens. Maar nu begrijp ik het.'  

Ze keek hem onderzoekend aan en zei: 'O ja?'

Hij knikte. 'Laten we een oogje op ze houden en toch proberen een beetje plezier te maken. We praten er vanavond over.'  

Ze knikte en glimlachte geforceerd. 'Dansen?'

Hij nam haar hand en zei: 'Volgaarne.'

Ze dansten op een paar nummers en vielen toen aan op de zwaar beladen tafels. Nadat ze hun borden hadden volgeschept, zochten ze een rustig hoekje op de trap van een winkel die was gesloten voor het festival. Caleb zette de borden neer en liet Marie even alleen om twee kruiken bier te halen. Toen hij terugkwam, zei ze: 'Waar zijn de jongens?'  

'Daar,' zei hij, en wees naar de andere kant van het dorpsplein. 'Ik ben ze niet uit het oog verloren.'  

'Hoe doe je dat toch?'

Hij lachte. 'Ik ben jager. Bovendien kun je ze bijna niet missen.'  

Ze knikte en sprak met haar mond vol: 'Ik weet het, je hoeft alleen te kijken waar er een opstootje is.'

Hij lachte. 'Nee, alleen naar die twee tunieken.'

Ze aten in stilte en spraken weinig, en het volgende uur van de festiviteiten gebeurde er weinig onrustbarends. Toen ging er een stevige man boven op de wagens staan waar bier werd geschonken en riep: 'Vrienden!'

Marie zei: 'Daar zal je het gedonder hebben.'

Caleb zette zijn bord neer. 'Ik ben bang van wel.' Hij liep naar de wagen toe, en Marie volgde hem.

De man was Miller Hodover, en naast hem stond een jongeman van ongeveer tweeëntwintig jaar oud. De gelijkenis tussen beiden was duidelijk, al was de man al jaren geleden dik geworden en was de jongen jong en fit, met brede schouders. Grame Hodover was een stevige knaap, bedachtzaam en intelligent, en de mensen zeiden vaak dat het een wonder was dat zijn ouders zo'n aardige jongeman hadden opgevoed.  

Caleb ging recht op Tad en Zane af, die aan weerszijden van Ellie stonden. Het meisje keek Caleb aan en in haar ogen was opluchting te zien - ze wist wat er zou komen.

'Vrienden,' herhaalde Miller Hodover, 'ik heb iets te vertellen! Vandaag ben ik een zeer gelukkig man.' Hij straalde terwijl hij over de menigte uitkeek.

Een van de dorpelingen - onder de invloed van te veel bier - riep: 'Hoezo, ga je je prijzen weer verhogen, Miller?'

Hier en daar klonk gelach en Hodover keek even geërgerd, maar toen keerde zijn glimlach terug. 'Nee, Bram Connor, dat was ik niet van plan... nog niet.'

Zijn snelle antwoord veroorzaakte weer gelach, en de toehoorders ontspanden zich toen ze beseften dat de molenaar een uitzonderlijk goede bui had. Zijn alom bekende vrekkigheid en liefde voor goud werden constant bespot.  

'Nee, vrienden,' zei de molenaar. 'Ik heb een aankondiging. Vandaag, na een van de meest overvloedige oogsten sinds mensenheugenis, op een moment waarop iedereen het zo goed lijkt te hebben, wil ik daar nog wat vreugde aan toevoegen door fantastisch nieuws met jullie allen te delen.'  

'Voor de draad ermee!' riep een andere stem uit de menigte. 'Ik krijg dorst!'

De molenaar keek de spreker vernietigend aan en lachte toen weer. 'Ik wil jullie allen vertellen dat mijn zoon Grame dit jaar nog zal trouwen met Ellie Rankin.'

Hij gebaarde naar Ellie die tussen de twee jongens in stond, die beiden keken alsof ze een stomp in hun maag hadden gekregen. Zane fronste zijn voorhoofd alsof hij nog niet begreep wat hij had gehoord, en Tad stond met open mond en leek het niet te willen geloven.  

Ellie was al halverwege de wagen toen de jongens achter haar aan gingen. Caleb stak zijn handen uit en greep de beide jongens bij hun kraag. 'Hou je rustig,' zei hij, laag en dreigend.  

Tad keek hem woest aan en Zane balde een vuist, maar Caleb trok hen aan de kraag omhoog tot de jongens op hun tenen stonden. 'Haal je maar niks in je hoofd.'

Zane bedacht zich en liet zijn vuist weer zakken. Marie zei: 'Als jullie echt om Ellie geven, zijn jullie blij voor haar. De eerste die een gevecht begint, krijgt met mij te maken. Is dat duidelijk?'

Beide jongens zeiden: 'Jawel, ma.' Toen Marie knikte, liet Caleb hen los.

De dorpelingen stroomden toe om het verloofde stel te feliciteren, terwijl Tad en Zane pruilend toekeken. Caleb gebaarde dat Marie zich moest aansluiten in de rij en zei: 'Kom mee, jongens. Ik heb iets speciaals voor een gelegenheid als deze.'

De jongens keken hem aan alsof ze van plan waren te protesteren, maar na één blik van hun moeder knikten ze en volgden ze Caleb gehoorzaam.  

Hij leidde hen naar een wagen achter de bierwagen. Het was bijna donker en het festival werd ruiger. Er zat een menner op de wagen. Hij keek toe terwijl de dorpelingen hun beste wensen aan de verloofden overbrachten. De man kwam zelf niet uit het dorp en bemoeide zich er dan ook niet mee. Hij zat te eten en dronk bier.

'Thomas,' zei Caleb begroetend.

'Goeienavond,' zei de menner.

'Heb je die kist daar?'

'Onder het zeildoek, Caleb.'

Caleb vond de kist en trok die naar het achtereind van de wagen. Hij haalde zijn grote jachtmes te voorschijn en maakte met het stevige lemmet de kist open. Er lagen een stuk of tien nessen met een amberkleurige vloeistof in. Hij pakte er een en hield die omhoog in het lantaarnlicht.

'Wat is dat?' vroeg Tad.

'Iets wat ik heb ontdekt tijdens mijn reizen in het gebied rond Kinnoch.'

'Het lijkt wel brandewijn,' zei Zane. 'De kleur, bedoel ik.'

'Het is geen brandewijn, maar dat heb je goed opgemerkt.' Caleb draaide zich om en ging achter op de wagen zitten, met zijn benen bungelend over de rand. 'Brandewijn is gewoon gekookte wijn, en dit is iets anders. In Kinnoch destilleren ze eerst een papje van graan. Dat koken ze langzaam boven een vuur dat ze stoken met turf, en dan laten ze het mengsel in vaten rijpen. Wanneer er iets fout gaat tijdens de bereiding, kun je er de verf van een oorlogsschip mee afbijten, maar als het goed is gemaakt...'

Hij zette zijn tanden om de kurk van de fles en trok die eruit. Met zijn vrije hand taste hij rond in de kist en haalde er een glaasje uit. 'Je kunt dit niet drinken uit een kroes van aardewerk of metaal, jongens. Dat verpest de smaak.'

'Wat is het?' vroeg Tad.

'Ze noemen het whisky,' zei Caleb, terwijl hij het glaasje tot de rand vulde.

'Er past niet veel in.' Zane kneep zijn ogen samen toen hij naar het piepkleine glaasje keek waar niet meer dan twee of drie slokken van de vloeistof in zaten.

'Een beetje is meer dan genoeg,' zei Caleb. Hij liet de vloeistof in zijn mond lopen en slikte het door. 'Ah,' zei hij. 'Proef maar.'  

Hij haalde nog een glas te voorschijn en vulde ze beide. 'Als jullie ouder zijn, leren jullie hiervan te nippen, jongens. Nu moeten jullie het maar gewoon achterover gooien.'

De jongens deden wat hij zei, en even later stonden de beiden vreselijk te hoesten, met tranende ogen. Zane zei hees: 'Verdomd, Caleb, probeer je ons te vergiftigen?'  

'Je moet eraan wennen, Zane, maar ooit zul je het heerlijk vinden.'

'Het brandt als gloeiende kolen,' zei Tad terwijl hij met zijn mouw zijn ogen afveegde.

'Even geduld,' zei Caleb. 'Je wordt er lekker warm van.'

Zane smakte met zijn lippen. 'Niet dat ik het lekker vind, maar laat me er nog eens eentje proberen.'

Caleb schonk weer in en de jongens dronken. Deze keer hoefden ze niet te hoesten, al bleven hun ogen tranen.

'Ik denk dat ik het maar bij bier hou,' zei Tad.

'Ik weet het niet,' zei Zane. 'Het heeft wel iets.'

'Je bent een veelbelovende jongeman, Zane Cafrrey,' zei Caleb.  

Lachend zei Tad: 'Oef! Het stijgt naar mijn hoofd!'

'De mannen van Kinnoch zeggen dat het je een zetje geeft, en zij weten waar ze het over hebben.'

'Wat ga je ermee doen?' zei Tad, wijzend naar de andere kisten.

'Ik breng ze naar mijn vader als geschenk. Er is niet veel dat hij niet kent, dus ik dacht dat hij dit wel zou waarderen.'

'Waarom geef je ons dit?' vroeg Tad. 'Ik bedoel, het is heel aardig van je, maar waarom?'

'Om jullie af te leiden,' zei Caleb. 'Als ik jullie alleen laat drinken, zouden er twee dingen gebeuren.' Hij stak een vinger op en schonk hen nog eens in. 'Ten eerste zouden de andere mannen jullie eindeloos pesten omdat jullie al bijna een jaar om Ellie ruziën, en ten tweede zouden jullie heibel zoeken met Grame.'

De jongens dronken snel hun whisky op en leken eraan te wennen. Caleb vulde hun glazen nog een keer. 'Hier, neem er nog eentje.'

De jongens gooiden hun vierde glas achterover, en Tads ogen begonnen dicht te vallen. 'Je voert ons dronken. Ik voel het.'

Caleb vulde de glazen nog een keer en zei: 'Nog eentje, en dan is het wel voor elkaar.'

Zane vroeg met dubbele tong: 'Is wát voor elkaar?'

Caleb sprong van de wagen af. 'Dan zijn jullie te dronken om nog ruzie te zoeken.' Hij gaf Tad een zet, en de jongen wankelde.  

'Kom mee,' zei Caleb.

'Waarheen?' vroeg Zane.

'Terug naar huis en dan naar bed. Jullie gaan zo meteen onderuit, en ik heb geen zin om jullie te dragen.'

De jongens hadden nog nooit zoiets sterks gedronken als deze whisky, en ze volgden Caleb rustig. Tegen de tijd dat ze bij hun huis waren, konden de jongens nauwelijks nog overeind blijven.

Caleb duwde ze naar binnen, en toen hij ze in hun bed had gelegd, ging hij terug naar het festival. Hij had Marie binnen enkele minuten gevonden. Toen ze hem zag, vroeg ze: 'Wat heb je met ze gedaan?'

'Ik heb ze heel erg dronken gevoerd.'

'Alsof ze daar hulp bij nodig hadden.' Ze keek ongerust om zich heen. 'Waar zijn ze?'

'Thuis, in bed.'

Haar ogen versmalden. 'Zo dronken kunnen ze toch nog niet zijn?'

Hij hield de fles whisky omhoog. Hij was bijna leeg. jawel, ze hebben net binnen een kwartier vijf dubbele borrels achterovergeslagen.'  

'Nou, dan zullen ze Grame en Ellie in ieder geval niet lastigvallen,' zei Marie.  

'Of ons,' zei Caleb lachend.

Ze zei: 'Het kan me niet schelen hoe dronken ze zijn, Caleb, als zij in huis zijn, kun jij niet blijven slapen.'

Hij grijnsde. 'Ik heb al een kamer in de herberg. Als we daar nu naartoe gaan, zal niemand het merken als je met me meegaat naar boven.'

Ze haakte haar arm door de zijne. 'Alsof het mij iets kan schelen wat de mensen denken. Ik ben geen meisje dat achter haar jonge minnaar aanzit, Caleb. Ik pak mijn geluk waar ik kan en als iemand zich daaraan stoort, maakt me dat niet uit.'

Caleb trok haar dicht tegen zich aan. 'En degenen die er wel toe doen vinden het niet erg.'

 

Ze vreeën met een passie die Caleb nog niet eerder had meegemaakt, en later, toen ze haar hoofd op zijn schouder had gelegd, vroeg hij: 'Wat zit je dwars?'  

Ze wist dat een van de redenen waarom ze zich tot hem aangetrokken voelde, was dat hij haar altijd zo goed kon peilen. 'Tad heeft me gevraagd of wij gaan trouwen.'

Caleb zweeg even en zuchtte toen diep. 'Als ik met iemand zou trouwen, Marie, dan zou het met jou zijn.'

'Dat weet ik,' zei ze. 'Maar als je niet wilt blijven, met me wilt trouwen en een echte vader voor de jongens wilt zijn, moet je ze met je meenemen.

Caleb schoof achteruit en richtte zich op zijn elleboog op. Hij keek haar aan. 'Wat?'

'Je ziet hoe het voor ze is, Caleb. Ze hebben hier geen toekomst. Ik heb de boerderij moeten verkopen en dat geld raakt een keer op, zelfs als ik het meeste van wat we eten zelf in de tuin verbouw; Ik kan me alleen wel redden, maar als ik twee opgroeiende jongens te eten moet geven ... Er is niemand die ze kan leren hoe het boerenbedrijf werkt en er is geen gilde waar ze een vak kunnen leren. Elke andere jongen is twee jaar geleden bij het Kiezen leerling geworden bij een boer, handelaar, zeeman of gilde, maar mijn jongens bleven over. Iedereen mag hen en als het kon zouden Tad en Zane allang leerlingen zijn, maar er is gewoon niet genoeg werk hier. Als jij ze niet met je meeneemt, worden ze luilakken of erger. Ik raak ze liever nu kwijt dan dat ze over een paar jaar worden opgehangen voor diefstal.'

Caleb zweeg lange tijd. 'Wat zou ik dan met ze moeten doen, Marie?'

'Jij hebt wel enige status, ondanks je eenvoudige kleding en leren jachtbroek, of je vader tenminste. Je hebt de wereld gezien. Neem ze met je mee als bedienden, of leerlingen, of neem ze mee naar Krondor om daar werk voor hen te vinden.  

Ze hebben geen vader, Caleb. Toen ze klein waren hadden ze genoeg aan een moeder - om hun snotneus af te vegen en ze vast te houden als ze bang waren. Dat is veel gebeurd nadat Zanes ouders omkwamen door de trollen. Maar op deze leeftijd hebben ze een man nodig die hun laat zien wat ze moeten doen en wat ze niet moeten doen, om een beetje verstand in hun koppen te slaan als het moet, en om ze te prijzen wanneer ze iets goed doen. Dus als je niet met me wilt trouwen en hier wilt blijven, neem ze dan tenminste met je mee.'

Caleb draaide zich om en ging met zijn rug tegen de gepleisterde muur zitten. 'Wat je zegt klinkt wel verstandig.'

'Doe je het?'

'Ik weet niet zeker waar ik me in stort, maar ik zal ze meenemen. Als mijn vader niet weet wat hij met ze aanmoet, neem ik ze mee naar Krondor en zorg ik dat ze leerlingen worden bij een handelaar of dat ze bij een gilde terechtkomen.'

'Zezijn nu zo goed als broers. Het zou zonde zijn om ze uit elkaar te halen.'  

'Ik zorg dat ze bij elkaar blijven. Dat beloof ik.'

Ze ging dichter tegen hem aan liggen. 'Kom je af en toe terug om me te vertellen hoe het met ze gaat?'

'Ja, Marie,' zei Caleb. 'Ik zal zorgen dat ze vaak naar je schrijven.'  

'Dat zou geweldig zijn,' fluisterde ze. 'Niemand heeft me ooit een brief gestuurd.' Ze zuchtte. 'Nu ik erover nadenk: ik ken helemaal niemand die ooit een brief heeft gestuurd.'

'Ik zal erop toezien dat ze dat doen.'

'Dat is prachtig, maar dan zul je ze natuurlijk wel moeten leren schrijven.'

'Kunnen ze dat niet?' Caleb kon zijn verbazing niet verbergen.

'Wie zou hun dat hebben moeten leren?'

'Kun jij...?'

'Nee, nooit geleerd,' zei ze. 'Ik kan sommige woordtekens lezen, omdat ik ze in de winkels wel eens zie, maar ik heb het nooit echt nodig gehad.'

'Hoe moet je dan lezen wat ze je sturen?'

'Ik vind wel iemand die het voorleest. Ik hoef alleen maar te weten dat ze het goed maken.'

'Je bent een bijzondere vrouw; Marie,' zei Caleb warm.

'Nee, ik ben gewoon een moeder die zich zorgen maakt over haar jongens.'

Caleb liet zich weer in bed zakken zodat ze haar hoofd op zijn schouder kon nestelen. Zwijgend vroeg hij zich af wat hij zich op de hals had gehaald.