18
De volgende ochtend sliep Zoë uit. Ze was vroeg in de ochtend een keer wakker geworden en had beseft dat het Gideons auto was die ze hoorde. Opnieuw werd ze overmand door verdriet, maar ze was nog moe van de lange dag daarvoor en was pas weer na negenen wakker geworden. Ze nam een douche en liep vervolgens naar het huis.
De keuken was een en al bedrijvigheid. Het nieuws van de geboorte van de baby was uitgelekt en de halve buurt leek te zijn uitgelopen om Rupert te komen feliciteren. Zijn ouders, gezeten aan de keukentafel achter een bord met bacon en eieren, leken zich minder bazig en gewichtig te gedragen dan de avond ervoor.
‘Goedemorgen!’ zei Zoë toen ze zich eindelijk verstaanbaar kon maken boven de zes mensen die aan de tafel zaten. Iedereen had een beker met iets te drinken voor zich staan, maar slechts drie van hen zaten te ontbijten.
‘Zoë! Lieve schat!’ zei Rupert. Hij stond op en drukte haar in een omhelzing tegen zijn kasjmieren trui. ‘Jongens, dit is Zoë. Ze komt me helpen met de baby.’
Tussen de ‘hallo Zoë’s door hoorde ze Ruperts vader mompelen: ‘Ik dacht dat het hun dienstmeisje was, blijkt het zijn minnares.’
‘Doe niet zo raar,’ zei zijn moeder. ‘Hij zou haar toch niet in huis halen als hij met haar naar bed ging.’
Blij dat zij de enige was die het gehoord leek te hebben, ging Zoë aan de tafel zitten en nam de grote beker aan die Rupert haar glimlachend aanreikte. Er bleek koffie in te zitten. De gezellige, warme sfeer in de keuken verzachtte de klap van Gideons vertrek en Zoë had het gevoel dat ze op Somerby echte vrienden had gemaakt.
‘Dus jij doet mee aan die kookwedstrijd die hier wordt georganiseerd?’ vroeg een vriendelijke vrouw aan Zoë. ‘Ik snap niet dat jullie voor de camera’s kunnen koken. Ik zou van de zenuwen alles uit mijn handen laten vallen.’
‘Dat had ik in het begin ook wel een beetje, maar je vergeet de camera’s heel snel,’ zei Zoë.
‘Nou, jij liever dan ik,’ zei de vrouw hoofdschuddend. Ze schoof haar stoel naar achteren. ‘Rupert, ik moet gaan. Doe Fen en de baby de groeten. Zodra ze thuis is, wip ik nog wel een keer aan. Maar ik zou het bezoek wel spreiden, anders raakt ze oververmoeid.’ Ze wierp een blik over de tafel die iedereen zag behalve Ruperts ouders.
‘Wij stappen ook maar eens op,’ zeiden de anderen. De grote tafel was nu bijna leeg, op Zoë en Ruperts ouders na. Rupert liet zijn gasten uit.
Zoë stond op en begon de tafel af te ruimen terwijl Ruperts ouders de keuken verlieten.
Toen ze even later wilde kijken of alles netjes was opgeruimd in Fenella’s kantoortje, hoorde ze stemmen achter de deur. Ruperts moeder sprak haar zoon vermanend toe.
‘Schat, ik ken al die linkse ideeën van je over de omgang met je personeel, maar neem van mij aan dat het beter is als ze hun plaats kennen. Dat vinden ze zelf ook prettiger. God weet wat Winterbotham had gedaan als we hem bij zijn voornaam hadden genoemd. Hij had een rolberoerte gekregen.’
Zoë móést luisteren, ook al wist ze dat het niet hoorde.
Rupert kon er waarschijnlijk wel om lachen, maar ze betwijfelde of zijn moeder er ook zo over dacht. ‘Mater! Zoë is Winterbotham niet. Ze is een vriendin van ons die ons een handje helpt. Ze is geen bediende.’
‘Gisteravond wekte ze anders heel geloofwaardig die indruk.’
Zoë knikte zelfvoldaan.
‘Hoewel die spinazie bij het diner er een beetje vreemd uitzag. Ik wist niet dat je spinazie in je moestuin had? En al helemaal niet in deze tijd van het jaar.’
Zoë hoorde de verwarring in haar stem.
‘Weet je, ik heb geen idee waar je het over hebt, ma,’ zei Rupert.
‘Typisch iets voor mannen, die desinteresse voor de tuin. Maar wat ik wil zeggen, is dat je meer aan haar hebt als je wat meer afstand houdt. Dat goede-vriendinnen-gedoe is onzin. Echt ónzin.’
‘Maar als ik haar als een bediende zou behandelen, moet ik haar ook betalen,’ zei Rupert.
Zoë verstijfde. Ze kon geen geld van Rupert en Fenella aannemen, alleen als ze echt een baan bij hen zou hebben.
‘O, ze krijgt er dus niets voor? In dat geval heb ik niks gezegd.’
Zoë ging terug naar de keuken. Ruperts moeder was dus niet alleen veeleisend maar kwaadaardig bovendien. Arme, arme Fen!
Rupert stond erop dat Zoë na het ontbijt haar eigen gang ging, althans, totdat hij de keuken had opgeruimd. Vandaar dat ze zich na een stevige wandeling om haar hoofd helder te krijgen, terugtrok in de koeienstal, waar ze haar laptop opstartte en naar recepten begon te zoeken. Maar na een poosje moest ze aanvaarden dat ze zich niet kon concentreren. Het leek alsof ze alleen nog maar aan Gideon kon denken. Ze wist niet of Gideon haar echt leuk vond – op een diepere, serieuze manier – of dat hij haar gewoon als tijdverdrijf zag. Ze wenste dat ze nog een nacht samen hadden gehad, misschien had ze hem dan beter leren kennen. Als ze samen waren, was ze zeker van haar zaak, maar zodra hij uit haar buurt was, sloeg de twijfel toe. Twijfels die haar zeiden dat ze wel gek leek om een affaire met hem te beginnen. Ze was immers voor hem gewaarschuwd en wist dat ze een gebroken hart riskeerde.
Ze sloot haar laptop af en liep terug naar het huis. Er zou genoeg te doen zijn. Het had geen zin om te gaan zitten dromen op haar kamer.
Rupert stond erop een grote hoeveelheid rundvlees te braden voor het avondeten voordat hij op bezoek ging bij Fenella en de baby.
‘Houdt Fen het nog vol in het ziekenhuis?’ vroeg Zoë. Ze vouwde de krant met aardappelschillen dicht en gooide ze in de compostbak.
‘Iedereen is geweldig voor haar, zegt ze, maar ze heeft heimwee naar huis,’ verklaarde hij. Hij had een enorm stuk rundvlees ingesmeerd met mosterd en bestoof dat nu met bloem. ‘Ik moet nog bonbons of iets dergelijks kopen als bedankje voor de verpleegsters.’
‘Ik kan cupcakes maken, als je wil? De verpleegsters krijgen waarschijnlijk doorlopend bonbons. Cupcakes is weer eens iets anders.’ Dan zou ze ook iets omhanden hebben.
‘O, Zoë, dat kan ik toch niet van je vragen?’ zei Rupert.
Zoë vatte dit op als een ‘ja, heel graag’ en zei: ‘Je vraagt het ook niet, ik bied het je aan. Ik doe het graag. Er zijn nog bakjes over van de bruiloft.’ Ze zweeg even. ‘Dan heb ik iets te doen op de momenten dat ze boven niet om me bellen.’
Rupert keek haar met een mengeling van schaamte en wanhoop aan. ‘Het spijt me. Ik heb ze uitgelegd dat je een vriendin bent en geen bediende.’
‘Het geeft niet. Dat meen ik. Ik vind het juist wel grappig. Ik probeer te raden wat ze willen en het hun naar de zin te maken.’
‘Je bent geweldig.’ Rupert schoof het braadstuk in de oven en sloot de deur.
‘Zal ik in de tuin nog wat klein hoefblad plukken? Dat ging er gisteravond goed in. Of willen ze geen twee dagen achter elkaar dezelfde groente?’
‘Eigenlijk zou ik ze gewoon erwten en bonen te eten moeten geven. Ze kunnen de pot op met hun gezeur over winderigheid!’ Rupert omhelsde haar stevig, gaf haar een kus op haar wang en vertrok naar zijn vrouw en dochter.