8
De volgende ochtend werden ze om zeven uur gewekt door Zoë’s telefoon en onder het aankleden en het ontbijt werd er niet veel meer gezegd dan ‘wil je thee of koffie?’ Zoë deed haar best er niet over in te zitten dat Cher probeerde haar tegen te werken, omdat het anders onmogelijk zou worden een kamer te delen.
Cher keek uit het raam. ‘Het regent dat het giet. Dat we nu uitgerekend vandaag in een weiland moeten koken!’
‘Het is niet anders. Trouwens, we hebben gisteren ook buiten gekookt.’ Ze vervolgde: ‘Heb je al eens eerder zoiets gedaan?’
‘Ik kijk wel uit.’
Zoë was niet verbaasd. Ze kon zich Cher niet als padvindster voorstellen. Waarschijnlijk was ze niet verder gekomen dan een vakantie in een luxe stacaravan.
Ze aten zwijgend hun muesli met yoghurt op en begaven zich naar de bus.
‘Oké jongens!’ zei Mike toen ze op een mooie plek op een halfuur rijden van Somerby waren aangekomen en veilig onder het tentzeil stonden. ‘Twee teams van vier man. De jury beslist wie bij wie in de groep komt en wat er moet gebeuren.’
Terwijl de cameraploeg alles opstelde, kruiste Zoë haar vingers, in de hoop dat ze niet bij Cher zou worden ingedeeld. Niet omdat ze bang was dat Cher te veel zout op haar aardappels zou doen – als ze in dezelfde groep kwamen, zou ze zichzelf niet willen benadelen – maar omdat Cher zonder elektriciteit en stromend water totaal onthand zou zijn.
‘Goedemorgen kandidaten!’ zei Anna Fortune. ‘Ik hoop dat jullie allemaal goed hebben geslapen, want het wordt een zware dag.’
Zoë bloosde maar besefte tegelijkertijd dat ze niet paranoïde hoefde te worden. Het feit dat Cher vermoedde waar ze die bewuste nacht had geslapen, wilde nog niet zeggen dat de jury – behalve Gideon natuurlijk – wist wat er was voorgevallen. Daar was geen reden toe. ‘Jullie gaan een stevige lunch bereiden voor twee groepen wandelaars. Tegen de tijd dat ze hier aankomen, hebben ze er tien kilometer op zitten en zijn ze kletsnat en… hebben ze honger! Dan hebben ze zin in soep, een hoofdgerecht en een toetje, en wel vanaf klokslag twaalf uur. Dat betekent dat jullie drie uur de tijd hebben. Het winnende team zal worden aangewezen door de wandelaars, maar de jury beslist wie van het verliezende team eruit gaat. Fred, maak jij de verdeling van de groepen bekend?’
Fred glimlachte vriendelijk en haalde een vel papier uit zijn zak. ‘Oké, we hebben twee teamleiders: Muriel en Bill. In Bills team zitten Shona, Alan en Becca. Muriel heeft…’
Zoë luisterde al niet meer. Zodra ze begreep dat ze bij Cher in de groep zat, zakte ze in. Natuurlijk zat ze ook bij Shadrach, die een uitstekende kok leek, maar het moest nog maar blijken of hij zich zonder messen en snijplanken zou redden. Bovendien was hij behoorlijk slordig. Zoë wist dat Muriel zich er wel doorheen zou slaan, en dat gold ook voor haarzelf. Werken in een klein, slecht uitgerust eetcafé bracht met zich mee dat ze gewend was te koken met een eenvoudige keukenuitrusting.
‘De ingrediënten staan daar.’ Fred gebaarde naar een paar stapels dozen in een van de hoeken van het overdekte terrein. ‘Spreek af wat jullie willen koken en zoek de ingrediënten bij elkaar. De teamleiders beslissen wie wat voor zijn rekening neemt. Over hun beslissing wordt niet gediscussieerd. Jullie hebben drie uur de tijd.’
‘Oké, mensen,’ zei Muriel tegen haar groep. ‘Loop maar met mij mee, dan brengen we eerst de ingrediënten naar onze werktafel. Ik beslis wat er gedaan moet worden.’
‘Ik schil geen aardappels,’ zei Cher.
‘Hoezo, ik schil geen aardappels?’ zei Zoë. ‘Zit jij soms genetisch anders in elkaar dan wij?’
Cher trok een vies gezicht naar haar. ‘Ik schil gewoon geen aardappels. Dan weten jullie dat alvast.’
Zoë hoorde Muriel iets mompelen terwijl ze met Shadrach in haar kielzog naar de dozen liep.
‘Kom, we moeten meehelpen.’ Zoë trok Cher aan haar mouw mee.
‘Gadver, als ik érgens geen zin in heb,’ klaagde Cher.
‘Kom op, we moeten het samen doen,’ zei Zoë. ‘Als we verliezen, moet een van ons eruit. Als jij er met de pet naar gooit, ben jij dat.’
Eindelijk overtuigd liep Cher met Zoë mee naar de plek waar Muriel en Shadrach al in de dozen met levensmiddelen stonden te graaien en de benodigde ingrediënten in een mand deden. Aanvankelijk mopperde ze nog, maar zodra ze merkte dat er een camera op haar werd gericht, begon ze te stralen. Liep de cameraploeg vervolgens door naar de andere groep, dan was ze meteen weer een en al chagrijn. Zoë stond verbaasd over Chers kameleontische vermogen om haar charme vliegensvlug in- en uit te schakelen en feilloos aan te voelen wanneer er een camera op haar werd gericht.
‘Oké,’ zei Muriel, ‘de kip is al door de anderen ingepikt, dus dan nemen wij het hacheevlees. Dat wordt dus een casserole.’
‘We zouden de schotel kunnen afdekken met deeg,’ opperde Shadrach. ‘Een hartige taart ziet er mooier uit dan een stoofschotel.’
‘Goed idee,’ beaamde Muriel. ‘Hopelijk hebben we daar tijd genoeg voor. Er is voldoende bloem en boter om deeg van te maken. Verder hebben we muskaatpompoenen. Dat wordt onze soep.’
Zoë verbeet zich en hoopte dat zij de pompoenen, die waarschijnlijk steenhard waren, niet hoefde klein te snijden. Met een beetje geluk was er een aardappelschiller.
‘Wat maken we voor het dessert?’ vroeg Cher.
‘Geen idee. We hebben heerlijke gedroogde abrikozen, dus we zouden een abrikozenkruimeltaart kunnen maken,’ zei Muriel.
‘Ik hoorde het andere team zeggen dat ze een kruimeltaart gingen maken,’ zei Cher. Misschien had haar afluisterzintuig toch ook wel voordelen, dacht Zoë.
Muriel zuchtte. ‘Wat zou je nog meer van abrikozen kunnen maken dan een kruimeltaart, mousse of soufflé?’ Ze keek naar Shadrach, de deskundige, maar die haalde zijn schouders op.
‘Brood-en-boterpudding,’ zei Zoë. ‘Met abrikozen. Volgens mij is er brood en we hebben genoeg boter en eieren.’
‘Ik hou niet van brood-en-boterpudding,’ zei Cher. ‘Veel te veel koolhydraten.’
Muriel wierp haar een blik toe die een verleden als lerares verried. ‘Ik denk dat ik jou de groenten laat voorbereiden, Cher. Maar we moeten opschieten. Als we het vlees niet snel opzetten, blijft het taai.’
‘Maar moeten we dan niet met de soep beginnen? Dat is de eerste gang,’ zei Cher, die als reactie op Muriel in een nukkige tiener was veranderd. ‘Het woord “eerst” zegt genoeg.’
‘Nee, die pompoensoep is zo klaar. Het vlees moet sudderen. Shadrach, als jij het vlees snijdt, doen wij de groenten.’
‘Dit is toch eigenlijk best leuk,’ zei Cher even later tegen Zoë. Ze was bezig een ui in perfecte blokjes te snijden. Zoë keek lijdzaam toe. Het ging allemaal veel te traag.
‘Het zou nog leuker zijn als je wat sneller zou werken,’ zei Zoë. Ze zette een scherp keukenmes in een pompoen zo groot als een brood.
‘Nee, het is alleen leuk als je het heel precies doet,’ zei Cher.
Zoë besloot dat het niet haar taak was om haar aan het werk te zetten. De pompoen viel in twee stukken uiteen en Zoë hief het mes opnieuw op.
‘Hé, kijk jij wel uit? Straks ben je je vingers kwijt,’ waarschuwde Muriel. ‘Ik kan je nu niet missen, hoor.’
Net op dat moment kwam de jury kijken. Gideon, die Zoë met het mes in de weer zag, hapte naar adem en nam haar het mes af. Vervolgens pakte hij hoofdschuddend haar snijplank in zijn ene hand terwijl hij met de andere een doek pakte, die hij natmaakte en onder de snijplank op de werktafel legde. ‘Als je dit in een professionele keuken zou doen, zou de chef je vermoorden,’ bromde hij. ‘Ik heb je er al eens op moeten wijzen.’
‘Ja, chef,’ mompelde Zoë.
‘En dat geldt ook voor jou!’ Hij richtte zijn verwijtende blik op Cher, die met haar handen en wimpers klapperde.
Zoë voelde zich onverwacht solidair met Cher en vervloekte Gideon omdat hij haar mes had afgepakt.
Gespannen keken ze toe terwijl de wandelaars in een rij langs hun werktafel schuifelden. Dit waren de mensen die zouden uitmaken welk team zou winnen. Elk gerecht zou door alle wandelaars worden geproefd en beoordeeld. Daarna mochten ze hun favoriete gerecht noteren. Het merendeel van de wandelaars was van middelbare leeftijd, fit en gezond, maar er liepen ook een paar ouderen rond, die niet mee hadden gewandeld maar vermoedelijk familie waren van iemand die wél had meegelopen.
‘Die oude mevrouw daar heeft vast nog nooit pompoensoep gegeten,’ mompelde Cher. ‘En een stoofschotel is niks met zo’n kunstgebit.’ Ze hadden helaas te weinig tijd gehad voor het deeg.
‘Jawel hoor. Het vlees is heerlijk mals,’ zei Zoë, die het al had geproefd. ‘Ik maak me meer zorgen om het dessert. Ze vinden het zonder sultanarozijnen vast niet zoals het hoort.’
‘Dat was anders wel jouw idee. Er waren sultanarozijnen,’ zei Cher. Zoë’s solidaire gevoelens waren maar van korte duur geweest; zodra ze haar koksmes terug in handen had, was het gedaan met de verbroedering. ‘Gelukkig zat er geen vet aan het stoofvlees,’ vervolgde Cher. ‘Ik heb een hekel aan vette randjes.’
‘Ik eerlijk gezegd ook.’ Zoë aarzelde maar vervolgde toen: ‘Cher, ik vind dat we moeten proberen vrienden te zijn. Natuurlijk is dit een wedstrijd, maar iedereen steunt elkaar. We kunnen best vriendschappelijk met elkaar omgaan.’
‘Ach, Zoë,’ Cher spreidde haar armen en rolde met haar ogen, ‘natuurlijk zijn we vriendinnen!’ Ze omhelsde Zoë en gaf haar een luchtkus. ‘We doen dit samen. Als we onze troeven goed uitspelen, zal een van ons winnen!’
Daar was Zoë nog niet zo zeker van. Ze was overtuigd van haar eigen kookkunsten maar de concurrentie was groot. Een paar van de andere kandidaten zouden misschien ooit een Michelinster in de wacht slepen als chef-kok. Zijzelf was meer een allrounder. Toch zou ze alles op alles zetten om te winnen.
Het proeven duurde eindeloos en het constante getik van de regen op het tentzeil maakte de sfeer er niet beter op. De wandelaars aten zo langzaam dat het eten koud werd.
‘Kunnen ze niet een beetje opschieten,’ mopperde Muriel. ‘Ik word gek.’
‘Hoe zien de gerechten van het andere team eruit?’ zei Cher.
‘Ze hebben het dessert der desserts gemaakt,’ zei Muriel. ‘Nu maar hopen dat hun meringue zacht wordt.’
‘Dan hadden we dus toch een kruimeltaart kunnen maken,’ zei Zoë, die betwijfelde of de brood-en-boterpudding wel een goede keus was geweest.
Uiteindelijk was het proeven voorbij en konden de wandelaars, die moesten sterven van de honger omdat ze kilometers hadden gelopen en maar een beetje van het eten hadden mogen proeven, eindelijk aanvallen.
‘Het lijkt wel of we in een schoolkantine werken,’ zei Cher.
‘Ik vind het leuk om mensen te eten te geven,’ zei Zoë. ‘Maar minder leuk dat we er een cijfer voor krijgen.’
‘Weet je wat?’ zei Muriel. ‘Ik maak even een rondje en probeer op te vangen wat ze van onze gerechten vinden.’
Een paar minuten later kwam ze terug. ‘Gemengde geluiden. Sommigen vonden de soep en de stoofschotel te scherp gekruid.’
‘Oude mensen houden niet van pikant eten,’ zei Cher.
‘Ze zijn toch niet oud!’ zei Muriel. ‘Sommigen zijn van mijn leeftijd!’
‘O, sorry,’ mompelde Cher.
‘En het dessert?’ vroeg Zoë. Ze voelde zich verantwoordelijk voor het toetje.
Muriel trok een lelijk gezicht. ‘“Wat is er mis met sultanarozijnen?”’
‘We hádden sultanarozijnen,’ zei Cher. Ze wierp Zoë een boze blik toe.
‘Dat heb je al gezegd.’ Zoë zuchtte en veegde haar glanzende werktafel nog een keer schoon. Ze wist niet meer waarom ze per se geen rozijnen had willen gebruiken. Ze hoopte maar dat het haar niet haar plaats zou kosten.
Uiteindelijk vertrokken de wandelaars met de veerboot, nadat een groot aantal van hen de moeite had genomen de kandidaten te verzekeren hoezeer ze van hun lunch hadden genoten.
Mike kwam naar hen toe lopen. ‘Oké, jongens, als jullie naar de eethoek willen gaan, dan maken wij de uitslag bekend. Helaas zal er een van jullie moeten afvallen.’
De grond, die omgewoeld was door de wandelaars, was nu veel modderiger en al glibberend liepen ze naar de jury.
‘God, wat vreselijk toch allemaal,’ zei Cher. Ze greep Zoë’s arm vast en trok haar bijna omver.
‘De modder is nog maar het begin,’ zei Zoë.
‘Oké,’ zei Mike toen iedereen er was. ‘We hadden hier net een aantal zeer tevreden klanten, dus complimenten voor jullie allemaal. Helaas moeten we toch één team als de verliezer aanwijzen, terwijl beide teams het goed hebben gedaan, nietwaar, jury?’
‘Tot op zekere hoogte,’ zei Anna Fortune. ‘Sommige kandidaten hebben zo’n abominabele snijtechniek – of beter gezegd géén techniek – dat we jullie er les in zouden willen geven als we meer tijd hadden.’ Ze liet een dreigende stilte vallen. ‘Gideon en ik zeiden net nog tegen elkaar dat we blij mogen zijn als iedereen na de wedstrijd nog alle tien zijn vingers heeft.’
De regisseur kwam bij hen staan. ‘Ik vraag me af of de kijkers hierop zitten te wachten. Kan het niet wat optimistischer?’
‘Nee,’ zei Gideon. ‘Anna heeft gelijk, en het is belangrijk dat de kijkers inzien hoe belangrijk goede snijtechnieken zijn.’
De regisseur zuchtte. ‘Oké, doe maar wat jullie goeddunkt, maar besef wel dat dit er misschien uit wordt geknipt.’
‘Kunnen we doorgaan?’ zei Mike. ‘Het busje moet op tijd terug en ik wil niet dat er mensen naar huis moeten lopen.’
Anna Fortune haalde haar schouders op, op een manier die Zoë eraan herinnerde dat ze half Italiaans was.
‘Zullen we dan nu de winnaars bekendmaken?’ zei Gideon. ‘Dat geforceerde tijdrekken heeft geen zin, want ons besluit staat al vast.’
‘Dit is televisie,’ bracht Fred hem in herinnering.
Gideon bromde geërgerd en wendde zich af
‘En de winnaar is… het Blauwe Team!’ riep Mike.
Cher gilde, Zoë slaakte een zucht van verlichting en Muriel begon te stralen. ‘Dat zijn wij!’ zei ze. ‘Goed gedaan, jongens!’
‘Dat betekent dat iemand van het Rode Team…’
‘Jaja!’ riep Cher gênant hard. ‘Een van de verliezers moet weg.’
De nerveuze Shona was degene die moest vertrekken. Ze huilde, maar aangezien het tijdens het grootste deel van de wedstrijd steeds had geleken of ze huilde, keek niemand daarvan op.
‘We dineren weer in de pub. Maar let op, we vertrekken om klokslag halftien, dus als je te laat bent moet je naar huis lopen.’ Mikes opgewektheid leek haar beste tijd te hebben gehad.
‘Als we de bus missen, krijgen we wel een lift,’ zei Cher. In haar stem klonk de zelfverzekerdheid door van een mooie vrouw die zich er niet voor schaamde haar uiterlijk te gebruiken om het leven naar haar hand te zetten.
Zoë twijfelde of ze naar de pub zou gaan. Ze was niet in de stemming voor het jolige groepsgebeuren. Aan de andere kant, op haar kamer was niets te eten en ze wilde niet profiteren van Fenella en Rupert.
‘Ach, ga toch mee!’ zei Cher. Ze klonk oprecht vriendelijk. ‘Zonder jou is het lang niet zo leuk.’
Honger, Chers aandringen en het ja-knikken van de anderen haalden Zoë ten slotte over om mee te gaan. Ze had zich afgevraagd of de cameraploeg en de mensen van de productie zich bij hen zouden aansluiten, maar kennelijk waren er krachten aan het werk die hen gescheiden wilden houden.
Cher bleef de hele avond de vriendelijkheid zelve, zodat Zoë zich afvroeg of haar eerdere vijandigheid misschien was voortgekomen uit nervositeit. Het werd een gezellige avond. Het winnende team was in een vrolijke stemming en deed zijn best de verliezers op te beuren. Zoë vroeg zich af of ze wel zoveel cider had moeten drinken. Dat, en het water dat ze er van zichzelf bij moest drinken, maakte dat ze regelmatig naar de wc moest, die aan de andere kant van het steegje lag. Het gevolg was dat ze steeds natter werd van de regen, die maar niet ophield.
‘Dan heb je morgen tenminste geen kater,’ zei Muriel. ‘Dat is het belangrijkste. Vreselijk toch dat we onszelf die ellende aandoen?’ Ze zuchtte. ‘Ik ben natuurlijk zo verstandig om me in te houden!’
‘Probeer je ons uit te dagen, Muriel?’ zei Shadrach. Hij had uitgeblonken voor zijn team en was een tikje zelfgenoegzaam geworden.
‘O nee! Niet vanavond,’ zei Muriel. Ze keek op haar horloge. ‘We moeten naar de bus. Ze wachten niet op ons.’
‘Wij nemen er nog een,’ zei Cher, zonder met Zoë te overleggen. ‘Wij regelen wel een lift.’
‘Nee, Cher. Ik ga liever terug. Ik wil geen lift van een vreemde.’
‘Doe niet zo flauw, Zoë. Ik lust nog wel een glas. En misschien wel twee.’
‘Word je nog charmanter,’ zei Shadrach.
Cher keek hem vernietigend aan. ‘Kom, Zoë, dan gaan we naar de andere bar. Kijken wie daar is.’
Hoewel Zoë’s intuïtie zei dat ze rechtsomkeert moest maken, liep ze achter Cher aan. Misschien dat het samenleven er na een gezamenlijk avontuur gezelliger op werd. Hoewel, het was natuurlijk de vraag of ze nog lang samen in de race zouden blijven en de kamer moesten delen. Somber volgde ze Cher door het gangetje dat naar de Snug leidde, waar volgens Cher de vriendelijke dorpelingen bij elkaar kwamen. Vermoeidheid, het regenachtige weer en de goede prestaties van vooral Becca en Shadrach hadden haar aanvankelijke optimisme getemperd. De wedstrijd werd met de dag spannender.
Een poos later liepen ze wankelend met een vrolijke jongeman van de Young Farmers’ Association het café uit. Zoë voelde zich redelijk veilig; zij waren met zijn tweeën, hij alleen. Bovendien had hij niet gedronken, omdat hij trainde voor een evenement waarbij hij over heggen en sloten moest springen. Nadat hij hen bij de poort van Somerby had afgezet, liepen ze naar de koeienstal. Zoë had zich uiteindelijk nog prima geamuseerd. Cher had schaamteloos staan flirten met de dorpelingen en de stamgasten waren een vrolijk stelletje bij elkaar. Maar net voordat ze bij de deur van hun kamer kwamen, gleed Cher uit in de modder en ze trok Zoë per ongeluk mee in haar val.
‘O, sorry!’ zei ze. ‘Ga jij maar als eerste douchen.’
Hoewel Zoë niet helemaal nuchter was, had ze vaag het gevoel dat er iets niet klopte aan Chers genereuze aanbod. Giechelend strompelden ze verder, en omdat ze voor het eerst het gevoel had dat ze vriendinnen waren, besloot ze dat ze overdreven argwanend was.
Het leek eeuwen te duren voordat ze, zittend op de trap, erin slaagden hun laarzen uit te krijgen, die telkens weer uit hun handen glipten. Maar toen ze ze eindelijk uit hadden, konden ze hun kleine huisje in.
‘Ga maar lekker lang douchen, dan zet ik ondertussen thee,’ zei Cher.
Weer bekroop Zoë een gevoel van wantrouwen, maar het vooruitzicht van een lange hete douche was te verleidelijk om er aandacht aan te besteden en ze trok zich terug in de badkamer.
‘Jouw beurt,’ zei ze toen ze eruit kwam. ‘Ik hoop dat ik het een beetje netjes heb achtergelaten.’
‘Dat zal wel meevallen.’
Zoë liep naar haar bed om haar pyjama te pakken, die ze onder haar kussen had gelegd, maar zodra ze haar hand op het bed legde, merkte ze dat het dekbed kletsnat was. Toen ze opkeek, zag ze dat het raam openstond, terwijl ze zeker wist dat ze het had dichtgedaan.
‘O nee!’ riep ze uit. ‘Mijn bed is drijfnat. Cher!’
Omdat ze alleen een handdoek om had, haalde ze uit haar rugzak een andere pyjama. Ze schoot hem snel aan.
Zoë overwoog wat ze zou doen. Ze was ervan overtuigd dat Cher het raam open had gezet, dus eigenlijk zou ze het tweepersoonsbed moeten opeisen en Cher zonder dekens op de kleine bank moeten laten slapen. Maar wat schoot ze daarmee op? Ze zouden alleen maar urenlang ruziën en gefrustreerd raken. En ze moest er niet aan denken om samen met Cher in het tweepersoonsbed te slapen, zelfs niet als Cher het goed zou vinden (wat toch niet het geval zou zijn). Nee, ze zou naar het huis gaan – ze wist nu waar de sleutel lag – en op de bank in de keuken gaan liggen. Daar was het tenminste warm en veilig, en dan zou ze de volgende ochtend wel zien wat ze met Cher zou doen. Dat mens was duidelijk gestoord. De mond vol hebben van vriendschap maar ondertussen stiekem proberen haar op allerlei manieren te dwarsbomen om te voorkomen dat ze zou winnen. Maar waarom vanavond? Ze hoefden op zijn vroegst pas morgenmiddag weer te komen opdraven. De ochtend waren ze vrij om uit te rusten en zich voor te bereiden.
Terwijl Zoë haar spullen pakte, vroeg ze zich af of ze Chers idiote gedrag aangreep als excuus om in het huis te kunnen slapen en Gideon te kunnen ontmoeten.
Ze moest zichzelf die vraag stellen, hoewel ze wist dat het gekkenwerk was als ze wilde proberen Gideon weer te zien. Ze was al één keer door het oog van de naald gekropen nadat ze de nacht samen hadden doorgebracht, en dat risico kon ze niet nog een keer nemen.
Maar haar bed was nat en omdat de kamer waarin hij sliep nog altijd niet klaar was, was hij waarschijnlijk elders. Opgelucht pakte ze haar rugzak voor de volgende dag verder in. Uit wraak zou ze Chers regenlaarzen aandoen. Ze waren groter dan die van haar en sneller aan en uit te trekken. Cher zou met haar maat 41 nooit in Zoë’s schoenmaat 39 passen.
Zoë opende voorzichtig de achterdeur en legde de sleutel weer terug. Even aarzelde ze. Als Gideon er was, zou dat een vreselijk ongemakkelijke situatie opleveren, als ze al niet werd gediskwalificeerd. Ze huiverde maar besefte dat ze niet meer terug kon. Ze stapte uit haar laarzen en liep op haar tenen de keuken in, bang dat de honden haar zouden horen en zouden aanslaan.
Ze had niet zoveel moeite hoeven doen om stil te zijn. Er was iemand in de keuken.
‘Hallo Zoë,’ zei Rupert. Hij keek op van het brood dat hij aan het snijden was. ‘Wat kan ik voor je doen?’
‘O!’ Zoë was er zo zeker van geweest dat er niemand in de keuken zou zijn, dat ze geen antwoord klaar had. ‘Eh, is Fen nog op?’
‘Ja. We zitten boven in de kleine zitkamer met een glaasje en hadden trek in een sandwich. Heb je zin om erbij te komen zitten? Dan mag je die fles wijn daar mee naar boven nemen en een extra glas. Ik heb de haard aangestoken. Lekker decadent, hè, een haardvuur in de zomer.’
‘O nee, ik wil jullie niet storen…’
‘Je stoort niet. Je wilde Fen toch spreken? Ik weet zeker dat ze het leuk vindt als je erbij komt zitten. Toe, pak die fles en kom mee.’
Zoë pakte de fles die Rupert aanwees en liep achter hem aan de trap op. Aan het einde van de gang opende Rupert een deur. ‘Dit zou een slaapkamer worden, maar we hebben er een zitkamertje voor onszelf van gemaakt voor de dagen dat het huis vol is of, zoals nu, wordt opgeknapt. Ga maar naar binnen.’
De eerste gedachte die bij haar opkwam was dat niemand de kamer klein zou noemen, hoewel hij kleiner was dan de salon waar ze in het begin van de wedstrijd even binnen was geweest. De open haard, waarin een houtvuur brandde, leek groot voor een slaapkamer. Aan weerszijden stonden twee grote, versleten leren banken, met daartussenin een grote lage koffietafel die vol rommel lag.
Op een van de banken zat Gideon, die zich volledig thuis scheen te voelen.
Haar hart sloeg over, wat haar duidelijk maakte dat ze blij was hem te zien, maar haar verstand zei dat ze beter rechtsomkeert kon maken en terug naar de keuken kon gaan. Terug naar plan a dus en dat was slapen op de bank.
Niemand scheen de strijd tussen haar hoofd en hart op te merken. Fen had haar voeten op een grote poef liggen en lachte om iets wat Gideon had gezegd, alsof ze elkaar al jaren kenden.
‘Zoë is er,’ zei Rupert. ‘Ik kwam haar tegen in de keuken.’
‘Zoë!’ Fenella wuifde enthousiast naar haar. ‘Kom binnen. Ik kan me helaas niet bewegen, maar gezellig dat je erbij komt zitten. Ik was benieuwd hoe het is gegaan vandaag maar vond niet dat ik het aan Gideon kon vragen.’
Gideon veerde op. Hij keek haar even uitdrukkingsloos aan en glimlachte toen, blijkbaar blij haar te zien. ‘Ga jij maar dicht bij het vuur zitten, want je ziet een beetje pips. Ik zie dat je je pyjama al aanhebt,’ voegde hij er verbaasd aan toe.
Zoë werd warm vanbinnen, van het vuur en van het hartelijke welkom.
‘Hallo. Het was niet mijn bedoeling jullie feestje te verstoren. Tenzij het een pyjamafeest is.’
‘Dat is het,’ zei Fenella. ‘Ik draag niks anders meer. Rupes, schenk haar eens iets in, en Gideon, schuif eens een stukje op zodat ze kan zitten.’
Gideon schoof op en klopte naast zich op de zitting van de bank. ‘En je bent nog op blote voeten ook,’ zei hij toen ze zat. ‘Mag ik vragen waarom?’
‘Ik had regenlaarzen aan maar die heb ik bij de achterdeur uitgedaan. Ze zaten onder de modder.’
‘Wij doen niet moeilijk over modder in huis, tenzij we nette gasten hebben,’ zei Fenella. ‘Geen gasten zoals Gideon dus, want dat is een sloddervos.’
Gideon wierp Fenella een blik toe die zei dat hij het als een compliment opvatte. Vervolgens pakte hij een plaid van de rugleuning van de bank, wikkelde hem om Zoë’s voeten en tilde ze op de bank. Zoë was geroerd door het gebaar maar probeerde zich te vermannen. Ze was uit haar doen. ‘Waarom was je hier eigenlijk naartoe gekomen?’
‘Ik kwam kijken of Fen nog op was.’
‘Zijn er problemen?’
‘Ja.’ Zoë nam het glas wijn aan dat Rupert haar aanreikte.
‘Wat dan?’ vroeg Fen.
Zoë had gehoopt dat ze Fen onder vier ogen had kunnen vertellen wat er was gebeurd. Maar nu zat er niets anders op dan de anderen erin te betrekken. ‘Mijn bed is vandaag natgeregend toen ik er niet was,’ zei Zoë.
‘Had je het raam dan open laten staan?’ vroeg Fenella geschrokken.
‘Nee!’ zei Zoë.
‘Was het die Cher weer?’ zei Gideon. ‘Dat valse kreng.’
‘Dat moet haast wel, want ik weet zeker dat ik het raam dicht heb gedaan,’ vervolgde Zoë. ‘Ik wilde niet bij haar in bed slapen, dus ik dacht op de bank in de keuken te kunnen gaan liggen. Ik ging ervan uit dat jullie niet meer op zouden zijn.’
‘O, maar je hoeft niet op de bank te slapen, hoor,’ zei Fen. ‘We vinden wel een bed voor je. Hup, drink nog een glas wijn voor mij.’ Ze pauzeerde even. ‘Niet dat ik de alcohol mis. Tenminste, dat hoop ik niet. Eerder de kameraadschap en de lol van het samen met vrienden aangeschoten worden.’
Rupert schonk Zoë’s glas bij. ‘Dat station ben ik al gepasseerd,’ zei ze. ‘We zijn naar de pub geweest en toen wilde Cher nog doorhalen.’
Gideon nam het glas uit haar hand. ‘Je wilt toch zeker geen kater morgen?’
Ze pakte het glas weer terug. ‘Nee. Ik heb tussendoor heel veel water gedronken.’
‘Neem een sandwich,’ zei Rupert. ‘We hebben warm gegeten maar kregen weer honger. Of eigenlijk moet ik zeggen dat Fen honger kreeg en dat wij geen zin hadden om toe te kijken.’
Zoë, genietend van de warme plaid om haar benen, nam een slokje wijn en een hapje van haar sandwich. Gideon legde losjes een arm om haar heen, waardoor ze zich welkom voelde, en speciaal. En weer wist ze haar zorgen over belangenverstrengeling opzij te zetten.
Maar ze was doodmoe. De stress en inspanningen van de dag eisten hun tol. Ze zette haar lege glas op de salontafel en sloeg een nieuw glas wijn af. Ze zou moeten opstaan en naar bed moeten gaan, maar dan zou Fen ook overeind moeten komen, terwijl ze het zo naar haar zin had.
Haar ogen vielen dicht en toen Gideon haar dichter tegen zich aan trok zodat ze wat comfortabeler kwam te zitten, nestelde ze zich behaaglijk onder zijn arm. Ze gaf toe aan de weldadige warmte, de heerlijke geur van zijn aftershave, het gezellige geklets tussen Gideon, Fenella en Rupert, en zakte weg in een diepe, droomloze slaap.