3 Schreiborg

 

Het schip ging voor anker.

Er was volop bedrijvigheid in de haven van Schreiborg toen de Koninklijke Adelaar werd vastgelegd. Valentijn nam zijn nieuwe omgeving in zich op. Tijdens de lange reis had hij vrijwel voortdurend last van heimwee gehad - behalve toen ze door de gevaarlijke Straat der Duisternis voeren, wat een avontuurlijke anderhalve dag in beslag had genomen. Daarna was het noordwaarts gegaan, langs Tulan en Cars, en nu waren ze dan in Schreiborg. Het stadje was in de afgelopen twintig jaar gegroeid en overal waren de tekenen van uitbreiding te zien. Langs de kust varend had Emus hem gewezen op een vissersdorp dat was gebouwd ten zuiden van een landtong die hij Zeemans Leed had genoemd, en toen ze de haven binnenliepen, waren er in het zuidoosten, hoog op een heuvelhelling in de verte, nieuwe gebouwen te zien geweest. 

Turend tegen het felle zonlicht op de witte gevels langs de kade zag Valentijn twee rijtuigen en een paar wagens aan komen rijden en halt houden voor een gebouw. Aan de grote banier met de koninklijke standaard die op de gevel prijkte, viel af te leiden dat dit het douanekantoor was. De bedienden die achter op de rijtuigen zaten, sprongen van hun posten om de deuren open te doen. Uit het voorste rijtuig stapte een grote vrouw, gevolgd door een nog grotere man. Valentijn herkende hen als zijn oom en tante. Zodra de andere wagens tot stilstand waren gekomen, volgde er een golf van activiteit.

Emus gaf het bevel de loopplank uit te leggen. Vlakbij stonden Valentijn en Han al te wachten om van boord te gaan. Beneden maakten hertog Martin, hertogin Briana en hun hofhouding zich op om de koninklijke prins en zijn gezelschap welkom te heten. 'Wel, nu weten we tenminste zeker dat minstens één van die duiven uit Ylith het heeft gehaald,' zei Emus met een blik op het ontvangstcomité.

Toen achtentwintig jaar geleden de Oorlog van de Grote Scheuring uitbrak, was er tussen Krondor en de Verre Kust door middel van snelle ruiters en postduiven een verbindingslinie van boodschappers aangelegd, die sindsdien intact was gehouden. Ondanks het plotselinge besluit om Valentijn naar Schreiborg te sturen, was het bericht van zijn komst al aangekomen enkele dagen voordat het schip de haven in zicht kreeg.

'Wie zijn die meisjes?' vroeg Han terwijl de matrozen de laatste handelingen verrichtten.

Ook Valentijn had de twee meisjes in het gezelschap van de hertog al gezien. 'Eén van hen zal mijn nichtje Margreet wel zijn, maar wie die andere is, weet ik niet.'

'Daar kom ik nog wel achter,' zei Han met een ondeugende lach.

Zodra de loopplank was neergelaten, draaide Emus zich om naar Valentijn en zei op formele toon: 'Hoogheid?' Met een breed handgebaar gaf hij aan dat Valentijn als eerste van boord hoorde te gaan.

Han deed een stap naar voren, maar werd tegengehouden door een stevige hand op zijn borst. 'Naar rang, jonker,' zei Emus nadrukkelijk. 

Blozend stapte Han weer achteruit.

Terwijl Valentijn de loopplank afliep, kwam de grote man die hij uit het rijtuig had zien komen naar voren. Met een vriendelijke glimlach maakte Martin, Hertog van Schreiborg, een buiging voor zijn neefje. 'Hoogheid, het is ons een groot genoegen u in Schreiborg te verwelkomen.' Hij leek een beetje op Arutha, maar was langer en zwaarder gebouwd. Zijn haar was bijna helemaal grijs en zijn gezicht was door zonlicht en leeftijd gerimpeld, maar het was duidelijk te zien dat de grote hertog nog steeds een sterk en krachtig man was. Dit was geen edelman die zijn dagen zittend sleet, wijn drinkend en bevelen uitdelend aan zijn bedienden. Deze man bracht ondanks zijn leeftijd nog steeds regelmatig de nacht door onder de blote hemel, om met geschoten wild over zijn schouder terug te keren. 

Enigszins verlegen met de officiële gang van zaken glimlachte Valentijn terug. 'Het is mij een genoegen hier te zijn, oom.'

Als tweede kwam Emus van boord. 'Excellentie,' zei hij en gaf Martin een ferme klap op de schouder.

Meteen was alle formaliteit verdwenen en Martin sloeg zijn armen om Emus heen. 'Ouwe piraat,' zei hij lachend. 'Het is alweer veel te lang geleden.' Nadat ze elkaar stevig op de rug hadden geklopt, wees Emus met een hoofdknikje naar Valentijn. Martin wendde zijn aandacht weer tot de prins. 'Hoogheid, mag ik u voorstellen aan mijn vrouw, hertogin Briana.' Valentijn had haar voor het laatst gezien toen hij nog in de luiers zat en hij kon zich haar slechts vaag herinneren. Het was alsof hij haar voor het eerst ontmoette. De grote vrouw uit het rijtuig neigde haar hoofd. Haar haar - grijs, met links een verrassend witte lok — viel van een hoog voorhoofd naar achteren. Knap was de hertogin niet te noemen, maar ze was een opvallende verschijning. Alleen rond haar helderblauwe ogen zaten wat rimpels van weer, wind en ouderdom; verder was haar gezicht verstoken van enige leeftijdsverschijnselen, al was ze de vijftig duidelijk gepasseerd. Ze ging zeer praktisch gekleed in een leren vest over een zijden blouse en een broek waarvan de pijpen in hoge laarzen waren gestopt.

'Mijn vrouwe,' zei Valentijn, haar uitgestoken hand pakkend. Uit de stevige handdruk die hij ontving, maakte hij op dat de verhalen over deze vreemde vrouw van zijn oom over het algemeen waar moesten zijn. De vrouwe uit de gevallen stad Armengar - waar vrouwen als soldaten mee vochten met de mannen - kon paardrijden, jagen en vechten als de beste, zo werd er over haar gezegd, en nu Valentijn haar zag, twijfelde hij daar geen moment meer aan.

'Dit is mijn zoon Markus,' ging Martin verder met voorstellen. Valentijn keek naar zijn neef en aarzelde even. Er was iets vaag bekends aan hem. Bruin haar en bruine ogen - hij deed hem vast denken aan iemand uit Krondor, besloot Valentijn. Markus was even lang als de prins en droeg zijn haar op dezelfde lengte, doch in leeftijd overtrof hij Valentijn met twee jaar en ook was hij wat zwaarder van bouw. Markus maakte een stijf buiginkje voor Valentijn en stapte achteruit.

'Neef,' zei Valentijn en knikte hem toe.

Emus kwam achter Valentijn staan en zei tegen Martin: 'Weet je nog dat ik voor het eerst op het idee kwam dat jij Arutha's broer was?'

'Hoe zou ik dat kunnen vergeten?' zei Martin. 'Dat was mijn eerste keer op zee en je hebt ons allemaal bijna laten verdrinken.'

'Jullie waardeloze huid gered met mijn zeemanskunsten zal je bedoelen,' antwoordde Emus. Gebarend naar Valentijn en Markus zei hij: 'Maar als er ooit aan je afkomst mocht worden getwijfeld, dan staat hier het bewijs.' Hij wreef over zijn bebaarde kin. 'Ik denk dat we één van hen maar groen moeten verven, zodat we ze uit elkaar kunnen houden.'

Vol onbegrip keek Valentijn hem aan. Markus' gezicht was een ondoorgrondelijk masker.

'Als twee druppels water,' zei Emus.

'Wie?' vroeg Valentijn.

'Jullie twee,' antwoordde de admiraal.

Valentijn keek naar zijn neef. 'Zou je denken?'

Markus schudde zachtjes het hoofd. 'Ik zie het niet... Hoogheid.'

'Dat zul je ook nooit,' zei Emus lachend.

'Hoogheid,' vervolgde Martin, 'dit is mijn dochter Margreet.'

Een van de twee meisjes maakte een knix. Ze had net zulk donker haar als haar broer, maar ze leek op haar moeder. Ook zij was door Moeder Natuur gezegend met een rechte neus en hoge jukbeenderen, alleen keek ze wat minder streng dan Briana. Net als haar moeder droeg ze het haar loshangend tot op de schouders, zonder enige opsmuk. Met haar donkerbruine ogen keek ze op naar de prins en zei: 'Een genoegen, neef.' De glimlach die daarop volgde, maakte haar op slag een schoonheid. Valentijns blik zwierf naar het meisje dat naast Margreet stond en hij voelde iets in zijn borst verstrakken. De grootste korenbloem-blauwe ogen die hij ooit had gezien staarden hem aan. Ineens voelde hij zich onhandig en onzeker van zichzelf. 'Dit is mijn gezelschapsdame: vrouwe Adelinde, de dochter van baron Bertram van Cars.' Het slanke meisje maakte een revérence en Valentijn had dat niemand ooit zo gracieus zien doen. In tegenstelling tot Margreet had Adelinde haar blonde haren met een zilveren band achter op haar hoofd samengebonden, waar ze in pijpenkrullen neerdaalden. Ze had een bleke, gave huid en een fijn gezichtje. Ze glimlachte naar hem toen ze haar revérence had voltooid en Valentijn kon alleen maar beetje dommig terug glimlachen. Toen er iemand achter hem nadrukkelijk de keel schraapte, ontwaakte Valentijn uit zijn trance. 'Mijn vrouwe,' zei hij en zijn stem klonk hem gespannen in de oren.

Op dat moment kwam Han de loopplank af met de reistassen van Valentijn en hemzelf. Valentijn wendde zich weer tot Martin en zei: 'Dit is Han, mijn jonker.' Met een plof liet zijn metgezel de tassen op de grond neerkomen en hij maakte een buiging voor de hertog. Bij het zien van de prinses en haar gezelschapsdame verscheen er een brede grijns op zijn gezicht.

Martin gaf aan dat Valentijn met hem en zijn vrouw meereed in het voorste rijtuig. Han wilde achter hen aanlopen, maar opnieuw daalde Emus' hand op hem neer, hem bij de schouder grijpend. 'Het voorste rijtuig is voor de prins, de hertog en de hertogin. Het tweede is voor mijzelf en de kinderen van de hertog.'

'Maar...' zei Han.

Emus wees naar de wagens. 'Jij zorgt ervoor dat er niks gebeurt met de bagage van de prins terwijl die wordt ontscheept en geladen op gindse wagens. Als je klaar bent, kan je op één ervan meerijden.'

Kijkend naar Nakur en Ghuda, die de loopplank af kwamen, zei Han: 'En zij dan?'

'Wij gaan wel lopen,' zei Nakur met een grijns. 'Zo ver is het niet.' Hij wees naar het kasteel op de heuvel achter de stad.

'Even de benen strekken kan geen kwaad,' zei Ghuda.

Met een zucht pakte Han de tassen op en bracht ze naar de voorste wagen. 'Hé, knul, wat is dat?' zei een van de wagenmenners.

'Bagage van de Prins van Krondor!' blafte Han slechtgehumeurd. 'En ik ben zijn jonker!' 

Nog steeds leunend tegen de wagen bracht de man even een hand naar zijn hoofd bij wijze van saluut. 'Waar wilt u dan dat dat allemaal heen gaat, jonker?' Hij wees.

Han draaide zich om en zag twee matrozen van boord komen met de eerste hutkoffer. Erachteraan kwamen er nog drie. Met het kraken van hout en het zoemen van touwen kwam er vanuit het ruim een groot vrachtnet te voorschijn met nog eens twaalf hutkoffers en ander reisgoed. Met een majestueuze zwaai werd het geheel boven de kade gebracht en neergelaten. Meteen begonnen de werklieden het net los te maken.

'Ik neem aan dat u ervan weet, jonker?' vroeg de menner.

Met een berustende zucht haalde Han de twee tassen weer van de wagen. In de tassen zaten de kleren en persoonlijke spullen die Valentijn en hij in de weken aan boord van het schip hadden gebruikt. Het werd hem duidelijk dat die als laatste zouden worden geladen. Hoofdschuddend zei hij: 'En ik moet zeker toezicht houden?'

Met een veelbetekenende knipoog maakte de menner zich los van de wagen. 'Het zal allemaal een stuk sneller en makkelijker voor ons gaan als u het toezicht daarvandaan zou houden, jonker.' Hij wees naar een deuropening, zo'n tien el verderop. 'Uitstekend bier, goede vleespasteitjes en u kunt toezicht houden door het raam.'

Na de eenvoudige kost aan boord van het schip begon Han bij de gedachte aan vleespasteitjes te watertanden, maar hij zei: 'Nee, ik ken mijn plicht.' 

De wagenmenner schudde zijn hoofd. 'Doe ons dan allebei een plezier, jonker, en hou heel rustig toezicht, vat u wel?'

Han knikte en ging opzij toen de eerste hutkoffers naar de wagen werden gedragen. Onder het overhangende dak van het douanekantoor zag hij een schaduwrijk plekje, waar hij tegen de muur ging zitten. Daar keek hij omhoog naar de heuvel en zag dat Ghuda en Nakur de haven al hadden verlaten en over de brede straat naar het kasteel het stadje uit liepen. Ze zouden waarschijnlijk een uur eerder dan hij in het kasteel zijn. In zichzelf mompelend zei Han: 'En ik dacht nog wel dat het interessant zou worden.'

 

Zodra het eerste rijtuig de binnenplaats opreed, sprongen er twee rijen soldaten in de houding. De mannen in de bruin-met-gouden wapenkleden van de Schreiborgse garde droegen aan hun linkerarm een schild met de gouden zeemeeuw van Schreiborg op een bruin veld. In hun rechterhand hielden ze een hellebaard waar een bruin-met-gouden wimpel aan was bevestigd. Hun wapenrustingen glommen in de zon. Toen een van de koetsiers de deur openmaakte en Valentijn uitstapte, riep een korte, gedrongen man met grijs haar en o-benen: 'Saluut!' Als één gingen de hellebaarden omlaag, om even later weer omhoog te gaan. Nadat Martin en de anderen uit de koetsen waren gestapt, menden de koetsiers de paarden naar het koetshuis achter het kasteel.

Valentijn nam zijn nieuwe verblijfplaats eens goed in zich op. Kasteel Schreiborg was vrij klein in vergelijking met het paleis dat hem zo vertrouwd was. Rond een eeuwenoude veste was een enkel bouwwerk opgetrokken en later was er aan de achterkant een vleugel bijgebouwd. Vlug rekende Valentijn de afstanden uit en merkte enigszins teleurgesteld dat de buitenmuur te dicht op het kasteel was geplaatst. Mocht de muur ooit worden ingenomen, dan zouden de indringers er weinig moeite mee hebben de centrale veste te bereiken.

Alsof hij zijn gedachten kon lezen, zei Martin: 'Mijn overgrootvader heeft deze veste veroverd op het Keshische garnizoen dat hier was gelegerd, en de buitenmuur eromheen gebouwd.' Met een halve grijns die Valentijn deed denken aan zijn vader vervolgde hij: 'Mijn grootvader heeft de twee bijgebouwen geplaatst, waardoor er weinig ruimte overbleef om uit te breiden. Vader heeft nog plannen gemaakt om de buitenmuur op te schuiven... maar daar is hij nooit aan toe gekomen.' Hij legde zijn hand op Valentijns schouder. 'En ik schijn er ook nooit de tijd voor te vinden.'

Tussen de rijen soldaten door naderde de gedrongen man met het grijze haar, met achter zich aan een grote zwarte man met een kort zwart baardje. Vlak voor Valentijn bleven ze staan en maakten een buiging.

Emus keek de korte man grijnzend aan. 'Zwaardmeester Charlie!'

'Hoogheid,' zei Martin, 'mijn zwaardmeester Charlie en stalmeester Fachsaan.'

Met een knikje nam Valentijn hun saluut in ontvangst en zei een paar woorden in een vreemde taal tegen Charlie. De zwaardmeester maakte nogmaals een buiging en antwoordde in dezelfde taal. In het Koninkrijks zei hij vervolgens: 'U spreekt uitstekend Tsuranees, Hoogheid.'

Valentijn bloosde ervan. 'Alleen een paar woordjes, eigenlijk. Maar aan het hof weet iedereen van oom Martins zwaardmeester Charlie.' Tot de man met de donkere huid voegde hij eraan toe: 'En van stalmeester Fachsaan.'

'Hoogheid,' zei Fachsaan.

Daarop stelde Martin de andere leden van zijn huishouden aan hem voor en toen de formaliteiten voorbij waren, nam hij Valentijn bij de arm. 'Als Zijne Hoogheid even met mij meegaat?'

Met zijn tweeën bestegen ze de trap naar het kasteel, gevolgd door Martins kinderen en Adelinde, die elk naar hun eigen kamers vertrokken.

Achtergebleven op de binnenplaats wendde Briana zich tot Emus. 'Vanavond houden we een welkomstdiner,' zei ze, 'maar vóór die tijd kun je eerst naar je kamer als je wilt. Ik laat wel iemand komen om je de weg te wijzen.'

'Zeg maar gewoon welke kamer het is, mijn vrouwe,' zei Emus. 'Ik heb hier veel te lang gewoond om nog te verdwalen.'

'Je hebt je oude kamer weer, Emus,' zei Briana met een glimlach.

Emus wierp een blik op de hoofdpoort van het kasteel en de twee gardisten die daar op wacht stonden. 'Je kunt die jongens misschien maar beter even vertellen dat er straks een paar zeer onwaarschijnlijke figuren in zicht komen. De ene is een kleine mafketel uit Shing Lai die luistert naar de naam Nakur en de ander is een lange huurling uit Kesh, genaamd Ghuda Bulé. Laat ze maar binnen, want ze horen bij Valentijn.'

Briana's enige reactie was het optrekken van een wenkbrauw. 'Zorg er even voor,' zei ze tegen zwaardmeester Charlie.

De man salueerde en vertrok op zijn o-benen naar de poort om de wachters op de hoogte te brengen.

'Wie zijn dat dan, Emus?' vroeg Briana.

Op luchtige toon zei Emus: 'De twee grootste zonderlingen die je bij elkaar kunt aantreffen.'

Briana legde een hand op zijn schouder. In Armengar, waar ze vandaan kwam, hadden ze samen gediend in de tijd dat Emus had geholpen met de verdediging tegen het leger van de Broederschap van het Onzalige Pad. 'Ik ken je goed genoeg om te weten dat het iets anders is.'

Emus schudde zijn hoofd. 'Gewoon... iets wat Arutha me heeft verteld vlak voor ik vertrok.' Hij wierp een blik op de grote deuren van het kasteel, waarlangs Martin en Valentijn zojuist waren verdwenen. 'Mocht er iets gebeuren, zei hij, luister dan naar Nakur.'

Even was Briana stil om daarover na te denken. 'En dat "iets" zijn dan natuurlijk moeilijkheden,' zei ze toen.

'Tja,' zei Emus met een geforceerd lachje, 'ik geloof niet dat hij bedoelde: luister naar die tovenaar wanneer er ergens een feestje wordt gegeven!'

Briana glimlachte. Ze sloeg haar armen om hem heen en gaf hem een kus op zijn wang. We hebben je gemist, Emus, en je humor ook.'

Terugdenkend aan vroeger keek Emus rond. 'Ik heb veel te veel mannen op die muren zien sneuvelen om te zeggen dat ik Schreiborg heb gemist, Briana.' Toen kuste hij haar op de wang en drukte haar stevig tegen zich aan. 'Maar ik mag hangen als ik jou en Martin niet heb gemist.'

Met de armen rond elkaars middel geslagen liepen de lange hertogin en de brede zeekapitein het bordes van kasteel Schreiborg op.

 

Martin beduidde Valentijn te gaan zitten en nam zelf plaats achter een grote schrijftafel. Het kantoor van de hertog zag er maar klein uit vergeleken bij dat van Arutha in Krondor. Valentijn keek rond.

Aan de muur achter Martin hing de banier met de zeemeeuw van Schreiborg. Boven de vogel was vaag de omtrek van een kroon te zien, maar het materiaal zelf was verwijderd. Valentijn wist dat de vorige hertog van Schreiborg, zijn grootvader, destijds als tweede in aanmerking kwam voor het bestijgen van de troon waarop Valentijns oom nu zat. Maar Martins lijn was door onwettige geboorte van erfrecht uitgesloten en de tekenen met betrekking tot zo'n opvolging waren uit het familiewapen verwijderd. 

'Op deze zetel heeft jouw vader ook nog een tijdje gezeten, Valentijn. Dat was tijdens de Oorlog van de Grote Scheuring. Daarvoor zat jouw grootvader hier en voor hem zijn vader en diens vader.'

Het viel Valentijn op dat er naast die ene hertogelijke banier geen persoonlijke gedenktekens of trofeeën hingen. Slechts een landkaart van het hertogdom en een andere van het Koninkrijk sierden het kale steen. Ook Martins schrijftafel was zeer geordend, met daarop alleen een inktpot met veer, een strook rode was voor het hertogelijk zegel en een kandelaar. Twee opgerolde perkamenten verwezen naar een onvoltooide taak, maar voor de rest was alles in deze kamer zeer ordentelijk, alsof de huidige ambtsbekleder aan het einde van de dag niets onafgewerkt of onopgelost wilde laten liggen. Daar school iets vertrouwds in, besefte Valentijn, want die drang naar orde was ook een kenmerk van zijn vader. Hij richtte zijn aandacht weer op zijn oom, die hem aandachtig bestudeerde. Valentijn werd rood.

Martin glimlachte. 'Je bent hier bij familie, Valentijn. Vergeet dat nooit.'

Valentijn haalde zijn schouders op. 'Ik heb vader vaak horen vertellen over Schreiborg en Emus heeft verhalen over de oorlog waar geen eind aan komt, maar...' Hij keek weer rond. 'Ik denk dat ik gewoon niet wist wat ik kon verwachten.'

'Daarom ben je hier,' zei Martin. 'Arutha wilde dat je wat meer te weten kwam over je erfgoed. Het is hier een erg eenvoudig hof, naar Krondorische maatstaven. Welhaast primitief naar de normen van Rillanon en de andere oosterse hoven. Maar op de punten die er toe doen zijn we van alle gemakken voorzien.'

Valentijn knikte. 'Wat ga ik precies doen?'

'Dat heeft Arutha aan mij overgelaten,' zei Martin. 'Ik denk dat ik je voorlopig aanstel als mijn jonker. Daar ben je wel wat oud voor, maar zo kan je een beetje in de buurt blijven, en misschien vind ik na een tijdje wel een betere taak voor je. Je vriend wijs ik toe aan Markus.'

Valentijn wilde net protesteren, maar Martin zei: 'Jonkers hebben geen jonkers, Valentijn.'

Valentijn knikte.

Vanavond houden we een formeel welkomstdiner, met een optreden van een groep spelers die in de stad zijn. Morgen begin je met je taak.

'Wat houdt die in?'

'Dat krijg je voor een deel van huisknecht Samuel te horen. De rest hoor je van zwaardmeester Charlie en stalmeester Fachsaan. Iedere dag doe je andere dingen, voornamelijk om mij het nodige uit handen te nemen, zodat ik meer tijd heb voor het bestuur van het hertogdom. Misschien heb je de nieuwe gebouwen op het zuidklif en daarachter gezien. Schreiborg wordt al echt een wereldstad naar de maatstaven van de Verre Kust. Er is veel te doen. Ik zal je door een bediende naar je kamer laten brengen.'

'Bedankt, oom Martin.' Valentijn stond op toen Martin achter zijn schrijftafel vandaan kwam en de deur opendeed, een bediende naderbij wenkend.

'Vanaf morgen, Hoogheid, spreekt u mij aan als Excellentie,' zei Martin. 'Uzelf wordt aangesproken als jonker.'

Valentijn bloosde van verlegenheid, al wist hij zelf niet waarom. Hij knikte en volgde de bediende naar zijn kamer.

 

Die avond zat Valentijn tussen zijn oom en zijn neef Markus, genietend van een stevige, zij het eenvoudige maaltijd, een robuuste, smaakvolle wijn en redelijk amusement. Het grootste deel van de avond bracht hij door met langs zijn oom en tante staren naar de plek waar Adelinde naast Margreet gezeten was. De twee meisjes zaten vrijwel de hele maaltijd met de hoofden vlak bij elkaar te praten en verscheidene malen merkte Valentijn dat hij bloosde, zonder dat hij precies begreep waarom. De weinige pogingen die hij ondernam om met Markus te praten, resulteerden in korte antwoorden en lange stiltes. Valentijn kreeg het gevoel dat zijn neef hem niet mocht. 

Emus, Nakur en Ghuda Bulé waren aan het andere eind van de tafel geplaatst, zodat Valentijn niet met hen kon praten. Ze vermaakten zich opperbest met het uitwisselen van verhalen met zwaardmeester Charlie en stalmeester Fachsaan. Iets verderop aan tafel deed Han een poging om een stille jongeman te verleiden tot een gesprek. Kennelijk sprak de man erg zacht, want Han leunde voortdurend naar hem toe. Veel ouder dan de jongens kon de man niet zijn: wellicht tegen of net over de twintig. Zijn dikke blonde haar hing tot op zijn schouders en steeds waren er lokken die hem het zicht dreigden te belemmeren, want telkens veegde hij ze weg met zijn hand. Hij had blauwe ogen en naar Valentijns idee zou hij er als hij lachte best aardig uitzien.

'Neef, wie is dat?'

Markus keek naar wie Valentijn wees. 'Dat is Anthonie. Dat is een magiër.'

'Echt waar?' vroeg Valentijn, tevreden dat hij eindelijk meer dan één zin aan zijn neef had ontworsteld. Wat doet hij hier?'

'Mijn vader heeft jouw vader een paar jaar geleden gevraagd om bij de meesters van Sterrewerf het verzoek in te dienen om een magiër naar ons toe te sturen.' Markus haalde zijn schouders op. 'Heeft iets te maken met grootvader, denk ik.' Hij legde het ribstuk neer dat hij had afgekloven, doopte zijn vingers in de waterkom en veegde ze af aan een linnen servet. 'Heeft jouw vader het nooit gehad over een magiër aan het hof?'

Opgelucht dat ze eindelijk in een soort gesprek verwikkeld waren, haalde Valentijn zijn schouders op. 'Een paar verhalen. Over Kulgan en Puc, bedoel ik. Ik heb Puc onderweg hierheen ontmoet.'

Markus hield zijn blik op de magiër gevestigd. 'Anthonie is een goeie kerel, dat verzeker ik je, vriendelijk als je hem leert kennen. Maar hij is nogal eenzelvig en de paar keer dat vader hem om raad vraagt, houdt hij zich erg op de vlakte. Ik ben wel eens bang dat de magiërs op Sterrewerf hem hierheen hebben gestuurd bij wijze van grap.'

'Echt waar?'

Met een norse blik keek Markus hem aan. 'Je vraagt steeds "Echt waar?" alsof ik het zit te verzinnen.'

'Neem me niet kwalijk,' zei Valentijn, licht blozend. 'Een gewoonte van me. Ik bedoel alleen: waarom denk je dat de meesters van Sterrewerf dat zouden doen, hem hierheen sturen bij wijze van grap?'

'Omdat hij niet zo'n goed magiër is, voor zover ik verstand heb van die dingen.'

Net op tijd hield Valentijn zich in toen hij 'Echt waar?' wilde zeggen en veranderde het snel in: 'Interessant. Ik bedoel: magiërs zie je niet zo vaak, maar de paar die aan het hof zijn geweest, doen niet zo veel in de zin van magie, in ieder geval niet wanneer je hen ziet.'

Markus haalde zijn schouders op. 'Hij zal zijn nut wel hebben, maar er is iets met hem waar ik voor op mijn hoede ben. Hij heeft geheimen.'

Valentijn schoot in de lach en Markus keek hem aan om te zien of hij hem zat uit te lachen. 'Volgens mij hoort dat er een beetje bij, weet je,' zei

Valentijn. 'Je ophouden in de schaduwen en geheimzinnig doen en zo.'

'Misschien,' zei Markus schokschouderend en er verscheen zowaar een vage glimlach op zijn gezicht. 'In ieder geval, hij is vaders raadsman, al maakt hij daar niet veel werk van.'

Blij met iets anders dan zwijgzaamheid van zijn disgenoot hield Valentijn het gesprek op gang. 'Weet je, ik heb de vader van stalmeester Fachsaan nog gekend. Ik wist niet dat hij zo veel op de oude hertog van Krondor leek.'

Markus reageerde met een neutraal bromgeluid. 'Gardaan was al oud toen hij terug kwam uit Krondor. Mij is het nooit opgevallen.'

'Het speet me te horen van zijn dood, vorig jaar,' zei Valentijn met het gevoel dat het gesprek hem uit de vingers gleed.

Weer haalde Markus zijn schouders op, zijn meest expressieve gebaar tot dusver. 'Behalve vissen en verhalen vertellen deed hij niet veel. Hij was al oud. Ik mocht hem best, maar...' Nogmaals gingen zijn schouders omhoog. 'Een mens wordt oud en gaat dood. Zo gaat dat nu eenmaal, nietwaar?'

Deze keer was het Valentijns beurt om de schouders op te halen. 'Ik had hem al bijna tien jaar niet meer gezien. Hij zal wel ouder geworden zijn.' Meteen besefte hij dat dat een belachelijke opmerking was en hij liet het gesprek vallen, de rest van de maaltijd in zwijgzaamheid doorbrengend.

Aan het einde van de maaltijd stond Martin op en zei: Wij verwelkomen in ons huis onze neef Valentijn.' De verzamelde hovelingen en bedienden reageerden met een beleefd applaus. 'Met ingang van morgen doet hij dienst als mijn jonker.' Hierop wierp Han zijn vriend een vragende blik toe. Valentijn trok even zijn schouders op. 'En zijn metgezel,' vervolgde Martin, 'Han van Ludland, wordt de jonker van mijn zoon.'

Han trok een gezicht dat zei: nou, dat weten we dan ook meteen.

'Nu dan,' zei Martin, 'ik wens u allen een goede nacht.' Hij hield zijn hand op en Briana legde de hare erop, waarna hij haar op plechtige wijze van tafel begeleidde. De dames Margreet en Adelinde volgden, en vervolgens stond Markus op. Zich wendend tot Han zei hij: 'Goed dan, als jij mijn jonker bent, moet je een uur voor zonsopgang wakker zijn. Vraag maar aan een bediende waar mijn kamers zijn en zorg dat je op tijd bent.' Zich richtend tot Valentijn voegde hij eraan toe: 'Zorg jij ook dat je klaar staat voor vader.'

De toon van zijn neef stond Valentijn helemaal niet aan, maar hij weigerde anders dan beleefd te zijn. 'Ik zal er zijn.'

Daarop glimlachte Markus en het was een schok, want het was de eerste keer dat Valentijn iets anders op zijn gezicht had waargenomen dan een neutrale frons. 'Ik verwacht niet anders.' Wuivend naar de bedienden zei hij: 'Breng de jonkers naar hun kamers.'

De jongens liepen achter twee bedienden aan, en toen ze langs de magiër kwamen, zei Han: 'Ik zie je nog wel, Anthonie.'

De magiër mompelde iets terug.

'Dat is de magiër van de hertog,' zei Han toen ze een lange gang in liepen.

'Weet ik,' antwoordde Valentijn. 'Markus zei dat hij niet erg goed in zijn werk is.'

Han gaf aan dat hij daar geen mening over had. 'Hij lijkt me wel een geschikte kerel, zij het wat verlegen,' zei hij. 'Hij mompelt een beetje.'

De bedienden brachten de twee jongemannen naar twee aan elkaar grenzende kamers. Valentijn opende de hem aangewezen deur en betrad wat alleen kon worden omschreven als een cel. Het was er amper tien voet lang en acht voet breed. Op de vloer lag een stromatras en een van de hoeken werd in beslag genomen door een kleine kist voor persoonlijke eigendommen. Verder stonden er alleen nog een klein tafeltje, een krukje en een primitieve lamp op het tafeltje. 'Waar zijn mijn spullen?' vroeg Valentijn aan de bediende, die al wegliep. 

'In opslag, jonker,' zei de man. 'Zijne Excellentie zei dat u ze niet nodig had tot u klaar was om te vertrekken, dus heeft hij ze naar de kelderverdieping onder het souterrain laten brengen. Alles wat u nodig hebt, vindt u in de kist.'

Han gaf zijn vriend een klap op de schouder. 'Nou, jonker Tijn, kruip er maar in voor een goede nachtrust, want morgen moeten we vroeg op.'

'Zorg dat ik me niet verslaap,' zei Valentijn terwijl de moed hem in de schoenen zonk.

'Wat is het je waard?'

'Wat dacht je ervan als ik je niet tegen de grond mep?' zei Valentijn.

Daar scheen Han even over na te denken. 'Lijkt me redelijk,' zei hij en met een lach voegde hij eraan toe: 'Maak je geen zorgen. Je went er wel aan om een jonker te zijn. Kijk maar naar mij, ik heb het als de jouwe toch ook goed gedaan?'

Terwijl Han zijn kamer binnenging, wierp Valentijn een blik hemelwaarts als om te zeggen: ja, omdat je je nooit als een jonker hebt hoeven te gedragen. Met een onheilspellend gevoel ging hij zijn cel in, sloot de deur en kleedde zich uit. Nadat hij de lamp had uitgeblazen, ging hij op de tast naar de met stro volgestopte zak, ging erop liggen en trok de enkele deken over zich heen. De hele nacht lag hij te woelen, zonder veel te slapen, geplaagd door een gevoel van naderende rampspoed.

 

Valentijn was al wakker toen er werd geklopt. Rondtastend in volslagen duisternis besefte hij tot zijn teleurstelling dat hij niet had gekeken hoe hij de lamp weer moest aansteken voordat hij hem had uitgeblazen. In het donker vond hij de knop van de deur en deed hem open. Op de gang stond Han, die zei: 'Ben je van plan om zo te gaan?'

Met alleen zijn onderbroek aan voelde Valentijn zich een beetje belachelijk. 'Ik was vergeten te kijken naar het vuurslag.'

'Die ligt op het tafeltje, achter de lamp, waar hij altijd ligt. Ik steek hem wel aan, ga jij je maar aankleden.'

Valentijn maakte de kist open en vond een eenvoudige tuniek en broek in de kleuren bruin-en-groen, waarvan hij aannam dat het de kleren van een Schreiborgse jonker waren, aangezien Han ook zo gekleed was. Hij trok ze aan en merkte dat ze redelijk pasten. Onderwijl zijn eigen laarzen aantrekkend zei hij: Wat is dat voor onzalig idee om op te staan voordat het licht is?'

Han zette de nu brandende lamp neer, deed de deur dicht en zei: 'Boeren, denk ik.'

'Boeren?'

'Je weet wel, plattelanders. Altijd op voor het licht wordt en met de kippen op stok.'

Met een vaag gebrom van herkenning trok Valentijn aan zijn laarzen. Zijn linkervoet leek een beetje dikker, waardoor de speciaal gemaakte laars wat moeilijker aan te trekken was. 'Verdomme,' zei hij, 'het is hier zeker vochtiger dan thuis.'

'Dus dat is je opgevallen!' zei Han. 'Je bedoelt dat je dat nog niet had gezien aan de schimmel op de muur naast je bed?'

Met de rug van zijn hand mepte Valentijn naar Han, die de klap gemakkelijk kon ontwijken. 'Kom op,' zei hij lachend, 'het geeft geen pas om de eerste dag al te laat te komen.'

Valentijn en Han waren de enigen in de gang en ineens vroeg Han: Waar zijn de bedienden?'

Wij zijn de bedienden, domkop,' zei Valentijn. 'Ik denk dat ik wel weet waar de familieverblijven zijn.'

Met enige moeite vonden de jongens hun weg door het kasteel naar de familievleugel. Vergeleken bij wat de prins thuis gewend was, waren het bescheiden vertrekken, maar niettemin stukken comfortabeler dan de cellen waarin de jongens de nacht hadden doorgebracht. Toen er een paar bedienden uit verscheidene kamers kwamen, kreeg Valentijn op zijn vraag te horen dat het inderdaad de kamers waren van heer Martin en vrouwe Briana, met daarnaast die van de jonge meester Markus.

Hun post innemend tegenover de respectievelijke deuren wachtten de jongens af. Een paar ogenblikken later waagde Valentijn een stille klop op de deur. Die ging prompt open en Martin keek naar buiten. 'Ik ben over een paar minuutjes bij je, jonker,' zei hij. Nog voordat Valentijn iets terug kon zeggen werd de deur in zijn gezicht dichtgedaan.

Han keek hem grijnzend aan en hief zijn hand om te kloppen, maar voordat zijn knokkels het hout konden raken, ging de deur open en stapte Markus naar buiten. 'Je bent laat!' blafte hij. 'Kom mee.' In hoog tempo beende hij de gang door en Han moest bijna rennen om hem in te halen.

Een paar minuten later kwam Martin uit zijn slaapvertrek en liep zonder commentaar de gang uit. Valentijn volgde hem. In plaats van naar de grote zaal, zoals hij had verwacht, ging de hertog door de stille veste naar de hoofdingang, waar de stalknechten een paar paarden kwamen brengen. Markus en Han reden al de poort uit op het moment dat een van de bedienden Valentijn een paar teugels voorhield.

'Je kunt toch rijden?' vroeg Martin.

'Jazeker,' zei Valentijn en voegde er haastig aan toe: 'Excellentie.'

'Mooi. We hebben geen gebrek aan jonge paarden die een ferme hand nodig hebben.'

Zodra Valentijn opsteeg, begon de krachtmeting met het paard. Met een kleine ruk aan het bit en een flinke druk in het zadel kreeg hij het onwillige dier weer onder controle. De ruin was nog jong en waarschijnlijk kort geleden gelubd, gezien zijn krachtig ontwikkelde nek en zijn nog agressieve gedrag. Ook was Valentijn niet zo blij met het zware zadel, dat het contact met het dier bemoeilijkte.

Doch Martin gunde hem geen tijd om lang stil te staan bij de fijnere aspecten van de ruiterkunst en reed al naar de poort. Valentijn zette zijn hielen tegen de flanken van zijn rijdier en merkte dat hij flink moest drukken om het paard in beweging te houden. Toen kwam de uitbarsting: het dier bokte en probeerde er meteen vandoor te gaan over de binnenplaats. Automatisch klemde Valentijn zich vast met zijn benen en trok aan de teugels. Hij liet het dier een cirkel beschrijven en bleef aan de teugels trekken tot het paard was gekalmeerd en in een redelijk kalme draf verderging. Toen hij bij de hertog kwam, hield hij zijn paard in tot het rustig met dat van de hertog meeliep.

'Heb je goed geslapen, jonker?'

'Niet echt, Excellentie.'

'Is je kamer niet naar je zin?' vroeg Martin.

Valentijn keek hem aan om te zien of er de spot met hem werd gedreven, maar zag slechts een uitdrukkingsloos gezicht. 'Jawel hoor,' zei hij, weigerend zich tot een klacht te laten verleiden. 'Het zal de nieuwigheid wel zijn, denk ik.'

'Je went wel aan Schreiborg,' zei Martin.

'Eet Zijne Excellentie 's morgens nooit?' vroeg Valentijn. Zijn maag miste nu al de ochtendmaaltijd.

Markus reageerde met een licht optrekken van een mondhoek, wat veel weg had van de halve glimlach van Valentijns vader. 'O, ontbijten doen we heus wel, maar voor die tijd wil ik er altijd al een paar uurtjes werk op hebben zitten, jonker.'

Valentijn knikte.

Ze reden de stad in en Valentijn zag dat het op straat reeds druk was. De winkels mochten de luiken dan nog gesloten hebben, maar de arbeiders waren al onderweg naar de haven, de molens en andere werkplekken. In het grijze licht van de dageraad voeren de vissersboten de haven uit, nog voordat de zon uitsteeg boven de bergen in de verte. De geur van vers brood hing dik in de lucht, aangezien de bakkers het werk van de vorige avond al hadden hervat om hun waren voor die dag te verzorgen.

Toen ze de waterkant bereikten, schalde er een vertrouwde stem over de kade. 'Zet die netten goed vast!' schreeuwde Emus.

Valentijn zag dat de admiraal bezig was met het inladen van voorraden die op de kade stonden opgesteld. Verderop verscheen Markus om een hoek, lopend naast een langzaam rijdende wagen, Han een stap achter hem aan. 'Dit is het laatste, vader,' riep Markus.

Martin legde Valentijn niet uit wat er gebeurde, maar de prins was zelf al tot de conclusie gekomen dat Martin nog meer spullen liet inladen voor het nieuwe garnizoen in het noorden.

'Emus,' riep de hertog, 'haal je het ochtendtij nog?'

'Met nog een paar minuten over,' brulde Emus terug. 'Als die dubbel-linkshandige apen in het komende half uur tenminste de lading aan boord kunnen krijgen!'

De havenarbeiders sloegen geen acht op het geschreeuw, doch namen het als iets vanzelfsprekends aan terwijl ze bekwaam en doelmatig de vracht-netten laadden. Zodra het net vol was, hees de kraan-bemanning de lading op en bracht hem met een brede zwaai boven het ruim van het schip, waar hij zonder haperen werd neergelaten.

Terwijl Martin en Valentijn stonden te kijken, kwam Emus naar hen toe. 'Het lastigste is het uitladen van de hele zooi,' zei hij. 'Het lijkt me dat de soldaten van het garnizoen wel een handje kunnen helpen, maar het zal toch nog een week of drie duren om het allemaal per sloep aan land te brengen.'

'Heb je nog tijd voor een bezoek op de terugweg?'

'Meer dan genoeg,' antwoordde Emus met een grijns. 'Ook al ben ik een maand weg, een paar dagen kan ik hier nog wel blijven voordat we teruggaan naar Krondor. Als het uitladen snel gaat, geef ik de mannen misschien wel een week vrijaf voordat we de Straat gaan trotseren.'

'Dat zullen ze best op prijs stellen,' zei Martin.

Nadat het net weer was volgeladen en het laatste van de lading werd opgehesen, zei Martin tegen Valentijn: 'Rij terug naar het kasteel en zeg huisknecht Samuel dat we over een half uur komen ontbijten.'

Valentijn was al bijna op weg toen hem iets te binnen schoot. 'Moet ik daarna weer hier terugkomen... Excellentie?'

'Wat denk je zelf?' zei Martin.

Zijn stem klonk hem ongemakkelijk in de oren. 'Dat weet ik eigenlijk niet.'

Martins toon was niet berispend, doch vriendelijk evenmin. 'Jij bent mijn jonker. Jouw plaats is aan mijn zij, tenzij ik je anders opdraag. Zodra je gedaan hebt wat ik heb gezegd, kom je terug.'

Door zijn gebrek aan dit eenvoudige inzicht voelde Valentijn zich tekortschieten en hij werd knalrood. 'Meteen, Excellentie.'

Hij zette zijn hielen in de flanken van de ruin en reed in korte galop weg van de kade. In de drukkere straten van het stadje moest hij zijn tempo vertragen tot een draf. Iedere ruiter was naar alle waarschijnlijkheid een edelman of een soldaat, dus de meeste mensen maakten plaats zodra ze hem hoorden of zagen aankomen. Toch moest hij voorzichtig zijn waar hij reed en hij liet zijn paard stapvoets gaan. Zo had hij bovendien de gelegenheid om rond te kijken. De winkels gingen nu open en de handelaars begonnen hun waren buiten te zetten. Straatventers stalden hun producten uit op hun wagens en inmiddels waren er nog meer arbeiders op weg naar hun baas. Een paar jonge vrouwen, hooguit een paar jaar ouder dan Valentijn, fluisterden tegen elkaar toen hij voorbijreed. 

Schreiborg was vreemd voor Valentijn. Het was er noch als in de rijke buurten van Krondor, noch als in de sloppenwijken van de stad; het was er compleet anders. Bedelaars, die de handelswijken van Krondor druk bezochten, waren hier niet, net zo min als dieven - dat vermoedde hij althans, want die zag je eigenlijk nooit. Ook vroeg hij zich af of er 's avonds op de hoeken bij de taveernes hoeren zouden staan, al twijfelde hij er niet aan dat er in de kroegen bij de haven meer dan genoeg dames waren die hun genegenheid te koop aanboden. Verder geen spoor van zware industrie, grote molens, stoffenververs, leerlooiers, wagenmakers en zo voort. Ongetwijfeld waren er wel stoffenververs en leerlooiers in Schreiborg, maar de stank die met hun stiel gepaard ging en die rond de haven van de hoofdstad van het Vorstendom zo penetrant aanwezig was, ontbrak hier.

Nee, Schreiborg was dan wel een stad - een flinke, bruisende en groeiende provinciestad - maar geen echt gróte stad en als zodanig wonderbaarlijk zowel als angstaanjagend in Valentijns ogen. Enerzijds vond hij het eng om zo ver van huis te zijn en anderzijds was hij nieuwsgierig naar deze nieuwe stad en haar bewoners.

Aangekomen bij de oostelijke rand van de stad bracht hij zijn paard weer over in handgalop en repte hij zich naar het kasteel. Zijn wens om Martins opdracht naar behoren te vervullen was echter ondergeschikt aan een fundamenteler motivatie: hij had honger.