15 Ontdekking
Valentijn gebaarde.
Vlug renden de mannen naar een verdedigbare plek achter de wagens terwijl anderen de dode bandieten van hun zwaarden en bogen ontdeden. Markus verscheen naast Valentijn met een korte boog in zijn hand. 'Niet direct naar mijn zin,' zei Markus, de spanning van de boogpees uitproberend, 'maar hij voldoet.'
'Jeshandi!' riep Tuka, wijzend naar de twaalf mannen te paard.
'Zijn dat vrienden?' vroeg Valentijn.
Het kleine mannetje keek bezorgd. 'Ten tijde van de Voorjaars-bijeenkomst, waar iedereen handel kan komen drijven, geldt een vredesakkoord, maar de bijeenkomst is afgelopen en we zijn aan hun kant van de rivier.'
'Hun kant van de rivier?' vroeg Han, die een vaak gebruikt zwaard in zijn hand hield.
Tuka knikte. 'Van Shingazi's Steiger naar het noorden en dan westwaarts tot aan de plek waar de Serpentrivier vlak bij de Vedra komt, en van de rivier tot aan de woestijn, is het grasland gebied van de Jeshandi. Niemand mag er zonder toestemming door. Soms is hun gastvrijheid onbeperkt, maar bij andere gelegenheden zijn ze weinig beter dan bandieten. Die ene die vooraan staat, met de rode kwastjes aan de teugels, is een hetman, een erg belangrijk persoon.'
'Nou,' zei Valentijn, 'we kunnen net zo lang wachten als zij.'
Op dat moment verschenen aan de noord- zowel als de zuidkant van de heuvelkam nog eens twaalf ruiters.
'Maar misschien ook niet,' zei Valentijn.
Hij klom op de wagen en hield zijn zwaard omhoog, duidelijk waarneembaar. Toen liet hij met veel vertoon zien dat hij hem in de schede aan zijn zij stak en sprong van de wagen. 'Ghuda, jij gaat met mij mee. Markus, jij en Caelis staan klaar om ons te dekken als we overhaast terug moeten.'
Samen met Ghuda liep hij naar een punt halverwege de wagens en de kam. Twee ruiters maakten zich los uit de rij en kwamen langzaam de heuvel af. Terwijl ze dichterbij kwamen, nam Valentijn hen op. Alle ruiters hadden behalve een pijl en boog een verscheidenheid aan zwaarden en messen. Ze droegen lange donkere mantels over hun tuniek en broek en op het hoofd een taps toelopende diepblauwe of rode hoed, soms met een halsdoek eraan vast. Hun gezichten waren tegen het stof beschermd door doeken die slechts de ogen onbedekt lieten.
Toen de twee mannen bij Valentijn en Ghuda waren aangekomen, hielden ze de teugels in. Naar het gebruik van de woestijnmensen uit de Jal-Pur bracht Valentijn zijn hand naar zijn voorhoofd, hart en buik en sprak de formele begroeting: 'Vrede zij met u.'
In de Keshische variant die in dit land de voertaal scheen te zijn, zei een van de ruiters: 'Uw accent is verschrikkelijk.' Hij sprong van zijn paard. 'Maar u hebt wel manieren.' Hij bracht zijn hand omhoog. 'En vrede zij ook met u.' Toen deed hij een paar stappen dichterbij en Valentijn zag een paar helderblauwe ogen boven de donkere gezichtsdoek. 'Wat is hier gaande?' vroeg de man, wijzend naar de wagens.
Valentijn vertelde hem van de overval en van hun plan om de buit te heroveren, en besloot met: 'Wij willen niet onbeleefd zijn en staan op het punt het gebied van de Jeshandi te verlaten. Deze karavaan is op de terugweg van de Voorjaars-bijeenkomst.' Hij hoopte dat hij overtuigend genoeg was met zijn bewering dat het vredesverdrag dat tijdens de bijeenkomst van kracht was nog steeds gold tot de deelnemers het territorium van de Jeshandi hadden verlaten.
De ruiter die het woord voerde, verwijderde zijn gezichtsdoek en Valentijn zag een jong gezicht met hoge jukbeenderen en een paar priemende ogen. Valentijn zag er iets vertrouwds in en ineens begreep hij wat het was. 'Caelis!' riep hij over zijn schouder naar de wagens. 'Kom eens even kijken.'
Terwijl de halfelf van de wagen sprong, vroeg Ghuda: 'Wat is er?'
'Bekijk zijn gezicht eens,' zei Valentijn.
'Is er iets mis met mijn gezicht?' zei de ruiter. Uit zijn gespannen houding bleek dat hij bereid was enig conflict ter plekke te beslechten. 'Nee, maar we hadden hier, onder deze omstandigheden, niet iemand van uw soort verwacht.'
De ruiter boog zich enigszins naar voren, staarde Valentijn recht in de ogen en zei op strijdlustige toon: 'En wat bedoelt u precies met "iemand van uw soort"?'
Caelis was op tijd bij hen om die laatste uitwisseling te horen en zei: 'Hij bedoelt dat hij niet had verwacht hier iemand van de edhel te ontmoeten.'
De ruiter keek verbaasd op. 'Wat dat woord ook mag betekenen, ik word aangesproken bij mijn naam en titel.'
'Uw naam en titel?' zei Caelis, zijn verrassing slecht verhullend.
'Ik ben Mikola, hetman van de Zakosharuiters van de Jeshandi.'
Om de hetman van Caelis' verwarring af te leiden, maakte Valentijn een buiging. 'Ik ben Valentijn, kapitein van dit korps en vijand van niemand die mijn vriend wil zijn.'
'Goed gesproken,' zei Mikola met een brede glimlach. 'Maar met de belangen van stadsmensen heb ik niets te maken.' Zijn glimlach verdween en met een beschuldigende vinger wees hij op Valentijn. 'Wat mij aangaat is wie me gaat betalen voor mijn geiten!'
'Uw geiten?' zei Valentijn.
'Zeker. Hebben jullie de tatoeages niet gezien in de oren van de volwassen geiten? Hebben jullie mijn merkteken niet herkend? Zeg me niet dat jullie daar niets van hebben gezien toen jullie mijn dieren slachtten en opaten. En wat deden jullie zo dicht bij de rand van de wereld?' Zonder te wachten op Valentijns antwoord zei hij: 'We slaan hier kamp op en zullen vele dingen bespreken. Maar allereerst bespreken we jullie betaling voor onze geiten.' Hij liep naar zijn paard, steeg op en reed terug, bevelen schreeuwend naar zijn metgezellen.
'Waar ging dat nou over?' vroeg Ghuda.
'Hij is een elf,' antwoordde Valentijn.
'Daar heb ik niets van gezien,' zei Ghuda, 'en zijn oren waren niet zichtbaar. En trouwens, behalve Caelis heb ik er nog nooit een ontmoet.'
Caelis knikte. 'Je mag dan nog nooit iemand van mijn moeders volk hebben ontmoet, maar het is wel zo. Hij is een edhel, maar hij weet niet eens wat het woord betekent.' Met een bezorgd gezicht staarde Caelis de ruiter na.
Toen de avond was gevallen werden ze onthaald in Mikola's tent. De leider van de Jeshandi mocht dan boos zijn over zijn geiten, maar zijn gevoel voor gastvrijheid kwam duidelijk tot uiting in het feestmaal dat zijn mensen hadden bereid voor de overlevenden van de schipbreuk van de Roofvogel.
Tuka kwam met het groepje van Valentijn naar de tent van de hetman, die hij een yurt noemde: een groot rond bouwwerk van vervilt geitenhaar en schapenwol, gespannen over een houten raamwerk. Mikola's yurt kon makkelijk aan twintig mensen plaats bieden. De binnenkant was versierd met standaards en vaandels van verschillende kleuren en uitvoeringen, zoals gouden iconen op een rode doek en dierenhuiden met kraalwerk aan de randen. Er hing een sterk kruidige lucht, afkomstig van de wierook-brander ter verlichting van de doordringender geuren van paarden en menselijk zweet. Het was Valentijn duidelijk dat deze mensen meestal het water niet hadden om in bad te gaan.
Brisa had tot haar grote ergernis te horen gekregen dat er geen vrou wen in de yurt van de hetman mochten, behalve dan zijn echtgenotes, en dan alleen voor zijn genoegen. Ze maakte er geen drukte om, maar aan haar gemompel was duidelijk te merken wat ze ervan dacht. Valentijn had Markus zien glimlachen bij het horen van de krachtige taal van het meisje en begreep dat zijn neef net zo blij was als hij om te zien dat ze weer de oude aan het worden was.
Na de bijzonder goede maaltijd, die gepaard ging met een robuuste wijn, zei Valentijn: 'Mikola, je gulheid kent geen grenzen.'
'De wetten der gastvrijheid zijn ongeschonden,' zei Mikola met een flauw glimlachje. 'Maar zeg eens: ik heb een oor voor accenten en dat van jou heb ik nog nooit gehoord. Waar komen jullie vandaan?'
Valentijn vertelde van hun reis en Mikola keek er niet eens vreemd van op dat ze van de andere kant van de grote oceaan kwamen. 'Er bestaan veel oude verhalen over dergelijke reizen,' zei hij en keek Valentijn recht in de ogen. 'Welke god aanbidden jullie?'
Vanwege de manier waarop hij het vroeg, besloot Valentijn voorzichtig te zijn met zijn antwoord. 'Wij vereren vele goden -'
'Maar boven allen staat Al-maral,' onderbrak Nakur.
De hetman knikte. 'Jullie zijn buitenlanders, dus jullie geloof is je eigen zaak, en zolang jullie de gastvrijheid van de Jeshandi genieten is jullie veiligheid gegarandeerd. Maar als jullie eenmaal buiten dit gebied zijn geweest, weet dan dat je, als je ooit weer terugkomt, zult zweren de Ene Ware God te aanbidden, op straffe van de dood.'
Valentijn knikte en wierp een blik op Nakur.
'Wat weet u over die oude verhalen, hetman?' vroeg Caelis, die vrijwel de hele avond stil was geweest.
'Wij zijn oorspronkelijk afkomstig uit het land waar jullie vandaan komen,' zei Mikola. 'Dat staat tenminste in het Boek en daarin staan alleen de ware woorden Gods, dus moet het zo zijn.' Hij keek Caelis aan. 'Maar er is nog iets dat je wilt weten?'
Caelis knikte. 'U bent verwant aan mijn volk.'
De ogen van de hetman werden iets groter. 'Ben jij van de langlevenden?'
Caelis hield zijn haar opzij om zijn enigszins opwaarts welvende oor te laten zien.
'Al-maral zij gezegend,' zei Mikola. Op zijn beurt hield hij zijn lange blonde haren opzij en toonde het verwachte puntoor. 'Maar het jouwe is anders. Hoe komt dat?'
'Mijn moeder is van uw soort,' sprak Caelis langzaam. 'Zij is de koningin van ons volk, in Elvandar.' Hij zweeg, alsof hij hierop een reactie verwachtte, maar Mikola zei slechts: 'Vertel verder.'
'Mijn vader is een mens, zij het begaafd met een bijzondere magie.'
'Dat moet ook wel,' zei de hetman, 'want in de hele heugenis van onze stam is er nooit uit een verbintenis van een langlevende met een kortlevende een kind voortgekomen.' Hij klapte eenmaal in zijn handen en er verscheen een bediende met een kom water. Terwijl hij zijn handen waste, zei hij: 'En om die reden is zo'n verbintenis bij de Jeshandi verboden.'
'Bij mijn volk niet,' zei Caelis, 'maar het komt zelden voor en de echtelieden zijn vrijwel altijd ongelukkig.'
'Ben jij kortlevend of lang?' vroeg Mikola.
'Dat valt nog te bezien,' antwoordde Caelis met een wrange glimlach.
'In het Boek staat geschreven dat de langlevenden al door dit land zwierven toen de gelovigen van over zee kwamen,' zei Mikola. 'Bitter was de strijd tussen ons, tot de langlevenden het woord Gods hoorden en het geloof omhelsden. Al-maral is immer genadig. Sindsdien leven we als één.'
'Dat verklaart een hoop,' zei Caelis.
'Het Boek verklaart alles,' zei de hetman stellig.
Valentijn keek naar Caelis, die aangaf dat hij was uitgesproken, en zei toen: 'Mikola, we kunnen je onmogelijk bedanken voor je gastvrijheid.'
'Geen dank is verschuldigd. Het is de gever die dankbaar hoort te zijn, want er staat geschreven dat men alleen door te geven kan leren wat edelmoedigheid is.' Met een lange houtsplinter peuterde hij tussen zijn tanden. 'Maar hoe dachten jullie te gaan betalen voor mijn geiten?'
Er begon een uitgebreid rondje loven en bieden, waarbij Valentijn heel goed begreep dat hij in het nadeel was aangezien de koop al was gesloten - alleen de prijs stond nog niet vast. Naarmate de avond vorderde, werd de kwaliteit van de dieren steeds beter terwijl Valentijn niet veel meer kon doen dan tegenwerpen dat ze taai en zenig waren en maar weinig smaak hadden. Uiteindelijk betaalde hij minstens het drievoudige van hun waarde. Misschien dat Mikola's nieuwsgierigheid werd geprikkeld door het Koninkrijkse zegel op de gouden munten die Valentijn hem gaf, maar dan hield hij dat goed verborgen. Hij was tevreden met de kwaliteit en het gewicht van het goud en dat was voor hem genoeg.
Vervolgens onderhandelde Valentijn met hem over wapens en proviand en tegen de tijd dat ze klaar waren, was zijn hele gezelschap overal van voorzien en hij doodop, wat niet zo vreemd was, gezien het late uur. Hij wenste de hetman een goede nacht en keerde met zijn metgezellen terug naar de wagens.
Onderweg vroeg Valentijn: 'Caelis, wat bedoelde je toen je zei dat die passage uit dat Boek een hoop verklaarde?'
Caelis haalde zijn schouders op. 'Er is mij altijd geleerd dat de edhel, de elfen, één ras waren, met één koningin, mijn moeder, en één woonplaats, Elvandar. Voor die tijd waren we bedienden van de Valheru. Na de Chaosoorlog zijn we opgesplitst in drie afzonderlijke groepen: de eledhel, mijn moeders volk; de moredhel, die jullie de Broederschap van het Onzalige Pad noemen; en de glamredhel of krankzinnige elfen.' Hij keek even over zijn schouder. 'Maar nu zie ik dat er elfen zijn die nog nooit van onze woonplaats in Elvandar hebben gehoord. Onze leer spreekt alleen van elfen die op hetzelfde vasteland wonen als jullie Koninkrijk. Van deze groep weten we niets.'
'En zij weten niets van jullie,' zei Nakur.
'En wat was dat met die Al-maral?' vroeg Valentijn.
Nakur schudde zijn hoofd. 'Nare dingen. Heilige oorlogen, van het ergste soort. Eeuwen geleden was er een groot schisma in de Kerk van Ishap, tussen degenen die geloofden dat hij de Ene God Boven Al was en degenen die geloofde dat hij Al-maral was, oftewel alle goden, en dat elk van de mindere goden slechts één van zijn verschillende facetten was. Zoals het met dat soort dingen vaak gaat, vormde het schisma meteen ook een dekmantel voor een machtsstrijd binnen de tempels van Ishap en uiteindelijk zijn de volgelingen van Al-maral tot ketters verklaard en achtervolgd. Er is een legende die beweert dat de ketters uit Groot Kesh de woestijn in zijn gevlucht en daar zijn omgekomen, maar dat er een paar per schip zijn vertrokken, de Eindeloze Zee op.'
'Dat verklaart dan meteen waarom ze hier allemaal Keshisch spreken,' zei Ghuda.
'Eerder het Keshisch dat een paar honderd jaar geleden werd gesproken,' merkte Han op.
'Encosi komt van over de grote zee?' vroeg Tuka.
'Ik zei toch dat we uit een stad hier ver vandaan kwamen,' verklaarde Valentijn.
Een kleine fonkeling in Tuka's ogen verried zijn gedachtengang toen hij zei: 'Dus dan moet er een heel belangrijke reden zijn om zo'n korps overzee te brengen, niet?'
'Een reden die ik met je meester zal bespreken,' reageerde Valentijn.
Toen hij zag dat de dromen over grote rijkdommen van het kleine mannetje terstond vervlogen, voegde hij eraan toe: 'Waarbij niet onvermeld zal blijven dat dankzij jou de ranjana keurig bij de opperheer wordt afgeleverd.'
'In het gunstigste geval zal mijn meester mijn prestaties amper voldoende achten als tegenwicht voor mijn gebreken bij het verdedigen van zijn karavaan.'
'Breng ons naar je meester en je zult er geen spijt van krijgen.'
Op slag veranderde het gezicht van het mannetje weer. 'O, dank u, hoogst edelmoedige encosi.'
'We hebben nog een hoop te leren over de manier waarop de dingen hier worden gedaan, dus in ruil voor onze edelmoedigheid geef jij ons les in de gebruiken van dit land.'
'Hoogst zeker, encosi.'
Bij de wagens aangekomen, ontdekten ze dat Brisa door twee matrozen werd bewaakt. 'Wat is hier gebeurd?' vroeg Valentijn.
Een van de matrozen zei in het Koninkrijks: 'Ze stond op het punt dat meisje in de wagen te wurgen toen we haar van haar aftrokken, Hoogheid.'
'Noem me niet meer zo,' zei Valentijn. 'Ik ben de kapitein van dit korps en praat Keshisch of Natals.'
De zeeman schakelde over naar het Natalse dialect. 'Ik weet niet waarom, maar ze probeerde dat meisje met al die juwelen te vermoorden.'
'Juwelen?' vroeg Valentijn.
'Dat meisje dat ze de ranjana noemen.'
Neerknielend vroeg Valentijn: 'Brisa, wat is er gebeurd?'
'Niemand scheldt mij uit voor -'
Hij hief zijn hand op om haar te onderbreken. 'Begin bij het begin.'
'Ik was gewoon met mijn eigen dingen bezig toen die snotneus me riep en vroeg om een of ander kis~e uit de voorste wagen te halen.' Met samengeknepen ogen staarde ze naar de tweede wagen. 'Dus ik denk: waarom ook niet? Ik haal dat kistje, zij maakt het open en begint allemaal juwelen om te hangen. En dan beveelt ze me water te gaan putten zodat ze zich kan wassen. Toen heb ik haar gezegd dat ze dat zelf maar moest gaan doen en toen noemde ze mij-'
Valentijn hield haar weer tegen. 'Dus toen probeerde je haar te vermoorden?'
'Een beetje maar. Ik zou zijn gestopt voordat ze helemaal dood was.' Valentijn stond op. 'Ik denk dat ik onze gaste maar even ga bezoeken.' Hij ging naar de tweede wagen en zag dat de doeken nu helemaal waren neergelaten. Bij de achterkant bleef hij staan en klopte op de deur.
Een stem van binnen vroeg wie daar was en hij antwoordde: 'Valentijn ... Kapitein Valentijn.'
De deur ging open en er verscheen een gezicht van een jong meisje. Op zeer hooghartige toon zei ze: 'Mijn meesteres is van streek door de aanval van de hoer. Morgen kan ze u ontvangen. Maak de hoer pas dood als mijn meesteres wakker is om te komen kijken.'
De deur ging dicht en Valentijn bleef knipperend met de ogen staan. Besluitend dat iedereen beter af was met een goede nachtrust, weerstond hij de neiging de deur open te doen en naar binnen te gaan. Daarbij wist hij eigenlijk niet eens wat hij moest zeggen. Hij liep terug naar het kampvuur, waar Brisa zat, en zei: 'Ik zoek het morgen allemaal wel uit.'
'Ze schold me uit -'
'Ik weet wat ze tegen je heeft gezegd,' onderbrak Valentijn. 'Ik zoek het morgen wel uit. Ga nu maar slapen.'
Bij het vuur zittend liet hij Tuka, Emus, Markus, Ghuda en Nakur bij zich komen en zei: 'Tuka, een rijk man kunnen we je niet maken, maar een welvarend man zeker wel. Als je ons probeert te misleiden, zal mijn vriend hier' - hij wees op Ghuda - 'met plezier je nek omdraaien. Vertel ons dus maar eens over deze staat.'
Dat woord scheen Tuka niets te zeggen. 'Staat, encosi?' 'Dit land. Wie regeert er hier?'
'Niemand, encosi. We zijn hier voor de soldaten van de opperheer veel te ver bij de Stad aan de Serpentrivier vandaan, dus heeft hij hier niets te zeggen. En de andere steden liggen aan de andere kant van de bergen. De mensen die daar wonen zijn hun eigen meester.'
Tot diep in de nacht praatten ze verder. Het bleek dat koninkrijken of andere vormen van grote politieke lichamen hier niet bestonden. Tuka wist niet eens wat die termen betekenden. Dit was een land van stadstaten en onafhankelijke heersers die ieder het gebied dat ze met wapengeweld konden onderwerpen voor zich opeisten. In het Oostland, het gebied onder de Stad aan de Serpentrivier, lag de macht bij een losse verzameling stammen van kleine volkeren die verwant waren aan de Jeshandi. Tegenwoordig werden ze overheerst door de zogenaamde opperheer, een man die twintig jaar geleden aan de macht was gekomen en zijn positie wist te behouden door de ene stam tegen de andere uit te spelen.
Naarmate het gesprek vorderde, kwam Valentijn steeds meer tot het besef dat er een klein huurlingenleger nodig was om in dit land van het ene punt naar het andere te kunnen reizen, vandaar Tuka's geloof dat Valentijn een 'machtig kapitein' was en zijn drieëndertig metgezellen een huurlingen-korps.
Toen het kleine mannetje hen zo veel had verteld als ze na al die uitputtende dagen en die copieuze maaltijd konden bevatten, zei Valentijn iedereen te gaan slapen. Valentijn vroeg Emus een paar mannen op wacht te zetten, al leek dat niet echt nodig met het kamp van de Jeshandi zo dichtbij. Niettemin wilde hij een soldaat bij de wagen van de ranjana.
Na meer dan twee weken op de kale grond te hebben geslapen, lag de bedrol die hij van Mikola had gekocht als de zachtste verenmatras die hij ooit had gevoeld. Hij ging liggen en voor het eerst sinds de schipbreuk viel hij in een diepe, ontspannende slaap.
Valentijn schrok wakker van een oorverdovend gekrijs. Met zijn zwaard in de hand schoot hij overeind, knipperend met zijn ogen als een uil in plotseling fel licht. Een paar soldaten waren eveneens met getrokken wapen overeind geprongen. Een volgende schreeuw deed hen omzien in de richting van de tweede wagen. Valentijn borg zijn wapen op, want het was duidelijk een kreet van woede en niet van pijn of angst.
Hij liep naar de achterkant van de wagen en trof daar een van de soldaten uit Schreiborg. De man haalde verontschuldigend de schouders op. 'Neem me niet kwalijk, kapitein, maar ze wilde u spreken en ik wilde u niet wakker maken, dus toen begon ze te krijsen.'
Valentijn knikte en beduidde de man opzij te gaan. Hij klopte op de houten deur en wachtte even. Er verscheen een gezicht. Hetzelfde meisje dat hem de vorige avond had begroet, zei: 'Je bent laad'
'Zeg je meesteres dat ik er ben,' zei Valentijn.
'Ze kan u straks ontvangen.'
Valentijn was toch al niet zo goed gehumeurd vanwege de manier waarop hij uit een diepe slaap was gewekt, maar de arrogante houding van het meisje werd hem net iets te gortig. 'Ze ontvangt me nu meteen!' zei hij en duwde haar opzij. Zich bukkend stapte hij door het lage deurtje.
Binnen zag hij dat de wagen was omgebouwd tot een slaapkamer met bedrollen aan de rechterkant, waar de vijf vrouwen die samen reisden plaats genoeg hadden om te slapen. Aan de kant van het deurtje stonden aan weerszijden hoge stapels kistjes, waarin naar hij vermoedde hun persoonlijke eigendommen zaten. Aan de linkerkant van de wagen, aan de buitenzijde van het kamp, was het zeildoek teruggeslagen om de zon binnen te laten, opdat de ranjana zich voor haar spiegel kon opsmukken.
Voor het eerst zag Valentijn haar bij voldoende licht. Hij was diep onder de indruk. Zijn eerste impressie was geweest van een knap meisje, maar nu zag hij dat deze jonge vrouw zeker net zo mooi was als Adelinde, al was zij een donkere tegenpool van de lichte Ada. Terwijl Adelinde blond was en een bleke huid had, was de ranjana donker, met zwart haar en een huid als koffie met een beetje melk. Ze had enorme bruine ogen met onmogelijk lange wimpers en een volle mond, waarvan de mondhoeken op dit moment naar beneden waren getrokken. Haastig sloeg ze haar rode zijden blouse dicht, zodat het zwarte boord dat bedoeld was om de ronding van haar boezem te benadrukken niet langer zichtbaar was. Valentijn moest een beetje blozen bij het zien van zo veel blote huid, doch de uitdrukking op haar gezicht maakte terstond een einde aan die toestand toen ze haar toorn op hem losliet.
'Hoe waag je het zonder mijn toestemming binnen te komen!' brieste ze.
'Dat waag ik, ja,' antwoordde hij. Waar jij vandaan komt mag je dan een zekere status hebben, ranjana, maar hier ben ik de baas. Denk daar goed om.' Hij liet zich op een knie zakken, zodat hij het zittende meisje recht in de ogen kon kijken, en zei: 'Vertel eens, wat is dat voor een onzin dat je denkt mij naar believen te kunnen ontbieden?'
Haar ogen fonkelden van woede. 'Lang niet zulke onzin als dat jij denkt dat je mij kunt commanderen. Ik ben de ranjana! Natuurlijk kom jij hier als ik je roep, boerenkinkel!'
Valentijn werd rood. Nog nooit was er zo tegen hem gesproken en hij had er acuut een hekel aan. Even kwam hij in de verleiding haar te vertellen dat zijn vader een prins was en hijzelf de broer van de man die later koning werd, maar besloot het bij simpele bewoordingen te houden. 'Hoor eens, meisje, je bent onze gaste, maar het is heel makkelijk om je te veranderen in een gevangene. Ik weet niet welk lot die kerels van wie we jullie hebben gered voor je in petto hadden, maar ik kan er wel naar raden.' De vier andere meisjes nauwgezet bekijkend zei hij: 'Met zijn vijven brengen jullie op het slavenblok meer dan genoeg op om voortaan stilletjes van te leven.' Met een vinger op haar wijzend voegde hij eraan toe: 'Al zouden we zeker wat winst mislopen door dat akelige karaktertje van jou. Dus breng me niet in de verleiding!' Hij stond op en liep naar de deur.
Ze zei: 'Ik heb nog niet gezegd dat je kon gaan!'
Bij de deur draaide hij zich om. 'Als je je wat beter leert te gedragen en wat dankbaarheid kan tonen voor degenen die je van een stel bruten hebben gered, praten we verder. Tot die tijd blijven jullie in deze wagen!' Hij liep naar buiten, deed de deur achter zich dicht en zei tegen de soldaat: 'Laat hen maar een poosje binnen zitten.'
De soldaat salueerde en Valentijn ging terug naar zijn slaapgoed, rolde het op en beduidde Markus en Emus met hem mee te komen. Op korte afstand van de anderen zei hij: 'Alleen wij drieën en Caelis weten wat er werkelijk op het spel staat, dus dat mogen we niet uit het oog verliezen. Maar de situatie waarin we ons nu bevinden, heeft mogelijkheden.'
'Welke dan?' vroeg Emus.
'Als we dit luidruchtige, ongemanierde kind naar haar toekomstige echtgenoot brengen, komen we bij hem in een goed blaadje te staan en hebben we meteen een goede reden om de stad binnen te gaan: dan zijn we gewoon een huurlingen-korps dat toevallig op het juiste moment in de buurt was.'
Markus riep Tuka en vroeg toen het kleine mannetje bij hen stond: 'Wat kunnen we verwachten als we bij die Stad aan de Serpentrivier komen?'
'Encosi?'
'Hij bedoelt: heeft de opperheer wachters bij de poort staan of moeten we ons gaan melden bij een ambtenaar in de stad?' zei Valentijn.
Tuka glimlachte. 'U zou een roeper moeten inhuren die al uw grootse daden kan aankondigen, zodat u goed betalende opdrachten krijgt aangeboden, encosi. Voor zover het de opperheer betreft, kan het hem weinig schelen wat er in de stad gebeurt, zolang zijn rust maar niet te veel wordt verstoord.'
'Ik ben wel vaker in dat soort steden geweest,' zei Ghuda. 'Beschouw het maar als een bewaakt kamp, dan gaat het allemaal prima.'
'Maar we hebben nog één probleempje voordat we ons zorgen kunnen gaan maken over de grote stad,' zei Emus.
Valentijn knikte. 'Shingazi's Steiger.'
'Denk je dat die bandieten in de boten daar liggen te wachten?' vroeg Markus.
'Daar zullen we van uit moeten gaan; zei Valentijn, 'anders zou het wel eens een kort reisje kunnen worden.' Hij vroeg aan Emus: 'Is iedereen nu bewapend?'
'Niet zo goed als ik zou willen. We hebben zes korte bogen en iedereen heeft iets wat lijkt op een zwaard. Geen schilden, want die dingen van de Jeshandi zijn gemaakt van dierenhuiden. Geen wapenrustingen. Voor een huurlingen-legertje zijn we maar povertjes uitgerust.'
'Maar we hebben één voordeel,' zei Valentijn. 'En dat is?' vroeg Markus.
'Ze weten niet dat we eraan komen.'
Een uur nadat Valentijn de ranjana alleen had gelaten, probeerde een van de dienstmaagden naar buiten te gaan. De soldaat bij de deur hield haar tegen, met als gevolg een luidruchtige woordenwisseling tussen de bewaker en twee van de meisjes, waardoor Valentijn terug naar de wagen moest. Zijn geduld was schoon op en met harde hand duwde hij de meisjes gewoon terug naar binnen, deed de deur dicht en liet hem vergrendelen. Toen hij wegliep, zag hij dat Brisa stond te kijken met een gezicht dat alleen maar kon worden omschreven als onuitstaanbaar vergenoegd. Met het komende gevecht aan zijn hoofd was Valentijn niet in de stemming voor haar zelfvoldaanheid. 'Geef me één kleine reden en ik gooi je bij hen naar binnen.'
Brisa trok haar dolk en ging uitgebreid met haar duim staan voelen aan de rand. 'O, graag, dappere kapitein, alstublieft.'
Vol afkeer wuifde hij haar weg. Toen hoorde hij ineens een kreet uit het kamp van de Jeshandi, waar het plots één en al beweging was.
Emus liep naar Valentijn. 'Ze breken het kamp op,' zei hij.
Valentijn knikte. 'Wij moesten ook maar eens op weg. Tuka zegt dat we morgen tegen het vallen van de avond bij die steiger kunnen zijn als we vandaag de hele dag rijden tot een uur na zonsondergang.'
Emus wreef over zijn kin. 'Bespreek het maar eens met Ghuda, maar volgens mij is het niet onverstandig als we eerst vlakbij overnachten en ons daar pas de volgende dag na zonsopgang laten zien.'
Daar dacht Valentijn even over na. Altijd hadden zijn leraren er bij hem op gehamerd dat soldaten bij het aanbreken van de dag op hun slechtst waren. Voor die tijd mochten ze dan nog slapen of doodmoe zijn van een lange, saaie wachttijd, maar tot zonsopgang waren ze in ieder geval op hun hoede. 'Ik praat er over wel met Ghuda.'
Een paar minuten nadat het bevel tot vertrekken was gegeven, hadden de Jeshandi hun yurts al afgebroken en gingen ze op weg. Valentijn was diep onder de indruk. Nog voordat zijn eigen kleine karavaan zo ver was, waren ze volledig uit het zicht verdwenen.
De hitte was langs de rivier wat minder dan op het plateau, maar niet veel. En wat ze wonnen aan koelte werd ruimschoots tenietgedaan door de stekende insecten. Valentijn zat op de bok van de tweede wagen, die van de ranjana. Naast hem zat Ghuda, die een ruime ervaring met ingespannen paarden bleek te hebben. Terwijl de vier wagens op weg gingen, kon Valentijn de ranjana achter hem in de wagen horen klagen. Het meisje scheen compleet te zijn vergeten dat ze nog maar enkele uren geleden gevangen werd gehouden door zestien bandieten, waarvan er een was gestorven omdat hij zich aan hun lichamen had willen vergrijpen.
Een paar minuten later schrok Valentijn van een tikje op zijn schouder. Hij sprong bijna van de wagen af, maar wist zich nog net te beheersen en keek achterom. Vanonder het zeildoek van de voorkant van de wagen keek een van de dienstmaagden hem aan. 'Mijn meesteres klaagt over de hitte.'
'Mooi,' zei Valentijn en keek weer voor zich uit. Er was iets met dat meisje dat hem nog meer ergerde dan destijds zijn oudere zusje, die toch een ernstige plaag voor kleine jongetjes was geweest. Maar zelfs Elena bleek voor rede vatbaar toen Valentijn zijn kattenkwaad eenmaal had gestaakt.
Een poosje later werd de klacht herhaald. Valentijn keek om en zag een ander meisje onder de vensterflap. 'Als jouw meesteres het fatsoen heeft om het me zelf vriendelijk te komen vragen, zal ik erover nadenken.' Binnen werd er druk gesproken en kort daarop keerde het eerste meisje terug. 'Mijn meesteres verzoekt hoogst bescheiden of het doek van de wagen omhoog mag voor wat frisse lucht.'
Valentijn besloot de zaak niet op de spits te drijven en klom van de bok. Aangezien ze niet zo snel reden, opdat de mannen die marcheerden het tempo konden bijhouden, was het vrij eenvoudig om naast de wagen mee te lopen en de koorden van het zeildoek los te maken. Daarop trok hij aan de koorden waarmee het doek kon worden opgehesen en zette ze vast.
Een bijzonder knap meisje leunde naar buiten. 'Mijn meesteres bedankt de dappere kapitein.'
Valentijn wierp een licht geërgerde blik over zijn schouder en zag de ranjana strak naar buiten staren, hem negerend. Het dienstmeisje was kennelijk zo vrij geweest om uit naam van de ranjana beleefd te zijn.
De dag verstreek zonder incidenten en Valentijn nam hun situatie in ogenschouw; met Ghuda verscheidene mogelijkheden overleggend. Op een bepaald punt zei de oude strijder: 'Eén ding aan die jongens baart me zorgen.'
'Wat dan?' vroeg Valentijn.
Ghuda gaf even een tikje met de teugels. 'Ze waren niet waar ze zich voor uitgaven. Toen we hen begroeven heb ik eens goed gekeken, maar het waren geen soldaten.'
'Bandieten?'
'Nee.' Ghuda keek bezorgd. 'Als die Tuka ons de waarheid verteld heeft, is die overval behoorlijk netjes uitgevoerd. Niets bijzonders, maar wel doelmatig. Het korps dat deze karavaan moest bewaken, was goed volgens Tuka. Maar die vijftien kerels die wij te grazen hebben genomen, waren zo groen als het gras hier langs de rivier. Stuk voor stuk best redelijk met een zwaard, denk ik, maar enige orde kenden ze niet.' Hij schudde zijn hoofd. 'De helft van hen... Hun handen waren zacht en ondanks hun kleren waren het geen arme bandieten. Eerder rijke knullen die zich hadden verkleed.'
Valentijn schudde zijn hoofd. 'Waar denk je aan?'
'Volgens mij moesten deze wagens daar worden aangetroffen, misschien door de Jeshandi.' Ghuda krabde aan zijn kin. 'Ik denk dat we maar een heel klein stukje zien van wat er in werkelijkheid aan de hand is.'
'Dus je denkt dat er bij Shingazi's Steiger misschien wel helemaal niemand op ze wacht?' vroeg Valentijn.
'Of iemand die er, voor het geval ze toch op komen draven, voor moet zorgen dat ze niet verder komen.'
Valentijn knikte. Hij klom van de bok en rende naar de voorste wagen, waarop Tuka en Markus zaten. 'Tuka,' riep Valentijn.
Het kleine mannetje keek omlaag. Ja, encosi?'
'Is er tussen hier en Shingazi's Steiger ergens een plek die volgens jou geschikt is voor een hinderlaag?'
Tuka dacht even na en zei toen: 'Ja, encosi. Een halve dag voor ons uit is er een prachtige plek waar een kleine groep mannen het een heel leger erg moeilijk kan maken.'
'Schitterend,' zei Valentijn, en tegen Markus: 'Stoppen.' Zwaaiend naar de andere wagens rende hij naar de derde, waarop Caelis en Han reden. 'Tuka zegt dat er een halve dag rijden verderop een prachtplek voor een hinderlaag is, en Ghuda acht het zeer waarschijnlijk dat dat ook het geval zal zijn,' zei hij tegen Caelis.
Caelis knikte, sprong zonder een woord van de bok en vertrok op een sukkeldrafje. Inmiddels was Valentijn alweer verder gerend naar de vierde wagen, waarop Emus en Brisa zaten, om ook hun te vertellen waarom ze zo onverwachts waren gestopt.
'Nou,' zei Emus, van de wagen springend, 'Ghuda zal zijn vak wel verstaan, verwacht ik.'
Achter op de laatste wagen reden Nakur en Anthonie mee met de mannen die nog steeds verzorging nodig hadden. Ze kwamen naar voren en Nakur zei: 'Ghuda verstaat genoeg van zijn vak om zelf een korps aan te voeren, mocht hij daar ambities toe hebben.' Hij keek even rond. 'Anthonie, dit is een mooie gelegenheid.'
'Waarvoor?' vroeg Valentijn.
'Om te zien of ik de gevangenen weer kan vinden,' zei Anthonie. 'Dat heb ik sinds de schipbreuk niet meer geprobeerd.'
Valentijn knikte en Anthonie deed zijn ogen dicht. Na een lange minuut zei hij: 'Het is zwak, maar daar.' Hij wees naar het zuiden.
'Wel,' zei Valentijn, 'die kant gaan wij op.'
Caelis lag op de grond. 'Daar,' zei hij, en wees.
Valentijn tuurde tegen de ondergaande zon in. Ze lagen in het hoge gras ten westen van een grote herberg met een muurtje eromheen. Wat Valentijn probeerde te zien was een groepje mannen dat afgezonderd in een hoekje van het erf zat. 'Het zijn er twaalf, geloof ik.'
'Zo te horen zitten er binnen nog veel meer,' zei Ghuda.
In de herberg werd kennelijk feest gevierd, want er werd gelachen en geschreeuwd en er klonk muziek, begeleid door de geluiden van mannen en vrouwen die zich vermaakten. Valentijn kroop achteruit terug de heuvel af. Ze waren zo dichtbij dat hij de kans niet wilde lopen om te worden gezien, al werd het al vlug donker.
Toen ook de anderen beneden waren, gingen ze snel terug naar de wagens die ze een mijl verderop hadden achtergelaten. Ghuda had Valentijn al voorgesteld geen vuur aan te leggen voor het geval iemand bij de herberg zo oplettend was het licht vanuit de verte te zien. De ranjana had laten weten dat ze dat geen goed idee vond en raakte nog geïrriteerder doordat Valentijn haar volkomen negeerde.
'Het zijn die twaalf die buiten op het erf een beetje rondhangen waar ik me zorgen over maak,' zei Ghuda, toen ze al een stuk gelopen hadden.
'Waarom?' vroeg Valentijn.
'Dat zijn beroeps, als ik mijn vak versta. Dat waren de kerels die bij die overval de leiding hadden en de anderen zijn... Ik weet niet wie het zijn. Maar terwijl die binnen dronken worden en vechten om de hoeren, blijven de beroeps buiten over iets vergaderen.'
'Verraad?' vroeg Valentijn.
Ghuda haalde zijn schouders op, nog goed zichtbaar in het afnemende licht. 'Heb ik aan gedacht. Die kerels die zijn achtergebleven om de wagens binnen te brengen, zijn vast en zeker aan hun lot overgelaten. Als het hun opdracht is om de betrekkingen tussen Tuka's meester en die opperheer te verslechteren, waarom hebben ze dan niet gewoon dat meisje vermoord? Of naar de slavenmarkt gebracht? Of een losprijs voor haar geëist? Waarom hebben ze haar niet op de boot gezet? En waarom zouden ze al die juwelen hebben achtergelaten die ze om heeft? Voor een stel bandieten plunderen ze bitter weinig.' Hij krabde aan zijn kin. 'Ik zit met een heleboel vragen en de antwoorden heb ik niet.'
De rest van de terugweg zei Valentijn weinig.
'Goedenavond, kapitein,' klonk een stem in de duisternis toen ze het kamp naderden.
Valentijn zwaaide naar de schildwacht, die zich had verstopt achter laag struikgewas. Hij moest glimlachen om die titel. Het had even geduurd voordat iedereen eraan gewend was geraakt hem kapitein te noemen, maar nu deden ze het allemaal, ook Emus, die de ironie ervan wel kon waarderen.
Te midden van de wagens, die ze in een makkelijk verdedigbaar vierkant hadden opgesteld, troffen ze Markus en de anderen aan een koude maaltijd. Neerknielend naast zijn neef zei Valentijn: 'De meesten zijn zich in de herberg aan het bezuipen.'
'Wanneer vallen we aan?' vroeg Markus.
'Vlak voor zonsopgang,' antwoordde Valentijn.
'De meesten, zei je,' zei Brisa, die naast Markus zat.
'Er zijn er nog een stuk of twaalf die de indruk wekken dat ze weten wat ze doen,' verklaarde Valentijn, 'en die kunnen een probleem vormen.'
'En hoe groot is dat probleem?' vroeg Markus.
'Ze zien eruit als geharde veteranen,' zei Ghuda. Even keek hij rond naar de gezichten van de zeelieden en soldaten die vlakbij zaten. 'Ook wij hebben een flink aantal doorgewinterde mannen bij ons, maar wij zijn slecht bewapend en sommigen van ons zijn nog niet helemaal op krachten.'
Valentijn knikte. 'Maar wij hebben het element van de verrassing aan onze kant.'
'Dat hoop ik maar,' zei Ghuda.
'Hoe gaan we te werk?' vroeg Han.
Valentijn pakte zijn dolk en tekende op de grond. 'De herberg staat aan de steiger, met een zijde pal aan de rivier.'
'Encosi,' mengde Tuka zich in het gesprek, 'in de vloer van de voorraadkelder heeft Shingazi een luik laten maken om makkelijker bier en eten vanaf de rivier naar binnen te brengen.'
'Ben je er eerder geweest?'
'Vele malen,' zei het kleine mannetje.
'Aan de herberg te zien verwacht de eigenaar niet veel problemen,' merkte Ghuda op.
'Dat klopt, sab,' zei Tuka. 'De Jeshandi hebben het land jaren geleden aan Shingazi's vader afgestaan en sindsdien komen er regelmatig reizigers en handelaars overnachten. Shingazi heeft vele vrienden en geen vijanden, aangezien hij een eerlijk handelaar en herbergier is. Voor geen enkel korps zou het goed zijn om in Shingazi's Steiger problemen te veroorzaken. Daar maak je veel vijanden mee.'
'Dus als wij die bandieten daar aanvallen, maken we het moeilijker voor onszelf?' vroeg Valentijn hem.
'Het spijt me dit te moeten zeggen, encosi, maar zo is het.'
'Maar als we ons niet laten zien, komen ze naar ons zoeken,' zei Valentijn. 'De kerels die bij deze wagens waren achtergebleven mogen dan lui en slordig zijn geweest, maar erg veel langer zullen ze er niet over hebben gedaan om bij de steiger te komen, dus ik verwacht dat er morgen in de loop van de dag wel iemand gaat kijken.'
'Weg verrassing,' zei Caelis.
'Markus en Caelis,' zei Valentijn, 'jullie nemen elk vijf man en alle bogen. Caelis' groep cirkelt naar de andere kant en komt langs de rivier naar ons toe. Markus gaat er vanaf deze kant langs de rivier op af. De rest van ons gaat verder over de weg tot aan de laatste heuvelkam voordat de herberg in zicht komt. Dan cirkelen we rond en steken recht tegenover de hoofdpoort de heuvels over.' Even dacht hij na. 'Als ze dronken genoeg zijn, kunnen we misschien naar binnen sluipen om hen te ontwapenen.'
'Als die twaalf buiten allemaal slapen,' zei Ghuda.
'Nee, als ze niet meer dan drie of vier schildwachten hebben uitgezet.'
'Die lage muur is niet te verdedigen, Valentijn, maar hij zorgt wel voor wat dekking,' zei Ghuda.
'Ik weet een trucje,' zei Nakur plots.
Alle ogen gingen naar het mannetje dat naast Anthonie zat. Nakur legde een hand op Anthonies pols en zei: 'En hij helpt me.'
'O ja?' zei Anthonie.
Nakur had inmiddels zijn rugzak weer om en stak er een hand in. 'Ha!' riep hij uit. 'De koopman heeft zijn voorraadschuur gerepareerd!' Hij trok zijn hand terug en hield zijn buit omhoog. 'Iemand zin in een appel?'
Valentijn begon te lachen. 'Tuurlijk.' Hij nam een hap. 'Wat voor trucje?'
'Ik zwem de rivier af naar de herberg, klim door het luik waar Tuka het over had naar boven en steek een pluk nat gras in brand. Dat geeft een hoop rook en als het een beetje fikt, roep ik heel hard: ''Brand!"'
Valentijn schoot in de lach. 'Ik dacht dat je magie bedoelde.'
Nakur trok een gezicht en Valentijn verwachtte al dat hij ging zeggen dat magie niet bestond, maar in plaats daarvan zei de kleine Isalani: 'Hoe dacht je dan dat ik ongezien naar binnen kom als dat luik op slot zit, en hoe ik het vuur aansteek?'
'Ghuda?' zei Valentijn.
'Als we de bewakers die buiten staan uitschakelen, zijn er maar één deur en een paar grote ramen... Misschien.'
'We proberen het,' zei Valentijn.
'Het mag misschien stom klinken,' klonk Brisa's stem ineens, 'maar waarom vallen we die herberg eigenlijk aan?' Aan de toon waarop ze het vroeg, was te horen dat ze er niet blij mee was. 'Waarom gaan we er niet gewoon omheen?'
'Omdat de boten daar liggen,' zei Han. 'Boten?'
'Waarmee we de rivier af moeten naar de Stad aan de Serpentrivier,' legde Valentijn uit. Hij keek naar Tuka. 'Hoe lang is het naar de stad per wagen?'
'Vrijwel onmogelijk,' zei het kleine mannetje. 'De paden ten zuiden van de steiger zijn voor jagers en ruiters. Een weg is er niet meer. En zelfs al lag er een weg, dan zou de reis nog maanden duren. Mijn meester verwacht mijzelf en de andere wagenmenners terug in Kilbar met de lege wagens, nadat de lading en de ranjana op de boten waren overgebracht. Over het water duurt het maar een paar weken.'
'Wel,' zei Valentijn. 'Dus zij hebben de boten die wij nodig hebben en we hebben geen zin om alle huurlingen-legers van dit land op ons nek te krijgen, dus moeten we dit doen zonder de herberg te vernielen. Een stel dronkelappen dat midden in de nacht beduusd uit een brandend gebouw moet vluchten lijkt mij het beste plan.'
Een uur lang bespraken ze de details onder het genot van een koude maaltijd. Valentijn wilde net voorstellen dat iedereen naar bed ging om zo veel mogelijk te slapen, toen een van de schildwachten het kamp in kwam rennen. 'Kapitein!' zei hij met een geschrokken gezicht.
'Wat is er?' vroeg Valentijn.
'De herberg bij Shingazi's Steiger staat in brand.'
Valentijn keek naar het zuiden en daar was vlak boven de horizon een oranjerode gloed te zien.
Ze bereikten de top van de heuvelkam boven de herberg toen de brand op zijn hoogtepunt was. Samen met de twintig sterkste soldaten en matrozen had Valentijn de mijl naar dit punt hard gelopen terwijl de rest achterbleef om de wagens te bewaken.
Vanaf de heuveltop konden ze goed zien dat het hele gebouw in lichterlaaie stond. En in het licht van de vlammen konden ze duidelijk de lijken verspreid over het buitenerf zien liggen.
Ghuda telde. 'Het lijkt erop dat iemand anders hetzelfde plan had als wij, maar echt vuur heeft gebruikt in plaats van rook. Ik tel meer dan dertig lijken op dat erf. Die arme drommels werden neergemaaid toen ze uit de deur en de ramen naar buiten kwamen.' Hij dacht na. 'Dat is dezelfde tactiek die ze in Schreiborg hebben gebruikt.'
Valentijns nekharen gingen recht overeind staan. 'Je hebt gelijk.'
Ze liepen de heuvel af en zagen steeds meer details van de slachting toen ze de herberg naderden. Na een makkelijke sprong over het muurtje stapten ze voorzichtig over lijken en puin. Tuka knielde neer om een van de doden te bekijken. 'Encosi!' riep hij even later uit. 'Het zijn stamlieden!' Hij wees naar een man die een zilveren leeuwenkop aan een leren koord rond zijn hals droeg. Vlug ging hij van het ene lijk naar het andere terwijl hij zei: 'Deze man is van de Beer-stam en deze hier is van de Wolf-stam. Dit is een verbond dat zich tegen de opperheer moet hebben gekeerd.'
Ghuda liep naar de verste hoek van het erf, zo dicht als hij kon bij het brandende gebouw. 'Valentijn, kom eens kijken!'
Samen met Caelis, Emus en twee soldaten rende Valentijn naar Ghuda, die wees op een stapel lijken, waarvan er een paar lagen te roken in de hitte van het vuur. 'Dat zijn die huurlingen waar ik het over had.'
'Verdomme,' zei Emus. 'Als jij een verhaaltje over verraad vertelt, weet je wel waar je het over hebt, zeg.' Hij keek rond. 'Er is iemand flink zijn best aan het doen om alle partijen die bij deze klus betrokken zijn knap nijdig te maken.'
Valentijn knielde neer om iets beter te kunnen zijn. Emus volgde zijn blik en zei: 'Banath bewaar ons!'
'Wat is er?' vroeg Markus.
'Die helm daar, van die vent onder die andere twee doden.'
Markus keek. 'Die rode?'
'Ja, dat is hem.'
'Wat is daarmee?' vroeg Markus.
'Die helm heb ik vaker gezien, al was hij toen zwart.'
'Vader heeft me erover verteld,' zei Valentijn. 'Een dichte metalen helm die het hele gezicht bedekte met een drakenkam en twee vleugels langs de zijkanten omlaag.'
'Heeft hij ook gezegd wie die dingen droegen?' vroeg Emus.
'Ja,' zei Valentijn, 'dat heeft hij. De Zwarte Slachters van Murmandamus.'
'Dat is de helm van de Rode Slachters,' zei Tuka.
'En wat weet je over hen?' vroeg Valentijn.
Het kleine mannetje maakte een ingewikkeld gebaar om kwaad af te weren. 'Dat zijn hele slechte mensen. Ze vormen een broederschap van krijgers en ze dienen de opperheer in de Stad aan de Serpentrivier.'
Valentijn keek naar Caelis, Emus en Markus. Het leek alsof hij in het algemeen sprak, maar zijn woorden waren alleen tot hen gericht. 'We gaan de goede kant op,' zei hij.