27
‘Oké, mam, je stuurt geen post van Gideon door?’
‘Nee, lieverd.’
‘En je geeft hem ook niet mijn mobiele nummer als hij jou belt?’
‘Nee.’
‘En nooit zeggen waar ik ben.’
Zoë’s moeder nam haar dochter in haar armen. ‘Natuurlijk niet. Ik weet hoe moeilijk je het ermee hebt. Ik wil het niet nóg moeilijker voor je maken.’
Toen Zoë eindelijk gerustgesteld was, stapte ze in haar auto. Ze had Fenella en iedereen op Somerby hetzelfde laten beloven. Fenella was lastiger te overtuigen geweest, maar dat kwam omdat ze Gideon had ontmoet. Ze wist maar al te goed hoe charmant hij kon zijn. ‘Ik kom niet over hem heen als ik op een brief of een mailtje blijf wachten,’ hield Zoë vol. ‘Ik moet in één keer afkicken.’ Ze wist niet beter of Gideon wilde niet eens contact met haar opnemen en lag allang weer veilig in de armen van zijn vrouw, opgelucht dat hij zo makkelijk van haar af was gekomen.
Met alle beloften op zak, voor de zekerheid, reed Zoë twee weken na de wedstrijd naar het kleine plaatsje Fearnley. Het deed haar verdriet Somerby en de kleine Glory te moeten achterlaten. Ze had het hele gezin in haar hart gesloten maar kon onmogelijk blijven. Ze zou te eenvoudig op te sporen zijn en er lagen te veel pijnlijke herinneringen. Na een paar dagen bij haar ouders en een peptalk van Jenny was ze echt wat opgevrolijkt, en nu had ze weer een doel in haar leven. Misschien stierf ze als een verbitterde oude vrijster, maar ooit zou ze haar eigen delicatessenwinkeltje hebben. Sarahs vriendin uit de brand helpen was een goed begin. Ze voelde zich gespleten: de ene helft gedroeg zich als een normale, volledig functionerende volwassene, de andere helft zorgde voor een gebroken hart en vroeg zich af of ze ooit nog over hem heen zou komen.
Terwijl ze door Fearnley reed op zoek naar de winkel, zag ze dat het een ideaal plaatsje was voor een gespecialiseerde winkel met etenswaren. Antiekzaken en cadeauwinkeltjes werden afgewisseld door hotels, theesalons en kook-, kleding-, en woonwinkels. Het stadje was al honderden jaren een toeristische melkkoe. Waarschijnlijk werd het tijd dat er een traiteur kwam voor de tweede-huiseigenaren en de wat modernere gepensioneerde legerofficieren. Ze moest aan Ruperts ouders denken en vroeg zich af of die losse thee, vijgenjam of ansjovispasta zouden kopen als dat in de buurt te koop was.
Zoë vond de winkel, waarvan de ramen met kranten waren beplakt. Ernaast lag een straatje dat naar de achterzijde van het pand liep en waar ze kon parkeren. Ze zette haar auto naast een gehavend Ford Transit-busje, stapte uit en verkende de achterkant van de winkel. Ze was een tikje zenuwachtig maar tegelijk opgewonden over deze nieuwe fase in haar leven.
Astrid, haar nieuwe baas, begroette haar met een verfkwast in de ene hand en een kop koffie in de andere. Ze droeg een overall die onder de witte spetters zat.
‘Hallo! Jij bent Zoë? Wat leuk! Neem een kop koffie, dan kunnen we daarna meteen beginnen. Vind je het erg om me te helpen met schilderen en inrichten? We kunnen onder het werk wel praten.’
‘Ik vind alles best, zolang het maar basiswerkzaamheden zijn. Fijn schilderwerk is niks voor mij.’
‘Joepie! Sarah zei al dat je graag wat wilt doen. En al dat gepriegel vind ik ook niets. Ik wil gewoon dat het er fris en wit uitziet voordat al het lekkers voor op de schappen wordt afgeleverd. Ik wil graag een idioot lang schap over de gehele lengte van de winkel waar ik mooie borden en blikken op kan zetten, zoals in een keuken.’
‘Wat een leuk idee!’
Zoë deed zich enthousiaster voor dan ze zich voelde. Niet omdat ze het idee van een lang schap over de lengte van de winkel niks vond, maar omdat haar hart bloedde. Ze kon niet anders en moest elk enthousiasme veinzen. Maar hier zou ze van ’s ochtends tot ’s avonds bezig zijn. Hopelijk was ze elke avond zo uitgeput van alle lichamelijke inspanningen dat ze in bed niet gedwongen werd naar de constante stroom van herinneringen aan Gideon te hoeven kijken.
Astrid, die wist hoe ze moest delegeren, kwam algauw met een overall voor Zoë aanzetten en vond opzwepende muziek op de radio. Ze reikte Zoë de verfroller aan. ‘Hier, leef je maar eens goed uit met deze grote jongen.’
Zoë glimlachte. Ze mocht Astrid wel. Met haar samenwerken kon leuk worden.
Toen Astrid beweerde dat ze dood zou neervallen als ze niet snel iets at, ging Zoë de deur uit voor sandwiches. Ze kocht er een paar bij een kleine supermarkt, hoewel ze er niet echt appetijtelijk uitzagen. Een verse sandwich was iets waarin een goede deli kon voorzien; ze zou het Astrid voorstellen, mocht ze er zelf nog niet aan hebben gedacht.
‘Maar natuurlijk!’ zei Astrid toen Zoë haar over haar idee vertelde. ‘Ik dacht zelf aan kadetjes, zoals mijn grootvader ze altijd noemde, maar als je nog meer ideeën hebt, hoe vergezocht ze ook lijken, dan hoor ik het graag.’
‘Receptenkaarten? Daar kan ik je wel mee helpen.’
‘Goed idee! We kunnen zelf de ingrediënten bij elkaar zoeken en er dan een recept bij doen. Zo maak je het de klant een stuk makkelijker. God, wat ben ik blij dat Sarah je heeft aangeraden. Je bent een lot uit de loterij.’
‘Dat betwijfel…’
‘Hé, kom mee, dan laat ik je zien wat ik in de tussentijd heb gedaan.’ Zoë liep achter Astrid aan de trap op. ‘Ik heb een begin gemaakt met de etage boven. Daar is jouw kamer. Tot nu toe gebruikte ik hem als kantoortje, maar er staan ook meubels in.’
Zoë keek rond terwijl Astrid beneden twee biertjes uit de koelkast pakte voor bij de sandwiches. Van de bovenverdieping, die behoorlijk groot was, viel zeker iets leuks te maken. Er waren twee slaapkamers: de ene stond bijna vol met een groot tweepersoonsbed, de andere met een bureau en stapels papier. Verder was er nog een enorm grote kamer, die uitkeek op de straat en waarin een sofa en een leunstoel stonden. Bij de kamer zat ook een keukentje en een badkamer.
‘Wil je dat ik mijn spullen uit de tweede slaapkamer weghaal?’ vroeg Astrid. Ze reikte Zoë een open flesje Beck’s aan.
Zoë begreep de hint. ‘Natuurlijk niet. Eén slaapkamer is prima.’
‘Heel comfortabel is het allemaal niet, maar ik heb thuis nog een televisie staan. Die zal ik voor je meenemen. Het bed en het dekbedovertrek zijn nieuw. Heb je verder nog iets nodig?’
Zoë keek om zich heen. ‘Alleen een tafeltje voor mijn laptop.’
‘De keuken is piepklein, net als de badkamer, en niet echt behaaglijk, maar die krijgen we voor de winter wel klaar,’ vervolgde Astrid.
Zoë huiverde als ze aan de winter dacht. Niet alleen vanwege de kou maar omdat ze zich niet kon voorstellen hoe haar leven er tegen die tijd zou uitzien en of ze dan nog altijd hier zou zijn. En zou ze dan al over Gideon heen zijn? Of zou hij nog altijd zo vaak in haar gedachten zijn? Aan de andere kant, ze had al een groot deel van de ochtend – minstens tien minuten – niet aan hem gedacht. Ze ging vooruit!
De dagen vlogen voorbij hoewel ze lange uren maakten. Zoë pakte alles aan, uiteenlopend van schilderwerk en het controleren van de leveranties (en proberen zich niet af te vragen of de olijfolie van Gideons bedrijf kwam) tot Astrid helpen met haar persbericht.
‘Ze hebben altijd een groot openingsfeest in die televisieprogramma’s,’ verkondigde Astrid.
‘Klopt. Mijn moeder is verslaafd aan programma’s waarin bouwvallen weer worden opgeknapt,’ zei Zoë. Ze sopte een gemberkoekje in haar thee. Ze hadden de schappen gevuld en pauzeerden even op stoelen die onder verfspetters zaten en een omgekeerde doos die als tafel diende.
‘Ik ook! Eigenlijk aan al dat soort make-overprogramma’s. Heerlijk, zo brutaal als Ruth Watson tegen die aristocraten doet. Uiteindelijk draaien ze toch altijd bij en eten ze uit haar hand. Nou ja, de meesten dan.’ Astrid zweeg even. ‘Zodra alle vergunningen rond zijn gaan we eerst heel rustig open en daarna geven we een knalfeest waarvoor we iedereen die we kennen uitnodigen.’ Ze zweeg weer even. ‘Ik zou het super vinden als jij de catering zou doen. Tenminste, als je daar zin in hebt…’
Astrid had inmiddels Zoës enorme kooktalent ontdekt. Ze had gehoord dat ze tegelijkertijd cupcakes en canapés had gemaakt. Ze wist ook het een en ander over Gideon. Omdat ze zelf haar portie foute mannen had gehad, was ze het met Zoë’s zerotolerancebeleid eens als het om het contact ging.
‘Oké, we hoeven alleen te weten hoeveel man er komen.’ Zoë trok een gehavend notitieblokje en een oud Ikea-potloodje uit haar achterzak. ‘Wil je warme en koude hapjes? Nagerechten?’
‘Ja, alles. En…’ Astrid keek haar nadenkend aan, ‘… wat het heel goed zou doen is een croquembouche.’
Zoë zuchtte. ‘Had ik je dat maar niet verteld. Maar ik heb er wel behoorlijk wat handigheid in gekregen.’
‘Het zou wel een blikvanger zijn. En heel stijlvol,’ zei ze smachtend.
Zoë was kok en had nooit eerder te maken gehad met etalages. ‘Als jij het zegt.’
‘Ja! En een vriendin van mij, die een keukenwinkel in een dorpje nabij Birmingham heeft, kan me een mal lenen. Ik zie haar dit weekend. Dan kan ik hem wel meenemen.’
‘We kunnen de soesjes niet vullen, maar ik kan er wel voor zorgen dat hij er mooi uitziet. En je hebt gelijk, het zou een prima publiekstrekker zijn.’ Ze tikte met haar potloodje op het papier. ‘Dus voor hoeveel man?’
Astrid keek zorgelijk. ‘In die programma’s zeggen ze er niet bij hoe ze aan hun gastenlijst komen. We zullen moeten beginnen met het telefoonboek van de omgeving.’
‘En de krant?’
Astrid knikte. Zoë schreef het allemaal op.
Eindelijk waren ze klaar. Het gezondheidscertificaat was afgegeven (een officieel document dat aan de muur moest worden opgehangen), de verf was droog en de schappen stonden vol. Zoë voelde zich trots en voldaan over de hoeveelheid tijd en energie die ze erin had gestoken. Het zou leuk zijn geweest als het haar eigen delicatessenwinkeltje was geweest, maar dit was een goede tweede. Astrid was een geweldige baas, en behalve de weekenden waarin ze naar Birmingham ging en de nachten die ze alleen op de etage boven de winkel doorbracht, had ze niet veel tijd om aan Gideon te denken. Het opzetten van een productielijn voor verse kant-en-klaarmaaltijden in Astrids keuken had geholpen haar aandacht op het eten te richten en niet op de liefde. En met een kosteloos verblijf en een bescheiden loontje, wist Zoë dat ze hier kon blijven werken zo lang als Astrid haar nodig had. Met een beetje geluk was haar hart over een tijdje geheeld.
De feitelijke opening, in tegenstelling tot de openingsreceptie, was teleurstellend rustig. Astrid opende de voordeur en draaide het bordje op open en dat was dat.
Ze waren echter allebei zeer te spreken over hoe de winkel eruitzag. Het lange schap was geweldig. Het bood ook plaats voor spullen waarvan Astrid niet wist waar ze er anders mee naartoe moest. Zoals een enorme Majolica-pot, mooi maar gehavend, waar ze in een tweedehandswinkeltje voor was gevallen. Verder veel blikken olijfolie, evenals potten met olijven en ingemaakte citroenen, die werden afgewisseld door decoratieve borden, waarvan de meeste door Astrids moeder waren geschonken.
‘Ik ben blij dat we voor dat schap hebben gekozen,’ zei Astrid bewonderend. ‘Het ziet er fantastisch uit!’
‘Het was je eigen idee,’ zei Zoë.
‘Ja, maar jij hebt de borden en al die andere spullen erop uitgestald. Werken zonder ladders is toch een nadeel voor een kleine winkelier.’
Zoë grinnikte. ‘Ik kon me vasthouden aan de andere schappen. Maar het zit erop. We kopen gewoon een plumeau op een lange stok, dan hou je het makkelijker stofvrij.’
Astrid schreef het meteen op. ‘Goed idee!’
Naast hun geliefde decoratieve schap stonden de andere schappen vol met zeldzame, handige en eenvoudigweg heerlijke producten. Er stond een kleine koelkast met door Zoë gemaakte kant-en-klaarmaaltijden, zodat de tweede-huiseigenaren snel iets konden inslaan voor het geval ze spontaan vrienden hadden uitgenodigd voor het avondeten. Er was een hoekje met recepten en bij elkaar gezochte producten voor mensen die wilden koken maar geen inspiratie hadden. Er waren biologische groenten van de plaatselijke boerderijen en een selectie van strikt lokale kazen en vleeswaren.
Zoë was blij een afzetmarkt te kunnen creëren voor boeren bij wie ze tijdens de wedstrijd producten had afgenomen. Er was melk en room van een boer die zo dicht in de buurt woonde dat het niet veel scheelde of de naam van de koe die de melk had geleverd werd genoemd op het pak. Verder hadden ze een dienblad met broodpudding. Het recept was van een oude vrouw die Astrid had ontmoet en Zoë had de puddingen gemaakt. Astrid en zij hadden bijna alle eerste baksels opgegeten, zo lekker was het, maar ze hadden elkaar beloofd er niet meer van te eten totdat er een paar van verkocht waren. ‘De winstmarge is perfect!’ zei Astrid. ‘We hebben bijna altijd brood van een dag oud, dus dat kost bijna niks.’
Zoë vroeg zich soms af hoe het de andere kandidaten was vergaan. Ze vroeg zich af of Cher al gecontracteerd was als tv-presentatrice, een aanbod dat ze niet zou afslaan. Ook dacht ze aan Gideon en of hij contact met Fenella en Rupert had opgenomen, maar die gedachte verdrong ze snel weer. Wat had het voor zin daar haar hoofd over te breken?
Aangezien het niet meteen stormliep in de winkel kon Zoë met de catering voor de officiële opening aan de slag terwijl Astrid alleen in de winkel stond, en stortte Astrid zich op haar gastenlijst en het persbericht als Zoë dienst had.
’s Avonds aten ze vaak samen, meestal in Astrids kleine cottage, met een klein ommuurd tuintje dat volgens Astrid net groot genoeg was voor een tafeltje met twee borden, twee glazen en een fles.
‘Ik heb de lokale krant, de huis-aan-huisbladen en de Cotswold Life ingeschakeld. O ja, en een nieuw kooktijdschrift dat hier in de streek wordt gemaakt. Dat moet genoeg zijn.’
‘Uitstekend. Maar op hoeveel mensen moet ik rekenen voor de catering?’
‘Vijftig,’ zei Astrid vastberaden.
‘Dat zuig je zomaar uit je duim, of niet?’
Astrid knikte. ‘Ach, waarom moeilijk doen als het makkelijk kan? Wat we overhouden verkopen we gewoon weer.’
‘Vergeet het maar,’ zei Zoë. ‘Maar we zouden het wel zelf kunnen opeten.’
Een paar dagen later, toen Astrid een bestelling uitschreef en Zoë achter de toonbank de flesjes Bach-bloesemdruppels herschikte, hoorde ze de bel. Ze draaide zich met een vriendelijke glimlach op haar gezicht om, totdat ze zag wie het waren: Ruperts ouders. Ze dook meteen onder de toonbank.
Gelukkig waren ze zo druk met elkaar in gesprek dat ze geen aandacht voor haar hadden.
‘Komt er nog iemand om ons te bedienen? De eerste goede winkel in het dorp sinds tijden en dan is er geen personeel.’
Astrid draaide zich om. Zoë had even daarvoor nog achter de toonbank gestaan, maar nu niet meer. ‘Kan ik u misschien helpen?’ vroeg ze.
‘Aha! Goed zo. Fijn dat er toch nog iemand is. Mijn vrouw wil even rondkijken, nietwaar, lieve?’
Zoë kreeg achter de toonbank bijna de slappe lach.
Ze hoorde Lord en Lady Gainsborough rondscharrelen en dingen oppakken, die ze na wat afkeurend gemompel weer neerzetten. ‘Wat is dit in hemelsnaam? Het lijken wel gedroogde hersenen.’
Waarschijnlijk waren het de heerlijke maar peperdure gedroogde bospaddenstoelen, dacht Zoë.
‘En witte bonen in tomatensaus? In een delicatessenwinkel? Waarom zit daar zo’n hip etiket op? Waar zijn de bonen die wij altijd hebben? Die zijn perfect.’
Hmm, dacht Zoë. Zouden de andere inwoners van het dorp misschien ook geen extra geld willen neertellen voor speciale bonen uit Amerika die volgens een traditioneel recept met melasse waren bereid?
‘Algy!’ zei Lady Gainsborough. ‘Ze hebben die vieze vispasta die jij zo lekker vindt.’
Dat moest de ansjovispasta zijn, dacht Zoë, die kramp in haar benen begon te krijgen.
‘Godzijdank is er hier ook nog iets eetbaars te krijgen.’
Zoë wenste dat ze zouden opschieten en besluiten of ze iets zouden kopen voordat ze vooroverviel. Had ze hen ook maar gewoon te woord gestaan.
Toen ze Ruperts vader naar de koelkast hoorde lopen, besefte ze dat haar angst voor contact met Gideon haar paranoïde maakte. Natuurlijk zou hij geen contact met Lord en Lady Gainsborough opnemen om achter haar verblijfplaats te komen. Ze ging zitten. Ze kon nu moeilijk ineens van achter de toonbank tevoorschijn komen.
‘Hoe is het mogelijk!’ brulde Ruperts vader. ‘Ik heb het gevonden!’
Ruperts moeder haastte zich naar hem toe. ‘Wat heb je in godsnaam gevonden dat je zo opgewonden moet doen?’
‘Broodpudding!’ verklaarde Lord Gainsborough. ‘Ik had nooit gedacht dat ik dat ooit nog een keer zou eten.’
Astrid lachte toen Zoë achter de toonbank overeind kwam zodra de kust weer veilig was. Ze rekte zich uit en wreef over haar benen. ‘O, zat je daar! Geweldig, die twee ouwe knarren. Ze hebben alle broodpudding gekocht! Dat is tien pond in de kassa zonder dat we hebben hoeven investeren. Behalve jouw kookkunsten in de keuken natuurlijk,’ voegde ze er snel aan toe.
Zoë glimlachte alleen maar. De gedachte aan de verontwaardigde gezichten van Lord en Lady Gainsborough als ze zouden horen dat ze ‘ouwe knarren’ werden genoemd, was de kramp in haar benen meer dan waard.