Proloog

Voorbode


De storm was uitgewoed.

Puc danste langs de rotsrand. Zijn voeten vonden amper houvast terwijl hij zijn weg zocht langs de poelen die het tij had nagelaten. Zijn donkere ogen schoten heen en weer, turend in elke poel aan de voet van het klif, op zoek naar schaaldieren, de schaduw ingejaagd door de kort geleden gepasseerde storm.

Zijn jonge spieren bundelden zich onder zijn dunne hemd toen hij de buidel met zandkruipers, rotsklauwen en krabben, de vangst uit deze watertuin, verschoof. De middagzon deed het rond hem opspattende zeewater fonkelen, de westenwind woei door zijn zongebleekte bruine haar. Puc zette zijn buidel neer, overtuigde zich ervan dat hij goed dicht zat en ging zitten op het zand. De buidel was nog niet vol, maar Puc verheugde zich op het vooruitzicht van een uurtje rust. Megar, de kok, zou zich niet druk maken over de tijd zolang de buidel maar redelijk gevuld was. Met zijn rug tegen een rotsblok leunend, zat Puc al snel te dommelen in de zon. Plotseling schoten zijn ogen open. Hij was in slaap gevallen, of wist tenminste dat hij hier eens in slaap was gevallen... Hij ging rechtop zitten.

Er blies een koude, natte zeemist in zijn gezicht. Zonder dat hij zijn ogen bewust had dichtgedaan, was er toch enige tijd verstreken. Met een schok besefte hij dat hij veel te lang had geslapen. Westwaarts, boven de zee, vormden zich zwarte donderkoppen boven de silhouetten van de Zes Zusters, de eilandjes aan de horizon. De duistere, stuwende wolken, die een sombere regensluier met zich meesleepten, waren de aankondiging van een nieuwe, plotselinge, vroegzomerse storm, karakteristiek voor het kustgebied. De wolken werden onnatuurlijk snel door de wind voortgedreven, en in de verte klonk de donder almaar luider.  

Puc draaide zich om en keek om zich heen. Er was iets vreselijk mis. Hij wist dat hij hier al heel vaak was geweest, maar... Hij wás hier ook eerder geweest! Niet alleen maar op deze plek, maar hij had dit exacte moment beleefd!

In het zuiden beukten de golven op de steile rotswanden van Zeemansleed, waarvan de piek hoog ten hemel rees. Achter de branding vormden zich schuimkoppen op de golven, teken van de snel naderende storm. Puc wist dat hij in gevaar was, want in een zomerstorm kon je makkelijk verdrinken op de stranden en, bij zeer hevige storm, zelfs op de achterliggende laagvlakte. Hij pakte zijn buidel op en vertrok noordwaarts, richting kasteel. Terwijl hij zijn weg zocht tussen de poelen, voelde hij de koele wind kouder en natter worden. Het daglicht werd gebroken door een netwerk van schaduwen toen de eerste wolken voor de zon dreven, heldere kleuren vervagend naar grauwe tinten. Boven de zee flitsten bliksemschichten tegen de donkere achtergrond van het wolkendek en de aanzwellende donderslagen overstemden het geweld van de golven. Toen hij op een vlak stuk strand kwam, verhoogde Puc zijn tempo.  

De storm naderde sneller dan hij voor mogelijk had gehouden en dreef de vloed voor zich uit. Tegen de tijd dat hij weer een stuk grond met vloedmeertjes bereikte, was er nauwelijks nog tien voet droog zand tussen de branding en het klif. Zo snel als nog veilig was, rende Puc over de rotsbodem, waarbij hij twee maal bijna uitgleed. Toen hij het volgende stuk strand bereikte, schatte hij zijn sprong van de laatste rots verkeerd in en kwam slecht neer. Hij had zijn enkel verdraaid!  

Hij was hier eerder geweest, was toen gesprongen en had ook zijn enkel verdraaid, Die keer waren even later de golven over hem gespoeld.

Puc draaide zich om naar de zee. In plaats van de golf die hij verwachtte, trok het water zich terug! De zee bundelde zich tijdens haar aftocht en klom hoger en hoger: een muur van water die woest naar de hemel reikte. Er klonk een uitbarsting van donder boven zijn hoofd en hij kromp ineen tegen de dreiging van boven. Puc waagde een snelle blik omhoog en vroeg zich af hoe die wolken zich zo snel hadden verzameld. Waar was de zon gebleven?  

De rollende brekers bleven zich maar verder naar de hemel strekken en terwijl Puc angstig toekeek, zag hij figuren bewegen in de vloeibare muur. Het leek een muur van zeegroen glas, vertroebeld door zandige oneffenheden en explosies van luchtbellen, maar transparant genoeg om de bewegende vormen er binnenin te kunnen zien.  

In de golf stonden vele gelederen gewapende wezens, klaar om Schreiborg binnen te vallen, en Puc dacht één woord: Dasati.  

Hij draaide zich om en liet zijn buidel vallen terwijl hij een sprong waagde naar hogere grond. Hij moest hertog Borric waarschuwen! Hij zou er wel iets op weten! Maar de hertog was dood, al meer dan een eeuw.

In paniek klauterde de jongen over de lage helling, graaiend met zijn handen naar houvast terwijl zijn voeten geen grip konden vinden. Hij voelde tranen van frustratie in zijn ogen branden terwijl hij over zijn schouder keek.  

De zwarte gedaanten bewogen zich in de groeiende muur van water. Terwijl ze naar voren stapten, bereikte de golf een onmogelijke hoogte en verduisterde de toch al grijze stormhemel. Boven en achter de enorme golf onthulde zich een duistere woede - een somberheid zonder vorm of gezicht, maar samenhangend - een sterke aanwezigheid, doelgericht en met rede begiftigd. Vanuit de woede kwam een gevoel van puur kwaad, een werveling van slechtheid die zo overweldigend was dat de jongen achterover viel en niet anders kon dan hulpeloos toekijken. Het duistere leger van de Dasati kwam naar Puc toe gemarcheerd, ze kwamen te voorschijn uit golven die zwart waren geworden door dat hatelijke ding in de hemel.

Hij stond langzaam op, balde zijn vuisten en rechtte opstandig zijn rug, maar hij wist dat hij hulpeloos was. Hij zou iets moeten doen; maar hij was nog maar een jongen, nog geen veertien zomers oud, nog niet eens gekozen voor een ambacht, een vestejongen zonder familie of naam.  

Toen de dichtstbijzijnde Dasatistrijder zijn zwaard hief, klonk er een kwaadaardige kreet van triomf, een soort schel, hard getrompetter waardoor Puc op zijn knieën zakte. De jongen bereidde zich voor op het neerkomende zwaard, maar zag dat de Dasati aarzelde. Achter het wezen leek de golf - nu hoger dan de hoogste toren van de veste in Schreiborg - ook even te aarzelen. Toen kwam de golf bulderend op hen af en sleurde de Dasati mee voordat die de jongen had bereikt.  

'Ah!' zei Puc, en ging rechtop in bed zitten, zijn lichaam drijfnat van het zweet.

'Wat is er?' vroeg de vrouw naast hem.

Puc draaide zich om naar de vrouw. Hij voelde haar aanwezigheid in de duisternis van hun slaapkamer meer dan dat hij haar zag. Hij kalmeerde en zei: 'Een droom. Dat is alles.'  

Miranda ging overeind zitten en legde een hand op zijn schouder. Binnen enkele momenten had ze alle kaarsen in de slaapkamer aangestoken. In de zachte gloed van het kaarslicht zag ze het laagje vocht op zijn huid, dat het flakkerende licht weerkaatste. 'Dat moet nogal een droom zijn geweest,' zei ze zachtjes. 'Je bent kletsnat.'

Puc keek haar aan. Hij was al meer dan de helft van zijn leven met Miranda getrouwd, maar ze was altijd een mysterie en soms een uitdaging. Op dit soort momenten was hij echter blij dat ze bij hem in de buurt was.

Ze hadden een vreemde band met elkaar, want zij waren twee van de machtigste beoefenaars van magie van Midkemia, en dat alleen al maakte hen uniek voor elkaar. Hun geschiedenissen hadden zich al gekruist voordat ze elkaar ontmoet hadden. Die van Puc omdat zijn leven was gemanipuleerd door Miranda's vader, Macros de Zwarte. Zelfs nu ze samen waren, vroegen ze zich af en toe af of hun huwelijk niet ook een van zijn sluwe plannetjes was geweest. Maar in elkaar hadden ze Iemand gevonden die meer dan enig ander begreep welke last ze droegen en voor welke uitdagingen ze stonden.  

Hij stapte uit bed. Terwijl hij naar de waskom liep en een doek nat maakte, zei ze: 'Vertel me over je droom, Puc.'

Puc begon zich te wassen. 'Ik was weer een jongen. Ik heb je al eens verteld over die keer op het strand, toen ik bijna verdronk, de dag dat Kulgans man Briaer me redde van dat everzwijn. Deze keer kwam ik niet van het strand af, en doken de Dasati op binnen in de storm.'  

Miranda ging achterover zitten met haar schouders tegen het fraai bewerkte hoofdbord van het bed dat Puc haar jaren eerder had gegeven. 'Die droom is begrijpelijk. Je voelt je overrompeld.'  

Hij knikte, en even, in het zachte licht van de kaarsen, zag ze hem als de jongen die hij geweest moest zijn. Die momenten waren zeldzaam. Miranda was ouder dan haar echtgenoot meer dan vijftig jaar ouder - maar Puc had meer verantwoordelijkheid dan wie ook in het Conclaaf der Schaduwen. Hij sprak er maar zelden over, maar ze wist dat er jaren eerder iets met hem was gebeurd in de oorlog met de Smaragden Koningin, in de tijd dat hij tussen leven en dood had gezweefd, zijn lichaam één massa brandwonden door de magie van een machtige demon. Sinds die tijd was hij veranderd; hij was nederiger en minder zeker van zichzelf geworden. Alleen degenen die hem na stonden konden het zien, en dan nog maar alleen af en toe, maar het was er wel.  

Puc zei: 'Ja, ik voel me overrompeld. Door de schaal van alles voel ik me soms... onbeduidend.'

Ze glimlachte, stond op en ging achter haar man staan. Puc was meer dan honderd jaar oud maar zag er niet ouder uit dan dertig - zijn lichaam was nog steeds slank en atletisch, hoewel er wat grijs in zijn haren te zien was. Hij had al twee levens geleefd en hoewel Miranda ouder was, had Puc veel meer geleden in zijn leven. Hij was vier jaar slaaf geweest van de Tsurani en was vervolgens een van de machtigste mannen van hun rijk geworden - een Grootheid, een Zwarte Tovenaar, een magiër van de Assemblee.  

Zijn eerste vrouw, Katala, had hem verlaten om thuis bij haar eigen volk te sterven, aan een ziekte die geen priester of geneesheer kon genezen. Toen had Puc zijn kinderen verloren, iets wat geen enkele ouder ooit zou moeten hoeven meemaken. Van zijn oudste vrienden was alleen Tomas nog over, want de anderen hadden niet meer gekregen dan de normale levensduur van een sterveling. Miranda had sommigen van hen gekend, maar de meesten waren niet meer dan namen uit zijn verhalen: prins Arutha, voor wie Puc na al die jaren nog steeds een heilig ontzag had; de vader van de prins, heer Borric, die Puc zijn achternaam had gegeven; prinses Carlina, waar hij vroeger zo verliefd op was; Kulgan, zijn eerste leermeester, en Briaer, Kulgans metgezel.  

De lijst van namen was lang, maar ze waren nu allemaal dood: Laurie, zijn kameraad in de slavenmoerassen op Kelewan, jonker Roland, zo veel van zijn leerlingen in de loop van de tijd, Katala... zijn kinderen, Wiliam en Gamina, en hun kinderen. Even dacht hij aan zijn twee nog levende zonen. 'Ik maak me zorgen over Magnus en Caleb,' zei hij zachtjes, en zijn toon verraadde zijn zorg evenzeer als zijn woorden.  

Ze omhelsde hem stevig van achteren. Pucs huid voelde koel en klam aan. 'Magnus is hard aan het werk met de magiërs van de Assemblee op Kelewan, en Caleb komt als het goed is morgen in Sterrewerf aan. Kom weer naar bed en laat me je troosten.'  

'Jij bent altijd een troost,' zei hij zachtjes. Hij draaide zich langzaam om in haar armen. Nu hij tegenover haar stond, verwonderde hij zich er weer over hoe zijn vrouw eruitzag: mooi maar sterk. De hoekige lijnen van haar gezicht werden verzacht door een hoog voorhoofd en een kleine kin, en haar ogen waren donker en indringend. 'Soms heb ik het gevoel dat ik je nauwelijks ken, door je hang naar geheimpjes, liefste. Maar er zijn ook tijden dat ik je beter ken dan wie ook, zelfs beter dan mezelf. En ik ben er zeker van dat niemand mij beter begrijpt dan jij.' Hij hield haar even stevig vast en fluisterde toen: 'Wat kunnen we toch doen?'  

'Wat we moeten doen, lieve,' fluisterde ze in zijn oor. 'Kom weer naar bed. Het is nog lang niet licht.'

Miranda doofde met een handbeweging de kaarsen en de kamer werd in duisternis gedompeld. Puc volgde zijn vrouw naar bed en ze kropen tegen elkaar aan om troost te vinden in elkaars armen.

Pucs geest worstelde met de beelden uit zijn droom, maar hij zette ze van zich af. Hij wist wat hem dwars zat: wederom werd hij door de omstandigheden gedwongen te handelen terwijl alles tegenzat, en weer moest hij omgaan met de gevolgen van gebeurtenissen die lang voor zijn geboorte hadden plaatsgevonden.  

Waarom, dacht hij, moet ik mijn leven lang de fouten van anderen herstellen? Maar zelfs terwijl hij dit dacht, wist hij het antwoord al. Hij had zich al jaren geleden neergelegd bij zijn gave, en bij zulke macht hoorde verantwoordelijkheid. Hij kon er niets tegen doen, het lag in zijn aard om verantwoordelijk te zijn. Maar toch, dacht hij terwijl de slaap hem weer vatte, het zou zo mooi zijn om terug te gaan - al was het maar voor een dag - naar de tijd toen hij en Tomas nog jongens waren, met de hoop en ambities van de jeugd, toen de wereld nog zoveel eenvoudiger was.