Proloog

Ontmoeting


Ghuda rekte zich uit.

Door de deur achter hem klonk een vrouwenstem: 'Maak dat je wegkomt!'  

De voormalige huursoldaat leunde achterover in zijn stoel op de veranda van zijn herberg en legde zijn voeten op de balustrade. Achter hem begon het gebruikelijke avondconcert als afsluiting van de dag. Rijke reizigers verbleven in de grote herbergen in de stad of de paleisachtige hotels langs de zilveren stranden, maar herberg De Gedeukte Helm, eigendom van Ghuda Bulé, richtte zich op een minder verfijnde clientèle: wagenmenners, huurlingen, boeren die hun gewassen naar de stad brachten en plattelands soldaten.

'Moet ik de stadswacht soms roepen?' schreeuwde de vrouw in de gelagkamer.

Fors en sterk was Ghuda altijd al geweest en door het harde werken om zijn herberg te onderhouden was hij in de loop der jaren niet dikker geworden. Ook zijn wapens hield hij nog steeds goed bij, want vaker dan hem lief was had hij zich gedwongen gezien om een van zijn klanten naar buiten te smijten.

's Avonds, vlak voor het eten, genoot hij van het mooiste moment van de dag. Zittend in zijn stoel zag hij dan de zon ondergaan boven de baai van Elarial terwijl de felle schittering van de dag afnam tot een vriendelijker gloed die de witte gebouwen in zachte oranje en gouden tinten hulde. Het was een van de weinige geneugten die hij zich niet liet afnemen in een verder veeleisend leven.  

Binnen klonk een daverende klap en Ghuda weerstond de neiging om poolshoogte te gaan nemen. Zijn vrouw zou hem wel laten weten wanneer hij tussenbeide moest komen.

'En nou eruit! Ga buiten maar vechten!'

Ghuda pakte een van de twee ponjaards die hij uit gewoonte aan zijn gordel droeg en begon hem afwezig te poetsen. Vanuit de herberg galmde het geluid van brekend aardewerk. Meteen daarop klonk het gegil van een meisje, gevolgd door het beuken van vuistslagen.

De kling van zijn ponjaard poetsend keek Ghuda naar de zonsondergang. Nu hij tegen de zestig liep, was zijn gezicht een leren landkaart van wegen en paden - getekend door de jaren van karavaan-dienst, gewapende strijd, veel te veel slecht weer, slecht eten en slechte wijn - gedomineerd door een vaak gebroken neus. Boven op zijn hoofd was al zijn haar verdwenen en halverwege zijn kruin en oren groeide er nog een halve cirkel van grijs haar dat tot op zijn schouders hing. Een knappe man was hij nooit geweest, maar hij had iets over zich, een kalme, open directheid waardoor de mensen hem vertrouwden en graag mochten.  

Hij liet zijn blik over de baai zwerven, waar zilveren en rozerode flikkeringen van de zonsondergang over het smaragdgroene water dansten en zeevogels krijsend naar hun maaltijd doken. De hitte van de dag was verdwenen en van over het water kwam er een koel briesje met een vleug van de scherpe, karakteristieke lucht van zeezout. Even vroeg hij zich af of het leven voor iemand als hij eigenlijk wel beter kon zijn. Toen tuurde hij tegen de zon in, want vanuit het westen kwam iemand doelbewust over de weg naar de kleine herberg gelopen.

Eerst was het maar een zwart vlekje tegen de gloed van de ondergaande zon, maar al snel werden er vormen zichtbaar. Iets aan deze gedaante deed ergens achter in Ghuda's hoofd een klein belletje rinkelen en hij hield zijn blik gevestigd op de vreemdeling die langzaam naderde. Het was een mager mannetje met o-benen in een stoffig en versleten blauw gewaad. Hij zag eruit als een Isalani, een inwoner van Isalan, een van de landen in het zuiden van het Keizerrijk Groot Kesh. Over zijn ene schouder droeg hij een oude zwarte rugzak en hij gebruikte een lange staf als wandelstok.  

Toen de man zo dichtbij gekomen was dat zijn gezicht herkenbaar werd, bad Ghuda in stilte: 'Goden, niet hij.'

Terwijl er vanuit het gebouw een langgerekte kreet van woede kwam, stond Ghuda op. Het mannetje kwam bij de veranda en deed zijn rugzak af. Rond zijn kale hoofd zat een cirkeltje pluizig haar en zijn gezicht leek op dat van een gier. Met een paar plechtige ogen keek hij Ghuda aan. Toen

verscheen er een brede grijns op zijn gezicht en zijn donkere ogen werden spleetjes. Terwijl hij de rugzak openmaakte, vroeg hij met een vertrouwde, knarsende stem: 'Zin in een sinaasappel?' Hij stak een hand in de zak en haalde er twee grote sinaasappels uit.  

Ghuda ving de vrucht op die hem werd toegeworpen. 'Nakur, wat voor de donder uit de Zeven Lagere Hellen kom jij hier doen?'

Nakur de Isalani, bij tijd en wijle professioneel kaartspeler, dan weer oplichter, soms tovenaar in een bepaalde betekenis van het woord en naar Ghuda's maatstaven ontegenzeggelijk knettergek, was eens een reisgezel van de voormalige huurling geweest. Negen jaar geleden hadden ze elkaar ontmoet op een lange tocht met een jonge vagebond die Ghuda had weten over te halen - Nakur hoefde niet overgehaald te worden - met hem mee te gaan naar de stad Kesh, een reis die zich had ontpopt tot een afdaling in een leeuwenkuil vol moord, politiek gesjoemel en hoogverraad. De vagebond bleek later prins Borric te zijn, de kroonprins van het Koninkrijk der Eilanden, en aan dat avontuur had Ghuda genoeg goud overgehouden om het kalmer aan te gaan doen. Een nieuw en rustiger leven had hij uiteindelijk gevonden bij deze herberg, met de weduwe van de vorige eigenaar en de wonderbaarlijkste zonsondergangen die hij ooit had gezien. Nooit meer hoopte hij een dergelijke reis te hoeven ondernemen, maar met een wee gevoel in zijn maag besefte hij dat die hoop ijdel was geweest.

'Ik kwam je ophalen,' zei het mannetje met de o-benen.

 Ghuda liet zich weer in zijn stoel zakken.

'Er wordt daar goed gevochten, zeg,' zei Nakur, zich behendig bukkend voor een bierkroes die door de deur naar buiten kwam zeilen. 'Wagenmenners?'  

Ghuda schudde zijn hoofd. 'Geen gasten vandaag. Dat zijn gewoon de zeven kinderen van mijn vrouw die de gelagkamer aan het verbouwen zijn, zoals gewoonlijk.'

Nakur zette zijn rugzak neer en ging zitten op de balustrade. 'Nou, geef me wat te eten, dan kunnen we weg.'

'Waarheen?' vroeg Ghuda, zijn ponjaard wettend.

'Krondor.'

Ghuda deed zijn ogen even dicht. De enige die ze allebei in Krondor kenden, was prins Borric. 'Een perfect bestaan is het bij lange na niet, Nakur, maar ik ben er tevreden mee. Verdwijn nu maar.'

Het mannetje beet in zijn sinaasappel, trok een flink stuk schil los en spuugde het uit. Luid slurpend nam hij een grote hap van het vruchtvlees en veegde zijn mond af met de rug van zijn hand. 'Tevreden? Met dat?' vroeg hij, wijzend naar de donkere deuropening, waarvandaan het gejammer van een kind boven het voortdurende geschreeuw en het rinkelen van scherven uit klonk.  

'Nou ja, soms is het een zwaar leven, maar het gebeurt zelden dat iemand me dood wil maken,' zei Ghuda. 'Ik weet waar ik 's nachts slaap, ik eet goed en ik ga regelmatig in bad. Ik heb een liefhebbende vrouwen de kinderen -' Het harde gekrijs van een kind ging gepaard met het verontwaardigde gejammer van een kleiner kind. 'Ik krijg beslist spijt van deze vraag,' zei Ghuda, Nakur nu aankijkend, 'maar wat moeten we in Krondor doen?'

'Iemand opzoeken,' zei Nakur, achteroverleunend, zijn voet achter een paal hakend om in evenwicht te blijven.

'Eén ding moet ik je nageven, Nakur: het is niet je gewoonte iemand te vervelen met onnodige details. Wie moeten we daar opzoeken?

'Weet ik niet. Een man. Maar dat merken we wel als we er zijn.'

Ghuda slaakte een zucht. 'De laatste keer dat ik je zag, vertrok je uit Kesh in de richting van dat eiland vol magiërs, Sterrewerf. Toen droeg je een grote cape en een blauw gewaad van een schitterende stof, je paard was een zwarte woestijnhengst die een jaarloon kostte en je beurs puilde uit van het goud van de keizerin.'

Nakur haalde zijn schouders op. 'Het paard at verkeerd gras, kreeg koliek en ging dood.' Zijn hand ging over het vieze versleten gewaad dat hij aanhad. 'Die grote cape bleef overal achter haken, dus die heb ik weggegooid. Het gewaad heb ik nog aan. De mouwen waren te lang, dus die heb ik er afgescheurd. Hij sleepte over de grond en ik struikelde steeds over de zoom, zodat ik die er maar heb afgesneden.'

De armzalige gestalte van zijn voormalige reisgezel in zich opnemend zei Ghuda: 'Je had je best een kleermaker kunnen veroorloven.'

'Te druk.' Nakur wierp een blik op de blauwgroene hemel met roze en grijze wolken. 'Ik heb al het geld uitgegeven en in Sterrewerf verveelde ik me dood. Toen besloot ik naar Krondor te gaan.'

Zijn zelfbeheersing verliezend merkte Ghuda op: 'De laatste keer dat ik op een kaart heb gekeken, was de route van Sterrewerf naar Krondor via Elarial nogal een omweg.'

Nakur haalde zijn schouders op. 'Ik moest eerst jou zien te vinden. Daarom ging ik terug naar Kesh. Je had gezegd dat je naar Jandowae zou gaan, dus daar ging ik heen. Daar zeiden ze dat je in Faráfra zat, dus ging ik daar heen. Vandaar uit ben ik je gevolgd naar Draconi, toen naar Caralian en uiteindelijk naar hier.'  

'Je was wel opmerkelijk vastbesloten me te vinden.'

Nakur leunde voorover en zijn stem veranderde. Ghuda had die toon één keer eerder van hem gehoord en wist dat wat hij nu zei van grote betekenis was. 'Grootse dingen, Ghuda. Vraag me niet waarom, ik weet het niet. Laten we zeggen dat ik soms gewoon dingen zie. Je moet met me mee. We gaan naar oorden waar maar weinig inwoners van Kesh ooit zijn geweest. Ga je zwaard en je rugzak pakken, dan kunnen we weg. Morgen vertrekt er een karavaan naar Durbin. Ik heb een baan voor je geregeld als bewaker. Ze kennen Ghuda Bulé nog van vroeger. In Durbin nemen we een schip naar Krondor. We moeten er snel zijn.'

'Waarom zou ik naar jou luisteren?' zei Ghuda.

Nakur grijnsde en zijn stem kreeg weer die half-spottende, half-opgewekte klank die hij van de Isalani kende. 'Omdat je je verveelt, nietwaar?'  

Ghuda luisterde even naar het jammeren van zijn jongste stiefkind, dat door een van de zes andere kinderen van het gezin werd belaagd. 'Nou, niet dat er hier erg veel gebeurt...' Bij het horen van de zoveelste kreet voegde hij eraan toe: 'Of dat het hier erg vredig is...'

'Kom. Zeg je vrouw gedag, dan gaan we.'

Met een gemengd gevoel van berusting en verwachting stond Ghuda op. Zich omdraaiend naar het mannetje zei hij: 'Ga jij maar vast naar de karavaanserail en wacht daar op me. Ik moet mijn vrouw een paar dingen uitleggen.'

'Ben je met haar getrouwd?' vroeg Nakur.

'Daar zijn we eigenlijk nooit aan toegekomen,' zei Ghuda.

Nakur grijnsde. 'Geef haar dan wat goud - als je nog over hebt. Zeg haar dat je weer terugkomt en vertrek dan. Binnen een maand heeft ze een andere man in die stoel en in haar bed.'

Bij de deur bleef Ghuda even staan, kijkend naar het licht dat de verdwenen zon nog verspreidde. 'Ik zal die zonsondergangen missen, Nakur.'

Nog steeds grijnzend sprong de Isalani van de balustrade, pakte zijn rugzak op en deed hem om. 'Er zijn ook zonsondergangen boven andere oceanen, Ghuda. De wonderlijkste bezienswaardigheden en vergezichten.' Zonder een verder woord draaide hij zich om naar de weg en liep in de richting van de stad Elarial.  

Ghuda Bulé betrad de gelagkamer van de herberg die hij al bijna zeven jaar als zijn thuis had beschouwd en vroeg zich af of hij ooit nog deze kant op zou komen.