3
Reis
De jongens kreunden.
Caleb keek vanaf de bok achterom naar de twee jongens, die langzaam wakker werden. Hij had hen in de wagen gesmeten, Marie gedag gezegd, en was voor het ochtendgloren uit Sterrewerf weggereden.
Zane was de eerste die min of meer bij bewustzijn kwam, en hij knipperde als een verbaasde uil met zijn ogen terwijl hij probeerde te gaan zitten. Dat bleek een grote vergissing, want zijn hoofd bonkte en zijn maag protesteerde. Hij kon nog net zijn hoofd over de rand van de wagen steken voordat de zure inhoud van zijn maag bovenkwam.
Caleb hield de paarden in. Tegen de tijd dat de wagen stilstond, was Tad naast zijn pleegbroer gaan hangen om zich over te geven aan de pijnlijke uiting van zijn kater.
Caleb sprong van de bok, greep Tad en vervolgens Zane ruw bij de kladden en sleurde ze van de wagen af. Ze lagen allebei opde weg en waren een toonbeeld van ellende. Hun huid was bleek en het zweet stond hen op het voorhoofd. Hun ogen waren rood omrand en hun kleding was gekreukeld en vies.
'Sta op,' beval Caleb, en de twee jongens gehoorzaamden. 'Kom mee.'
Zonder zich om te draaien om te zien of ze hem volgden, liep Caleb een glooiende helling met verspreide bomen af. Hij dacht aan de geluiden achter zich te horen dat de jongens hem met enige tegenzin volgden.
Ze kwamen bij een greppel waar het gras tot aan hun middel groeide, en Caleb gebaarde dat ze voor hem uit moesten lopen. De twee zieke jongens liepen half struikelend door het gras. Zane trapte alles plat wat hij tegenkwam, terwijl Tad de begroeiing met zijn handen uit elkaar trok.
Het ene moment ploeterden ze voort door de greppel, en het volgende moment verdween Zane met een luide kreet uit het zicht. Tad kon nog maar net voorkomen dat hij ook van de oever stapte, zo'n drie meter boven de rivier. Toen Zanes hoofd boven water verscheen, voelde Tad Calebs laars op zijn achterwerk en vloog hij door de lucht, waarna hij plat in het water naast Zane belandde.
'Was jezelf een beetje,' gebood Caleb. Jullie ruiken als de vloer van een bierkeet.' Hij gooide iets naar hen toe, dat in het ondiepe water tussen hen in terechtkwam. Zane pakte het en zag dat het een stuk zeep was. 'Het is niet van dat sterke spul dat jullie moeder maakt, maar het doet wel wat het moet doen. Maak je schoon - haar, lichaam, kleren, alles. Jullie kunnen je kleren terug dragen naar de wagen.'
Grommend begonnen de twee hun kleding uit te trekken onder de waakzame blikken van Caleb. 'Drink meteen wat water, nu jullie daar toch zijn. Dat brengt jullie weer terug in het land van de levenden.' Hij draaide zich om naar de wagen en riep: 'Maar drink dat sopwater maar liever niet.'
Caleb ging op de wagen zitten wachten. Binnen een halfuur verschenen de twee druipende jongens, naakt en met hun kleren in hun handen. Caleb wees naar de wagen en zei: 'Leg ze over de zijkant van de wagen zodat ze in de zon kunnen drogen.'
De jongemannen rilden in de koele ochtendlucht. Na een paar minuten wees Caleb naar een kistje achter de bok en zei: 'Daar zitten droge kleren in.'
Terwijl de jongens zich aankleedden zei Tad: 'Ik heb me nog nooit zo ziek gevoeld van drank.'
Caleb knikte. 'Van whisky krijg je een vreselijke kater, dat klopt.'
'Waarom heb je het dan gedaan?' vroeg Zane terwijl hij een schone tuniek aantrok.
'Zodat ik jullie niet bewusteloos hoefde te slaan om jullie Sterrewerf uit te krijgen.'
De jongens keken om zich heen alsof ze nu pas wakker werden. 'Waar zijn we?' vroeg Zane, en kneep zijn donkere ogen tot spleetjes. Caleb zag zijn woede opkomen.
'We zijn op de weg naar Yar-Rin, en dan gaan we verder naar Jonril.'
Tad kneep ook zijn ogen samen. 'Waarom naar Jonril?'
'Omdat je moeder niet blij was met wat er met jullie gaande was in Sterrewerf, en mij heeft gevraagd om jullie ergens naartoe te brengen om een vak te leren.' Hij gebaarde dat ze moesten opschieten met aankleden. 'Jullie twee lummelen maar wat rond sinds het Kiezen twee jaar geleden.'
Zanes ogen flitsten van woede. 'Dat is niet waar, Caleb!' Hij trok een droge broek aan en keek naar zijn pleegbroer. 'We werken als we werk kunnen vinden.'
'Eens per maand een dag of twee vracht uitladen is geen vak,' zei Caleb.
'We doen wel meer dan dat,' zei Tad. 'We helpen bij de oogst, we brengen vracht naar het eiland en we hebben ook werk in de bouw gevonden.'
Caleb glimlachte. 'Ik weet dat jullie het geprobeerd hebben. Maar er is maar heel weinig werk, en dat wordt nog minder wanneer de nieuwe vrachtlijn komt - zij brengen hun eigen jongens mee uit Landreth. Nee, jullie moeder heeft gelijk. Als jullie wat van jezelf willen maken, moeten jullie ergens anders zijn dan in Sterrewerf.'
De jongens hadden zich aangekleed en Caleb gebaarde dat ze weer op de wagen moesten klimmen. Hij ging zelf op de bok zitten en pakte de leidsels. Toen de paarden weer in beweging waren gekomen, vervolgde hij: 'Er is niet veel gaande in het Koninkrijk, helaas. Ik ken mensen die jullie werk kunnen geven, maar niemand die jullie als leerling zou aannemen. Maar het ziet er beter uit in Kesh en ik heb vrienden in Jonril die me nog wat schuldig zijn. We gaan kijken of daar iemand is die twee veelbelovende knapen wil aannemen. Als jullie leerling worden, leren jullie binnen een jaar of tien een vak en dan kunnen jullie als ambachtslieden terugkeren naar Sterrewerf. Maar jullie moeten hoe dan ook een vak leren.'
De jongens zaten ongemakkelijk achter op de bonkende wagen, Zane met zijn knieën opgetrokken tegen zijn borst en Tad met zijn benen voor zich uit gestrekt. Ze wisten allebei dat het een lange reis zou worden.
De wagen stuiterde over de weg en de paarden schopten wolkjes stof los terwijl de middagzon op hen neer straalde. Het was ongebruikelijk warm voor deze tijd van het jaar, en nu en dan klaagden de jongens erover. Ze waren rusteloos en verveelden zich nu het nieuwtje van de reis er wel af was. Caleb onderging hun geklaag met goede moed, want hij begreep hoe verontrustend deze nieuwe draai aan hun leven moest zijn.
Op de eerste dag waren ze zowel boos als bedroefd over de beslissing van hun moeder om hen weg te sturen. Ze begrepen haar redenering wel; Sterrewerf was al jaren geen welvarend dorp meer en werk was moeilijk te vinden, maar hun jeugdige optimisme had hun altijd doen geloven dat het wel goed zou komen als ze bleven. Uiteindelijk echter kwamen de jongens langzamerhand tot de conclusie dat hun moeder waarschijnlijk gelijk had. Op een dag zouden ze deze verandering zien als iets goeds, maar op dit ogenblik waren ze er niet gelukkig over. Caleb was echter opgelucht dat geen van tweeën het had over Ellie en haar aandeel in Maries wens om hen weg te sturen.
Caleb kende de jongens al bijna heel hun leven en was erg op ze gesteld; ze waren hem zo dierbaar als de zoons die hij niet had. Hij wist dat hoewel zij hem niet als hun vader zagen, ze hem wel beschouwden als een soort oom en iemand om wie hun moeder gaf of van wie ze zelfs hield.
Hij had Marie al een tijdje gekend toen haar man nog leefde, en had zelfs toen al geweten dat ze zich tot hem aangetrokken voelde. Hij had het in haar ogen gezien, hoewel ze een plichtsgetrouwe echtgenote was en zich altijd fatsoenlijk gedroeg. Later had ze hem verteld dat ze hem toen ook al interessant vond. Hij had haar ook opgemerkt, maar aangezien ze getrouwd was had hij al die gedachten van zich afgezet. Twee jaar na de inval van de trollen en de dood van haar man waren ze minnaars geworden.
Caleb zou niets liever willen dan bij Marie gaan wonen, maar hij wist dat dat met zijn levensstijl nooit zou kunnen. Voor zijn werk voor zijn vader en het Conclaaf der Schaduwen moest hij voortdurend op reis en werd hij blootgesteld aan allerlei gevaren. Hij was meer weg dan dat hij bij haar kon zijn, en Marie verdiende beter.
Maar toch had ze nooit geklaagd of laten merken dat ze belangstelling had voor een andere man. Caleb hoopte stiekem dat hij haar op een dag zou kunnen overtuigen om naar Tovenaars eiland te verhuizen - de plek die hij zijn thuis noemde - of dat hij misschien in Sterrewerf zou kunnen wonen.
Hij zette die gedachten van zich af, zoals hij al zo vaak had gedaan, want hij werd er alleen maar somber van.
Caleb draaide zich half om naar de jongens en zei: 'Als we in Yar-Rin zijn, zoeken we een koper voor deze kar en schaffen we een stel rijpaarden aan.'
Zane antwoordde: 'We kunnen niet paardrijden, Caleb.'
Caleb zei: 'Dat leer je al doende wel.'
De jongens keken elkaar aan. Paardrijden was iets voor edelen, soldaten, rijke handelaars en af en toe een reiziger, maar boerenjongens en dorpsjongens zoals zij gingen van de ene plek naar de andere achter op een wagen. Maar het was iets nieuws waar ze over konden nadenken, en alles wat deze reis minder saai maakte was welkom.
Tad haalde zijn schouders op en Zane grijnsde. Zijn gezicht lichtte op toen hij zei: 'Misschien kunnen we ijlbodes worden?'
Caleb lachte. 'In dat geval zullen jullie heel goed moeten leren rijden. En hoe zijn jullie met het zwaard?'
'Het zwaard?' vroeg Tad.
'IJlbodes verdienen zoveel goud omdat ze hun boodschappen snel en veilig overbrengen. Dat betekent dat ze moeten ontkomen aan struikrovers, maar ook dat ze zich in een strijd van leven of dood moeten kunnen verdedigen.'
De jongens keken elkaar weer aan. Geen van hen had ooit in zijn leven een zwaard in handen gehad, en het was ook niet waarschijnlijk dat dat zou gebeuren. Zane merkte op: 'Tom Sanderling is soldaat geworden in Ab-Yar, en hij heeft geleerd om met een zwaard om te gaan.'
'Kesh leidt al hun voetsoldaten op tot zwaardvechters,' zeiCaleb, 'maar als ik het me goed herinner was de oude Tom niet zo blij dat zijn zoon soldaat werd.'
'Dat is waar. Maar als hij het kon leren, dan kunnen wij dat ook,' antwoordde Zane.
Tad zei: 'Jij zou het ons kunnen leren, Caleb. Jij hebt een zwaard, dus dan weet je vast ook hoe je het moet gebruiken.'
'Misschien,' zei Caleb. Hij besefte dat hij ze vanavond als ze hun kamp hadden opgeslagen misschien een paar basisbewegingen zou moeten leren.
Tad haalde wild uit naar Caleb, die soepeltjes opzij stapte en de jongen op de rug van zijn hand sloeg met een lange stok die hij even daarvoor had afgesneden. De jongen uitte een kreet en liet Calebs zwaard op de grond vallen. 'De eerste regel,' zei Caleb, die bukte om het gevallen zwaard te pakken, 'is om nooit je zwaard te laten vallen.'
'Dat deed pijn,' klaagde Tad terwijl hij over zijn hand wreef.
'Niet zoveel als wanneer ik een zwaard had gebruikt,' zei Caleb. 'Al had het minder lang pijn gedaan, want dan had ik je een tel later door je maag gestoken.' Hij draaide het zwaard om en gooide het naar Zane, die het handig opving. 'Goed gedaan,' zei Caleb. 'Je bent snel en hebt een vaste hand. Laten we eens kijken of jij dezelfde fout maakt als Tad.'
Het zwaard voelde levendig en dodelijk aan in Zanes hand. Het was zwaarder dan hij had verwacht, en de balans voelde vreemd aan. Hij zwaaide het een paar keer heen en weer en bewoog zijn pols eerst naar links en toen naar rechts.
'Dat is goed,' zei Caleb terwijl hij om het vuur heen liep en tegenover Zane kwam staan. Je moet als eerste wennen aan hoe het voelt. Laat het een verlengstuk van je arm worden.'
Plotseling haalde hij uit met zijn tak, van plan om de jongen op zijn hand te slaan zoals hij bij Tad had gedaan, maar Zane draaide zijn pols om en ving de tak op met zijn kling.
'Heel goed,' zei Caleb, die achteruit stapte. 'Misschien heb je hier wel aanleg voor. Waar heb je dat geleerd?'
'Dat heb ik niet geleerd,' zei Zane grijnzend, en hij liet het zwaard zakken. 'Ik wilde alleen die tak bij me uit de buurt houden.'
Caleb wendde zich tot Tad. 'Heb je gezien hoe hij dat deed?'
Tad knikte.
Caleb gebaarde naar Zane dat hij zijn zwaard moest laten zakken, liep naar de jongen toe en greep zijn pols vast. 'Door je pols te draaien zoals je net deed, maak je het beste gebruik van de kracht en energie van je arm. Je ziet soms mannen die hun hele arm en soms zelfs de schouder gebruiken, en soms is dat ook nodig voor een bepaalde verdediging, maar hoe minder kracht je aanvankelijk gebruikt, hoe meer je overhoudt als het gevecht langer duurt.'
'Hoe lang duurt een gevecht meestal?'
'De meeste gevechten zijn kort, Tad. Maar als twee mannen aan elkaar gewaagd zijn, kan het een hele tijd duren, en dan wordt je uithoudingsvermogen belangrijk. En als je in een oorlog iemand doodt, dan neemt een ander meteen diens plaats in.'
'Ik weet niet veel over oorlog,' mompelde Zane. 'Misschien moet ik een heel snel paard kopen...'
Tad lachte en Caleb zei: 'Zo kun je het ook bekijken.'
Nadat ze nog een tijdje met het zwaard geoefend hadden, zei Caleb: 'Tijd om te gaan slapen.' Ze hadden iedere avond onder de wagen geslapen, en namen nu hun gebruikelijke plek weer In. Caleb bleef staan. 'Ik hou vannacht als eerste de wacht. Ik maak Tad straks wakker, en daarna maakt hij jou wakker, Zane.'
'De wacht houden?' vroeg Tad, zijn gezicht rood verlicht door het kampvuur. 'Hoezo? Dat hebben we de andere nachten toch ook niet gedaan?'
'Toen waren we nog dicht bij Sterrewerf.' Hij keek om zich heen alsof hij iets probeerde te zien in de duisternis voorbij de gloed van het vuur. 'Van hier tot aan het dorp Yar-Rin is het misschien wat minder beschaafd. We gaan dieper de vallei in.'
Het Dromendal was een weelderige reeks welvarende landbouwgronden, boomgaarden en dorpen die profiteerden van de schijnbaar eindeloze hoeveelheid riviertjes die van de Pilaren van de Sterren naar het Grote Sterremeer stroomden. Het gebied was meer dan een eeuw lang onderwerp van conflict geweest tussen het Koninkrijk der Eilanden en het Keizerrijk van Groot Kesh. Beide partijen bleven beweren dat het van hen was, en beide partijen stuurden patrouilles de vallei in, maar het Koninkrijk had een officieuze regeling met het Keizerrijk. De patrouilles van het Koninkrijk gingen niet te ver naar het zuiden en die van het Keizerrijk gingen niet te ver naar het noorden. Het resultaat daarvan was dat het in dit gebied stikte van bandieten, huurlingen en roofbaronnen en dat er altijd wel strijd gaande was. Het was niet ongebruikelijk dat je tijdens je reis op een geplunderd dorp of een uitgebrand stadje stuitte. Als de aantallen bandieten uit de hand liepen, keek een van beide naties tijdelijk de andere kant op terwijl de andere zijn troepen de vallei in stuurde om de boel schoon te vegen.
Zane keek om zich heen alsof hij zich plotseling bewust werd van een mogelijke dreiging achter elke boomstam. Tad leek minder overtuigd. 'Wat moeten bandieten nou met een lege wagen?'
Caleb glimlachte. 'Alles wat ze kunnen verkopen, willen ze hebben. Ga nu maar slapen.'
De jongens gingen liggen en Caleb nam de eerste wacht voor zijn rekening. De nacht verliep zonder dat er iets gebeurde, al stond Caleb twee keer op om zich ervan te overtuigen dat de jongens niet in slaap vielen terwijl ze de wacht moesten houden. Ze waren natuurlijk allebei wel in slaap gevallen. Hij had hun vriendelijk de les gelezen en beloofd er de ander niets over te vertellen.
In de derde nacht waren de jongens aan de nieuwe situatie gewend en vielen ze niet meer in slaap, en kon Caleb rustig slapen tot de zon opkwam.
De wagen rommelde over de weg en Caleb zei: 'Nog één nacht onder de wagen, jongens. Morgen, halverwege de ochtend, zijn we in de buurt van Yar-Rin.'
De jongens knikten, maar zonder veel enthousiasme. De dagen die ze achter in de wagen hadden doorgebracht, hadden hun tol geëist. Ze hadden allebei blauwe plekken en stijve ledematen van het voortdurende gehobbel over wat in deze streek voor een weg moest doorgaan. Caleb had gezien dat met alle onrust in deze regio, geen van beide naties zich erg had bekommerd om de wegen. Af en toe stuurde een dorp of stadje wat werklieden om een stuk van de weg te repareren wanneer dat er zo slecht aan toe was dat de handel eronder leed, maar als het hun inkomsten niet danig schaadde, negeerden de bewoners het probleem meestal.
Dat betekende dat de jongens af en toe wild door de wagen stuiterden en zich aan de zijkanten vasthielden om er niet uit te vallen. Uiteindelijk zei Tad: 'Je hoeft niet te stoppen om ons kamp op te slaan, Caleb. Rij maar door. Ik slaap liever in een stal dan nog een dag in deze wagen te moeten zitten.'
Zoals Caleb al had vermoed, had de reis met de wagen de twee doen beseffen dat leren paardrijden misschien nog niet zo'n slecht idee was. Hij wist dat hij waarschijnlijk wel drie rijdieren zou kunnen vinden in het dorp. De jongens zouden hinnen een paar dagen weer heel andere pijnlijke plekken hebben, maar zouden uiteindelijk veel gelukkiger zijn als ze te paard konden reizen.
Ze reden een flauw glooiende heuvel op waar het terrein van vlak boerenland, weiden en bossen overging in een reeks heuvels met dichtere bossen. Ten zuiden van hen lagen de Pilaren van de Sterren, de bergketen die de grens aangaf met het Keizerrijk van Groot Kesh. Yar-Rin lag in de uitlopers van de oostkant van deze bergen, in een prachtige vallei die de bergen scheidde van het reusachtige woud dat bekend stond als het Groene Hart.
Maar het belangrijkste was nu dat ze eindelijk het niemandsland van het Dromendal achter zich lieten en in Groot Kesh waren. Caleb was vast van plan om meteen te informeren naar een mogelijk leerlingschap voor de jongens, want hij wilde van zijn verantwoordelijkheid af en terug naar zijn familie op Tovenaarseiland. Het was eigenlijk niet zijn taak om de jongens naar Kesh te brengen, maar er waren tegenwoordig voor jongens van hun leeftijd zonder vader maar weinig kansen in het Westelijke Rijk van het Koninkrijk. De handel in die streek verslechterde al twee jaar en was de oorzaak van veel ellende: bendes jongeren in de grotere steden, meer bandieten en diefstal, stijgende prijzen voor dagelijkse benodigdheden, en nog meer ontberingen dan gebruikelijk voor de armen.
De wagenwielen reden over een grote steen en de jongens stuiterden weer op en neer. Ze wilden juist luidkeels protesteren toen Caleb plotseling de paarden inhield.
Ze waren een bocht in de weg om gegaan en bevonden zich nu op een heuvel voor een lange helling omlaag naar een valleitje. Er stonden bomen aan weerszijden van de weg, en in de schaduwen van de late namiddag zag de overkant er dreigend uit.
'Wat is er?' vroeg Tad, die rechtop ging staan zodat hij over Calebs schouder kon kijken.
'Ik dacht dat ik iets zag tussen de bomen boven aan die heuvel,' zei hij, wijzend naar de weg waar die aan de overkant van de vallei weer omhoog liep.
Zane ging naast zijn pleegbroer staan en zette zijn handen boven zijn ogen.
'Laat je hand zakken, Zane,' zei Caleb. 'Ze hoeven niet te zien dat we weten dat ze er zijn.'
'Wie?' vroeg Tad.
'Wie het ook zijn die daar op ons wachten.'
'Wat gaan we doen?' fluisterde Zane.
Op droge toon zei Caleb: 'Ik denk niet dat ze ons kunnen horen.'
'Kunnen we niet gewoon hier wachten?' vroeg Tad.
Caleb spoorde de paarden aan en antwoordde: 'Dan komen ze gewoon naar ons toe.'
Zane klonk ongerust. 'Waarom keren we dan niet?'
'Omdat ze dan denken dat we iets van waarde hebben.' De paarden liepen sneller heuvelafwaarts, en Caleb zei: 'Luister goed. Ik ben wagenmenner en jullie zijn mijn hulpen. We hebben net een lading handelswaar van Mijes en Zagon in Sterrewerf afgeleverd.'
'Mijes en Zagon,' herhaalde Tad.
'De goederen waren van tevoren betaald, en we brengen de wagen terug naar onze werkgevers in Yadom.'
'Yadom,' herhaalde Zane.
'Waarom dat verhaal?' vroeg Tad.
'Als ze denken dat we goud verstopt hebben, vermoorden ze ons eerst en gaan er dan pas naar zoeken. Als we maar eenvoudige menners zijn, laten ze ons misschien naar Yar-Rin lopen.'
'Lópen?'
'Ze pikken de wagen en de paarden in, en al het andere dat ze de moeite waard vinden.'
'Laat je ze gewoon hun gang gaan?'
Caleb haalde zijn schouders op. 'Alles wat ik te verliezen heb is mijn zwaard, en ik kan altijd een nieuw exemplaar kopen.' Ze waren op de bodem van de vallei gekomen, en de weg verdween onder een breed, ondiep spoor vol stenen, waardoor de wagen nog meer stuiterde dan normaal.
Toen ze de heuvel weer opreden zei Zane: 'Wat als ze je niet geloven?'
'Dan geef ik een schreeuwen zetten jullie het op een lopen, het bos in. Ga zo snel mogelijk terug deze vallei in - jullie blijven ze nooit voor als jullie proberen heuvelopwaarts te rennen. Als jullie onder in de vallei zijn, volgen jullie de kreek naar het zuiden. Morgenochtend kom je dan bij een wildpad aan, dat een mijl richting het zuiden uit de heuvels vandaan komt. Dat leidt terug naar deze weg, ongeveer vijf mijl vanaf Yar-Rin. Ga daar naartoe en zoek een man op die McGrudder heet, in herberg De Slapende Haan. Vertel hem wat er gebeurd is en doe wat hij zegt.'
Tad wilde iets vragen, maar Caleb zei: 'Stil nu. Zeg geen woord. Ik praat wel met ze.'
Terwijl ze de heuvel op gingen, vertraagde Caleb hun gang en liet de paarden boven op de heuvel halt houden. De zon was ondergegaan achter de heuvel achter Caleb en de jongens, waardoor het bos voor hen een donkere tunnel werd van schaduwen die snel dieper werden. Caleb wachtte af. Even later kwam er een man achter een boom vandaan. 'Goeiedag, reiziger,' zei hij met een glimlach waar geen spoort je warmte in zat. Hij sprak Keshisch met een Koninkrijks accent. Hij was een stevige man in vuile kleding: een leren broek met een ooit rijkelijk geborduurd hemd, met een verkleurde blauwe band om zijn middel en een mouwloze overjas van zwart leer. Zijn haar was verstopt onder een rode zakdoek en hij droeg twee grote gouden oorringen. Op zijn rechterheup had hij een lang zwaard, en, op zijn linker een stel dolken. Zijn laarzen waren versleten en bij de hiel kapot. Toen hij lachte, zagen de jongens dat hij twee voortanden miste. 'Beetje laat om nog te reizen, niewaar?'
Calebs stem klonk kalm. 'We besloten om er een beetje vaart achter te zetten. Er is een open plek ongeveer een mijl verderop, een mooie plaats om te overnachten, met water.'
'Heb je eerder over deze weg gereisd?'
Caleb knikte. 'Heel vaak. Daarom heeft mijn werkgever me ook voor deze klus ingehuurd. Wat kan ik voor je doen, vreemdeling?'
De man lachte en zei: 'Ja, dat is de vraag, hè? Wat kun je voor mij doen?'
Caleb zuchtte alsof hij dit dagelijks meemaakte. 'We reizen leeg. Mijn leerlingen en ik hebben net goederen in Sterrewerf afgeleverd, vooraf betaald, dus we hebben geen goud. Ik heb een beurs met twee zilverstukken en een paar koperstukken erin, en verder alleen de kleren die ik draag.'
Er kwamen nog meer mannen tussen de bomen vandaan en de leider van de bandieten zei: 'Jongen.' Hij wees naar Zane. 'Waar hebben jullie je lading gehaald?'
'Yadom,' antwoordde Zane zachtjes terwijl hij zag dat vier andere mannen, een van hen gewapend met een kruisboog, rond de wagen kwamen staan. 'Bij Mijes en Zagon...' Hij wilde zeggen 'in de werkplaats', maar besefte toen dat Caleb hem niet had verteld wat voor een onderneming het was: een vrachtonderneming, een leverancier of een handelaar. Hij liet zijn woorden wegsterven alsof hij doodsbang was, en dat was hij ook.
Tad legde een hand om Zanes pols, en Zane begreep wat dat beteken?e: hou je klaar om te vluchten. Tad keek voorzichtig achter zich en zag dat de bandieten de achterkant van de wagen niet bewaakten.
Caleb keek om zich heen en zei: 'Luister, jullie zijn met zijn vijven en ik heb geen zin om om deze wagen te vechten. Jullie weten dat die kar niet veel waard is, en ik ga onze nekken niet riskeren om hem te houden. Ik krijg betaald als ik terugkom, en Mijes en Zagon kunnen zich wel een nieuwe wagen veroorloven. Dus wat als wij gewoon eens afstappen en weglopen?'
'Hoe,weten we dat jullie geen goud hebben?' vroeg de bandietenleider, nu zonder te glimlachen. 'Misschien hebben jullie het in een riem of onder jullie tuniek verstopt?'
Caleb stond op en liet hun zien dat hij alleen zijn tuniek, broek, laarzen en hoed droeg. Zijn zwaard lag op de bok naast hem: 'Geen goudriem, geen beurs. Alleen wat extra kleding in de kist. Jullie mogen de wagen doorzoeken, maar laat mij en de jongens gaan.'
'Ik moet je niet,' zei de bandiet terwijl hij zijn hand op het gevest van zijn zwaard legde. 'Je bent net zo min een wagenmenner als ik. Huurling, misschien. Niemand huurt een huurling in om een wagen te mennen, behalve als er iets te vervoeren valt wat het verdedigen waard is.' Hij zag het kistje onder de bok staan. 'Misschien zit er toch iets kostbaars in die kist?' Hij lachte en keek naar zijn kameraden rechts en links van hem. 'Bovendien twijfel ik er niet aan dat je ons met veel plezier uitgebreid aan de arm van de wet zult beschrijven als de gelegenheid zich voordoet. En dan zouden wij ons geld niet kunnen uitgeven!' Hij trok zijn zwaard met zijn linkerhand en riep: 'Maak ze af!'
Caleb schreeuwde: 'Rennen!' Hij greep zijn zwaard, sprong naar rechts en zorgde dat hij de wagen tussen zichzelf en drie van de mannen hield, zodat hij eerst tegenover de twee bandieten rechts van hem stond.
Zonder te aarzelen gingen Tad en Zane ervandoor zoals hun was opgedragen, struikelend en springend toen ze de grond raakten en de heuvel af renden, om bomen en stenen heen.
Achter hen hoorden ze de geluiden van een gevecht en dichterbij het gestamp van de laarzen van ten minste een van de bandieten die achter hen aan kwam. Tad en Zane hadden allebei nog die roekeloze zelfverzekerdheid van jongens van hun leeftijd, en waren er zeker van dat ze veilig door deze duistere wirwar van bomen en struiken konden komen. Zane keek achterom, en struikelde bijna toen hij de man zag die hen volgde.
Ze renden door het dichte kreupelhout en bevonden zich plotseling op een lange stenen richel waarover een wildpad de heuvel af liep. Ze renden het pad af, dat langs de heuvel rechtsafboog, en vonden een geul die was ontstaan door een riviertje. De jongens dachten aan Calebs aanwijzingen voor als ze bij de kreek kwamen, en daalden de heuvel weer af, hopend dat de bomen hen lang genoeg aan het zicht zouden onttrekken om hun achtervolgers te ontlopen.
Tad greep Zanes arm en wees naar rechts. Zane aarzelde niet en de beide jongens renden nog een oude geul door, een uitholling die door jaren van regenwater tussen de bomen was gemaakt.
Het werd snel donker, maar de jongens wisten dat het nog minstens een halfuur zou duren voordat het donker genoeg was om zich te verstoppen. Ze renden bijna van een richel af, en grepen allebei tegelijk een boom vast om te voorkomen dat ze zouden vallen. Tad wenkte, en Zane volgde hem gehaast over de rand van een diepere greppel die haaks naar de vallei afdaalde. De jongens werden belemmerd door het dichte kreupelhout. Ze hoorden de geluiden van hun achtervolgers nu dichterbij. Zane bleef bij een boom staan en keek omhoog. Hij maakte een opstapje met zijn handen en gebaarde naar Tad dat hij moest klimmen. Tad ging in zijn handen staan en hees zich op een tak die zich vier voet boven zijn hoofd bevond. Zane keek om zich heen. Er lag een boomtak op de grond die ongeveer zo dik was als zijn onderarm. Die zou dienst kunnen doen als knots, daarom pakte hij hem op en gooide hem naar Tad.
Tad ving de tak vakkundig met een hand op en reikte met zijn andere hand omlaag. Zane sprong, greep de arm van zijn vriend en klom op de dikke tak naast hem. De beide jongens probeerden op adem te komen, want ze hijgden allebei. Toen gingen ze plat op de tak liggen, naast elkaar, zodat hun voeten niet te zien zouden zijn.
Even later verschenen er twee mannen, die snel door het bos aan kwamen rennen. Ze bleven direct onder de twee zwijgende jongens staan. 'Verdomme!' zei de eerste bandiet een lange, magere man met vet blond haar dat slap tot op zijn kraag hing. 'Waar zijn ze nou?'
'Ze zullen zich wel verstopt hebben,' zei de andere, een breedgeschouderde man met een dikke zwarte baard. 'Verdomde struiken, je ziet niks. Ga jij die kant op.' Hij wees naar een pad langs de rand van de richel die midden door de kleine vallei liep. 'Ik ga naar boven. Misschien kan ik ze naar je toe jagen.'
De mannen liepen weg en de jongens wachtten. Tad legde een vinger op zijn lippen. Dat bleek een goede ingeving, want enkele minuten later kwam de lange blonde man weer terug op het pad. Zane pakte stilletjes de knuppel uit Tads handen en wachtte terwijl de man zich door het snel donker wordende bos haastte; hij deed geen moeite om zich steels te bewegen. Hij vloekte zachtjes in zichzelf en merkte de plotselinge beweging hoven zich niet op. Zane draaide zijn heupen zodat hij over de hak hing, en sprong toen omlaag met de houten knuppel in hride handen. De man liep met een harde, vlezige klap recht legen de knuppel aan. De neus van de bandiet was gebroken en hij viel achterover toen hij door zijn knieën ging.
Door de kracht van de slag viel Zane plat op zijn rug op de grond, waardoor de lucht uit zijn longen werd geperst. Tad sprong uit de boom en knielde naast de duizelige donkerharige jongen neer. 'Alles goed met je?' fluisterde Tad.
'Ik overleef het wel,' zei Zane, en ging wankel overeind staan. 'Hoe gaat het met hém?'
De jongens keken samen naar de gevallen bandiet. Tad knielde naast hem neer en zei: 'Ik denk dat je hem vermoord hebt.'
Het gezicht van de man zat onder het bloed van zijn verbrijzelde neus en een snee over zijn voorhoofd. Zane boog zich over hem heen en voelde aan zijn borst. Toen vlogen de ogen van de man plotseling open en graaide hij naar Zanes tuniek. De jongen gaf een kreet van schrik en probeerde zich los te rukken terwijl de man bezig was met zijn andere hand het bloed uit zijn ogen te vegen. Hij was halfblind en zei iets onsamenhangends, maar zijn moorddadige bedoelingen waren duidelijk.
Tad pakte de tak die Zane als knuppel had gebruikt en sloeg de man met al zijn kracht achter op zijn hoofd, met een akelig krakend geluid tot gevolg. De struikrover liet Zane los en zakte opzij. Hij kreunde en Tad sloeg hem nog eens, waarop zijn lichaam een keer stuipte en vervolgens stil bleef liggen.
Zane was achteruit geschuifeld zodra hij vrij was, en kwam nu naast Tad staan. Even later fluisterde hij: 'Hij ademt niet meer.'
'Dat mag ik hopen.'
'Je hebt hem vermoord,' zei Zane zachtjes, met een mengeling van bewondering en schrik.
'Hij zou óns hebben vermoord; was Tads antwoord.
'Hé!'
De jongens draaiden zich tegelijkertijd om naar het geluid dat van beneden hen kwam. Het was de tweede man die de heuvel op kwam ploeteren. 'Heb je ze gezien?'
Zane wierp een snelle blik op Tad, die knikte, en toen met een gemaakt zware stem terug riep: 'Hier boven!'
Zane zette grote ogen op, maar Tad wees omhoog en vouwde zijn handen ineen. Zane stapte in het opstapje dat Tad voor hem maakte en greep zich weer vast aan de tak. 'Ik lok hem wel,' zei Tad. 'Dan sla jij hem op zijn kop!'
Zane zei: 'Geef me die tak dan, stommerd!'
Tad wilde de tak juist naar Zane gooien, toen de tweede rover de helling op kwam. Hij was buiten adem, maar zodra hij Tad met de provisorische knuppel naast zijn gevallen kameraad zag staan, greep hij zijn zwaard en rende hij op de jongen af.
Tad stond als aan de grond genageld, maar toen bukte hij zich terwijl de bandiet probeerde zijn hoofd van zijn schouders te hakken. De zwaardkling kwam in de boomstam terecht als een bijl. Hij zat zo diep in de bast vast dat de rover moest wrikken om hem vrij te krijgen. Tad sloeg de man in zijn gezicht met het dikke uiteinde van de tak, en raakte hem recht op zijn neus. 'Verdomme!' schreeuwde de man. Hij stak zijn linkerarm in de lucht en sloeg de tak opzij terwijl hij achteruit strompelde. Tad zag dat de man wat sneetjes in zijn gezicht had en een paar splinters in zijn huid, maar hij was vooral geërgerd door de klap. Tad greep het gevest van het zwaard van de man en rukte het uit zijn hand, en nam toen vastberaden stelling tegenover de bandiet.
De man trok een dolk. 'Als je weet hoe je dat ding moet gebruiken, jong, zou ik dat maar doen als ik jou was, anders snij ik je van kop tot kont open voor wat je met Mathias hebt gedaan.' Hij zette een stap vooruit, zijn mes in de aanslag, toen er direct boven zijn hoofd een paar voeten te voorschijn kwam. Zane sprong van de tak af en raakte met één voet de nek van dc man en met de andere zijn schouder. Door het gewicht van de jongen werd de rover tegen de grond geslagen, en Tad zag zijn ogen groot worden van schrik terwijl zijn hoofd in een onmogelijke hoek boog. Ze hoorden een luide knak toen zijn nek brak.
Zane kwam onzacht op de grond terecht en bleef kreunend liggen. Tad keek omlaag, eerst naar de bandiet die nu aan zijn voeten lag, zijn hoofd in een onnatuurlijke hoek ten opzichte van zijn lichaam en zijn lege ogen starend naar de nachtelijke hemel. Toen keek hij naar Zane, die ook op zijn rug lag, ook met grote ogen en bewegingloos. Tad knielde naast zijn pleegbroer neer; die diep ademhaalde en zachtjes zei: 'Ik geloof dat ik mijn rug heb gebroken.'
Tad zei: 'Meen je dat?' De bezorgdheid in zijn stem sloeg bijna om naar paniek.
'Het doet wel enorm veel pijn.'
Tad stak zijn duimnagel in het been van zijn vriend. 'Voel je dit?'
'Au!' riep Zane en ging rechtop zitten. 'Dat deed pijn.'
'Dan is je rug niet gebroken.' Tad stond op en hielp Zane overeind.
'Hoe weet je dat?' vroeg de gepijnigde jongen.
'Jacob Stephenson vertelde me dat toen Twomy Crooms vader zijn rug brak na die val bij hen in de schuur, de oude man zijn benen niet kon bewegen en niets meer voelde van zijn middel omlaag.'
'Dat is erg,' zei Zane.
'Het maakte niet uit,' troostte Tad hem. 'Die ouwe stierf de volgende dag.'
'Het voelt wel alsof mijn rug gebroken is,' zei Zane in een zwakke poging om sympathie te winnen.
'Pak het andere zwaard.'
Zane pakte het zwaard van de eerste man die ze hadden gedood. Tad pakte het andere en zei: 'We moeten terug naar de wagen.'
Zane protesteerde. 'Maar Caleb zei dat we niet moesten terugkomen.'
Tad was nu opgewonden en schreeuwde bijna. 'Maar misschien heeft hij onze hulp nodig!'
'Denk je dat alles goed is met Caleb?'
Met zowel vrees als uitgelatenheid in zijn stem zei Tad: 'Als wij twee van die rotzakken kunnen vermoorden, dan denk ik dat Caleb er wel drie aankon.'
Zane leek niet overtuigd, maar toch volgde hij zijn pleegbroer.
Ze liepen omzichtig de heuvel op naar de weg. Het was nu helemaal donker en het pad tussen de dikke bomen door was moeilijk begaanbaar door de ondergroei. Toen ze de rand van de weg bereikten, bleven ze even staan luisteren. Ze hoorden enkel de geluiden van het nachtelijke bos. Een lichte bries ruiste door de bladeren en in de verte hoorden ze het echoënde geluid van nachtvogels. Alles leek rustig.
Ze liepen voorzichtig de weg op en keken in beide richtingen. 'Waar is de wagen?' fluisterde Tad.
Zane haalde zijn schouders op, al kon zijn vriend dat niet zien, en zei: 'Geen idee. Ik weet niet of we hier waren of die kant op.' Hij wees naar links over de weg. 'Of misschien die kant.'
Toen hoorden ze links van hen een paard snuiven en het gerammel van kettingen. Ze waren verder oostwaarts weer op de weg gekomen dan ze hadden gedacht. De jongens haastten zich langs de rand van de weg, klaar om ieder moment tussen de bomen te duiken als ze de stuikrovers zagen.
In de duisternis zagen ze nog net het lijk aan de andere kant van de weg. Het was de eerste bandiet die hen had aangesproken. Verderop langs de weg stond aan de overkant de wagen, terwijl de paarden rustig stonden te kauwen op alles wat ze te pakken konden krijgen. Er lag nog een dode rover bij het achtereind van de wagen.
De jongens liepen om de kar heen en zagen twee figuren: de laatste bandiet, die met zijn kruisboog dood naast het linker voorwiel van de wagen lag, en een andere figuur naast hem, met zijn rug tegen het wagenwiel.
Caleb zat rechtop, maar hij was bewusteloos, overeind gehouden door het wagenwiel en het lijk van de dode boogschutter. Tad knielde naast hem neer en zei: 'Hij ademt nog!'
Zane trok het lijk van de rover opzij en Caleb viel om. Tad onderzocht hem en vond een diepe snee in zijn zij waar een kruisboogpijl hem had geraakt, en enkele zwaardwonden. 'We moeten iets doen!'
Zane zei: 'Trek hem daar zijn hemd uit,' en wees naar de dichtstbijzijnde bandiet. 'Maak er verbandrepen van.'
Tad deed wat Zane had gezegd en haalde het enorme jachtmes van Caleb te voorschijn, dat hij gebruikte om repen verband te snijden van het vuile hemd van de rover. Zane onderzocht snel de andere twee lijken en keerde terug met nog enkele zwaarden en een kleine beurs. 'Ze hebben blijkbaar al meer mensen overvallen,' zei Zane.
Tad keek hem ongeduldig aan en sneerde: 'Zou je denken?'
'Ik bedoel pas geleden,' zei Zane, en hield de beurs omhoog. 'Er zitten nog munten in.'
'Nou, we kunnen Caleb maar beter in de wagen leggen, want ik weet niet hoe lang hij het nog redt zonder hulp.'
Ze grepen samen de gewonde man vast en legden hem achter op de wagen. Tad zei: 'Blijf jij achterin bij hem. Ik stuur wel.'
Ze hadden geen van beiden veel ervaring met mennen, maar ze hadden tijdens de reis niet anders gedaan dan naar Caleb kijken, en Zane moest toegeven dat Tad beter kon mennen dan hij. De paarden hielden met tegenzin op met grazen en liepen de weg op. 'Hoe ver zei hij dat het was naar dat dorp?' vroeg Tad.
'Dat weet ik niet meer,' zei Zane. 'Maar schiet op. Ik denk niet dat we veel tijd hebben.' Tad ging naar rechts en stuurde de paarden met een klap van de leidsels en een kreet de weg op. Met nog een tik van de leidsels en een iets hardere kreet spoorde hij hen aan tot een snelle draf. Sneller konden ze in de duisternis niet gaan als ze niet van de donkere weg wilden raken.
Caleb lag doodstil, met zijn hoofd op een stapel lege zakken. Zane deed zijn best om het bloeden te stelpen. Zachtjes fluisterde hij: 'Niet doodgaan!'
Tad herhaalde in stilte het verzoek van zijn pleegbroer terwijl hij de paarden over de donkere en ongastvrije weg stuurde.
De rit door het bos leek wel eeuwig te duren. De jongens waren afwisselend doodsbang en dan weer vastberaden optimistisch dat alles goed zou komen.
Ze hadden geen besef van tijd terwijl de minuten voorbijgingen en de weg onder de paardenhoeven door gleed. De dieren hadden vóór de hinderlaag al uren geen rust meer gehad, en ze hijgden. Het paard links leek last te hebben van zijn achterbeen, maar Tad schonk er geen aandacht aan. Hij zou die paarden doodrijden als dat Caleb zou redden.
Beide jongens waren erg gesteld op de lange, rustige jager, zoals ze hem zagen. Ze wisten dat hij familie was van de eigenaren van Sterrewerf, hoewel ze niet precies wisten op welke manier. Ze wisten ook dat hun moeder verliefd was op Caleb en dat hij heel veel om haar gaf. Ze waren eerst niet zo gelukkig met zijn aandacht voor haar, maar waren later gaan beseffen hoe blij zij altijd werd van zijn bezoekjes. Tads grootste angst was dat hij zou moeten terugkeren naar Sterrewerf en dan de blik in zijn moeders ogen zou moeten zien wanneer hij haar vertelde dat Caleb dood was.
Plotseling waren ze in het dorp. Tad besefte dat hij zich zo druk had gemaakt om wat hij zijn moeder misschien zou moeten vertellen, en dat Zane zo geconcentreerd was geweest op Caleb, dat ze daardoor geen van beiden hadden gemerkt dat ze al een tijdje tussen boerderijen door reden. De maan stond aan de hemel en in het glinsterende licht zagen ze het dorpje Yar-Rin liggen. Enkele hutten stonden langs de weg naar het dorpsplein, en er waren ook drie grote gebouwen. Een ervan was de molen, aan de overkant van het plein, en de andere twee leken een winkel en een herberg. Bij de herberg hing een bord met een tekening van een slapende haan die zich niets aantrok van de zonsopgang. Tad dacht aan Calebs instructies en hield stil voor de herberg, waar hij van de bok klom en hard op de afgesloten deur bonsde.
Even later werd er boven een raam open gegooid. 'Wat moet je?' schreeuwde de boze herbergier die zijn hoofd uit het raam stak.
'Bent u McGrudder? We hebben hulp nodig!' riep Tad.
'Wacht even,' zei de man, en trok zijn hoofd weer naar binnen.
Enkele tellen later hring de deur open en verscheen er een man in een nachthemd, met een lantaarn in zijn hand. 'Wie zijn wé, en wat voor hulp...' Zijn vraag stierf op zijn lippen toen hij Zane geknield zag zitten naast de stille figuur achter op de wagen. Hij hield de lantaarn dichterbij en zei: 'Genadige goden!' Hij keek naar de twee jongens, allebei duidelijk uitgeput en vuil, en zei: 'Help me hem naar binnen te brengen.'
Tad sprong naast Zane op de wagen en ze trokken allebei een van Calebs armen over hun schouder en zetten hem overeind. De herbergier ging achter de wagen staan en zei: 'Geef hem maar aan mij.'
Ze lieten Caleb zachtjes over de schouder van de grote man zakken. Hij negeerde het bloed dat op zijn nachthemd terechtkwam en bracht de gewonde man naar binnen. 'Elizabeth!' riep hij terwijl hij de herberg in liep. 'Sta op, vrouw!'
Even later kwam er een mollige maar aantrekkelijke oudere vrouw de trap af. De herbergier had Caleb op een tafel gelegd. 'Het is Caleb,' zei de man.
'Bent u McGrudder?' vroeg Tad.
'Dat ben ik, en dit is mijn herberg, De Slapende Haan. Wie zijn jullie, en hoe komt het dat mijn vriend er zo belabberd aan toe is?'
De vrouw onderzocht snel Calebs verwondingen en zei: 'Hij is een hoop bloed kwijtgeraakt, Henry.'
'Dat zie ik ook wel, vrouw: Doe wat je kunt.'
'Tad en ik komen uit Sterrewerf,' zei Zane, en vertelde snel het verhaal van de hinderlaag.
'Verdomde struikrovers,' zei McGrudder. 'Er was een paar weken geleden nog een Keshische patrouille uit Yadom naar ze op zoek.'
'Nou, ze zijn nu allemaal dood,' zei Tad.
'Allemaal?'
'Vijf man,' zei Zane. 'Tad en ik hebben er twee gedood, en Caleb de andere drie.'
'Jullie hebben er twee gedood?' vroeg McGrudder, en zweeg toen de jongens knikten.
Toen hij een tijd lang bleef zwijgen, zei Tad: 'We hadden geluk.'
'Inderdaad,' zei McGrudder.
De vrouw die Elizabeth heette zei: 'Henry, ik denk niet dat ik hem kan redden. Hij is te ver heen.'
'Verdomme,' zei de herbergier. 'Margaret!' brulde hij. Binnen een minuut verscheen er een jong meisje, ongeveer van dezelfde leeftijd als de jongens, door een deur achter in de gelagkamer. 'Kleed je aan en ren naar de hut van de heks.'
Het meisje zette grote ogen op. 'De heks?'
'Schiet op!' schreeuwde de herbergier. 'Er ligt hier een man dood te gaan.'
Het gezicht van het meisje werd bleek en ze verdween weer door de deur. Binnen enkele minuten kwam ze weer naar buiten in een eenvoudige grijze, zelf gemaakte japon en een paar leren schoenen. McGrudder zei tegen Zane: 'Pak de lantaarn en ga met haar mee. Die oude heks wil niet met vreemden praten, maar ze kent Margaret.' Tegen Margaret zei hij: 'Ze zal niet willen komen, maar als ze je wegstuurt, zeg haar dan alleen maar dit: "McGrudder zegt dat het tijd is om een schuld in te lossen." Dan komt ze wel.'
Zane volgde het angstige meisje de deur uit en over het kleine dorpsplein. Aan deze kant lag het dorp boven een stroompje en stonden er geen boerderijen. De paar hutten langs het plein hadden ze snel achter zich gelaten, en ze kwamen in een dichte Kroep bomen terecht.
Zane haastte zich om het meisje bij te houden, want ze leek vastberaden om dit zo snel mogelijk achter de rug te hebben. Na een paar minuten van stilte zei hij: 'Ik heet Zane.'
'Hou je kop!' zei het meisje.
Zane voelde zijn wangen branden, maar zei niets. Hij had geen idee waarom ze zo onbeschoft tegen hem deed, maar besloot dat hij dat beter kon uitzoeken wanneer de rust was teruggekeerd.
Ze kwamen op een smal wildpad terecht en volgden het tot aan de rand van het riviertje. In de bocht ervan was een vlakke, open plek. Het was er rotsachtig, met een laag pas gedroogde modder erover heen. Zane vroeg zich af hoe het kon dat de hut, die in het midden van de open plek stond, niet was weggespoeld in de overstroming van pas geleden.
De hut was gemaakt van stokken die waren bedekt met een laag modder, met een rieten dak en een grove stenen schoorsteen aan de achterkant. Het zag er nauwelijks groot genoeg uit voor één persoon. Een leren gordijn deed dienst als deur, en een kleine opening boven in de linker wand leek het enige venster te zijn.
Het meisje bleef op een paar passen van de hut staan en riep: 'Hallo, oude vrouw!'
Er kwam onmiddellijk antwoord: 'Wat wil je, meisje?'
'Ik ben Margaret, de dochter van McGrudder,' antwoordde ze.
Zane hoorde het boze antwoord: 'Ik weet wie je bent, dom kind. Waarom val je me lastig?'
'McGrudder zegt dat u moet komen. Een man in de herberg heeft hulp nodig.'
'Hulp nodig?' zei de stem van binnen. 'En waarom zou ik iedereen die door dit dorp komt maar helpen?'
'McGrudder zegt dat het tijd is om een schuld in te lossen.' Het bleef even stil, en toen werd het leren gordijn opzij geduwd en stapte er een oude vrouw naar buiten. Zane had nog nooit zo'n klein mensje gezien. Ze leek nauwelijks groter dan vierenhalve voet. Hij had wel eens een dwerg ontmoet, die door Sterrewerf reisde op weg naar het dwergenfort nabij Dorgin, en zelfs hij was met gemak vier of vijf duim groter dan deze oude vrouw. Haar haren waren wit en haar huid was zo zongebruind dat het wel oud leer leek. Hij kon niet zien of ze als meisje blond of donker was geweest. Ze leek nog kleiner door haar gebogen gestalte.
Maar zelfs in het donker kon Zane haar ogen zien, glanzend alsof ze van binnenuit werden verlicht. In het bleke maanlicht zag hij dat ze een opvallende, levendige kleur blauw hadden.
Ze was tandeloos en vervormde haar woorden terwijl ze sprak. 'Dan zal ik naar McGrudder komen, want ik wil bij geen enkele man in de schuld staan.'
Ze wachtte niet op Margaret of Zane, maar marcheerde doelbewust langs hen heen terwijl ze in zichzelf mompelde.
Zane en het meisje hielden haar gemakkelijk bij, en toen ze bij de herberg aankwamen en naar binnen gingen, was Zane verbaasd te zien dat de oude vrouw er nog fragieler en kleiner uitzag dan eerst.
Ze beende naar McGrudder toe en zei: 'Vertel, wat ben ik je schuldig, McGrudder, dat ik je nu moet terugbetalen?'
'Niet aan mij, oude vrouw,' zei de herbergier. 'Aan hem.'
De vrouw keek naar de stille figuur op tafel en riep: 'Caleb!' Ze haastte zich naar hem toe en zei: 'Trek hem zijn tuniek uit zodat ik zijn verwondingen kan bekijken.'
McGrudder begon Caleb overeind te zetten om te proberen zijn jas en tuniek uit te trekken, maar de vrouw krijste hem bijna toe: 'Snij ze kapot, idioot. Wil je hem vermoorden?'
Tad had Calebs jachtmes nog; hij haalde het te voorschijn, draaide het om en gaf het aan de herbergier. McGrudder begon geoefend de jas en de tuniek los te snijden.
De oude vrouw bekeek de verwondingen en zei: 'Hij is bijna dood. Kook wat verband en haal een kom wijn voor me. Snel.'
De vrouw had een kleine leren buidel aan een riem over een schouder hangen. Ze ging naast de tafel staan en rommelde in de buidel tot ze vond wat ze zocht. Ze haalde er een stuk gevouwen perkament uit, en toen de wijn werd gebracht vouwde ze het perkament open en liet er een fijn poeder uit vallen in de wijn. Tegen Zane zei ze: 'Jij, jongen, hou zijn hoofd omhoog en pas op dat hij niet stikt terwijl ik hem die wijn laat drinken.'
Zane deed wat hem was opgedragen, en Calebs lippen bewogen lichtjes terwijl ze hem het drankje gaf. Toen liep ze naar de ketel boven het vuur. Ze wachtte tot het water begon te koken en legde de verbandrepen, die van wat lakens waren gesneden, erin. 'Jij, meisje, haal eens wat zeep en koud water voor me,' zei de heks.
Margaret haalde een emmer koud water en een stuk zeep. Het vrouwtje schepte wat heet water uit de ketel in de emmer om het koude water te verwarmen, en zei toen tegen Tad dat hij het verband in het water moest leggen. Vervolgens stroopte ze haar mouwen op en waste verrassend energiek Calebs wonden uit. McGrudder werd opgedragen om met de lepel de repen verband uit het water te vissen en ze te laten uitdruipen op de vloer, en ze vervolgens voor het vuur te houden om te drogen. Toen ze vond dat de repen droog genoeg waren, verbond ze Calebs wonden en zei: 'Draag hem nu naar een kamer en laat hem slapen.'
McGrudder pakte Caleb op alsof hij een kind was en droeg hem de trap op. Zane vroeg: 'Blijft hij leven?'
De oude vrouw keek hem sceptisch aan en antwoordde: 'Waarschijnlijk niet. Maar hij blijft nog wel even bij ons, en dat is belangrijk.'
'Hoezo?' vroeg Tad.
De oude vrouw glimlachte scheef en zei: 'Wacht maar af.'
McGrudder kwam terug en vroeg: 'Wat kan ik nog meer doen?'
'Je weet wat je moet doen,' zei ze, en draaide zich om om te vertrekken.
'Wacht!' riep Zane. 'Is dat alles? Een beetje wijn en wat verband?'
'Mijn drankje is meer dan een beetje wijn, jongen. Het houdt hem lang genoeg in leven zodat McGrudder meer hulp kan halen. Dat zal Caleb, zoon van Puc, redden.'
'Wie dan?' vroeg McGrudder.
'Hou me niet voor de gek, ouwe boef,' zei de vrouw. 'Ik weet wie je werkelijke meester is, en ik weet dat als de nood aan de man is, je heel snel een bericht naar hem kunt sturen.' Ze wees met haar duim naar de trap en voegde eraan toe: 'Zijn zoon ligt op sterven, en als dat geen noodgeval is, dan weet ik het niet meer.'
McGrudder keek de oude vrouw doordringend aan en zei: 'Voor een eenvoudige vrouw die beweert alleen verstand te hebben van kruiden en wortels, weet je verdomd veel.'
'Als je lang leeft, leer je veel dingen,' zei ze toen ze bij de deur was. 'Maar Caleb heeft me een gunst verleend, zoals zijn vader jaren eerder, en er was nog iemand, een vriend van zijn vader, die me ooit een grote dienst heeft bewezen, zodat er uiteindelijk nog steeds een grote schuld overblijft. Maar aan jou en je meesters ben ik niets verschuldigd; laat dat duidelijk zijn, McGrudder. De volgende keer dat je me wakker maakt, doe je dat op eigen risico.'
Ze zei niets meer maar liep de herberg uit, en Tad en Zane keken elkaar aan. McGrudder zag hun blikken en zei: 'Jullie kunnen bij Caleb op de kamer slapen. Het is de tweede deur links boven aan de trap. Hij ligt in het enige bed, maar er ligt een opgerolde mat onder het bed die groot genoeg is voor jullie samen.' Hij keek naar het meisje en zei: 'Ga weer naar bed, meisje, we hebben morgen een lange dag.' Toen gebaarde hij naar zijn vrouw, die inmiddels rustig het bloed van de tafel en de vloer veegde, en zei: 'Ik help je zo meteen, Elizabeth.'
Ze knikte. 'Ik weet het. Je moet een bericht versturen.'
De herbergier knikte terug en verliet de gelagkamer door de deur aan de achterzijde. De herbergiersvrouw keek de jongens aan en zei: 'Ga naar boven en slaap nog een tijdje. Over drie uur komt de zon al op, en morgen is er werk genoeg voor iedereen.' Ze wees naar een kaars op de toog.
Zane pakte de kaarsenstandaard op en de jongens beklommen zwijgend de trap. Ze bleven even voor de deur staan en wngen toen naar binnen. Caleb lag in bed, met een dikke donzen deken tot aan zijn kin opgetrokken, zijn gezicht bleek.
Tad knielde en trok de opgerolde mat onder het bed vandaan, en de jongens gingen liggen.
'Wat doen we nu?' fluisterde Zane na een tijdje.