19
De ontvangstcommissie voor de baby had veel weg van de rij bedienden in Downton Abbey wanneer er een belangrijke gast arriveert. Zoë had het gevoel dat ze een rol in een televisiekostuumdrama speelde, met dit verschil dat er nu eens géén camera’s draaiden.
Fenella’s ouders hadden besloten vanuit Schotland over te komen zodra ze hoorden dat Ruperts ouders op Somerby waren.
‘Fenny wilde per se geen bezoek,’ zei Fenella’s moeder. Hoewel ze veel voornamer was, was ze veel vriendelijker dan Ruperts moeder. Ze stond er zelfs op dat Zoë haar Hermione noemde. ‘Rupert en zij konden zich wel alleen redden, zei ze. We konden komen wanneer het ons uitkwam.’ Dat zei ze tegen Zoë terwijl Zoë uien en wortelen stond te snijden voor een ovenschotel van een restje rundvlees. ‘Maar als ik heel eerlijk ben, vind ik Ruperts ouders verschrikkelijk, dus ik wil mijn dochter tegen hen in bescherming nemen.’
Zoë, die meteen al op Hermione gesteld was, knikte. Hermione en zij waren nog niet zo vertrouwd met elkaar dat ze over Ruperts ouders konden roddelen, maar dat was slechts een kwestie van tijd.
‘Weet je het laatste nieuws al?’
Omdat Ruperts ouders Zoë als een soort bediende zagen hielden ze haar niet op de hoogte van nieuwtjes.
‘Ze willen dat ze meteen gedoopt wordt.’ Hermione was een en al verontwaardiging.
Zoë was al even verbijsterd. Die arme kleine Glory was nog niet eens uit het ziekenhuis! ‘Waarom zo snel?’ Zoë deed een paar tenen knoflook bij de uien in de koekenpan, hoewel ze bijna zeker wist dat Ruperts ouders daar niet van hielden.
‘Omdat ze een wereldcruise willen gaan maken. Ze hebben de doopjurk al bij zich.’ Hermiones ogen schoten vuur. ‘Wij hebben een prachtige doopjurk! Ik wed dat die veel mooier is dan die van hen. Maar kennelijk moet Glory die van de Gainsboroughs aan.’
‘Maar kan de baby dan niet na de cruise gedoopt worden?’ Ze deed een flinke scheut worcestersauce bij de groenten.
‘Blijkbaar niet! Ze zijn zo ouderwets dat het me verbaast dat ze autorijden. Ze hadden het zelfs over rituele zuivering.’
Zoë vulde de ovenschotel met laagjes groente en vlees en zette de koekenpan neer. ‘Het spijt me, maar dat kan ik niet volgen.’
‘Dat bedoel ik. Wie heeft het tegenwoordig nog over rituele zuivering?’
‘Misschien als ik wist wat het betekende…’
‘O. Dat is een oud gebruik waarbij de vrouw na de geboorte van haar kind in de kerk wordt gezuiverd omdat een bevalling als iets weerzinwekkends wordt gezien.’
Zoë richtte haar aandacht op de puree, die ze met een pollepel over het vlees en de groenten verspreidde. Ze had zoveel gemaakt dat ze er een klein kussen mee zou kunnen vullen. ‘Waarom?’ Ze zag Lady Gainsborough er wel voor aan om het ritueel aan Fen op te dringen.
‘Daar is geen enkele reden voor. Maar Ruperts ouders leven nog in de tijd van Noach. Waarschijnlijk denken ze dat de bevalling een vrouw onrein maakt.’ Hermione zweeg even. ‘Hoewel ik heel eerlijk gezegd niet geloof dat ze het serieus meenden.’
‘Gelukkig.’ Zoë opende een deurtje van het Aga-fornuis en schoof de schotel erin. Zou het bereiden van grote maaltijden uit kliekjes ook binnen een culinair menu passen? Ze betwijfelde het, hoewel ze er behoorlijk handig in was geworden.
‘Nu je klaar bent met die schotel, kunnen we voor op het bordes wel op Fen en Glory wachten,’ zei Hermione. ‘Ze kunnen elk moment hier zijn.’
Ruperts ouders waren blijkbaar op hetzelfde idee gekomen, of misschien wilden ze de baby per se als eerste zien, maar uiteindelijk stonden ze samen op de trap van Somerby.
‘Ze hebben in elk geval een mooie dag uitgezocht,’ zei Fenella’s vader, zijn beste beentje voorzettend. ‘Wat vinden jullie van de naam?’
‘Ik heb nog nooit zoiets belachelijks gehoord,’ zei Lord Gainsborough. ‘Arethusa! Hoe verzinnen ze het!’
‘Dat was een grapje van Rupert,’ zei zijn moeder. ‘Maar Glorianne is nog erger. Hopelijk komt ze voor de doop bij zinnen. Ik snap niet waarom ze geen familienaam heeft gekozen.’
Hermiones stekels gingen overeind staan. ‘Ik vind het een goede keuze. Ik moest er even aan wennen, maar nu vind ik het een prachtige naam. Ze zal trouwens Glory worden genoemd.’ Bij het zien van de geërgerde blik die Hermione op haar co-grootmoeder wierp, hoopte Zoë voor hen dat ze nooit samen kerst hoefden te vieren.
‘Heerlijk hè, die zon?’ zei Zoë, die op een trede was gaan zitten. Ze hield haar ogen dicht zodat iedereen – of niemand – zich geroepen kon voelen om te reageren. Niemand zei iets. De spanning tussen de twee grootmoeders was om te snijden.
‘Daar zul je ze hebben,’ zei Fenella’s vader, en zwijgend keken ze toe terwijl de Range Rover over de lange oprit het huis naderde.
‘Waar is de baby?’ vroeg Ruperts moeder zodra ze in de auto konden kijken. ‘Waarom heeft Fenella hem niet in haar armen?’
‘Dan zou hij klem komen te zitten onder de veiligheidsgordel,’ snauwde Hermione. ‘Sorry, zij.’
‘De veiligheidsnormen worden tegenwoordig veel te ver doorgevoerd,’ zei Ruperts vader, en Zoë besefte dat ze teleurgesteld zou zijn geweest als hij het niet had gezegd.
‘Volgens mij heeft Fenella geen idee hoe ze voor een baby moet zorgen,’ mopperde Ruperts moeder toen Rupert voor het huis stopte. ‘Ik heb haar de beste kraamverzorgster aangeboden die er is, maar die wilde ze niet.’
Zoë was blij voor Rupert en Fenella dat de piepende handrem en het knarsende grind voorkwamen dat Hermione het hoorde.
‘Wauw!’ zei Fenella terwijl ze uit de auto stapte. ‘Wat een ontvangstcomité! Ik lijk de koningin wel. Mam! Pap! Ik wist niet dat jullie er ook zouden zijn. Wat leuk!’
Omdat Ruperts ouders meer geïnteresseerd waren in de baby dan in hun schoondochter, kon Fenella haar ouders uitgebreid begroeten. Rupert liep naar de achterbank van de Range Rover, waar de baby in het autostoeltje lag te slapen.
‘Ik heb nog nooit zoiets belachelijks gezien,’ zei Ruperts moeder. ‘Dat stoeltje is twee keer zo groot als de baby.’
Fenella voegde zich bij Rupert. ‘We hebben onder andere dit stoeltje gekocht van het geld dat jullie ons hebben overgemaakt.’ Ze klikte de gesp los en nam Glory, die in kanten shawls was gewikkeld, in haar armen.
‘Kom, laten we naar binnen gaan,’ zei Rupert. ‘Heb je zin in een glas champagne?’
Zoë, als buitenstaander, zag de uitdrukking van grote, beschermende liefde op Ruperts gezicht en bedacht dat Fenella de gelukkigste vrouw op aarde moest zijn. Haar hart bloeide open.
‘Ik weet niet of dat zo verstandig is,’ zei Fenella met een lichte frons. ‘Misschien kan Glory er niet tegen.’
Ruperts moeder maakte een geluid dat het midden hield tussen afkeer en wanhoop. ‘Je gaat me toch niet vertellen dat je dat kind echt borstvoeding gaat geven? Dat wordt een ramp, geloof me.’ Maar haar gemopper was aan dovemansoren gericht. ‘Wat ze nodig heeft is een strak schema en regelmaat. Regelmaat, regelmaat en nog eens regelmaat. Geen geknuffel. Ik heb een boek bij me waar alles in staat. Binnen drie maanden is ze zindelijk. Als je geen kraamverzorgster wilt…’
Eenmaal veilig binnen nam Hermione de leiding. ‘En nu meteen naar bed, lieverd,’ zei ze tegen haar dochter. ‘Je moet doodop zijn.’
Zoë had een tikje medelijden met Fenella. Thuiskomen met je baby zou een feest moeten zijn, geen mijnenveld. Als haar schoonouders er niet waren geweest, had ze misschien met de baby in de tuin een glas champagne gedronken, totdat ze moe werd en naar bed wilde. Maar in plaats van zich te kunnen overgeven aan dit simpele genoegen, werd ze omringd door familie die haar de oren van het hoofd zeurde.
‘Zal ik even theezetten?’ opperde Zoë opgewekt.
‘Graag!’ zei Fenella. De manier waarop ze het zei, gaf Zoë het gevoel dat ze elk moment in huilen kon uitbarsten.
Toen Zoë met de thee en een schaal cupcakes de slaapkamer binnenkwam, zat Fenella rechtop in haar kussens in bed. Naast haar stond een wieg, waarin Glory nog altijd lag te slapen, onwetend van de oorlog die rondom haar kleine persoontje was uitgebarsten.
‘Je hoeft niet steeds in bed te blijven, hoor. Als je liever naar beneden gaat, moet je dat doen,’ zei Hermione.
‘Wat is er mis met ouderwets het bed houden?’ zei Ruperts moeder. ‘Toen ik Rupert kreeg, ben ik drie weken het bed niet uit geweest.’
‘Dat is nu wel anders,’ zei Hermione. ‘Moeders zijn tegenwoordig veel sneller weer op de been.’
‘Dat mag wel zo zijn,’ beaamde Ruperts moeder, ‘maar de vraag is of het ook goed is.’
Zoë schraapte haar keel. ‘De mannen zitten beneden met de flessen champagne en whisky. Ik denk dat ze willen weten met welke ze het beste kunnen beginnen.’
Als door een wonder verlieten beide grootmoeders onmiddellijk de kamer.
‘Halleluja, Zoë. Hoe deed je dat? Ik vind het gezellig dat mijn moeder er is, maar ik kan er niet tegen als ze als twee moederkatten om me gaan zitten vechten. Ik snap trouwens niet waarom Ruperts moeder per se hier wil zijn. Ze heeft een hekel aan me.’
Zoë zette een beker thee en een bordje met een cupcake op een plek waar Fenella bij kon. ‘Zal ik even snel naar beneden rennen voor een fles champagne? Volgens mij heeft Rupert een hele krat ingeslagen.’
Fenella schudde haar hoofd. ‘Ik heb meer zin in thee. En in cake.’ Ze nam een flinke hap en genoot al kauwend van de smaak. ‘De verpleegsters in het ziekenhuis waren dol op je cupcakes. Volgens mij hebben ze vaak nauwelijks tijd om te eten.’
Een zacht gemurmel vanuit de wieg deed beide vrouwen opkijken.
‘O, ze wordt wakker,’ zei Zoë, nadat ze even naar het bewegende hoopje had gekeken. ‘Moet ze nu gevoed worden?’
‘Dat denk ik wel.’ Fenella ging rechtop zitten. ‘Zou je me haar kunnen aangeven?’
‘Oké, een ogenblikje.’ Zoë rende naar de badkamer, waar ze langdurig haar handen waste, totdat het gemurmel bijna overging in gehuil. Vervolgens sloeg ze het dekbedje terug, tilde Glory voorzichtig uit de wieg en gaf het kleine, kwetsbare bundeltje aan Fenella. ‘Poeh, dat was eng!’
‘Ja hè? Ze zijn sterker dan je denkt, maar het blijft zenuwenwerk.’
‘Zal ik weggaan, zodat je wat privacy hebt?’
‘Ben je gek! Baby’s hebben altijd honger. Ik zou niemand meer zien als ik in mijn eentje borstvoeding zou willen geven.’ Ze knoopte haar blouse los en haakte de voorkant van haar beha los. ‘Kijk eens hier, meisje.’
Het leek Zoë wel heel veel borst voor zo’n piepklein babymondje, maar Glory zoog er gulzig aan en maakte algauw tevreden smakgeluidjes. Het was prachtig om moeder en dochter zo vredig en gelukzalig samen te zien.
‘Ik ga je moeder halen,’ zei Zoë na een paar minuten. ‘Ze wil hier vast graag bij zijn. Maak je geen zorgen, ik hou Ruperts moeder wel beneden.’
‘Wat een vreselijk mens, hè?’
‘Vertel mij wat. Aan één kant ook wel lachen, hoor, maar dat komt omdat ze mijn schoonmoeder niet is.’
‘Hoe zou Gideons moeder zijn?’
Zoë bleef bij de deur staan.
‘Heb ik iets verkeerds gezegd?’ vroeg Fenella.
Zoë haalde haar schouders op. Ze had tijd genoeg gehad om over Gideon en hun relatie na te denken, als het al meer dan een avontuurtje was. Ze wist niet of hun affaire al voorbij was of dat dit nog maar het begin was. Maar tegen Fenella kon ze eerlijk zijn. ‘Nee, niet echt. Ik bedoel, ik weet het niet. Hij moest weg en nu…’ Ze zweeg even. ‘Ik voel me er niet lekker bij, alsof ik niet meer weet waar ik aan toe ben met hem. Sinds hij hier is vertrokken, heb ik niks meer van hem gehoord.’
‘Het komt vast goed,’ zei Fenella vastberaden. ‘Hij is aardig. Hij vergeet je echt niet zomaar.’
‘Nee. Nee, dat weet ik eigenlijk ook wel.’ Fenella kon het wel eens bij het rechte eind hebben, maar zekerheid had ze niet. Ze vervolgde iets opgewekter: ‘Oké, dan ga ik nu je moeder halen.’
Maar terwijl ze de trap afdaalde naar de keuken, bekroop haar toch weer een gevoel van twijfel. Ze rilde. Gideon was geen partij voor haar: hij was een man van de wereld, bekend en succesvol, zij een eenvoudige kandidaat in een kookwedstrijd. Wat had ze hem te bieden? Tot haar ergernis dacht ze regelmatig terug aan Sylvies opmerkingen. Terwijl zij steeds meer naar hem verlangde, was het voor hem misschien uit het oog, uit het hart.
Zoë onderdrukte haar twijfel en liep naar de keuken. Er viel nu toch niets aan te veranderen. De mannen hadden de flessen geopend en Rupert was bezig de glazen te vullen. Hermione zat tussen haar echtgenoot en Lord Gainsborough in geperst, Lady Gainsborough zat naast haar man. Voor mensen die elkaar duidelijk niet mochten, zaten ze opvallend dicht op elkaar, en dat in zo’n grote kamer. Het zou heel wat tact vereisen om Hermione alleen mee te krijgen.
Zoë ging vlak achter hen staan en had de neiging Hermione als een kind aan haar mouw mee te trekken. Ze schraapte haar keel. ‘Ik denk dat Fen gezelschap wil.’
Toen Lady Gainsborough meteen opstond, besefte Zoë haar fout. Had ze nu toch maar ‘Fen wil dat haar moeder naar boven komt’ gezegd, maar dat had in haar gedachten wat sneu geklonken.
‘Ik ga wel,’ zei Lady Gainsborough. ‘Ik heb een boek voor haar. Dan kan ik haar dat gelijk geven, samen met een paar ouderwets goede adviezen. Anders is dat kind binnen de kortste keren verpest.’
‘Nee, ik ga wel,’ zei Hermione kortaf. ‘Per slot van rekening is het míjn dochter.’
‘Niemand houdt je tegen om mee naar boven te gaan,’ zei Lady Gainsborough, hoewel ze liet doorschemeren dat ze niets liever zou doen dan dat.
‘Ik ga ook mee,’ mompelde Zoë. Fenella kon wel een scheidsrechter gebruiken.
‘Waarom zou mijn schoondochter jou erbij willen?’ zei Lady Gainsborough met een verbaasde blik op Zoë.
‘Ik dacht dat…’
‘Je bent toch geen kindermeisje, of wel? En je hebt ook geen ervaring met kinderen? Nee? Blijf dan maar hier en ruim de boel op voor het avondeten. Dan maak je je tenminste nog nuttig.’
Daar viel niets tegen in te brengen. Lady Gainsborough had gelijk. Hoewel het gemiddelde basisschoolkind waarschijnlijk beter wist hoe je een baby moest verzorgen, had ze er zelf wel een paar gekregen.
‘Ik kom zo boven de theekopjes nog even ophalen,’ zei Zoë vastberaden. Dienstmeisje zijn had ook zijn voordelen.
De mannen kuierden de tuin in om een sigaar te roken die Rupert hun had aangeboden. Zoë hoorde Lord Gainsborough nog net zeggen: ‘Het is toch van de zotte dat een man niet meer mag roken in zijn eigen huis? Rupert, jongen, de vrouwen hebben hier de broek aan.’
‘Niet meer dan bij jullie thuis, pa,’ hoorde Zoë Rupert zeggen. Ze glimlachte.
Zoë ruimde in een recordtijd de keuken op en dekte de tafel. Vervolgens holde ze de trap op naar Fenella’s slaapkamer, in de hoop dat ze het bloed niet van de muren zou hoeven te krabben, of erger. Toen ze de deur opende liep Lady Gainsborough haar bijna omver. ‘Zet een vrolijk gezicht op, kind. Met dat gehuil schiet je niks op,’ verklaarde ze terwijl ze langs Zoë heen de kamer uit liep om naar beneden te gaan.
In de slaapkamer werd Zoë geconfronteerd met twee vrouwen, de ene met haar ogen vol tranen, en de andere met haar ogen vol vuur.
‘Laat Rupert ervoor zorgen dat ze vertrekken,’ zei Hermione. ‘Ik wil niet langer onder één dak verkeren met dat mens!’
‘Dat kan ik niet maken, mam. Dan krijgt Rupert de wind van voren. We moeten er maar het beste van zien te maken. O, Glory, moet je nu wéér een schone luier?’
Hermione nam de baby van Fenella aan en voelde met haar vinger in de luier. ‘Hij is inderdaad een beetje nat.’
‘Ik zal u de spullen aangeven,’ zei Zoë snel, voordat iemand mocht denken dat zij wist hoe je een baby moest verschonen.
Tegen de tijd dat er een verschoonkussen, watten, een kom warm water en een handdoek op Fenella’s bed lagen, waren de tranen bijna uit haar ogen verdwenen. Ze keek met Zoë toe terwijl Hermione de luier afdeed. Glory zwaaide met haar armpjes en trappelde met haar rode beentjes.
‘Wat een schatje is het toch, hè?’ zei Zoë toen Hermione gedaan had wat er moest gebeuren. ‘Zo snoezig.’
‘Ja hè?’ zei Hermione. Ze plakte de luier dicht met de strips en tilde Glory op. ‘En dan te bedenken dat dat mens zegt dat we je niet mogen knuffelen.’ Ze gaf haar kleindochter een kus.
‘Hoe bedoelt u? Heeft ze dat echt gezegd?’ Zoë besefte dat Hermione een nog grotere hekel aan Lady Gainsborough had dan zijzelf.
‘Nee, dat niet, maar Fenella heeft een boek van haar gekregen.’ Met haar vrije hand pakte Hermione het boek op en gaf het aan Zoë.
Zoë ging in de stoel bij het raam zitten om het door te bladeren. Het zag er oud uit. Ze had een nieuw boek verwacht, met een fris omslag, maar dit exemplaar moest jarenlang in de kast hebben gestaan. Na een snelle blik in het boek wist ze dat het van voor de Tweede Wereldoorlog was. Zou Lady Gainsborough echt verwachten dat Fenella zo’n oude handleiding zou raadplegen?
‘Dit ga je toch niet lezen, of wel?’ vroeg ze aan Fenella.
‘Dat zei ik ook al,’ reageerde Hermione.
‘Ik ga niet doen wat erin staat,’ hield Fen vol, ‘maar ik wil het wel doorkijken.’
‘Luister, lieverd, ook al ging dit boek niet in tegen alles wat ik over baby’s weet, het is antiek. Ik snap niet waarom ze het aan je heeft gegeven.’
‘Ze is boos omdat ik haar aanbod een kindermeisje voor ons te betalen heb afgewezen,’ verklaarde Fenella. Ze griste Glory bijna uit haar moeders armen en bood haar de andere borst aan.
‘Een mens van vlees en bloed zou in elk geval beter zijn geweest dan dit akelige boek,’ zei Hermione.
‘Vergeet het maar. Ruperts zus vond het kindermeisje dat mijn schoonmoeder had geregeld te hardvochtig. En dan te bedenken dat zijn zus aan de kant van Djengis Khan staat als het om het opvoeden van de kinderen gaat. Het is daar thuis een en al corrigerende tik en zonder eten naar bed.’
‘Jeetje,’ mompelde Zoë vanaf haar stoel bij het raam. Ze was gefascineerd door de hoeveelheid babyspullen die noodzakelijk werden geacht, inclusief ouderwetse bakerdoeken.
‘Een boek kan ik negeren,’ zei Fenella. ‘Met een kindermeisje zou dat heel wat lastiger zijn.’
‘Gelukkig is Glory een lentebaby,’ zei Zoë, nog altijd gehypnotiseerd door het boek. ‘Dan is het buiten “luchten” in de kinderwagen niet zo koud.’
‘En nu wil ze Glory ook nog per se laten dopen, want als ze nu dood zou gaan, gaat ze naar de hel,’ klaagde Fenella.
‘Ze gaat niet dood en ze gaat ook niet naar de hel,’ zei Hermione, boos op Lady Gainsborough. ‘En als je niet wil dat ze nu al wordt gedoopt, dan zeg je dat gewoon.’
‘Ik kan nog geen boe of bah zeggen op het moment,’ zei Fenella. Ze begon weer te snotteren. ‘Ik huil alleen maar. Ik kan geen besluiten nemen.’
‘Dan zeg ik wel nee voor jou,’ zei Hermione. ‘Ik zal dat mens eens goed de oren wassen.’
‘Nee, mam!’ Hier was niemand mee geholpen. ‘Ik wil geen ruzie. Als ze willen dat Glory zo snel mogelijk gedoopt wordt, dan moet dat maar. Zolang Sarah en Hugo maar komen en ik niets hoef te regelen.’
‘Jij hoeft helemaal niets te doen, lieverd, daar zorg ik wel voor.’
‘En ik ook,’ viel Zoë haar bij. Dit was een terrein waarop ze zich zeker voelde. ‘Hoewel Rupert wel het een ander zal moeten regelen met de dominee. Is dat een aardige man?’
‘O ja, heel aardig,’ zei Fenella, plots stralend. ‘En hij is een vrouw! Ik bedoel, zij is een vrouw, maar dat is juist mooi, want dat vinden Ruperts ouders natuurlijk helemaal niks. Ze zijn mordicus tegen vrouwelijke priesters. Niet de meest rekkelijken dus binnen de anglicaanse kerk.’
‘Ik dacht dat je geen ruzie wilde?’ zei Hermione verbaasd.
‘Nou ja, wel en niet. Ik heb geen zin steeds de vrede te moeten bewaren tussen jullie, maar ik zou er niet mee zitten als ze verontwaardigd zouden afdruipen. Als Rupert daarna maar niet wekenlang de verhoudingen weer moet zien te lijmen.’
Hermione zuchtte. ‘Oké dan. Dan moet Glory die lelijke doopjurk van de Gainsboroughs maar aan en niet die mooie van ons.’
‘Is hij echt zo lelijk? Ik heb hem nog niet gezien. Hoe kan iets voor een baby nu lelijk zijn?’ zei Fenella.
‘Dat kan toch niet anders. Die familie heeft geen smaak,’ zei Hermione.
‘Maar Rupert is een schat, hoor,’ zei Zoë. ‘Maar waarom zo’n haast?’
‘Om eerlijk te zijn’ – en dat kostte haar duidelijk moeite – ‘zijn die oude doopjurken piepklein. Dus als je wilt dat ze die van de Gainsboroughs draagt, of zelfs die van ons, dan kan ze maar beter zo snel mogelijk worden gedoopt.’
Fenella kwam naar beneden voor het avondeten. Rupert droeg zijn dochtertje vol tederheid naar de keuken, zo teder zelfs dat Zoë zich niet kon herinneren iemand ooit zo teder iets te hebben zien dragen. Zoë had in haar ene hand de draagmand en in de andere de standaard voor de wieg. Fenella mocht een extra kussen dragen om op te zitten.
‘Is dit wel verstandig?’ vroeg haar schoonmoeder toen Fenella de keuken binnenkwam. ‘Had, eh… dinges hier,’ ze gebaarde naar Zoë, ‘je eten niet beter op een dienblad naar boven kunnen brengen?’
‘Ik wil graag met de rest van de wereld meedoen,’ zei Fenella. ‘En Zoë heeft vandaag al genoeg gedaan.’
Lady Gainsborough mompelde: ‘Wat je wilt, kind,’ maar haar ogen zeiden: Zolang je mij maar niet de schuld geeft als alles in het honderd loopt.
‘Fenella, kind,’ zei haar schoonvader. ‘Neem een glas bordeaux. Goed voor het bloed.’
‘Ja, neem een glaasje wijn,’ spoorde Fenella’s vader haar aan.
‘Ik weet niet of dat wel zo verstandig is,’ zei Fenella.
‘Waarom niet?’ vroeg haar schoonvader. Kennelijk was hij van mening dat je wel gek moest zijn als je geen alcohol dronk.
‘Borstvoeding,’ zei zijn vrouw, alsof het een eufemisme voor het drinken van braaksel was.
‘Ach lieverd, één glaasje kan heus geen kwaad,’ zei Rupert.
Toen iedereen een vol glas had en Rupert weer achter het fornuis stond (de ovenschotel was er al enige tijd eerder uit gehaald), tikte Lady Gainsborough met haar vork tegen haar glas om de vergadering te openen.
‘Nee toch, hè. We zijn met familie onder elkaar,’ mompelde Hermione achter haar hand tegen Zoë.
‘Eh, pardon?’ Lady Gainsborough had het gemompel gehoord. ‘We moeten een paar besluiten nemen.’
Zoë stond op om Rupert te helpen. Ze wilde geen partij hoeven kiezen.
‘Eigenlijk hoeven alleen Fen en Rupert iets te besluiten,’ zei Hermione. Ze speelde met een zoutvaatje, alsof ze te kennen wilde geven dat ze er, indien nodig, behoorlijk hard en gericht mee kon gooien.
‘Met alle respect,’ zei een vrouw die nog nooit voor iemand respect had getoond, ‘maar dit gaat de hele familie aan.’
‘Wat dan?’ vroeg Rupert op vriendelijke toon. Hij was in een te opgewekte stemming om de onderhuidse spanningen aan te voelen.
‘Welke doopjurk er gedragen zal worden,’ snauwde Lady Gainsborough. ‘Omdat de baby een Gainsborough is, is het belangrijk dat ze in de jurk van onze familie wordt gedoopt.’
‘Ik zie niet in waarom,’ zei Hermione, hoewel ze eerder tegenover Fenella had beaamd dat het de beste oplossing was. ‘Onze jurk is veel mooier.’
‘Maar waarschijnlijk te klein,’ zei Lady Gainsborough. ‘Fenella’s baby,’ kennelijk kon ze zich er niet toe zetten de naam te gebruiken, ‘is aan de grote kant.’
‘Wou u beweren dat mijn kind te dik is?’ kaatste Fenella venijnig terug.
‘Zevenenhalf pond is niet dik, liefje,’ zei Rupert. ‘Het is een mooi, gezond gewicht.’
‘Mag ik iets zeggen?’ zei Lord Gainsborough luidkeels om er zeker van te zijn dat iedereen hem hoorde. ‘Zullen we de vraag welke doopjurk de baby aan moet morgen bespreken? Het is maar een meisje, hoor.’
Gelukkig slaagden Rupert en Zoë erin grote schotels met eten tussen de kemphanen in te zetten om te voorkomen dat het gevecht in alle hevigheid zou losbarsten.