12

Ontdekking

 

Nakur keek om zich heen.

'Wat zoeken we precies?' vroeg hij.

Puc maakte een weids armgebaar om zich heen. 'Al sinds Leso Varen uit Olasko is gevlucht, zijn we aan het zoeken naar het bereik van zijn doodsscheuring, bij gebrek aan een betere term.'

'Dat weet ik,' zei Nakur terwijl hij door het kniehoge gras liep.

Ze stonden samen met Ralan Bek midden in een uitgestrekte grasvlakte die omlaag liep vanaf de bergen in het oosten, ongeveer drie dagen rijden vanaf de grens tussen het Koninkrijk der Eilanden en het hertogdom Maladon en Simrick. Als ze te paard vanuit Maladon, de dichtstbijzijnde stad, waren vertrokken, dan zouden ze nog vier dagen onderweg zijn geweest.  

Bek keek naar de twee mannen die door het gras voor hem liepen en lachte. 'Blijven we de hele dag rondjes lopen?'

Puc keek de jongeman aan en knikte. 'Als het moet. Meer dan een jaar geleden vonden we bewijs van iets heel krachtigs, van heel duistere magie. Ik wil er niet al te diep op ingaan, maar laten we zeggen dat er een relatie is tussen die magie en een heleboel problemen die nog zullen komen. Het zou helpen als we het... spoor, zeg maar, konden vinden tussen de plek waar die magie vandaan kwam - in Opardum, de hoofdstad van Olasko - en ergens anders. Onze berekeningen geven aan dat er hier ergens in de buurt een plek moet zijn waar we dat spoor kunnen vinden, als je begrijpt wat ik bedoel.'  

Bek schudde zijn hoofd en lachte. 'Je hebt het over plaatsen waar ik nog nooit van heb gehoord, het ene moment is het hartje winter, het volgende is het zomer, en je praat in een vreemde taal, maar toch versta ik het meeste van wat je zegt.' Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en keek Puc aan. 'Dus om je vraag te beantwoorden: nee, ik begrijp hier helemaal niets van.' Hij wees naar een groepje bomen een eindje naar het noorden. 'Maar ik denk dat jullie daar zullen vinden wat jullie zoeken.'

Puc trok zijn wenkbrauwen op en keek Nakur aan, die zijn schouders ophaalde. De twee mannen liepen richting de bomen en Nakur zei: 'Ik voel niets.'

'Varen heeft veel moeite gedaan om zijn werk te verhullen. Kijk maar hoe lang het ons heeft gekost om het spoor tot hier te volgen.'

Nakur wendde zich tot Bek en zei: 'Blijf hier zodat we deze plek kunnen terugvinden als we niets vinden tussen die bomen.'

Bek nam de zwarte hoed af van de man die hij bij de talnoygrot had gedood en maakte een zwierige buiging. 'Uw wens is mijn bevel.'  

De twee oude vrienden liepen naar de bomen en Puc zei: 'Heb je al bedacht wat we met hem aanmoeten?'

Nakur zei: 'De eenvoudige oplossing is om hem te doden.'

'We hebben wel eens voor onze zaak gemoord, maar alleen als we vonden dat er geen andere manier was.' Puc keek om naar Bek, die rustig stond te wachten. 'En als je niet dacht dat er een andere manier was, weet ik zeker dat je hem nooit zou hebben meegenomen naar Tovenaarseiland.'

'Dat is waar. Hij kan wel eens de gevaarlijkste man zijn die we ooit hebben ontmoet.' Nakur reikte in zijn rugzak, haalde er een sinaasappel uit en bood die Puc aan, die zijn hoofd schudde. De kleine gokker begon de vrucht te pellen. 'Nu hij met zijn twintig zomers al zo sterk is, kun je je dan voorstellen wat hij over honderd jaar kan zijn, of over tweehonderd jaar?'

'Blijft hij zo lang leven?' vroeg Puc toen ze de rand van de bomen bereikten.

'Kijk maar naar jezelf, naar mij en Miranda,' zei Nakur. Ze stonden nu tussen de bomen met hun bladderende wit-met-bruine bast, en hun ogen moesten even wennen aan de schaduw nadat ze uit de middagzon waren gekomen. 'Jij en Miranda beschikken over machtige magie om jullie jong te houden, maar ik heb alleen maar mijn trucs.' Hij spuwde een sinaasappelpit uit.  

Puc knikte en glimlachte toegeeflijk. 'Noem het wat je wilt, Nakur. Ik geef toe dat er geen logica of systeem aan ons talent ten grondslag ligt, maar jij bent misschien wel de meest vaardige beoefenaar van de magie op deze wereld.'

Nakur haalde zijn schouders op en gooide de lege sinaasappelschil op de grond. 'Ik denk het niet, maar dat doet er niet toe.' Hij sprak nu zachtjes, alsof Bek hen misschien zou kunnen horen. 'Ik heb iets in me, Puc. Ik weet niet wat, maar ik weet dat het hier al is' - hij klopte op zijn borst - 'sinds ik een jongen was. Ik lijk in bepaalde opzichten op Bek. Maar ik denk dat wat ik in me heb geen deel is van de Naamloze. Het lijkt er echter wel op, en ik denk dat ik daarom die trucjes ken.'  

Puc knikte. 'We hebben vaak genoeg onder het genot van een glas wijn dit soort zaken besproken, Nakur.'

'Maar dit is geen theorie meer, Puc. Hij is echt.' Hij wees in Beks richting. 'Toen ik dat ding in hem aanraakte, twijfelde ik niet aan wat ik had gevonden. Geen moment.'

Puc knikte en zweeg.

'Een van onze favoriete gespreksonderwerpen is de aard van de goden.'

'Daar hebben we het inderdaad vaak over,' zei Puc.

'Ik heb je eens verteld dat ik vermoed dat er een ultieme god is. Een wezen dat verbonden is met alles - echt alles, Puc. En alles onder hem of haar of dat wezen, is ook verbonden.'

'Dat weet ik nog. Het is een even goede verklaring voor de manier waarop het universum in elkaar steekt als enige andere die ik heb gehoord. Jouw theorie is dat de Hogere Goden, de Lagere Goden en alle andere wezens pogingen van deze ultieme god zijn om zichzelf te begrijpen.'  

'Ik heb wel eens gezegd dat hij op een zuigeling lijkt - die dingen van de tafel duwt om ze te zien vallen, steeds maar weer; die kijkt en probeert te begrijpen wat er gebeurt. Maar we hebben het over een schaal van miljoenen jaren, misschien wel miljarden. Dit opperwezen heeft alle tijd van de wereld, meer nog - het heeft alle tijd die er ooit was of die er ooit zal zijn.  

Zou het dan niet aannemelijk zijn dat de goden onder dat wezen ook op de een of andere manier omlaag reiken en mindere wezens aanraken, zodat ook zij hun plek in het universum begrijpen?'  

'Dus de Naamloze heeft een stukje van zichzelf in Bek geplaatst om zijn plaats in het universum te leren kennen?'  

'Nee,' zei Nakur. 'Het is mogelijk, maar ik denk niet dat dat zijn opzet is. Ik denk dat de Naamloze door de jaren heen vele agenten zoals Varen voor zich heeft laten werken.' Nakur keek Puc aan. 'Vertel me over Varen.'

'Je hebt al alles gehoord wat ik weet.'

'Vertel me over jullie eerste ontmoeting.'

'Toen ik van hem hoorde, was hij al een ervaren beoefenaar van de duistere kunsten. Arutha was toen prins in Krondor, en hertog James zijn voornaamste agent, een jonge baron in die tijd. Hij, mijn zoon en een van mijn meest vaardige studenten gingen naar een magiër die Sidi heette, en van wie ik nu geloof dat hij Varen in een ander lichaam was.'

'Ik herinner me dat verhaal over de amulet,' zei Nakur. 'Niemand heeft dat ding ooit gevonden, toch?'  

Puc schudde zijn hoofd. 'Hij is daar nog steeds ergens. Tot de inval in Elvandar en op ons eiland vorig jaar, was het bemachtigen van de Traan der Goden Varens laatste opzichtige poging om chaos in onze wereld te brengen. En tussen die gebeurtenissen door werkte hij rustig aan zijn plannen op afgelegen plaatsen.'  

'Zoals in de citadel van Kaspar van Olasko?' vroeg Nakur grijnzend.

'Dat is nauwelijks een afgelegen plaats, dat geef ik toe, maar hoeveel mensen wisten dat hij daar was? Het was een zeer goed bewaard geheim buiten de huishouding van Kaspar,' zei Puc. 'Zijn doodsbezwering heeft hem de macht gegeven om zich van lichaam naar lichaam te verplaatsen. Mijn onderzoek duidt erop dat er ergens een plaats is waar zijn werkelijke ziel - bij gebrek aan een beter woord - huist. Daardoor kan zijn geest lichamen in bezit nemen en gebruiken zoals hij wil.

Hij zal niet ophouden voordat hij het Conclaaf of enige andere tegenstand tegen zijn missie heeft vernietigd, en die missie is eenvoudigweg om overal het kwaad te verspreiden. Dus is hij een probleem.' Puc wees naar Bek. 'En nu zeg jij dat we er daar nog één hebben.'  

'Maar ik denk niet dat hij is zoals Varen,' zei Nakur. 'Varen werd gerekruteerd, of verleid, of overgehaald of misleid met een belofte van macht of eeuwig leven of zoiets. Geen enkele man bij zijn volle verstand geeft zichzelf vrijwillig over aan het kwaad.'

'Leso Varen is niet bij zijn volle verstand.'

'Misschien ooit wel,' zei Nakur. 'Misschien is hij gewoon een ongelukkige die op het verkeerde moment op de verkeerde plaats was. Die amulet waar je het over had kan een man met weinig wilskracht gek maken. En geestelijke gezondheid is het enige dat tussen goed en kwaad in staat. Over een paar jaar is deze jongeman zeker ook waanzinnig. Hij is zijn gevoel voor moraal al kwijt; hij wordt gedreven door impulsen en weinig anders.'

'Wat hebben we in godensnaam aan een man zonder moraal, die zonder scrupules kwaad doet?'

'We hebben ook iets zinnigs voor Kaspar gevonden, toch?' vroeg Nakur.

Puc zweeg een tijdje en zei toen: 'Dat is waar, maar hij was onder invloed van Varen. Deze knaap wordt direct aangeraakt door de Naamloze. Is dat niet anders?'

'Ik weet het niet, Puc, maar ik weet wel dat we hem snel moeten doden, voordat hij te gevaarlijk wordt, of moeten proberen hem op de een of andere manier te veranderen.'

'Ik begrijp dat je hem liever niet meteen doodt, Nakur, maar waarom zou je hem willen veranderen?'

'Stel dat mijn theorie klopt, dat de goden stukjes van zichzelf in ons achterlaten zodat ze kunnen leren?'

'Goed punt, maar je zei ook dat je betwijfelde dat de Naamloze daardoor werd gemotiveerd.'  

'Ja,' zei Nakur weer grijnzend. 'Maar onze daden hebben vaak onbedoelde gevolgen. Wat als we een klein berichtje naar hem kunnen terugsturen, dat er zonder evenwicht en zonder goed ook geen kwaad kan bestaan?'

'Zou dat wat uitmaken, in het licht van je bevindingen?'

'Dat moet wel, want dat is de aard van de realiteit. Denk maar aan het oude symbool van Yin en Yang; de cirkel bevat zowel zwart als wit, maar binnen het wit staat een zwarte punt, en binnen het zwart staat een witte punt! Tegengestelde krachten, maar elk met iets van de andere in zich. Hij mag dan wel waanzinnig zijn, maar de Naamloze moet inzien dat het een fundamentele waarheid is.'  

Puc lachte treurig. 'We zullen het misschien wel nooit weten, en dat is zoals het hoort, want de goden hebben ons een beperkte hoeveelheid macht en kennis gegeven. Daar ben ik tevreden mee. Maar ik moet de dingen die ik wel kan begrijpen en besturen voorrang geven boven je theorieën, hoe wonderbaarlijk ze ook mogen zijn. Als Bek uiteindelijk een bedreiging voor het Conclaaf blijkt te zijn, zal ik hem vernietigen zoals ik een kakkerlak zou pletten. Zonder aarzelen. Is dat helder?'  

'Heel helder,' zei Nakur, nu zonder grijns. 'Maar ik denk dat we deze jongeman nog wat langer moeten bestuderen voordat we hem vernietigen.'

'Dat ben ik met je eens, maar ik wil dat je de anderen op het eiland raadpleegt. En voordien wil ik je terug in Novindus hebben bij de talnoy. Die zijn een echte en onmiddellijke dreiging. We moeten een manier vinden om ze zonder die ring te besturen.'  

Nakur knikte. De ringen waarmee de talnoy konden worden bestuurd, hadden als ongelukkig bijverschijnsel dat ze de drager gek maakten.

Puc keek om zich heen. 'Laten we nu eens kijken of we dat spoor kunnen vinden.'

'Daar,' zei Nakur, wijzend naar een piepklein glanzend flintertje dat zo'n vijf voet boven wat struiken in de lucht hing. 'Ik zag het al terwijl we stonden te praten.'  

Puc liep snel naar het f1intertje energie toe dat minder dan een el lang was en tussen twee takken in de lucht zweefde. 'We hadden hier wel jaren naar kunnen zoeken,' zei Puc. 'Hoe denk je dat die knaap dat wist?'

Nakur haalde zijn schouders op. 'Dit is een kwaadaardig iets, en gezien Beks aard...'

'Denk je dat hij er op de een of andere manier op afgestemd is?'

'Schijnbaar,' antwoordde Nakur. Hij bekeek het glanzende flintertje energie. 'Heb je enig idee hoe dit ding werkt?'

'Toen ik tegen de magie van Murmandamus vocht, onder de stad Sethanon, ben ik iets vergelijkbaars tegengekomen, maar dat was veel minder subtiel. Het was meer een brute aanpak van de kwestie. Dit is delicaat, bijna... artistiek.'

'Gezien het bloedbad dat we aantroffen in Kaspars citadel, in dat abattoir waar Varen woonde, is dit onverwacht,' vond Nakur.

'Varen is misschien een moorddadige gek, maar hij is niet achterlijk. Als hij volledig bij zijn verstand was, zou hij een waardevolle aanvulling voor ons kunnen zijn geweest.'  

'Als hij bij zijn volle verstand was, was er misschien geen "ons" meer, Puc.'

'Niet het Conclaaf, misschien, maar er zou altijd een groep van ons of anderen aan het werk zijn.'

Nakur bestudeerde het ding en zei: 'Waar leidt dit naartoe?' Hij wees naar een iel draadje energie, een glanzend zilvergroen licht dat niet meer dan een voet lang was.

Puc wees naar het uiteinde dat het dichtst bij hem was. 'Het lijkt erop dat dit van de laatste plek komt waar het zich heeft gemanifesteerd.' Hij wees naar het oosten. 'Ongeveer honderd mijl die kant op.'

'Zag het er precies zo uit?'

'Nee,' zei Puc zachtjes. 'Er was een bol, ongeveer zo groot als een druif. En hij was op de een of andere manier op zijn plek verankerd met een energiesnoer naar de grond. Hij was onzichtbaar en had geen substantie, dus je kon er zonder het te merken dwars doorheen lopen. We hebben een zeer ingewikkelde bezwering moeten gebruiken om hem zichtbaar te maken. Dit lijkt...' Hij keek weer langs de lijn van energie alsof hij iets opmerkte. 'Ik weet niet hoe hij dit gedaan heeft. Het lijkt wel alsof...' Toen werden zijn ogen groot. 'Hij heeft een manier gevonden om deze energie te laten springen, Nakur!'  

'Wat bedoel je met springen?'

'Dit uiteinde,' zei Puc, wijzend, 'is geen honderd mijl van de bol vandaan. Het zit eraan vast.' Hij zweeg even en vervolgde: 'Het lijkt op de Tsurani-bollen die we gebruiken om onszelf van de ene plek naar de andere te verplaatsen.'

'Maar dat zijn toestellen,' zei Nakur.

'Miranda heeft geen bol nodig,' zei Puc zachtjes. 'Ze kan zichzelf met haar wilskracht verplaatsen als ze weet waar ze naartoe wil.'

'Maar er is niemand anders die dat kan.'

Puc glimlachte. 'Dat dacht ik ook, maar jij vergat een bol te gebruiken toen je laatst de grot op het eiland verliet.'

Nakur haalde zijn schouders op. 'Het is een truc.'

Puc knikte. 'Ze heeft geprobeerd om Magnus en mij die truc te leren, maar we kunnen het nog steeds niet, al werken we er al een jaar of twintig aan.'

'Als dat uiteinde vastzit aan de bol,' zei Nakur, 'waar zit het andere eind dan aan vast?'

Puc tuurde ernaar alsof hij hoopte het te kunnen zien. Na enkele minuten bijna roerloos staren, werden zijn ogen groot. 'Nakur,' fluisterde hij, alsof hij bang was om hardop te praten.

'Wat?'

'Het is een scheuring!'

'Waar?' vroeg Nakur.

'Aan het eind van die energiedraad. Hij is onvoorstelbaar klein, maar hij is er wel. Varen heeft zijn scheuring gemaakt. Eerst dacht ik dat hij enorme energie opsloeg om een scheuring van normale grootte te maken, maar ik had het mis. Hij wilde maar een heel kleine scheuring, maar dan wel eentje die jarenlang open bleef staan.'  

Nakur haalde diep adem. 'Jij weet meer over scheuringen dan wie ook, Puc, dus ik twijfel niet aan wat je zegt, maar hoe is zo'n kleine scheuring mogelijk?'

'De hoeveelheid kracht om zoiets te maken en hem stabiel en op zijn plek te houden gedurende het jaar of langer dat wij ernaar hebben gezocht... is onvoorstelbaar.' Puc stond op. 'Er moet ergens iemand rondlopen die meer over scheuringen weet dan ik, Nakur. Ik heb nog nooit zoiets delicaats en precies kunnen maken.'  

'We kunnen maar beter teruggaan naar Bek voordat hij uit verveling het gras in brand steekt,' zei Nakur. 'Wat wil je hiermee doen?'  

'Ik stuur een paar van onze beste wetenschappers en zal Magnus vragen of hij een paar Grootheden van de Tsurani kan overhalen om dit ding te bestuderen. We kunnen het mysterie van wat Leso Varen in Kaspars citadel deed pas ontrafelen als we het andere uiteinde van deze energiedraad onderzoeken, en dat betekent dat we de andere kant van de scheuring moeten vinden.'

Nakur legde een hand op Pucs schouder en kneep er zachtjes in, om hem gerust te stellen. 'De andere kant van die scheuring kan een heel kwaadaardige plek zijn.'

'Dat is het bijna zeker,' zei Puc.

'En we moeten het ook nog hebben over die boodschappen die je me hebt laten zien.'

'Ik weet niet wat ik er nog meer over moet zeggen, Nakur.' Puc keek nadenkend. 'Het was misschien een vergissing om ze je te laten zien. Ik heb het zelfs niet aan Miranda verteld.'

Nakur glimlachte niet meer. Puc zag de kleine man maar zelden zo peinzend kijken, dus hij wist dat er iets ernstigs zou volgen. Plotseling was Nakurs grijns terug en zei hij: 'Dan heb je grote problemen als ze er achterkomt.'

Puc lachte. 'Weet ik, maar zij is het meest temperamentvol in onze familie, en als ze die boodschappen leest... We weten allebei dat tijdreizen mogelijk is. Ik ben met Macros en Tomas naar het begin van de tijd gereisd, maar ik weet niet hoe het moet.'  

'Blijkbaar weet je dat in de toekomst wel.'

'Maar je weet toch wat de grote vraag is?'

Nakur knikte toen ze zich omdraaiden en wegliepen bij het gloeiende draadje magie. 'Stuur je boodschappen naar jezelf om ervoor te zorgen dat er iets gebeurt, of stuur je ze om te voorkómen dat er iets met je gebeurt?'

'Ik weet nog toen de allereerste boodschap bij me verscheen, de ochtend voordat graaf James en de prinsen naar Kesh gingen.'  

Nakur knikte. '''Zeg tegen James dat hij, als hij een vreemde man ontmoet, tegen hem zegt: Er is geen magie." Hoe denk je dat je wist dat ik dat zou zijn?'

'Mijn theorie is dat we elkaar veel later in ons leven hebben ontmoet, misschien ergens in de toekomst, wanneer de dingen er veel slechter voor moeten staan dan nu. Misschien was het mijn manier om ervoor te zorgen dat we jarenlang de tijd hadden om samen te werken.'  

'Ik heb me hetzelfde afgevraagd,' zei Nakur. 'Maar dat zullen we nooit weten, hè?'

'Als de toekomst vloeibaar is, dan heb ik door wat ik heb gedaan al dingen veranderd...' Hij lachte. 'Macros.'

'Wat is er met hem?'

'Hij heeft hier de hand in, dat weet ik zeker,' zei Puc. 'Net als al het andere in mijn leven...' Hij haalde zijn schouders op. 'Als je de kans krijgt, vraag Tomas dan de volgende keer dat je hem ziet over de wapenrusting die hij draagt en zijn dromen over het verleden, en... nou ja, laat het hem zelf maar vertellen. Maar dat was Macros, en het had ook met tijdreizen te maken.'

'Zal ik doen.'

Ze liepen het bos uit en spraken geen van beiden meer tot ze bij Bek aankwamen. De jongeman grijnsde. 'Gevonden?'

'Ja,' zei Puc. 'Hoe wist je dat het daar was?'

Bek haalde zijn schouders op. 'Weet ik niet. Ik voelde het gewoon.'

Puc en Nakur keken elkaar aan, en toen zei Nakur: 'Kom, we gaan.'

'Gaan we eten?' vroeg Bek. 'Ik ben uitgehongerd.'

'Ja,' zei Puc. 'We zorgen dat je iets te eten krijgt.' In stilte voegde hij eraan toe: Wezorgen voor je zolang je geen bedreiging wordt. Want dan vermoorden we je.  

Puc haalde een Tsurani-bol te voorschijn en de drie mannen verdwenen van de grazige vlakte.