17
Inlichtingen
Talliep stil door het riool.
Hij twijfelde niet aan de echtheid van de boodschap die hij eerder die dag van Caleb had gekregen, en was opgelucht te weten dat hij nog leefde. Caleb had boodschappen verstuurd naar hem en Kaspar, en nu zouden ze gedrieën bij elkaar komen.
Tals enige zorg was de plek van de ontmoeting. Hij volgde een vuil bedelaarsjongetje met de naam Shabeer door een rivier van rioolwater in een enorme tunnel onder het slachthuis kwartier van Kesh. 'Mijn ogen bloeden,' zei Tal.
'Werkelijk, meester?' vroeg de jongen. Hij was bezorgd dat als er tijdens deze tocht iets misging, men het hem zou aanrekenen. De andere buitenlandse meester was onvoorstelbaar gul geweest, en de bedelaarsjongen wilde hem wanhopig graag te vriend houden.
'Nee, het is maar een gezegde.'
'Het went vanzelf hier, meester,' zei de jongen.
'En hoe lang duurt dat?'
'Een jaar, misschien twee.'
Tal wilde lachen, maar hij deed zijn best om niet te diep adem te halen. Hij was in de loop der jaren op meerdere plaatsen , geweest die hij ondraaglijk vond stinken - Kaspars gevangenis, die bekend stond als het Fort van de Wanhoop, was er een van - maar niets had hem voorbereid op de ongelooflijke stank in dit Keshische riool.
Hij begreep wel dat het verstandig was om elkaar hier te ontmoeten - de slachthuizen, looierijen en andere stinkende ondernemingen bevonden zich nabij de rand van het meer zodat ze ver verwijderd waren van de woonwijken van Kesh, en lagen benedenwinds van de stad zodat de walm op de bries werd meegevoerd. Maar het hele kwartier stonk toch nog een uur in de wind.
Ze kwamen bij een overstortbuis en Shabeer stapte op een ongelijke steen die hij daar waarschijnlijk ooit zelf had neergelegd. Hij hees zich in de buis en verdween in de duisternis.
Aangezien de jongen de lantaarn vasthield, zei Tal: 'Wacht op mij, jongen.'
Hij volgde Shabeer en moest zich bukken om niet met zijn hoofd tegen het plafond te stoten in het kleinere zijkanaal. De jongen leidde hem nog een eindje verder tot ze in een ronde ruimte kwamen die schijnbaar diende als opvang. Er kwamen verscheidene stroompjes stinkende vloeistof van boven, en de jongen gebaarde dat Tal dicht bij de muur links van hem moest blijven terwijl ze naar ijzeren sporten in de bakstenen muren liepen.
Tal volgde de jongen omhoog en duwde een luik boven hun hoofd open. Ze kwamen uit in een helder verlichte kamer. Caleb en Kaspar waren er al en zaten aan een lange tafel. Naast hen stond een lege stoel.
Zodra Tal door het luik was gekomen, hoorde hij een stem van de andere kant van de kamer zeggen: 'Ga zitten, alstublieft.'
De grote tafel vulde bijna de hele kamer. Het was een ruw gemaakt ding, maar stevig. Tal realiseerde zich dat het hoofddoel van de tafel was om degenen te hinderen die de persoon die aan de andere kant zat wilden aanvallen.
Die persoon was een grote man in een gestreepte mantel, een beetje zoals de kledij van het woestijnvolk van de Jal-Pur, maar deze drager was geen woestijnman. Hij had een stierennek en een geheel kaalgeschoren hoofd. Zijn wenkbrauwen waren zo licht van kleur dat het leek alsof ze er niet waren. Tal kon zijn leeftijd niet schatten - hij kon negenentwintig zijn, maar ook zestig. De enkele kaars bood niet voldoende licht om een betere schatting te maken. Aan weerszijden van hem stond een gewapende man: lijfwachten.
Zodra Tal was gaan zitten, zei de man: 'U mag me Magistraat noemen, een eretitel die ik heb gekregen van hen die in de riolen en stegen verblijven, en die voorlopig voldoet. Uw vriend, Caleb, is zeer gul geweest en heeft wat van mijn tijd voor jullie gekocht, vrienden. Tijd is geld zoals jullie ongetwijfeld weten, dus laten we direct overgaan tot de vraag: wat willen jullie de Ruige Broederschap vragen?'
Caleb vroeg: 'Spreekt u namens hen?'
'Zoveel als enig man kan,' was het antwoord. 'En dat betekent, helemaal niet.' Hij keek Tal recht aan. 'Wij zijn niet zoals jullie beroemde Snaken van Krondor, met een strikt toezicht en een ijzeren discipline, Talwin Hawkins van het Koninkrijk.'
Kaspar keek naar Caleb, en de magistraat vervolgde: 'Ja, we weten wie u bent, Kaspar van Olasko.' Hij wees naar Caleb: 'U, mijn vriend, kennen wij alleen van naam, want uw herkomst is ons wat onduidelijk. Hoe dan ook, de Oprechte Man is dan misschien de baas in Krondor,' - hij legde zijn hand op zijn borst en maakte een lichte buiging - 'maar hier kan ik slechts voorstellen doen. Als het een goed voorstel is, zal het bijna zeker worden gehoord. Dus wat kan ik voor jullie doen?'
'We zoeken de Nachtraven,' antwoordde Caleb.
'Ik had gehoord dat jullie hen een week geleden al hadden gevonden. Er dreven ongebruikelijk veel lijken naar het Overnse Diep om de krokodillen te voeren, en veel daarvan droegen zwart.'
'We zijn in de val gelokt,' gaf Caleb toe.
'Dat zat erin,' was het antwoord.
Kaspar zei: 'We hebben inlichtingen nodig. We moeten weten waar hun werkelijke nest is.'
'Zoals ik al zei,' antwoordde de kale man, 'dit is Krondor niet, en we zijn niet echt georganiseerd. Kesh is verdeeld in wijken, elk met zijn eigen regels en opzichters. Boven de grond vindt u de straatbendes, bedelaars, zakkenrollers en handhavers - ik geloof dat die in het noorden "slagers" worden genoemd - die allemaal verantwoording afleggen aan hun eigen leiders. Die leiders leggen verantwoording af aan machtiger figuren, en ieder van hen bewaakt zijn positie zeer goed. Het gebied waar wij nu zijn, staat onder bestuur van de Slachthuisbende, en ten zuidwesten hiervan zijn het de Dokwegjongens. Er zijn meer dan honderd van zulke bendes, allemaal met even kleurrijke namen: de Grijpers-en-Renners, de Grotepleinbende, de Lieve Honden, de Karavaanschuimers, en vele andere. Een dief kan doen wat hij wil in een bepaald kwartier, maar als hij in een ander wordt aangetroffen, wordt hij streng gestraft; zo werkt het in Kesh. Ondergronds zijn de riolen ook verdeeld in wijken, of kleine kantons, en ieder die daar woont doet dat met goedkeuring van de bende die erboven opereert. De rest is niemandsland waar we allemaal vrij mogen reizen, maar met enig risico. Er is geen netwerk, maar er zijn gebruiken en tradities.'
'En u?' vroeg Tal.
'Mijn plaats in dit alles is van weinig belang; ik zorg voor begrip. Ik ben zoiets als een magistraat onder de Ruige Broederschap, vandaar de eretitel. Als er een conflict is, wordt mij gevraagd te oordelen. Ik lever ook diensten en... informatie.'
'Tegen betaling,' zei Caleb.
De man glimlachte en ontblootte twee gouden tanden. 'Uiteraard. Ik word oud en moet aan mijn toekomst denken. Ik heb een boerderijtje aan de overkant van het Overnse Diep. Op een dag zal ik me daar terugtrekken en mijn bedienden gewassen laten verbouwen. Maar ik heb geen haast; het boerenleven is niets voor mij. Dus u wilt de locatie weten van de thuisbasis van de Nachtraven. Dat zal een heleboel goud kosten.'
'Hoeveel?' vroeg Caleb.
'Een heleboel.'
'En hoeveel is een heleboel?'
'Best veel, eigenlijk,' zei de man. 'Ik zal een aanzienlijk aantal heel bange dieven moeten omkopen. Hoe banger ze zijn, hoe hoger de prijs, en er zijn maar weinig dingen in deze stad waar ze banger voor zijn dan de Nachtraven. Er zijn verschillende delen van de stad, inclusief de riolen eronder, waar verstandige dieven niet komen. Degenen die dat wel doen, verdwijnen nogal eens. Men vertelt de gebruikelijke verhalen over monsters, keizerlijke dievenvangers en opstandige bendes. Maar een van die gebieden zal ongetwijfeld de plaats zijn waar jullie zwartgevederde vogels hun nest hebben. Als we het kunnen vinden.'
'Als?' vroeg Tal.
De kale man knikte. 'Er zijn geruchten over magie en kwade geesten. Hoewel dieven tot de meest bijgelovige idioten in Kesh behoren, zou ik die geruchten niet meteen van de hand wijzen. Als ze waar zijn, zou het zelfs voor de meest steelse van de Ruige Broederschap moeilijk zijn in die gebieden te komen. Er is geen gemakkelijke manier om langs een afweer te komen die je dood neer laat vallen zodra je er maar naar kijkt. Ik garandeer dus niets. Laten we overgaan tot zaken. Ik zal om te beginnen driehonderd goudstukken nodig hebben voor smeergelden en beloningen, en voor mijn eigen kosten heb ik er nog eens honderd nodig. Zodra de informatie is verkregen, vraag ik tien goudstukken als bloedgeld voor de bendes voor elke man die is omgekomen tijdens de jacht, en nog eens vijfhonderd voor mezelf.'
'Afgesproken!' zei Caleb en stond op.
'Ah!' lachte de kale man. 'Ik wist dat ik meer had moeten vragen. Maar gedane zaken nemen geen keer.'
De anderen stonden ook op en Tal zei: 'Waar kunnen we u vinden?'
'Ik zal u wel vinden, Tal Hawkins. Kaspar is te gast in het paleis, een plek waar wij maar moeilijk kunnen komen, en Caleb moet onderduiken omdat er een prijs op zijn hoofd staat. Hoewel er enkele dagen geleden een poging tot moord was , op een buitenlandse edele in De Vrouwe van het Geluk, denk ik dat we veilig kunnen aannemen dat u zich ten minste een paar dagen door de stad kunt bewegen zonder te vrezen dat het u meteen het leven zal kosten.'
'Hoe komt u daarbij?' vroeg Tal. 'Ze hadden er geen moeite mee om te proberen me in de Vrouwe van het Geluk om te brengen.'
'Als de Nachtraven u dood hadden willen hebben, heer, dan zou u nu dood zijn. Uw vaardigheid met het zwaard is beroemd, dus zouden ze u met een giftig pijlte of een paar druppels gif in uw bier hebben omgebracht en zou niemand het hebben gemerkt. Nee, ze wilden u levend in handen krijgen, omdat ze u wilden ondervragen. Zonder twijfel op precies dezelfde wijze waarop u nu hun man ondervraagt.'
'U weet daarvan?'
'Het is mijn zaak om op de hoogte te zijn,' zei de kale man terwijl hij opstond. 'Maak u geen zorgen; de Nachtraven zijn gevaarlijk, maar hun aantal is klein en ze kunnen niet overal tegelijk zijn. Ik daarentegen heb wel overal ogen en oren. In tegenstelling tot de edelen en rijke handelaars in de stad boven ons, loop ik niet onbevreesd in het daglicht, ervan overtuigd dat me niets kan overkomen vanwege mijn positie of geboorterecht. Ik weet dat er handen in de schaduwen zijn en dat die handen dolken dragen. Ik zal u waarschuwen als ik hoor dat u problemen kunt verwachten.'
'En waarom zou u dat doen?' vroeg Caleb.
'Omdat u mij niet kunt betalen als u dood bent.' Hij wees naar het luik. 'Een voor een en in deze volgorde: Kaspar van Olasko, dan Caleb, dan Talwin. Ieder van jullie wordt opgewacht door een gids die u naar een veilige uitgang brengt. Ik stel voor dat u in bad gaat als u terug bent in uw vertrekken. De stank hier trekt in de huid. Nu wens ik u goedenacht en een veilige tocht.'
De drie vertrokken zoals hun was opgedragen, en waren al snel op hun weg terug door de tunnels, ieder hopend dat ze uiteindelijk de balans van deze strijd konden doen doorslaan.
Turgan Bey stond doodstil. Hij droeg de ceremoniele halsring van zijn ambt, een prachtige creatie van gepolijste stenen en geëmailleerd metaal dat in goud was gevat.
Hij presenteerde Kaspar aan de keizer, hoewel de kwestie van het asiel al weken eerder was beslist. Kaspar zou een eed van trouw zweren aan het Keizerrijk en in ruil daarvoor zouden ze hem niet ophangen, levend villen of voor de krokodillen gooien.
Voor het eerst sinds hij zijn hertogdom was kwijtgeraakt, keek Kaspar van Olasko weer naar Diigai, de oude keizer van Groot Kesh. De keizer was een broze man maar hield zich toch fier rechtop, hoewel zijn bewegingen nog maar nauwelijks wezen op zijn ooit formidabele vaardigheid als jager. Net als zijn voorvaderen had hij op de Keshische vlakte op grote leeuwen met zwarte manen gejaagd. Zijn ingevallen borst droeg nog steeds de littekens van die overwinningen, hoe verbleekt ze nu ook waren.
De troon waar hij op zat was van ivoor en zwart marmer gemaakt, en achter de keizer was een bas-reliëf van een valk met uitgestrekte vleugels in de muur uitgehouwen: het grote zegel van Kesh. Ervoor stond een houten stok met een levende valk erop, die zijn veren gladstreek en de mensen in de kamer bekeek met geloken ogen.
De ceremoniemeester stond naast de voet van de verhoging - een blok uitgesneden steen ingelegd met ivoor, met dertien treden - en zijn enorme hoofdtooi was een pracht van zeldzame veren en gouden emblemen. Rond zijn middel droeg hij de traditionele gouden gordel van zijn ambt en de eenvoudige linnen kilt, en het was hem toegestaan een luipaardhuid over een schouder te dragen.
Niet dat hij nog meer nodig heeft om zijn status te bewijzen,dacht Kaspar; de hoofdtooi zag eruit alsof die ieder moment van zijn glanzende hoofd kon vallen. Op typisch Keshische wijze waren het inleiden en aanbieden van de petitie redelijk snel gegaan; het had pas een half uur geduurd en de man was nu al bijna klaar.
Kaspar was al na vijf minuten opgehouden met luisteren en had zijn gedachten laten afdwalen naar de komende confrontatie en de gebeurtenissen die tot zijn eigen einde als hertog hadden geleid. Hoewel hij niets van liefde voelde voor het Keizerrijk, was de heerser een man met een onbezoedelde eer en verdiende hij beter dan zijn keizerrijk te zien worden weggerukt van de rechtmatige erfgenaam.
Kaspar wist ook dat er achter al deze problemen niet werkelijk een ambitieuze prins zat, maar een waanzinnige tovenaar die ook een groot aandeel had gehad in Kaspars ondergang. De paden die de twee heersers volgden waren dan misschien verschillend, maar het eindresultaat zou hetzelfde zijn: meer chaos in de regio en een voordeel voor degenen die de machten van het kwaad op dit halfrond dienden.
Hij zag de gebeurtenissen die tot zijn ondergang hadden geleid weer voor zich - hoe Leso Varen zich in zijn huis had binnengedrongen, zijn invloed op Kaspar, die eerst subtiel was geweest en later overduidelijk, en uiteindelijk zijn val. Hoewel hij een deel van zijn zoekgeraakte menselijkheid had teruggekregen en eindelijk een morele richting had gevonden, dorstte Kaspar nog steeds naar Varens bloed.
Zijn jarenlange ervaring met de etiquette aan het hof liet zich gelden toen hij besefte dat hij zojuist was geïntroduceerd. Hij bracht zijn aandacht terug naar het heden en stapte naar voren om een soepele buiging te maken, alsof hij aan de lippen van de ceremoniemeester had gehangen.
Hij was al twee keer eerder aan de keizer voorgesteld, de eerste keer toen hij als jongen met zijn vader naar Kesh was gereisd, en later als de jonge Hertog van Olasko.
Maar deze keer was hij hier als smekeling, zocht hij een toevluchtsoord om wraak te ontlopen. Dat was tenminste het verhaal dat Turgan Bey had verzonnen om heer Semalcar over te halen, de Eerste Kanselier en Meester der Paarden - de titels die het hoofd van de Keizerlijke Cavalerie droeg. Zijn verzoek om asiel was tevens goedgekeurd door heer Rawa, de leider van de Keizerlijke Wagenmenners.
Kaspar merkte dat de twee prinsen, Sezioti en Dangai, niet aan het hof waren.
Kaspar keek op en zei volgens het protocol: 'Hij Die Kesh Is, ik verlang naar de weldaad van uw onderkomen, hulp tegen onrecht en een toevluchtsoord dat ik het mijne kan noemen. Ik zweer u mijn trouwen zal u verdedigen met mijn leven en mijn eer als dat het Keizerrijk behaagt.'
Diigai glimlachte en wuifde met zijn hand. 'Het is gedaan. Ben jij dat, Kaspar?' fluisterde hij. 'We hebben je, wat, twintig jaar niet gezien!'
'Ja, Majesteit,' zei de voormalige hertog.
'Speel je nog steeds?'
Kaspar glimlachte, want hoewel de keizer oud was leek zijn geheugen nog intact. Ze hadden toen Kaspar nog een jongen was een keer geschaakt, en Kaspar had vijf goede zetten kunnen doen voordat hij onherroepelijk was verslagen. 'Ja, Majesteit, zeker.'
'Mooi, laat Turgan Bey je dan na het avondmaal naar mijn vertrekken begeleiden. Dan spelen we. Alleen wij tweeën.'
'Het zal me een eer zijn, Majesteit,' zei Kaspar, en maakte een buiging terwijl hij achteruit wegliep van de troon. Toen hij de voorgeschreven afstand had bereikt, draaide hij zich om naar de hoofdingang, waar Pasko geduldig op hem wachtte.
'Na het avondmaal moet ik schaken met de keizer,' zei Kaspar terwijl Pasko naast hem kwam lopen.
'Een persoonlijke uitnodiging om de keizer vanavond in zijn eigen vertrekken te bezoeken?' vroeg de oude dienaar met opgetrokken wenkbrauwen.
'Ja,' zei Kaspar terwijl hij hem een geërgerde blik toewierp.
'U kijkt niet gelukkig, heer.'
'Dat ben ik ook niet,' zei Kaspar op fluistertoon. 'Die oude heer telt niet zolang hij leeft. Alleen zijn dood doet ertoe.' Ze gingen de hoek om en liepen terug naar hun vertrekken in het gastenkwartier. 'En als iets ervoor kan zorgen dat men me dood wil hebben, zal dit bezoek het zijn.'
'Waarom?'
Kaspars laarzen galmden over de marmeren vloer en hij fluisterde: 'Omdat in Kesh iedereen tot een partij behoort, en als ik het oor van de keizer heb en geen lid ben van de ene groep...' Hij schokschouderde.
'Dan moet u wel lid zijn van de tegenpartij.'
'Precies. Verwacht minstens twee bezoekjes vanmiddag, en laat mijn mooiste kleding reinigen en klaarleggen voor vanavond.'
'U draagt uw mooiste kleding al, heer.'
'Weet je, Pasko, er was een tijd dat het voordelen had om je eigen land te regeren, en een uitgebreide garderobe was daar onderdeel van. Kijk of je een kleermaker in de stad kunt vinden die een Olaskese broek, een hemd en een jas voor me kan maken, vóór vanavond. En zoek ook een laarzenmaker op. Ik kan niet in één middag nieuwe laarzen laten maken, maar ik kan deze wel laten repareren en poetsen. En een hoed, denk ik. Je weet wel wat je moet doen.'
Pasko maakte een buiging, zei: 'Ik weet wat ik moet doen, heer,' en vertrok.
Kaspar hoopte maar dat dat zo was, want hij had zelf geen flauw idee. Hij vertrouwde erop dat hem voor vanavond wel iets te binnen zou schieten.
De gevangene hing slap in de stoel. 'Maak hem wakker,' zei Tal.
Amafi kwam voor hem staan en zei: 'Verhevenheid, ik pas mijn vaardigheden nu al twee dagen toe. Deze man is geconditioneerd om liever te sterven dan zijn clan te verraden.' Hij keek over zijn schouder naar de bewusteloze man. 'Ik ben moordenaar van beroep, verhevenheid. Er zijn mensen die houden van dit soort dingen, maar ik niet. Ik ben echter van mening dat folteren, net als al het andere in het leven, goed of slecht kan worden uitgevoerd, dus hoewel ik er niet van geniet, ben ik wel trots op mijn vaardigheden. Hij zou moeten gaan praten als we hem een tijdje laten rusten. We moeten een cel vinden waarin we hem kunnen afzonderen. Als hij wakker wordt met niemand in de buurt, kan hij zich enigszins herstellen. Onzekerheid is op dit moment onze bondgenoot.'
'We hebben geen tijd,' zei Tal. 'Maak hem nu wakker.'
'Verhevenheid, ik zal doen wat u vraagt, maar hij zal ons alleen maar vertellen wat hij denkt dat we willen horen, of het nu waar is of niet.'
Tal was gefrustreerd. Hij twijfelde er niet aan dat Varens mensen in de aanval waren gegaan na de hinderlaag waar de helft van Calebs mannen bij was omgekomen en na de poging om Tal gevangen te nemen. Hij was het eens met Kaspars oordeel dat als Varen Kesh in de chaos wilde storten, een machtsgreep tijdens het Festival van Banapis de perfecte gelegenheid zou zijn.
Tal overwoog wat Amafi had gezegd en knikte. 'Doe wat je kunt, maar als Leso Varen in de stad is, wil ik weten waar. Ik zal Puc of Magnus niet vragen hierheen te komen voordat ik zeker weet dat die magiër in Kesh is.'
'Ja, verhevenheid,' zei Amafi met een buiging. Hij gebaarde naar twee wachten die hier al waren sinds ze het pakhuis gebruikten en zei: 'We moeten hem verplaatsen.'
Tal wist dat het een risico inhield om de Nachtraaf naar een andere plek te brengen, maar als Amafi gelijk had, hing de hoop om nog informatie uit hem los te krijgen evenzeer af van het onthouden van folteringen als van het toebrengen ervan.
Verdomme, dacht Tal. Hij draaide zich om en liep naar de deur.
Hij zou naar een andere herberg gaan, waar een andere waard een andere boodschap zou aannemen en ervoor zou zorgen dat die op de een of andere manier de volgende dag op Tovenaarseiland zou aankomen.
Nakur haastte zich naar het studeervertrek. Miranda en Puc zaten aan een tafeltje en bespraken hun dag tijdens het middagmaal. 'Ik heb nieuws,' kondigde de pezige kleine gokker aan.
'Van Caleb?'
'Nee. Van Talwin Hawkins. Hij vermoedt dat Varen in Kesh is.' Nakur las de boodschap voor die was gebracht in een speciale koker, ontworpen om dergelijke berichten snel te transporteren, en gaf hem door aan Puc. 'Caleb maakte het goed, al is hij lichtelijk beschadigd geraakt toen hij in een valstrik liep.'
Miranda keek bezorgd. 'Beschadigd?'
'Hij is weer eens gewond geraakt,' zei Nakur met een ernstige uitdrukking op zijn gezicht. Hij schudde zijn hoofd. 'Hij is bezig een mooie verzameling littekens te vergaren. Maar toch, hij maakt het goed en dat is het enige wat ik Marie zal vertellen. Ik zal dat van die littekens verzwijgen.'
'Dat lijkt me verstandig,' zei Puc toen hij het bericht vluchtig doorlas. 'Kaspar heeft contact gemaakt met Turgan Bey zoals we hadden verwacht, en Caleb dacht dat hij de Nachtraven had gevonden, maar blijkbaar hadden ze hém eerder gevonden.'
'Moeten we ernaartoe?' zei Miranda. 'Als Varen in de stad is, hebben die drie geen verweer tegen hem.'
Puc schudde zijn hoofd. 'Dat is niet helemaal waar. Ik heb er een paar mensen naartoe gestuurd om een oogje te houden op onze drie agenten, en wij kunnen er als het moet binnen enkele minuten zijn.'
'Nou, waarom gaan we dan niet gewoon?' vroeg ze, altijd de bezorgde moeder.
'Omdat als ik in Kesh verschijn en Varen daar lucht van krijgt, hij misschien zijn subtiliteit laat varen en probeert de hele stad op te blazen alleen om mij te vermoorden. Hij kent ook jou, Nakur, en Magnus van reputatie, dus het is even gevaarlijk als jullie daarheen gaan.'
'Maar waarom doet hij dat nu dan niet?' vroeg Miranda.
Nakur haalde zijn schouders op. 'Als hij het Keizerrijk in de chaos wilde storten, dan zou dat werken, maar de effecten zouden niet lang doorwerken. Een externe dreiging zou hen samenbrengen en hun verschillen doen overbruggen. Als er één kant de overhand krijgt in de Galerij der Heren en Meesters, vooral als er bloed wordt vergoten, dan is dat iets heel anders en zou het jaren van onrust in Kesh veroorzaken. Als er genoeg bloed wordt vergoten in de hoofdstad, worden de grenzen mogelijk instabiel. De gouverneur van Durbin zou zich zeker genoeg kunnen voelen om zichzelf uit te roepen tot regent van een vrije stad, of de stammen van de Jal-Pur zouden kunnen worden aangezet tot rebellie. En het staat bijna vast dat sommige van de vazalstaten in de Confederatie in opstand zouden komen. Varen wil dat het kwaad standhoudt, en zit niet te wachten op een snel opgelost conflict.'
Puc zei: 'Ons mandaat is ervoor te zorgen dat Varen niet krijgt wat hij wil.'
Miranda zei: 'Ik wil hem dood hebben.'
'Het probleem lijkt te zijn om hem dood te hóuden,' merkte Nakurop.
'En die doods-scheuring in Opardum? Biedt die misschien kansen?'
'Ik denk van wel,' zei Nakur. 'Maar het probleem met de manier waarop ons universum werkt, is dat alle doden-bezweerders voor de andere kant werken. Als we er een konden vinden die voor de kant van het goede zou willen werken... ' Hij haalde zijn schouders op.
Puc zei: 'De snelheid waarmee Varen van lichaam naar lichaam is gesprongen, duidt erop dat hij een soort opvangplaats gebruikt om zijn ziel in onder te brengen.'
'Ik dacht dat zielskruiken maar een mythe waren,' zei Miranda.
Puc schokschouderde en keek geërgerd. 'Ik heb in mijn leven al te veel gezien om aan te nemen dat iets een mythe is. Het is meestal alleen maar iets wat ik nog nooit eerder heb gezien.' Miranda keek haar echtgenoot aan en fronste haar voorhoofd. 'Ik bedoelde die in de verhalen.'
'Die waren schijnbaar op feiten gebaseerd,' zei Nakur. 'Er zijn veel manieren om een ander lichaam over te nemen - je moeder werd er bijvoorbeeld heel goed in. Maar ze was kwetsbaar en als het lichaam waarin ze op dat moment zat stierf, zou zij ook sterven.'
Nakur had Miranda nooit verteld dat hij degene was die de geest van de vrouw die zijn echtgenote en haar moeder was geweest, had vernietigd. Miranda geloofde dat ]orma - ook wel bekend als vrouwe Clovis - was gestorven toen de demon Jakan het leger van de Smaragden Koningin had overgenomen.
'Maar Varen kan de dood van zijn gastheer overleven en een ander lichaam zoeken. Dat moet betekenen dat zijn geest, ziel, gedachten, hoe je het dan ook noemen wilt, ergens anders moet huizen, en dat een deel ervan aan iets verbonden is - misschien een zielskruik of een ander voorwerp. Het kan even goed een siervoorwerp op een schrijftafel zijn als een echte urn.' Nakur haalde zijn schouders op. 'Het heeft op de een of andere manier te maken met die doods scheuring die hij aan het maken was. Daarom denk ik dat het belangrijk is dat we blijven zoeken vanaf die scheuring die we ten westen van Maladon hebben gevonden.'
'Onze zoon?' vroeg Miranda ongeduldig.
'Ik zal Magnus sturen,' zei Puc. 'Hij komt snel uit Kelewan terug, en zodra hij hier is zal ik hem naar Kesh sturen om direct met Caleb te spreken. Tals rapport is bij lange na niet gedetailleerd genoeg.'
Miranda keek maar een beetje teleurgesteld. 'Ik ga liever zelf.'
Puc lachte. 'Ten eerste heeft Kesh een cultuur waarin vrouwen van enige rang zich na het donker niet alleen buiten wagen, en ten tweede is Magnus veel gelijkmatiger van temperament dan jij, lieve.'
Ze keek hem kwaad aan maar zei niets.
'Ik ga met je mee als het tijd is om Varen stevig aan te pakken,' vervolgde Puc.
Daar leek Miranda tevreden mee. 'Goed dan, maar ik wil het weten zodra we van Caleb horen.'
'Ja, lieverd,' zei Puc met een blik op Nakur. De kleine gokker grinnikte.
Kaspar liep voort, omgeven door de Wachten van de Keizerlijke Huishouding. Het waren stuk voor stuk imposante mannen - niet een van hen was kleiner dan zes voet, en veel van hen kwamen dichter in de buurt van zeven voet. Ze hadden allemaal een donkere huid, wat deed vermoeden dat ze afkomstig waren van de onderling hecht verbonden stammen rond het Overnse Diep, als ze al niet rasbloeds waren. Ze droegen in ieder geval de linnen kilt van de rasbloeds en riemen van leer met bronzen knoppen. Hun sandalen, zag Kaspar, hadden een dichte teen en hij vermoedde dat ze waren ontworpen voor de krijg, niet voor het gemak. Elk van hen had een lang, krom zwaard op de heup hangen en ze droegen allemaal hals ringen van ijzer die met zilver waren beslagen.
Bedienden gingen Kaspar en zijn militaire geleide voor door de ene galerij na de andere, waarvan veel voorzien waren van fonteinen of exotische vogels, tot hij zich in een enorme ruimte bevond die werd gedomineerd door een heel groot bed. Het bed was met gemak twaalf voet in het vierkant en stond op een verhoging in het midden van de kamer.
Het vertrek leek nog het meest op een paviljoen, behangen met vele gordijnen die konden worden gesloten om afgeschutte hoekjes te creëren. Momenteel waren ze allemaal open, zodat de keizer in alle richtingen een prachtig uitzicht op het paleis beneden en de stad verderop had.
Diigaí zat op een besneden stoel een stukje voor het bed. Op een tafel voor hem stond het mooiste schaakspel dat Kaspar ooit had gezien. De keizer wenkte hem naderbij en zei: 'Ga zitten, Kaspar. Laten we spelen.'
Kaspar ging zitten en keek om zich heen. Overal in de kamer stonden prachtige jonge vrouwen, gekleed op de schaarse wijze van de rasbloeds. Hoewel Kaspar niet iemand was die zich liet verleiden door een knap gezichtje of een imposante boezem, was zelfs hij onder de indruk van hun schoonheid en hun aantal.
De keizer wuifde met zijn hand en zei: 'Ik wens zo veel mogelijk privacy, liefjes. Ga weg.'
De meisjes verlieten fluisterend en giechelend de kamer, en bedienden trokken de doorzichtige gordijnen dicht zodat ze alleen nog uitzicht hadden op de stad.
'Meer privacy is me niet gegund, Kaspar,' zei de keizer, de formele spraak vermijdend die hij in het openbaar gebruikte. 'Jij mag wit.'
Kaspar knikte en pakte een pion op.
Het schaakbord leek te zijn vervaardigd van rozenhout en was zeer precies gemaakt. De vlakken leken te zijn gesneden uit ebbenhout en ivoor, zo perfect omlijnd met haar dunne gouden randjes dat het oppervlak volkomen glad was. De stukken waren van het mooiste zwarte onyx en het allerwitste kalksteen gemaakt, en de kwaliteit van het snijwerk was uitzonderlijk. Kaspar pakte de witte koningin op en zag dat haar gezicht een koninklijke schoonheid bezat. Haar kroon was van goud, en toen hij de andere stukken op het bord eens wat beter bekeek, zag hij dat de scepter van de loper piepkleine juwelen bevatte en dat het zwaard van de ruiter op het paard van platina was gemaakt.
'Zetten, jongen,' spoorde de keizer aan, en Kaspar zette zijn pion vooruit. Hij glimlachte. Het was al jaren geleden dat iemand hem jongen had genoemd.
De keizer boog zich voorover en zei: 'Ik wed dat je je verwondert over al die mooie meisjes.'
Kaspar lachte. 'Ik moet toegeven, Majesteit, dat ik bijna omviel van hun schoonheid.'
De keizer grijnsde, en het viel Kaspar op hoe sterk en wit zijn tanden leken vergeleken bij zijn oude, doffe huid. 'Hoe luidt het gezegde ook alweer? "Ik ben oud, maar nog niet dood"?' Hij grinnikte. 'Ze zijn hier alleen maar om me te bespioneren. Ik denk dat ze ieder voor een andere minister, generaal, edele of gilde in de stad werken. Ze zijn me allemaal cadeau gedaan, wist je dat?'
'Slavinnen?'
'Niet echt. Er wordt wel voor gezorgd dat geen enkele slaaf of slavin zich binnen honderd passen van mijn keizerlijke persoon kan wagen. En rasbloeds kunnen nooit slaven zijn. Als je voldoende wetten breekt om slavernij te verdienen, gooien we je in plaats daarvan voor de krokodillen.' Hij verzette zijn eigen pion. Toen, op zachtere toon, zei hij: 'Een van de voordelen van mijn rang. Af en toe neem ik er een mee naar bed, en ook al... gebeurt er niets belangwekkends, ik hoor wel dingen.'
Diigai gebaarde dat Kaspar zich dichter naar hem toe moest buigen en fluisterde: 'Ze denken dat ik seniel ben.' Hij grinnikte, en Kaspar zag voor het eerst een lichtje in zijn ogen. 'En ik laat ze dat denken.'
Kaspar zei niets en vroeg zich af waarom hij, een buitenlander op de vlucht, in de nabijheid van de keizer werd toegelaten... nee, niet toegelaten - bij de haren ernaartoe gesleept. Kaspar zette weer een stuk.
Het spel ging voort, tot Diigai zei: 'Kaspar, ik vermoed dat ik over een jaar niet meer in leven ben.' Hij bekeek het speelbord en voegde eraan toe: 'Misschien over een maand al niet meer.'
'Spant er iemand tegen u samen, Majesteit?'
'Altijd. Zo gaat dat in Kesh. Mijn zoons zijn allemaal jong overleden, en maar een van hen had zelf zoons. Als ik een redelijk intelligente kleindochter had gehad, zou ik haar laten trouwen en haar man keizer laten worden, net zoals ik werd benoemd toen Leikesha mij liet trouwen met Sharana.' Hij glimlachte en deed een zet. 'Dat was nog eens een vrouw. Ben je ooit met haar naar bed geweest?'
Kaspar grinnikte. 'Die eer heb ik nooit gehad.'
'Dan ben je misschien de enige regerende edele die in Kesh op bezoek is geweest die dat genoegen niet heeft gehad.'
'Ik geloof dat ik toen pas vijftien was, Majesteit.'
'Dat zou haar niet hebben tegengehouden. Ze was waarschijnlijk op dat moment te druk met je vader in bed te krijgen.' Voordat Kaspar kon reageren, vervolgde de keizer: 'Ik heb uit betrouwbare bron vernomen dat ze met allebei de prinsen van de Eilanden naar bed is geweest. Maar dat was voordat we trouwden. Ach, ras bloed-vrouwen met macht; niets in de wereld is ermee te vergelijken.'
'Dat geloof ik meteen,' zei Kaspar.
'Sharana had een sterke wil en een eigen mening, en was niet vergevingsgezind. Soms sprak ze wekenlang niet tegen me als ze boos was. Ik moet toegeven dat ik van haar ben gaan houden, op een bepaalde manier.' Hij zuchtte. 'Ik mis haar na veertig jaar nog steeds. Als ik een kleindochter had zoals zij, zou ik haar met jou laten trouwen, Kaspar.'
'Met mij, Sire?' zei Kaspar, oprecht verrast.
De keizer sloeg een van Kaspars stukken en zei: 'Vier zetten naar schaakmat als je niet oplet. Ja, jou, en niet omdat ik je zo vreselijk graag mag, want dat is niet zo. Je bent een moorddadige rotzak zonder berouw in je ziel, maar dat is precies wat je nodig hebt om dit keizerrijk te regeren.'
'Dank u, Majesteit. Geloof ik.'
De keizer lachte. 'Je houdt tenminste vast aan wat je is gegeven, met alle trucs die je tot je beschikking hebt. Ik vrees dat mijn kleinzoon het keizerrijk in vele kleine landen zal laten opdelen.'
'Sezioti?'
De keizer schudde zijn hoofd. 'Nee, Dangai. Sezioti is een wetenschapper, dus hij wordt onderschat door onze jagers en krijgers, maar hij zou wel een manier vinden om de vrede te bewaren. Maar hij zal de troon waarschijnlijk niet bestijgen, want Dangai is te machtig. Hoewel heer Rawa de oudere prins steunt, zijn veel van zijn Keizerlijke Wagenmenners vrienden van Dangai. Hetzelfde geldt voor de Keizerlijke Cavalerie; heer Semalcar is hecht met Sezioti, maar veel van zijn ruiters zijn dat niet. Je moet onthouden dat die mannen geen gewone soldaten zijn. Elke soldaat in de Cavalerie en bij de Wagenmenners is een edele van de rasbloeds.' De keizer nam een slok wijn. 'We hebben veel te veel van die verdomde edelen in Kesh, Kaspar.'
'Heer Bey zegt dat je in de benedenstad geen haverkoek van een handelaarskar kunt gooien zonder er eentje te raken.'
De keizer lachte. 'Zei hij dat? Dat is grappig, en nog waar ook.' Hij liet zijn stem weer dalen. 'Jij werkt samen met Bey, of niet?'
'Ik weet niet wat u bedoelt, Majesteit,' zei Kaspar, en verzette een pion om een aanval van de keizer te dwarsbomen.
'Bey is een goede man, een van de beste, maar net als alle anderen denkt hij dat ik een kwijlende oude gek ben, en net als bij alle anderen laat ik dat zo. Ik zal ter zake komen. Ik weet niet wat je hier doet. Diezielige poging om vermomd als edele uit het Koninkrijk hier binnen te sluipen was zo doorzichtig dat zelfs een kwijlende oude gek als ik dat kon doorzien. Je ging er duidelijk vanuit dat je gepakt zou worden, en je ging er ook vanuit dat je aan de zorgen van Turgan Bey zou worden toevertrouwd. Ik moet toegeven dat je asiel aanvraag onverwacht was, maar een leuk detail. Wie heeft dat bedacht?'
'Ik, Majesteit.'
'Nou, ik verwacht dat je geen minuut langer in Kesh blijft dan nodig is om te doen waarvoor je hier in eerste instantie gekomen was. Ik verwacht dat je die eed die je hebt afgelegd zult negeren ...'
'Ik zal die eed nooit verbreken, Majesteit.'
'Dan ben je een stommeling, Kaspar. Geloften maak je om ze te breken, als het maar enigszins mogelijk is. Als Dangai op de troon terechtkomt, kan Kesh in het verweer komen tegen je meesters, wie dat dan ook zijn, en zul je de wapens tegen ons opnemen.'
'Meesters?'
'Jouw land is niet zonder hulp tegen je in opstand gekomen, Kaspar.' Hij wees naar de voormalige hertog. 'Ben je vergeten dat het Keshische soldaten waren die je citadel belegerden terwijl het Koninkrijk op zijn gemak rond Opardum zwierf? En denk maar niet dat ik niet weet dat je werd verbannen naar de reet van de wereld. Maar hier ben je, nog geen drie jaar later, en niet eens in lompen gekleed. Je hebt middelen tot je beschikking, Kaspar, en documenten die zo vaardig zijn gemaakt als ik nog nooit heb gezien - ja, ik heb ze uit Beys kamer laten stelen en heb ze goed bekeken. Ik zou niet verbaasd zijn als de prins van Krondor en hertog Erik ze voor je hadden opgesteld. Ik weet dat je een reden hebt om hier te zijn, en wat ik wil weten is of die reden de toestand in Kesh beter of slechter zal maken.'
Kaspar ging rechtop zitten. 'Ik hoop de toestand te verbeteren, Majesteit.' Hij boog zich weer voorover. 'U hebt gelijk; ik dien mensen die een gevaarlijke situatie willen rechtzetten.'
'Die gekke magiër, Varen?'
'Nu ben ik onder de indruk.'
De keizer boog zich ook voorover. 'Met alle spionnen die tegenwoordig in Kesh rondlopen, zou het wel vreemd zijn als er niet een paar voor mij werkten, nietwaar?' Hij leunde weer achterover. 'We hebben al een tijdje verdenkingen, maar jouw komst heeft me overtuigd. De rapporten uit Opardum zeiden dat hij was gestorven door de hand van Talwin Hawkins - dat was trouwens het enige dat me werkelijk verbaasde, dat jullie hier samen levend arriveerden.'
'We zijn tot een regeling gekomen.'
'Hoe dan ook, ik heb rapporten gekregen die ik niet kon plaatsen, dus heb ik ze naar enkele van mijn magiërs meegenomen die dingen kunnen duiden - in Sterrewerf. De consensus was dat er ofwel een waanzinnige tovenaar genaamd Sidi, die we ongeveer honderd jaar geleden hebben geprobeerd te doden, was teruggekomen om ons te belagen, of dat jouw Varen had weten te ontsnappen en zich hier in Kesh bevond, of dat er een derde monster was opgestaan uit het niets, die toevallig ook een machtige doodsbezweerder bleek te zijn. Die tweede optie leek ons het meest waarschijnlijk.'
Kaspar zag er geen kwaad in de keizer te vertellen wat hij van Puc had gehoord. 'Het schijnt dat Varen en Sidi dezelfde persoon zijn.'
'Aha, dat verklaart een hoop. Ik geef de voorkeur aan eenvoudige antwoorden, en dat is het meest elegante antwoord op ons probleem. En waarom ben jij hier?'
'Ik kom rekeningen vereffenen.'
'Mooi, en terwijl je daarmee bezig bent, probeer dan mijn keizerrijk nog een tijdje heel te laten.'
'Ik zal doen wat ik kan, Majesteit.'
'Ik heb een plan, en ik hoop dat ik lang genoeg in leven blijf om het uitgevoerd te zien. Als Dangai zijn verlangen naar de troon nog een tijdje kan onderdrukken, heb ik misschien een oplossing waardoor we weer honderd jaar vrede hebben. Zo niet, dan vrees ik een burgeroorlog.'
Kaspar zei: 'Onze doelen hebben veel gemeen, want een groot deel van de huidige problemen van het Keizerrijk kan worden teruggevoerd op Varen. Hij verlangt naar opstand.'
'Waarom?'
'Omdat hij het kwaad dient, Majesteit. De opstand zou niet eens succes hoeven hebben; de gevolgen van de ordeverstoring zouden wel tien jaar of langer voelbaar blijven in het Keizerrijk. Schuld door medeplichtigheid zou gemeengoed worden, en zelfs de onschuldigen zouden lijden. En als de staatsgreep succes had, zouden andere machtige families vogelvrij zijn voor de jakhalzen en andere aaseters.'
De keizer vroeg: 'Waarom?'
'Varens doel is niet om zelf macht te krijgen, maar die van alle anderen te ondermijnen. Hij houdt van chaos en heeft een grotere agenda. Hij wil landen in de oorlog storten, tronen omver laten werpen en legers laten marcheren.'
'Ik heb te lang geleefd,' zei de keizer. 'Trouwens, schaak,' zei hij, en verzette een stuk.
Kaspar overwoog zijn situatie terwijl hij naar het speelbord keek. Hoe meer chaos er in het land was, hoe meer ruimte er was voor het kwaad. Nadat hij bijna twee jaar had doorgebracht bij Puc en zijn collega's op Tovenaarseiland, en na wat de god Kalkin hem had laten zien over de Dasati, wist Kaspar dat Varen slechts de eerste van vele zorgen was waar het Conclaaf voor stond.
Maar ondanks al zijn macht was Varen nog steeds sterfelijk en kon hij worden verslagen.
Kaspar legde zijn koning neer en gaf toe dat hij verloren had. 'U wint, Majesteit.'
'Zoals altijd, Kaspar,' zei de keizer met een intelligente blik. 'Ik ben nog niet dood.'
Kaspar waagde het erop, reikte over de tafel en pakte de hand van de keizer vast. 'En dat zal nog wel even duren, als ik er iets over te zeggen heb.'
Ze drukten elkaar de hand, en Diigai zei: 'Het is tijd dat je teruggaat naar je vertrekken, en tijd dat ik de rol van geile oude gek weer op me neem.' Toen riep hij uit: 'Waar zijn mijn mooie meisjes dan?'
Meteen werden de gordijnen opzij geschoven en keerden de jonge vrouwen terug. De keizer zei: 'Er zijn ergere rollen om te spelen.'
Kaspar knikte. 'Inderdaad.'
Een dienaar leidde hem de keizerlijke vertrekken uit, en terwijl hij terugliep naar zijn eigen verblijf dacht Kaspar na over de rol van de keizer in het toneelspel dat zich ontvouwde. Ben ik werkelijk een bondgenoot?vroeg hij zich af. Of speelt hij alleen maar een spelletje met me?
Kaspar kwam terug in zijn kamer, maar kon de slaap maar moeilijk vatten.