6
Toen Zoë even later nerveus in Gideons auto stapte, voelde ze zich opgelaten. Ze had hem de avond ervoor bij een beker warme chocolademelk beter leren kennen maar nu ze ineens zo dicht naast hem zat kwam zijn nabijheid toch als een schok. Ze wist dat ze zich – ook seksueel – tot hem aangetrokken voelde, maar had niet beseft hoe sterk dat gevoel was totdat zijn arm op slechts een paar centimeter van de hare verwijderd was. Ze hoopte dat ze zich kon concentreren. Het kwam niet vaak voor dat ze een man zo aantrekkelijk vond als Gideon. Ze werd er een beetje licht van in het hoofd.
‘Heb je de routebeschrijving?’ vroeg Gideon.
Ze schudde zichzelf wakker uit haar mijmeringen en zette haar brein aan het werk. ‘Ja. Zo te zien is het heel simpel.’ Zoë bekeek de plattegrond die Rupert voor haar had getekend. ‘Waar zullen we eerst heen gaan? Naar de varkensboer of het zuivelbedrijf?’ Ze wilde professioneel en efficiënt overkomen, wat ze ook was. Meestal.
‘Welke is het dichtstbij?’
‘Het zuivelbedrijf. Maar wat we daar kopen kan bederven als we daarna nog naar de varkensboerderij gaan. Zullen we dus eerst maar naar de varkens gaan kijken?’
Hij dacht even na en knikte toen. ‘Oké, jij bent de baas. Maar let wel goed op dat we niet verdwalen.’
Ze voelde zich al weer wat rustiger en genoot van zijn gezelschap, zodat de neiging om hem uit te dagen weer kwam opzetten. ‘Pardon? Jij bent hier degene die de verkeerde weg nam en in een greppel reed.’
In de achteruitkijkspiegel zag ze dat hij zijn ogen ten hemel sloeg. ‘Ik wist dat je me dat eeuwig zou blijven nadragen.’
Zoë glimlachte. Iets in de manier waarop hij het zei schiep een band, alsof ze een team of een stel waren dat er samen opuit trok. De gedachte sprak haar zo aan dat ze zichzelf meteen tot de orde riep. Ze waren geen team: Gideon was jurylid en zij kandidaat in een wedstrijd die, met een beetje geluk, door miljoenen kijkers zou worden bekeken. Het was waanzin om verliefd te worden op Gideon. Hij zou nooit op haar vallen en haar misschien alleen zien als een makkelijk tussendoortje omdat er niemand anders voorhanden was. Met zijn uiterlijk – niet uitgesproken knap, maar ontegenzeglijk sexy – zou hij elke vrouw kunnen krijgen. Maar zelfs áls ze iets met hem zou willen – en als ze heel eerlijk was, wilde ze dat – zou ze wel gek zijn als ze toegaf aan haar gevoelens. Ze moest haar hoofd koel houden en haar kansen om de wedstrijd te winnen niet op het spel zetten. Ze was een moderne jonge vrouw met aspiraties die ze niet wilde opofferen voor een man, hoe aantrekkelijk hij ook was.
‘Volgens mij is het hier,’ zei ze toen ze een zijweg naderden, die half verscholen lag achter hoge, ongesnoeide hagen. In mei was het platteland een en al kleur en was het blad van de bomen frisgroen, zoals het blad alleen in mei groen kon zijn. Zoë genoot. ‘Volgens Rupert was het uithangbord moeilijk te zien is, maar het zou bij een enorme eik moeten zijn.’
‘Ik heb niet zo’n verstand van bomen, maar dat klinkt als een goed herkenningspunt.’ Hij schakelde terug, sloeg de weg in die ze aanwees en reed in een te hoge versnelling het hobbelige zandpad op. ‘Als dit een doodlopende weg is, hoop ik dat je de auto wel weer gekeerd krijgt.’
‘Fluitje van een cent.’ Ze keek hem uitdagend aan.
Uit de blik die hij haar toewierp maakte ze op dat hij het niet gewend was te worden uitgedaagd. Ze besloot het vaker te doen, voor zijn eigen bestwil uiteraard. Ze merkte dat ze het heerlijk vond om met hem te flirten.
Het weggetje werd omzoomd door boomgaarden waar zwarte varkens onder bomen in de grond wroetten. Het idyllische plaatje deed Zoë verlangen naar het buitenleven. De stad waar ze was opgegroeid en waar haar ouders nog altijd woonden, was niet bepaald een metropool, maar het echte platteland had, in tegenstelling tot de romantische versie, iets zeer aantrekkelijks.
‘Dat zouden wel eens ciderbomen kunnen zijn,’ zei ze hardop, om haar dagdromen te verbergen. ‘En dan geven de appels waarschijnlijk een heerlijke smaak aan het vlees.’
Gideon lachte. ‘Zolang de varkens er niet te veel van eten en niet dronken worden.’
‘Kunnen varkens dronken worden?’ vroeg Zoë verbaasd.
‘Jazeker. Maar ik weet niet of ze ook last van een kater hebben.’
Haar fantasie werd geprikkeld. ‘Ik zie de boer al met volle emmers aspirine in de weer.’
‘En stel je de boertjes voor die de varkens laten,’ zei Gideon. ‘Snoezig toch?’
Terwijl hij de auto parkeerde, wierp ze hem een zijdelingse blik toe. Een man die varkens snoezig vond moest wel deugen. Niet dat ze dacht dat hij niet deugde, maar eigenlijk wilde ze dat hij geen dingen zei die hem nog leuker maakten.
Gideon stapte uit. Er was niemand te bekennen. ‘Hebben ze een winkel?’ vroeg hij aan Zoë. ‘Of een bel?’
‘We bellen gewoon aan bij de voordeur en hopen dat er iemand opendoet.’ Ze zuchtte. ‘Ik weet niet hoe het er op een boerderij aan toegaat, maar ik kan me voorstellen dat er vaak niet wordt opengedaan, omdat ze elders op het bedrijf aan het werk zijn.’
Ze belden aan en terwijl ze wachtten, genoten ze van de zon en de bloemenborders aan weerszijden van de voordeur, totdat ze een stem hoorden. ‘Kan ik u ergens mee van dienst zijn?’
In de deuropening verscheen een vrouw van in de dertig. Ze droeg een t-shirt en een spijkerbroek in rubberlaarzen. Een haarband hiel haar achterovergekamde haar bij elkaar en ze was onopgemaakt. Haar brede glimlach maakte make-up totaal overbodig. ‘Sorry, maar ik was de kleintjes… Eh, de biggetjes, bedoel ik natuurlijk.’
‘O, mogen we ze zien?’ vroeg Zoë.
‘Ik zou me maar niet hechten aan iets wat je misschien nog moet opeten,’ zei Gideon. Hij liep met de twee vrouwen mee naar de biggetjes.
‘Ik hoef ze toch niet op te eten, hoop ik?’ zei Zoë.
‘Ik bedoelde alleen…’
De vrouw achter wie ze aan liep zuchtte. ‘Je praat net als mijn man. Trouwens, ik ben Jess Rose. Jullie zijn toch door Fen en Rupert gestuurd? Ze belde om te zeggen dat jullie eraan kwamen. Oké, hier is het.’
In de stal lag een zeug zo groot als een gezinsauto met twaalf biggetjes, die eruitzagen als zijden zakjes met pootjes.
‘O, wat schattig!’ riep Zoë uit. Gideon trok een wenkbrauw op maar ze zag aan zijn gezicht dat hij er net zo over dacht.
‘Ja, hè?’ beaamde Jess. ‘En toch eten we ze op. Tot aan de slacht geven we ze een zo goed en natuurlijk mogelijk leven.’
‘Geef je ze namen?’ Zoë fluisterde bijna.
Jess schudde haar hoofd. ‘De biggetjes niet, de zeugen wel.’
Zoë scheurde haar blik los van de friemelende hoop knorrende varkentjes, die haar aan labradorpups deden denken. ‘Dit is niet verstandig. We zijn hier voor het vlees. Ik kom de bestelling van Fen ophalen, maar ik ben ook op zoek naar het beste varkensvlees voor een kookwedstijd.’
Jess glimlachte breeduit. ‘Kom maar mee. Ik heb waarschijnlijk precies wat je zoekt.’
Ze liepen met haar mee naar de schuur, waar zes stukken vlees hingen. ‘Buikvlees,’ zei Jess. ‘Mijn huisgemaakte pancetta.’
Gideon en Zoë wisselden een blik. ‘Wist Fen dat jullie dit hadden?’ vroeg Zoë.
‘Nee hoor! Ik wilde eerst weten of het zou lukken voordat ik het aan de grote klok hing.’
‘Daar wil ik dan graag wat van,’ zei Zoë.
‘Heb je al een gerecht in gedachten?’ vroeg Gideon.
‘Geen idee. Maar als ik het wist, zou ik het jou niet vertellen,’ zei Zoë, zich er maar half van bewust hoe kinderachtig ze klonk. ‘Is het erg duur?’
Ze vertrokken van de boerderij met een paar pakjes op de achterbank. ‘Ik ben zo blij met die pancetta,’ zei Zoë. ‘Dat hebben de anderen zéker niet.’
‘Je zult er wel iets speciaals mee moeten doen,’ zei Gideon. ‘Goede ingrediënten is slechts het begin.’
‘O, doe niet gelijk zo serieus. Laten we eerst dat zuilvelbedrijf zoeken.’ Maar in haar herinnering kwam een recept uit een kookboek van haar moeder uit de jaren zeventig bovendrijven.
Na een aantal keren verkeerd te zijn gereden en gekronkel over smalle weggetjes bereikten ze hun volgende bestemming. Zoë genoot met volle teugen. Gideon was aangenaam gezelschap en het was een mooie meidag. De wereld zag er vrolijk uit.
Ook nu parkeerden ze weer achter een pittoreske boerderij. Vervolgens liepen ze door de boerderijtuin langs een paar koeien met interessante strepen op hun rug naar de voordeur van de boerderij en drukten op wat naar ze hoopten de goede bel was. Toen ze zich na een paar minuten net begonnen af te vragen of ze voor de verkeerde deur stonden, werd er door een aantrekkelijke vrouw met een vriendelijke glimlach opengedaan.
‘Fen belde om te zeggen dat jullie eraan kwamen,’ zei ze. ‘Welkom! Ik ben Susan. Ze vroeg of ik jullie alles wilde laten zien, dus niet alleen onze kaas en room. Maar daar wou ik wel mee beginnen. Loop maar mee.’
Zoë liep geïnspireerd achter Susan en Gideon aan. Deze vrouw zou uitstekende producten hebben waar de andere kandidaten geen weet van hadden, en dat zou haar een lichte voorsprong geven. Ze wist dat ze goed kon koken maar vermoedde dat een paar andere kandidaten beter waren. Ze hadden alleen nog niet de kans gekregen om uit te blinken. Wilde ze de wedstrijd winnen, dan zou ze iets extra’s moeten toevoegen.
‘Willen jullie zien waar de producten bereid worden? Of alleen de winkel?’
Gideon keek op zijn horloge. ‘Hmm, we zijn al behoorlijk lang onderweg.’
‘We hebben vandaag al naar biggetjes gekeken en bacon en varkensvlees gekocht,’ zei Zoë. ‘En cider.’
Susan lachte. ‘Dan weet ik waar jullie geweest zijn. Als jullie geen tijd voor een rondleiding hebben, dan laat ik jullie de winkel zien. Dat komt mij eerlijk gezegd ook beter uit.’ Ze ging hun voor naar een klein gebouw en opende de deur. ‘Dit was ooit een koeienstal.’
‘Ik logeer op Somerby ook in een verbouwde koeienstal,’ zei Zoë.
‘Ja, Rupert en Fen pakken het heel creatief aan. Nou, kijken jullie maar even rond. Bijna alles komt van onze eigen boerderij of van de boerderij hiernaast.’
Zoë wist inmiddels wat haar hoofdgerecht zou worden en omdat ze ook al een idee voor een voorgerecht had, moest ze zich concentreren op het dessert. Ze wilde iets origineels serveren, en dat hield in dat ze niets met zomerfruit zou doen.
Gideon slenterde weg om het eindstadium van het kaasproces van dichtbij te bekijken zodat Zoë in alle vrijheid haar ingrediënten kon uitzoeken. Was hun gezamenlijke uitstapje tegen de regels? Als ze heel eerlijk was, stond er nergens dat je geen andere leveranciers in de streek mocht bezoeken in gezelschap van een jurylid.
‘Zoek je iets speciaals?’ vroeg Susan toen Zoë de hele winkel rond was gegaan zonder iets te kiezen.
‘Het probleem is dat ik niet weet wat ik nodig heb, behalve dat het ingrediënten moeten zijn voor een bijzonder dessert en dat het van streekproducten moet worden gemaakt.’
‘De aardbeien zijn heerlijk.’
‘Dat geloof ik graag, maar ik vrees dat iedereen iets met zomerfruit zal doen.’ Ze pakte een pot honing van een plank.
‘Oom Jims honing is heel bijzonder.’
‘Die neem ik sowieso. Ik ben dol op honing.’
‘Ik ook. En het smaakt ook nog eens heerlijk bij kaas.’
Zoë was nu een en al aandacht. ‘O ja?’
‘Ja. Kom, dan laat ik je iets proeven.’
Susan opende een koelkast en haalde er een stuk kaas uit en pakte een pot honing van een plank. Ze smeerde een beetje honing op de kaas. ‘Hier, proef maar eens. Dit is geen echte Single Gloucester omdat we buiten het gebied zitten waar die kaas geproduceerd mag worden, maar hij wordt op dezelfde wijze gemaakt.’
Zoë stak het stukje kaas met honing in haar mond. Susan vervolgde: ‘We houden hier Gloucester-koeien omdat het een heel zeldzaam ras is. Een vriendin van mij, die ik van een cursus kaasmaken ken, maakt deze kaas. Het is een van mijn favorieten. Wij noemen hem Single Littlechurch.’
Susan keek weer in de koelkast. ‘Dit is de kaas die we zelf maken. Hij smaakt naar brie.’
‘Is die ook lekker met honing?’ vroeg Zoë. Het gonsde in haar hoofd van de ideeën.
Susan glimlachte. ‘Probeer maar!’
Zoë kon even geen woord uitbrengen. ‘Heerlijk! Deze wil ik ook.’
‘Heb je een onbeperkt budget?’
‘Niet onbeperkt maar wel ruim.’ Ze at en dacht even na. ‘Maar voor een dessert heb ik toch een zuurder soort fruit nodig, dus geen aardbeien of frambozen.’
‘Moet het vers fruit zijn?’
‘Niet per se.’
Susan gebaarde naar de schappen. ‘Kijk anders even bij het ingemaakte fruit.’
‘Kroosjes? Wat zijn in hemelsnaam kroosjes? Daar heb ik nog nooit van gehoord,’ zei Zoë even later.
‘Een soort wilde pruim. Ze groeien hier aan de hagen. We hadden er dit jaar ontzettend veel van. Mijn moeder maakt ze in.’
Zoë pakte een pot van het schap en bekeek het gele fruit. ‘Daar wil ik er ook graag een paar van. Heb je ook room?’
‘Natuurlijk! En probeer hier op het platteland maar eens betere room te vinden dan de onze!’
Na nog meer ingrediënten te hebben ingeslagen, vooral bij boerderijwinkels, keerden ze terug naar Somerby. Tot Zoë’s opluchting kwamen ze onderweg niemand tegen. Niet dat ze iets ongeoorloofds deed, maar het voelde toch niet goed dat ze zoveel tijd met iemand van de jury had doorgebracht. Ze was zeer tevreden over haar aankopen en blij dat Gideon ondanks zijn aanwezigheid niet precies wist wat ze ging maken. Ze merkte dat ze het leuk vond hem te kunnen verrassen. Fenella en Rupert hadden voor iedereen een high tea georganiseerd, waar Zoë veel zin in had, vooral ook omdat zij het niet hoefde te bereiden.
Gideon parkeerde de auto voor het huis en net toen Zoë uitstapte, kwam Cher de hoek van het huis om. Het leek wel of ze een zesde zintuig had, dacht Zoë schuldbewust.
‘O, hallo. We vroegen ons al af waar je was. Heb je een lift kunnen regelen?’
Toen Cher Gideon zag uitstappen, hapte ze naar adem.
‘Aha! Ik snap het al.’ Ze giechelde meisjesachtig. ‘Is het niet tegen de regels om aan te pappen met de jury?’
‘Het is tegen de regels om het andere kandidaten onmogelijk te maken ingrediënten in te gaan slaan,’ zei Gideon kalm.
‘Hoezo?’ Cher speelde de vermoorde onschuld.
‘Jij bent alleen vertrokken in een taxi, zodat er voor Zoë geen plek was,’ verklaarde hij.
‘Duh! Nou sorry hoor. Op dat moment leek het erop dat er meer dan genoeg taxi’s waren.’ Haar gespeelde verontschuldiging ging gepaard met een tandpastaglimlach en een zwoele blik op Gideon.
‘Ach, wat maakt het ook uit. Ik heb nu wat ik nodig heb,’ zei Zoë.
Even had ze liever geen ingrediënten gehad dan dat ze moest toezien hoe Cher met Gideon flirtte. Maar meteen gaf ze zichzelf een standje. Onzin. Zo te zien was Gideon immuun voor Chers versiertrucjes en bovendien had zij, Zoë, geen alleenrecht op hem.
Nadat hun zorgvuldig gemerkte pakketten met ingrediënten in bewaring waren gegeven voor de uitdaging van de dag erop en de heerlijke high tea met scones en dikke room was genuttigd, wandelde iedereen terug naar zijn kamer. De tijd tot aan het avondeten was vrij te besteden.
Aangezien Cher onder de douche was gegaan toen Zoë Fenella’s boodschappen afleverde in het huis, zette Zoë haar laptop aan. Ze wist dat Cher nog wel even bezig zou zijn en wilde een recept opzoeken. Ze had het recept net gevonden toen Cher, gewikkeld in een handdoek, achter haar kwam staan en over haar schouder meekeek, waarbij ze zo ver vooroverboog dat er een druppel op haar toetsenbord viel. Zoë sloot de website af en zette haar laptop uit.
‘Beetje nerveus over wat je morgen wilt gaan maken?’ zei Cher.
‘Ik? Weet jij dan al wat je gaat maken?’ vroeg Zoë.
‘O, dat ga ik jou niet vertellen. Tenzij jij mij vertelt wat jij gaat koken. Per slot van rekening moeten we voorkomen dat we hetzelfde maken.’
Zoë was geen spelletjesmens, maar ze begon het te leren. ‘O, oké dan,’ zei ze opgewekt. ‘Daar zit iets in. Jij eerst.’
Chers gezichtsuitdrukking verhardde bijna onzichtbaar terwijl ze zich aankleedde. Blijkbaar vond ze het niet vervelend dat in Zoë’s bijzijn te doen, maar met een lichaam als het hare had ze ook niets te verbergen. ‘Nee, jij eerst.’ Ze bewonderde zichzelf uitgebreid in de spiegel.
‘Oké. Ik wil iets maken uit een kookboek van mijn moeder. Een soort soezendeeg dat je heet frituurt.’
Cher trok een vies gezicht. ‘Brr, wat een calorieënbommen!’
‘Wat maakt dat nou uit? We hoeven ze zelf toch niet te eten? En jij?’
‘O, ik ben er nog niet uit. Ik denk er liever nog even over na.’
Zoë overwoog aan te dringen, maar eerlijk gezegd was ze er zelf ook nog niet helemaal uit. Gelukkig was gefrituurd soezendeeg slechts één van haar ideeën.
Het minibusje bracht iedereen naar de pub in het dorp, maar slechts een paar van hen wilden tot laat in de avond blijven. Cher vertrok vroeg, omdat ze een lift kon krijgen van een dorpeling die ze in de bar had aangesproken en voldoende vertrouwde om haar naar huis te brengen. Hoewel Zoë slechts twintig minuten later arriveerde, zat de deur op slot toen ze bij haar kamer aankwam.
‘Het moet niet gekker worden,’ mopperde Zoë, nadat ze een tijdlang tevergeefs op de deur had gebonsd. Ze scrolde door haar ontvangen sms’jes in haar mobiel in de hoop dat ze Chers nummer had, zodat ze haar kon bellen om te vragen of ze de deur voor haar kon opendoen. ‘Cher?’ riep ze. ‘Ik ben het! Zoë. Je kunt nog niet slapen! Laat me erin!’
Er kwam geen antwoord. Het was zo stil aan de andere kant van de deur dat Zoë zich afvroeg of ze er wel was. Even was ze bang dat Cher door de onbekende liftgever was ontvoerd. Maar iedereen in de pub leek hem te kennen en hij had het steeds over zijn vrouw en kinderen gehad.
Niettemin flitsten er een paar scenario’s door Zoë’s hoofd waarin Cher op gruwelijke wijze was vermoord, totdat haar oog ineens op een haarspeld op de trap naar de voordeur viel. Ze was zo er goed als zeker van dat de speld er niet had gelegen toen ze naar de pub vertrokken, dus het kon niet anders of Cher was thuis.
Weer riep Zoë door de deur, maar toen ze nog altijd geen antwoord kreeg, liep ze om de koeienstal heen om te kijken of er misschien een raam openstond waardoor ze naar binnen kon klimmen. Er stond niets open. Ze tuurde door een van de ramen en zag Chers tas staan. Ze was dus niet vermoord – nóg niet!
Het ging haar te ver de andere kandidaten op het terrein te wekken. Trouwens, wat konden ze doen? Er was maar één oplossing: in het huis naar de reservesleutel zoeken. Die moest er zijn. Hoewel het al ruim na tienen was en Fenella waarschijnlijk al in bed lag, liep ze naar het huis. Misschien was Rupert nog op.
Haar hoop vervloog toen ze bijna bij de achterdeur was. Op de benedenverdieping brandde nergens licht. Ze zag een verlicht raam op de eerste verdieping, maar het souterrain, waar de keuken zich bevond, leek verlaten. Hoewel ze wist dat het geen zin had, probeerde ze de achterdeur. Natuurlijk was die op slot.
‘Dit is toch te gek!’ mopperde Zoë. Ze liep boos terug naar de koeienstal. Deze keer móést en zou ze Cher wakker krijgen.
Ze bonsde op de deur totdat haar vuist er pijn van deed. Geen reactie. Er zat niets anders op dan terug te gaan naar het huis en steentjes tegen het verlichte raam te gooien, in de hoop Ruperts aandacht te trekken. Ze liep snel de helling naar het huis weer op, voortgedreven door een ergernis die grensde aan woede. Wat moest ze doen als ze haar kamer niet in kon? Ze moest toch ergens slapen!
Toen ze hijgend bij de voordeur aankwam, hoorde ze een auto op de oprijlaan. Een grote opluchting maakte zich van haar meester. Eindelijk iemand die haar kon helpen! Ze was nog opgeluchter toen ze zag dat het Gideon was. Hij zou wel denken dat ze dom of niet goed bij haar hoofd was dat ze haar kamer niet in kon, maar hem kende ze tenminste.
‘Wat doe jij hier?’ vroeg hij. ‘Ben je in de keuken bezig geweest met je gerechten voor morgen? Of wou je Rupert of Fen nog spreken?’
‘Geen van beide! Mijn kamergenoot is zo slim geweest me buiten te sluiten en nu hoop ik dat ik binnen een reservesleutel kan vinden.’ Ze zweeg even. ‘Er zal toch wel ergens een reservesleutel zijn?’
‘Ik heb zelf geen sleutel, maar ik weet waar de sleutel van de achterdeur ligt. Kom, dan lopen we even achterom.’
Zoë ontspande zich. Nog even en ze kon naar bed. Cher zou het er morgenvroeg niet levend vanaf brengen.
De sleutel lag boven een zware, oude deur naar een van de kelders en het duurde niet lang of Gideon had de achterdeur open. Toen ze door de gang naar de keuken liepen en Zoë haar voorhoofd afveegde, merkte ze dat ze bezweet was.
‘Hè hè, nou lust ik wel een kop thee,’ verzuchtte ze toen ze de keuken binnengingen. Ze schoof de ketel op de hete plaat. Het was een noodgeval en dan ging thee er altijd in. Ze zweette dan wel maar had het desondanks behoorlijk koud gekregen. ‘Jij ook thee? Dan kijken we daarna of we de reservesleutel kunnen vinden.’
‘Graag.’ Gideon trok een stoel naar zich toe en ging aan de lange tafel zitten.
Ze dronken thee in een gemoedelijke stilte. Zoë merkte dat ze eindelijk iets ontspande. Het kon niet anders of er hing een sleutelkastje met keurig gelabelde sleutels in de gang. Nu er iemand bij haar was die haar kon helpen, zag ze de situatie een stuk rooskleuriger in.
Het kastje was er, maar helaas hing er onder koeienstal geen sleutel.
‘Hoe is het mogelijk dat ze geen reservesleutel hebben?’ mompelde Zoë vertwijfeld. ‘Wat nu?’
‘We gaan terug naar de koeienstal. Misschien is de deur helemaal niet op slot en klemt hij alleen. Zo niet, dan proberen we Cher nog een keer wakker te krijgen.’
‘Ik heb alles al geprobeerd!’ Ze wreef over haar pols, die nog steeds pijn deed van het bonzen op de deur.
‘Als dat plan mislukt, schakelen we over op plan b.’
‘En dat is?’ zei ze, achter hem aan dravend.
‘Dat vertel ik je zodra ik erover heb nagedacht.’
Vreemd genoeg realiseerde ze zich dat ze opgelucht was toen ook Gideon de deur van de koeienstal niet open kreeg. Ze zou zich een ongelofelijke sufferd hebben gevoeld als de deur gewoon open bleek te zijn. ‘Oké, dan nu naar plan b,’ zei ze.
Hij lachte zacht. ‘Ik heb een idee, maar ik vrees dat jij dat niet ziet zitten.’
‘Als het betekent dat ik vannacht ergens kan slapen, ben ik allang blij,’ zei Zoë. Ze geeuwde.
‘Je zou op mijn kamer kunnen slapen. Dat is een balzaal,’ zei hij.
‘Geen probleem. Ik zou op een plank kunnen slapen als ik zou moeten, dus een balzaal moet ook lukken.’
‘Er staat maar één bed. Maar wel een heel groot bed.’
Zoë bleef staan. Ze waren bijna weer bij de achterdeur. ‘Grapje, hoop ik?’
‘Nee.’
‘Er moet toch nog wel ergens een andere kamer zijn waar ik kan slapen?’ zei Zoë. ‘Dit huis is zó groot.’
‘Ze zijn het aan het renoveren. De meeste kamers worden op dit moment opgeknapt en ingericht. Maar het grootste probleem is dat er geen bedden zijn.’
‘Ai,’ zei Zoë. ‘Maar ik móét nu echt slapen.’
‘Dan wordt het plan b. Ik heb de bruidssuite, die is net klaar. De schilders zijn er vandaag bezig geweest. Het bed is zo groot als een tennisbaan. Zeker voor het geval de huwelijksnacht niet helemaal soepel verloopt.’
‘Juist.’
‘Ik waarschuw je maar vast dat ik niet in de stoel ga slapen,’ zei hij vastberaden. ‘Eén, omdat we morgen allebei moeten werken en fit moeten zijn, en twee, omdat er geen stoel staat.’
‘O? Dus je kunt nergens je kleren op kwijt?’
‘Er staat een krukje bij de kaptafel.’ Hij opende de achterdeur. ‘Kom, er zit niks anders op.’
Schoorvoetend liep Zoë achter hem aan naar binnen en de twee trappen op naar de bruidssuite. Aan de ene kant vond ze het doodeng om bij hem in bed te moeten slapen, aan de andere kant vond ze het ook wel spannend. Ze kon er niet langer omheen dat ze zich sterk tot hem aangetrokken voelde. Dit was Gods manier om haar op de proef te stellen. Ze bleef bij de deur staan. ‘Ik heb geen tandenborstel en ook niets om in te slapen.’
‘Ik heb van die tandenragers bij me en je kunt wel een t-shirt van mij lenen. En nu niet zo preuts, want we hebben morgen allebei een zware dag voor de boeg.’
Zoë besloot zich niet langer te verzetten (wat, zo moest ze toegeven, makkelijker ging dan ze had verwacht) en ontdekte dat je een heel eind kwam met een tandenrager, tandpasta en een handdoek. En in zijn t-shirt zag ze er best fatsoenlijk uit, mits ze haar slipje aanhield. Het liefst had ze ook nog wat nachtcrème gehad, maar dat hield ze voor zich; hij zag er niet metroseksueel genoeg uit om crème in zijn toilettas te hebben.
Gideon zat rechtop in het grote bed. Hij droeg een kamerjas. Ze vroeg hem niet waarom. Ze ging ervan uit dat hij altijd naakt sliep maar haar niet in verlegenheid wilde brengen. Dat kon ze wel waarderen. Tot haar schrik verscheen er op dat moment een beeld van wat er onder de jas verborgen zat voor haar geestesoog en bloosde ze hevig. Snel stapte ze aan de andere kant van het bed onder het dekbed en ging zo dicht mogelijk tegen de rand aan liggen. Er zat nog ongeveer een centimeter of zeventig lege ruimte tussen hen. Dat kwam wel goed. Ze hoefde zich alleen maar voor te stellen dat Gideon een medestudent was, zodat het de normaalste zaak van de wereld was dat ze platonisch het bed deelden. Het probleem was echter dat de woorden ‘platonisch’ en ‘Gideon’ geen klik maakten in haar hoofd. Ze vond hem veel te aantrekkelijk. En hij was nog aardig ook. Hij offerde zich voor haar op. Dat maakte hem jammer genoeg alleen nog maar verleidelijker.
‘Er is helaas maar één bedlampje.’
‘Geeft niet. Ik heb mijn boek toch niet bij me. Trouwens, ik heb ook geen zin om te lezen.’
‘Dan doe ik het licht nu uit.’ Het klonk nogal formeel, als je bedacht dat ze het bed deelden. Maar blijkbaar vond hij het niets bijzonders en voelde hij zich niet ongemakkelijk onder de situatie.
‘Dank je. Welterusten.’ Ze ging op haar zij liggen, de houding waarin ze altijd in slaap viel. Ze hoorde dat hij zich ook omdraaide.
Maar door de beweging ontstond er een tent in het midden, en dus schoof ze een stukje terug. Toen sloot ze haar ogen.
Maar ook al was ze doodmoe, ze kon de slaap niet vatten. Het liefst zou ze zich even omdraaien, maar Gideon was zo stil dat hij waarschijnlijk al sliep, en ze wilde niet dat hij wakker van haar werd.
Ze probeerde zich op haar programma van de volgende dag te concentreren. Ze had haar menu zo goed als rond en wist waar ze de recepten kon vinden, maar haar bijzondere ingrediënten hielden haar uit haar slaap.
Ze had honderden recepten in haar laptop opgeslagen en mocht, zo was hun verteld, zelf recepten meenemen voor de wedstrijd. In theorie hoefde ze morgen alleen nog even de recepten die ze nodig had uit te printen op haar miniprinter. Maar ze had geen recept waarin zachte kaas, honing en kroosjes werden gebruikt. Ze had genoeg kwaliteit in huis om een eersteklas hoofdgerecht te bereiden, maar haar ideeën voor het dessert waren nogal voorspelbaar. Wat haar enigszins geruststelde was dat ze uitstekende ingrediënten had, die de andere kandidaten waarschijnlijk niet hadden.
Door al het gepieker lukte het haar niet zich te ontspannen. Integendeel, het was zo druk in haar hoofd dat ze steeds wakkerder leek te worden.
Ze probeerde een kalmerende bezigheid te verzinnen: terugtellen (saai), nagaan hoeveel recepten ze uit haar hoofd kende (te zeer verbonden met de wedstrijd), de verjaardagen van haar schoolvriendinnen opsommen (zinloos omdat ze allemaal op Facebook stonden).
Aan de andere kant van het bed bewoog het dekbed. ‘Kun je niet slapen?’ zei Gideon in het donker.
‘Sorry! Ik probeer zo stil mogelijk te liggen.’
‘Je ligt stil, maar je bent veel te gespannen. Dat voel ik.’
‘Ik weet niet wat ik eraan kan doen. Ik moet steeds aan het menu van morgen denken. Maar als ik niet goed slaap, functioneer ik niet goed.’ Ze ademde een keer diep in en uit.
Hij dacht even na. ‘Wat zou je thuis doen als je niet kon slapen?’
‘Dat overkomt me zelden. Ik ken geen slaaptrucjes. Ik heb al van alles geprobeerd, maar daar word ik alleen maar wakkerder van.’
Ze hoorde hem weer bewegen en het volgende moment ging het bedlampje aan. ‘Ik ben geneigd te zeggen dat gepassioneerde seks het beste ontspanningsmiddel is, maar ik ben bang dat dat niet zal helpen.’
‘Nee,’ piepte ze. Hield hij haar voor de gek? De opmerking alleen al maakte haar nog onrustiger. Onder de juiste omstandigheden, waar ze zich niet meteen een voorstelling van kon maken, zou ze hem maar al te graag in de armen zijn gerold. Maar niet nu.
‘Oké, dan ga ik doen wat mijn moeder vroeger deed als ik ziek was.’
‘O?’ Dat klonk aardig veilig, ervan uitgaande dat zijn moeder geen heks was.
‘Ze las me voor. En ik heb een boek bij me dat je misschien wel zal aanspreken.’
Ze hoorde hem opstaan, in zijn tas rommelen en weer in bed stappen.
‘Nu moet je je een beetje lekker tegen me aan nestelen, want dat hoort bij het ontspanningsritueel. Leg je hoofd maar op mijn schouder.’
Het duurde even voordat Zoë comfortabel zat, maar ze merkte direct dat het menselijke contact iets van haar stress wegnam. Zijn aanbod had uiteraard niets met seks te maken. Hij wilde aardig zijn en vooral praktisch. Ze hadden beiden hun slaap nodig, en door haar te helpen hielp hij zichzelf. Even voelde ze een lichte teleurstelling, maar toen nam ze zich voor zich te koesteren in zijn nabijheid.
‘Oké. Sluit je ogen maar.’
Hij begon voor te lezen. Na een paar regels zei ze: ‘Hé, dit ken ik! Elizabeth David. Al een oudje, maar wel leuk geschreven. Welk boek is het?’
‘Doet er niet toe, luister nu maar.’
Hij had een prachtige stem, die veel mooier klonk nu hij voorlas en niet doceerde. Ze genoot zo van zijn stem en de heerlijke schrijfstijl van Elizabeth David dat ze niet meer wilde slapen. Ze wilde alleen nog maar luisteren.
Zoë was die nacht één keer wakker geworden en had zich meteen druk liggen maken over de volgende ochtend. Als ze in de kleren van de vorige dag en geurend naar Gideons douchegel aan de keukentafel verscheen, had ze iets uit te leggen.
Maar ze had zich nog niet omgedraaid, of ze dommelde weer weg, vastbesloten vroeg op te staan en weg te zijn voordat Gideon wakker werd. Ze wilde eventuele ongemakkelijke ‘jij eerst, nee, jij eerst’-gesprekken over de badkamer vermijden.
In plaats daarvan werd ze echter gewekt door een aangeklede Gideon die een kop thee op het tafeltje naast haar zette en haar een bord met een snee toast aanreikte.
‘Goedemorgen. Sorry, maar je zult je tanden in een boterham moeten zetten.’
Ze staarde hem aan. De avond ervoor had hij haar in slaap gepraat met zijn mooie stem en verhalen over de mediterrane keuken, nu moest ze haar tanden maar in een stuk toast zetten. Ze nam het bord dankbaar aan. Zijn dubbelzinnige opmerking haalde de scherpe kantjes van de gênante situatie af.
‘Dank je. Hoe laat is het? Ik had vroeg op willen staan.’
‘Halfacht. Cher doet helaas nog steeds niet open, maar Fen is op zoek naar de reservesleutel. Ik dacht dat je ondertussen wel zin zou hebben in een ontbijtje.’
Zoë nam een slok van haar thee. ‘Wat aardig van je. Wat vond Fen ervan dat ik hier heb geslapen?’
‘Niets om je voor te schamen. Ik geloof dat ze Cher niet zo mag. Maar ze vond wel dat we haar wakker hadden moeten maken.’
‘Zei Fen dat? Dat ben ik niet met haar eens.’
‘Rupert ook niet. Maar ik ga nu. Ik neem aan dat je gauw weer bij je tandenborstel kunt.’
Zodra Zoë alleen was, leunde ze achterover in de kussens en sloot haar ogen. Ze had het heerlijk gevonden om het bed met Gideon te kunnen delen. Hoewel ze hem bijna ondraaglijk sexy vond, waren ze op een bijzondere manier intiem geweest. Tenminste, zo voelde zij dat. Maar vanochtend deed hij weer even kortaf en zakelijk als altijd en het ergerde haar dat ze zo moeilijk hoogte van hem kon krijgen.
En ze moest de werkelijkheid onder ogen zien: gêne, en het feit dat slapen met een jurylid, hoe onschuldig ook, tegen alle regels in ging. Ze zag op tegen de confrontatie, zozeer zelfs dat het voldane gevoel wegsijpelde, als koud water uit een warmwaterkruik. Aanvankelijk is het nauwelijks merkbaar, maar al snel wordt de kou onverdraaglijk en moeten de natte lakens worden vervangen.
Zoë sprong uit bed en holde naar de badkamer, alsof het bed daadwerkelijk koud en nat was geworden. Een warme douche moest haar er weer bovenop helpen.
Gelukkig waren Fenella en Rupert niet in de keuken toen ze via de achterdeur het huis uit sloop en zich naar de koeienstal haastte. Cher stond onder de douche toen Zoë de kamer binnenkwam. De woede die ze de avond ervoor had gevoeld kwam weer opzetten. ‘Cher?’ schreeuwde ze door de badkamerdeur. ‘Wat is er in godsnaam gebeurd? Waarom kon ik er vannacht niet in? Waarom had je de deur op slot gedaan?’
De kraan werd dichtgedraaid en Cher, die waarschijnlijk besefte dat ze Zoë niet kon ontlopen, kwam met een handdoek om zich heen geslagen de badkamer uit. ‘O, het spijt me verschrikkelijk! Wat een nachtmerrie! Ik had een paar pillen genomen tegen de hoofdpijn en ben in coma geraakt.’
‘Maar waarom heb je de deur op slot gedaan? Je wist toch dat ik niet veel later dan jij zou komen?’
‘Ik denk dat ik dat onbewust heb gedaan. Het spijt me echt heel erg!’
Zoë haastte zich langs Cher de badkamer in. Misschien dat ze zich wat beter zou voelen als ze haar tanden had gepoetst en zich had opgemaakt.
Een schone outfit deed ook wonderen, en omdat ze nu in Chers buurt kon zijn zonder haar te willen vermoorden, liep ze naar haar laptop om haar recepten te downloaden. Tot haar verbazing was de accu leeg, hoewel ze de laatste keer met de adapter had gewerkt. Maar de laptop bleek niet langer aangesloten op het elektriciteitsnet en reageerde niet. Ze begreep er niets van.
‘Cher? Heb je aan mijn laptop gezeten?’
‘Waarom zou ik? Ik heb zelf een laptop.’
Zoë liep gefrustreerd met haar computer naar de adapter. Ze had niet veel tijd meer. Nog even en ze zou zich moeten melden voor de kookopdracht. Maar haar adapter was weg. Ze zocht alles af. Ze had niet eens tijd meer om Rupert en Fenella te vragen of ze hun computer mocht gebruiken. Toen ze aan Cher vroeg of ze de adapter had gezien, haalde ze haar schouders op.
‘Moet je nu zonder recepten koken?’ vroeg ze.
Zoë bromde iets onverstaanbaars.