29.

In de regel telde Ayla haar jaren aan het eind van de winter, wanneer het nieuwe jaar begon, met nieuw leven. Haar achttiende lente was heel mooi geweest met een overvloed aan weidebloe- men en fris jong groen. Ze waren nergens zo welkom als in een ijzig winterlandschap, maar na het Lentefeest kwam alles snel tot volle wasdom. De vrolijke steppebloemen verdwenen en hun plaats werd ingenomen door het snel groeiende, sappige jonge gras en de rondzwervende graseters. De jaarlijkse trek was begonnen.

Verschillende diersoorten trokken in grote aantallen over de open vlakten. Sommige verzamelden zich tot ontelbare hoeveelheden en andere vormden kleine kudden of familiegroepen, maar ze hadden allemaal hun voedsel en hun leven te danken aan de winderige, uitgestrekte, maar ongelooflijk rijke weidegebieden en de door de gletsjers gevoede rivieren die erdoor liepen.

Enorme horden bizons, met grote horens, bedekten de heuvels en dalen. De onrustig brullende, golvende massa liet een kale, vertrapte aarde achter. Wilde oerossen trokken in lange rijen noordwaarts door de grotere rivierdalen, soms samen met een kudde elanden of reuzenherten met hun massieve geweien. De schuwe reeën volgden in groepjes de rivieroevers in bosrijke streken, op weg naar de weidegronden voor de lente en zomer, samen met de teruggetrokken levende Amerikaanse eland, die ook vaak was te vinden bij moerassen en meertjes op de steppen. Wilde geiten en moeflons, die gewoonlijk in de bergen verblijven, trokken naar de open vlakte in het koude noorden en mengden zich bij de drinkplaatsen tussen groepjes saiga-antilopen en grotere kudden steppepaarden.

De woldragende dieren legden niet zulke grote afstanden af. Met hun dikke vetlaag en zware dubbele vacht konden ze minder goed tegen de warmte en ze hadden zich beter aangepast aan het leven bij de gletsjer. Ze leefden het hele jaar in de omgeving van de gletsjers, waar het wel kouder was maar ook droger, met minder sneeuw. Ze voedden zich in de winter met het grove, droge gras dat was blijven staan. De muskusossen waren de vaste bewoners van het koude noorden en ze trokken in kleine groepen binnen een beperkt gebied. De wolharige neushoorn, die gewoonlijk in familiegroepjes leefde, en de grotere kudden wol- harige mammoeten trokken verder, maar in de winter bleven ze in het noorden. Op de iets warmer en vochtiger steppen in het zuiden lag hun voedsel bedolven onder een dik pak sneeuw en dan zouden de zware dieren moeten ploeteren om erbij te komen. In het voorjaar gingen ze naar het zuiden om zich vol te eten aan het malse jonge gras, maar zodra het warmer werd trokken ze weer naar het noorden.

De mensen van het Leeuwekamp verheugden zich erop om de vlakte weer vol leven te zien en elke soort die verscheen werd opgemerkt, vooral de dieren die goed bestand waren tegen de strenge winters. Dat waren de soorten waar ze het meeste profijt van hadden om te overleven. Het zien van de enorme, onberekenbare neushoorn met twee horens, ontlokte altijd weer uitroepen van verbazing. De voorste, lange horen was laag geplaatst en hij had een dubbele, rossige vacht: een zachte, donzige ondervacht en een beschermende laag lang haar.

De opwinding onder de Mamutiërs steeg echter ten top bij het zien van mammoeten. Wanneer de tijd naderde dat ze voorbij konden komen, stond er altijd iemand van het Leeuwekamp op de uitkijk. Sinds de tijd dat Ayla bij de Stam woonde, had ze alleen op grote afstand een mammoet gezien en ze was net zo opgewonden als alle anderen toen Danug op een middag de helling af kwam rennen en schreeuwde: 'Mammoeten! Mammoeten!'

Ze was bij de eersten die vlug naar buiten kwamen om ze te zien. Talut, die Rydag vaak op zijn schouders droeg, was bij Danug op de steppe geweest en ze zag dat Nezzie, met de jongen op haar heup, achterbleef. Ze wou teruggaan om te helpen toen ze zag dat Jondalar hem overnam van de vrouw en hem op zijn schouders tilde. Hij kreeg van hen beiden een vriendelijke glimlach als beloning en Ayla glimlachte ook, maar hij zag haar niet. De glimlach was nog niet verdwenen toen ze zich omdraaide naar Ranec, die haar met een sukkeldrafje had ingehaald. Haar mooie, lieve glimlach wekte in hem een diep gevoel van warmte en de vurige wens dat ze al van hem was. Ze moest wel reageren op zijn glimlach en zijn donkere, schitterende ogen die liefde uitstraalden. Haar glimlach was ook voor hem bedoeld.

Op de steppe stond het Leeuwekamp vol ontzag te kijken naar de enorme, ruigharige beesten. Het waren de grootste dieren in hun omgeving, sterker nog, ze zouden het in bijna iedere omge ving zijn geweest. De kudde, met verscheidene jongen, passeerde op korte afstand en het oude hoofd van de kudde hield de mensen goed in de gaten. Haar schouders waren ongeveer drie meter boven de grond en ze had een hooggewelfde kop en bulten op de schoften, waarin de voorraad vet voor de winter werd opgeslagen. De korte rug die steil afliep naar het bekken, completeerde het karakteristieke en onmiddelijk herkenbare profiel. De schedel was groot in verhouding tot haar afmetingen en was meer dan half zo lang als de betrekkelijk korte slurf met de twee gevoelige, beweeglijke vingertjes, een bovenste en een onderste. De staart was ook kort en de oren waren klein om de warmte vast te houden.

Mammoeten pasten uitstekend in hun koude omgeving. Hun huid was erg dik, met een isolerende laag van wel acht centimeter of meer onderhuids vetweefsel, bedekt door een centimeters dikke zachte ondervacht. De stugge, roodbruine bovenvacht, met haar tot wel een halve meter lengte, hing in lagen over de dikke winterwol als een vochtwerende deken en bescherming tegen de wind. Met hun doelmatige kiezen, die op raspen leken, aten ze in de winter net zo gemakkelijk het stugge, droge gras en de takken en schors van berken, wilgen en lariksen, als in de zomer het groene gras, zegge en kruiden.

Het meest indrukwekkend waren de reusachtige slagtanden van de mammoet, die verbazing en ontzag wekten. Ze kwamen vlak naast elkaar uit de bovenkaak en wezen eerst naar beneden. Dan gingen ze met een scherpe bocht naar buiten en omhoog en tenslotte weer naar binnen. Bij oudere mannetjes konden de slagtanden wel vijf meter iang worden, maar dan groeiden de punten kruislings over elkaar. Bij jonge dieren waren de slagtanden doelmatige wapens en een bij de geboorte meegekregen middel om bomen met wortel en al uit de grond te trekken of de sneeuw te verwijderen van gras en ander voedsel, maar wanneer de punten over elkaar groeiden, zaten ze in de weg en hadden ze er meer last van dan gemak.

Toen Ayla de enorme dieren zag, kwam er een stroom van herinneringen aan de eerste keer dat ze mammoeten had gezien. Ze wist nog dat ze toen graag met de mannen van de Stam was meegegaan op de jacht en ze herinnerde zich dat Talut haar had uitgenodigd voor de eerste mammoetjacht met de Mamutiërs. Ze hield van de jacht en de gedachte dat ze deze keer echt met de jagers mee mocht, deed haar er met spanning naar uitkijken. Ze verheugde zich echt op de Zomerbijeenkomst.

De eerste jacht van het seizoen had een belangrijke symbolische betekenis. Hoe indrukwekkend en majestueus de wolharige mammoeten ook waren, de gevoelens van de Mamutiërs voor hen gingen veel verder dan verbazing over hun afmetingen. Ze waren voor veel meer dingen dan alleen voedsel van de mammoeten afhankelijk en omdat ze er veel belang bij hadden dat de dieren niet uitstierven, meenden ze dat ze een bijzondere relatie met hen hadden. Ze hielden ze in ere door hun eigen identiteit op de mammoeten te baseren.

Mammoeten hadden geen echte natuurlijke vijanden; er waren geen vleeseters die van hen afhankelijk waren voor voedsel. De enorme holeleeuwen, die twee keer zo groot waren als andere katachtigen, zochten gewoonlijk hun prooi onder de grote graseters—oerossen, bizons, reuzenherten, elanden of paarden—en ze konden een volwassene doden. Ze velden af en toe een jonge, een zieke of een heel oude mammoet, maar er was geen roofdier dat alleen of met een groep, een volwassen mammoet in de kracht van zijn leven, kon doden. Alleen de Mamutiërs, de mensenkinderen van de Grote Aardmoeder hadden het vermogen gekregen om op het grootste van Haar schepsels te jagen. Zij waren de uitverkorenen. Zij waren uitzonderlijk onder al Haar scheppingen. Zij waren de Mammoetjagers.

Toen de kudde mammoeten voorbij was, gingen de mensen van het Leeuwekamp er begerig achteraan. Niet om te jagen. Dat kwam later. Het ging hun om de zachte, donsachtige wol van de ondervacht die in grote plukken door de stugge dekharen heen werd afgeschud. De van nature donkerrode wol die van de grond werd opgeraapt en van de doornstruiken geplukt, waar ze aan was blijven hangen, werd beschouwd als een bijzonder geschenk van de Mammoetgeest.

Wanneer de gelegenheid zich voordeed, werd de witte moeflonwol, die normaal door de wilde schapen in de lente werd afgeworpen, ook met groot enthousiasme verzameld, evenals de buitengewoon zachte, donkerbruine wol van de muskusos en de lichtbruine ondervacht van de neushoorn. In gedachten dankten en waardeerden ze de Grote Aardmoeder, die Haar kinderen uit Haar overvloed alles gaf wat ze nodig hadden, planten en dieren en materiaal als vuursteen en klei. Ze moesten alleen weten waar en wanneer ze moesten zoeken.

De Mamutiërs aten graag verse groenten, maar er werd in de lente en de voorzomer weinig gejaagd ondanks de rijke verschei denheid aan dieren, tenzij de vleesvoorraad erg klein werd. De dieren waren te mager. De lange strenge winter had ze beroofd van de energiebron in de vorm van vet. Hun trektochten waren noodzakelijk om de voorraden weer aan te vullen. Er werden een paar bizonstieren gedood wanneer de vacht in de nek nog zwart was, wat erop wees dat het dier nog voldoende vet had, en van een aantal soorten een paar drachtige vrouwtjes, voor het malse vlees van het jong en de zachte huid die werd gebruikt voor babykleertjes en ondergoed. De voornaamste uitzondering waren de rendieren.

Er trokken grote kudden rendieren naar het noorden. De vrouwtjes hadden geweien. Ze liepen met de jongen van het vorige jaar voorop langs de bekende paden naar de traditionele gebieden waar de kalveren werden geboren. De mannetjes volgden. Zoals andere kuddedieren werden ze onderweg aangevallen door wolven, die de zwakke en oude dieren eruit zochten, maar ook door verscheidene katachtigen, zoals grote lynxen, slanke panters en een enkele reusachtige holeleeuw. De grote vleeseters traden op als gastheer en lieten de resten liggen voor een grote verscheidenheid aan kleinere vleeseters en aaseters, zowel viervoeters als vogels: vossen, hyena's, bruine beren, civetkatten, kleine steppekatten, veelvraten, wezels, raven, haviken en vele andere.

De menselijke jagers beschouwden ze allemaal als prooi. Het bont en de veren van hun concurrenten bij de jacht werden niet hooghartig afgewezen, hoewel de rendieren het eerste wild waren voor het Leeuwekamp - niet voor het vlees, hoewel ze het niet lieten liggen. Ze vonden de tong een lekkernij en er werd veel vlees gedroogd als voedsel voor onderweg, maar het ging hun om de huiden. Deze waren gewoonlijk geelbruin, maar ze varieerden in kleur van roomwit tot bijna zwart, met een roodbruine tint bij de jongen. De vacht van de rendieren die het verst naar het noorden trokken, was niet alleen licht in gewicht maar ook warm. Omdat ze van nature isoleerde, was er geen betere bescherming tegen het koude weer dan kleding gemaakt van rendierhuid en ze vond haar gelijke niet voor beddegoed en onderlakens. Het Leeuwekamp jaagde ieder jaar op ze met valkuilen en versperringen, om in hun eigen behoeften te voorzien en om mee te nemen als geschenk wanneer ze zelf in de zomer op reis gingen.

Terwijl het Leeuwekamp voorbereidingen trof voor de Zomerbijeenkomst, werd de opwinding voortdurend groter. Er ging geen dag voorbij of iemand vertelde Ayla hoe leuk ze het vond om familie of vrienden te ontmoeten of hoe leuk ze het zouden vinden om haar te ontmoeten. De enige die niet enthousiast scheen te zijn over de bijeenkomst van de kampen, was Rydag. Ayla had de jongen nog nooit zo somber gezien en ze maakte zich zorgen over zijn gezondheid.

Ze hield hem een paar dagen goed in de gaten en toen hij op een buitengewoon warme middag buiten naar een groepje zat te kijken dat een rendierhuid spande, ging ze naast hem zitten.

ik heb nieuwe medicijnen voor je gemaakt, Rydag, om mee te nemen naar de Zomerbijeenkomst,' zei Ayla. 'Ze zijn verser en misschien sterker. Je zult me wel moeten vertellen of je ook verschil voelt,' zei ze en ze praatte met woorden en gebaren, zoals ze meestal bij hem deed. 'Hoe voel je je nu? Is er de laatste tijd iets veranderd?'

Rydag vond het prettig wanneer Ayla met hem praatte. Hoewel hij erg dankbaar was voor het feit dat hij nu in staat was om met de mensen van zijn kamp te communiceren, was hun begrip en gebruik van de gebarentaal heel simpel. Hij verstond hun gesproken taal al jaren, maar wanneer ze tegen hem praatten deden ze dat in eenvoudige bewoordingen om zo dicht mogelijk bij de gebarentaal te blijven die ze gebruikten. Haar gebaren benaderden in nuancering en gevoel de gesproken taal en ze ondersteunden haar woorden.

'Nee, voel me hetzelfde,' gebaarde de jongen.

'Niet moe?'

'Nee... Ja. Altijd beetje moe.' Hij glimlachte. 'Niet zo erg.'

Ayla knikte. Ze bekeek hem nauwkeurig om te zien of er ook zichtbare symptomen waren en ze probeerde zich ervan te overtuigen dat er geen verandering in zijn toestand was, althans niet ten kwade. Ze zag niets dat erop wees dat hij lichamelijk achteruitging, maar hij leek terneergeslagen.

'Rydag, zitje iets dwars? Heb je verdriet?'

Hij trok de schouders op en wendde zijn blik af. Toen keek hij haar weer aan. 'Wil er niet heen,' gebaarde hij.

'Waar wil je niet heen? Ik begrijp het niet.'

'Wil niet naar Bijeenkomst,' en hij wendde de blik weer af.

Ayla fronste de wenkbrauwen, maar ze vroeg niet verder. Rydag scheen er niet over te willen praten en hij ging gauw naar binnen. Ze probeerde hem onopvallend te volgen en vanuit de kookplaats kon ze zien dat hij op zijn bed ging liggen. Ze maakte zich zorgen over hem. Hij ging overdag zelden uit eigen beweging naar bed. Ze zag Nezzie binnenkomen. Ze probeerde het voorste kleed op te binden. Ayla haastte zich om haar te helpen.

'Nezzie, weet jij wat Rydag scheelt? Hij lijkt zo... somber,' zei Ayla.

ik weet het. Dat heeft hij ieder jaar om deze tijd. Dat komt door de Zomerbijeenkomst. Daar heeft hij een hekel aan.'

'Dat zei hij, ja. En waarom?'

Nezzie wachtte even en ze keek Ayla recht in de ogen. 'Weet je dat echt niet?' De jonge vrouw schudde het hoofd. Nezzie haalde de schouders op. 'Zit er maar niet over in, Ayla. Je kunt er toch niets aan doen.'

Ayla wierp nog een blik op de jongen, terwijl ze door het huis liep. Hij had zijn ogen dicht, maar ze wist dat hij niet sliep. Ze schudde het hoofd en ze wou dat ze kon helpen, maar zolang ze niet wist wat eraan scheelde kon ze alleen maar afwachten.

Ze liep snel door de lege Vossevuurplaats naar de Mammoetvuurplaats. Opeens kwam Wolf haar met grote sprongen achterna en sprong speels tegen haar op. Ze gaf hem een teken om te kalmeren. Hij gehoorzaamde, maar keek zo beledigd dat ze medelijden kreeg en hem het fijngekauwde stuk zacht leer toewierp dat eens een van haar mooiste schoenen was geweest. Ze had hem die tenslotte maar gegeven, omdat het de enige mogelijkheid bleek om te voorkomen dat hij de schoenen en laarzen van de anderen stukbeet. Hij had gauw genoeg van zijn oude speelgoed en ging kwispelstaartend met zijn voorpoten op de grond liggen en kefte tegen haar. Ayla moest wel lachen en ze kwam tot de conclusie dat het een veel te mooie dag was om binnen te blijven. Ze pakte in een opwelling haar slinger en een zakje met ronde stenen die ze had verzameld en gaf Wolf een teken haar te volgen. Toen ze Whinney in het nieuwe gedeelte zag staan, besloot ze de merrie ook mee te nemen.

Ayla liep naar buiten, gevolgd door het lichtbruine paard en de jonge grijze wolf. De tekening van zijn vacht was typerend voor zijn soort en heel anders dan die van zijn zwarte moeder. Ze zag Renner halverwege de helling naar de rivier. Jondalar was bij hem. Hij had zijn hemd uitgetrokken in de warme zon en hij leidde de jonge hengst aan een touw. Zoals beloofd had hij Ren ner beleerd. Hij had er het grootste deel van zijn tijd aan besteed en ze schenen er allebei plezier in te hebben.

Hij zag haar en gaf haar een wenk om even te wachten terwijl hij naar haar toeliep. Ze was niet gewend dat hij naar haar toekwam of liet merken dat hij met haar wou praten. Jondalar was veranderd na wat er op de steppen was gebeurd. Het was eigenlijk niet meer zo dat hij haar ontweek, maar hij deed zelden een poging om met haar te praten en als hij het deed leek hij wel een vreemde, gereserveerd en beleefd. Ze had gehoopt dat de jonge hengst hen dichter bij elkaar zou brengen, maar de afstand leek eerder groter te zijn geworden.

Ze wachtte en zag de knappe, gespierde man naderen. Onwillekeurig moest ze denken aan haar vurige reactie op zijn behoefte, toen op de steppen. Ze kreeg onmiddellijk weer het gevoel dat ze hem wou hebben. Het was een reactie van haar lichaam, ze kon er niets aan doen, maar toen Jondalar dichterbij kwam zag ze dat hij een kleur kreeg en ze zag die bijzondere uitdrukking in zijn mooie blauwe ogen. Hoewel het niet haar bedoeling was ernaar te kijken, zag ze de bobbel in zijn broek en ze voelde dat ze een kleur kreeg.

'Neem me niet kwalijk, Ayla. Ik wil je niet storen, maar ik dacht dat ik je dit nieuwe toom moest laten zien dat ik voor Renner heb gemaakt. Misschien kun je er ook zo een voor Whinney gebruiken,' zei Jondalar met een stem die heel normaal klonk. Hij wou dat hij de rest van zijn lichaam ook zo kon beheersen.

'Je stoort me helemaal niet,' zei Ayla, hoewel het wel zo was. Ze bekeek het toom dat was gemaakt van gevlochten en gedraaide smalle stroken leer.

De merrie was dit jaar al een keer willig geweest. Al gauw nadat ze had gezien dat het weer zover was, hoorde ze het kenmerkende gehinnik van een hengst op de steppe. Hoewel Ayla haar de eerste keer had teruggevonden toen de merrie met een hengst en zijn kudde was opgetrokken, moest ze er niet aan denken dat ze Whinney zou verliezen aan een hengst. Misschien zou ze haar vriendin deze keer niet terugkrijgen. Ayla had de merrie een soort halster omgedaan en een touw om de hals om haar in bedwang te houden. De jonge hengst toonde ook al grote belangstelling en opwinding. Als ze niet bij ze kon zijn, had ze ze binnengehouden. Sinds die tijd was ze af en toe een halster blijven gebruiken, hoewel ze Whinney liever de vrijheid gaf om te komen en te gaan wanneer ze wilde.

'Hoe werkt dat?' vroeg Ayla.

Hij liet het zien bij Whinney, want hij had er een extra voor haar gemaakt. Ayla stelde, op een schijnbaar rustige toon, een paar vragen, maar ze had haar gedachten er nauwelijks bij. Ze was zich veel meer bewust van Jondalars warmte en zijn aangenaam mannelijke geur toen ze naast hem stond. Het lukte haar niet haar ogen af te wenden van zijn handen, de bewegingen van zijn borstspieren en de bobbel in zijn broek. Ze hoopte dat haar vragen tot een gesprek zouden leiden, maar zodra hij alles had uitgelegd, ging hij meteen weg. Ayla zag dat hij zijn hemd pakte, Renner besteeg en hem met het nieuwe toom de helling op stuurde. Ze dacht er even aan om hem met Whinney achterna te gaan, maar ze zag ervan af. Als hij graag bij haar weg wou, moest dat wel betekenen dat hij haar niet om zich heen wou hebben.

Ayla bleef Jondalar nakijken tot hij uit het gezicht was verdwenen en toen keek ze naar de plaats waar ze hem het laatst had gezien. Het enthousiaste gekef van Wolf bracht haar tenslotte tot de werkelijkheid terug. Ze wikkelde de slinger om haar hoofd. Ze controleerde de stenen in het zakje, pakte het jonge dier op en zette hem op Whinney's schoften. Toen steeg ze zelf op en ze ging de helling op in een andere richting dan Jondalar was ingeslagen. Ze had het plan om met Wolf te gaan jagen en dat zou ze ook maar doen. Wolf was in zijn eentje al begonnen muizen en klein wild te besluipen en hij probeerde ze te vangen en zij had ontdekt dat hij heel goed was in het opjagen van wild voor haar slinger. Hoewel het in het begin bij toeval gebeurde, leerde wolf snel en hij was al bijna zover dat hij wachtte met opjagen tot zij hem opdracht gaf.

Ayla had in een opzicht gelijk. Jondalar had zo'n haast om weg te komen omdat hij op dat moment niet bij haar wou zijn—maar dat was alleen omdat hij altijd bij haar wou blijven. Hij moest weg vanwege zijn reacties op Ayla's nabijheid. Ze had nu haar Belofte aan Ranec gedaan en hij kon nu geen enkele aanspraak meer op haar maken, voor zover hij dat ooit had gekund. De laatste tijd ging hij rijden wanneer hij een moeilijke situatie wou ontlopen, of de spanningen van tegenstrijdige gevoelens, of gewoon om na te denken. Hij begon te begrijpen waarom Ayla zo vaak op Whinney was weggereden wanneer haar iets dwars zat. Het rijden op de hengst over de open grasvlakten, met de wind in het gezicht, had niet alleen een opbeurende maar ook een kalmerende uitwerking.

Toen hij eenmaal op de steppe was, gaf hij Renner een teken om in galop over te gaan en hij boog zich over de sterke uitgestrekte nek. Het was erg meegevallen om het paard te doen wennen aan een berijder, maar zowel Ayla als Jondalar hadden hem er al enige tijd op verschillende manieren vertrouwd mee gemaakt. Het was moeilijker om Renner duidelijk te maken waar zijn berijder heen wilde en hem te dwingen die kant op te gaan.

Jondalar begreep dat de wijze waarop Ayla Whinney stuurde zich heel natuurlijk had ontwikkeld zodat ze haar aanwijzingen nog grotendeels onbewust gaf, maar hij had het plan opgevat om het paard te beleren. Zijn aanwijzingen waren veel meer doelgericht en terwijl hij met het paard oefende, leerde hij er zelf ook van. Hij leerde hoe hij op het paard moest zitten, hoe hij gebruik moest maken van de sterke spieren van de hengst en niet moest schokken onder het rijden. Verder ontdekte hij dat het paard gevoelig was voor het knellen van de dijen en veranderingen in de houding van het lichaam zodat het gemakkelijker werd om hem te leiden.

Naarmate hij meer zelfvertrouwen kreeg en zich meer op zijn gemak voelde, ging hij meer rijden en dat was nu juist de beste oefening. Maar hoe beter de omgang met Renner werd, hoe meer hij voor het dier begon te voelen. Hij had het van het begin af een lief dier gevonden, maar het was nog altijd Ayla's paard. Hij besefte heel goed dat hij Renner voor haar beleerde, maar hij moest er niet aan denken dat hij de jonge hengst moest achterlaten.

Jondalar was van plan geweest om onmiddellijk na het Lentefeest weg te gaan, maar hij was er nog steeds en hij wist zelf niet waarom. Hij bedacht verschillende redenen—het was nog te vroeg en het weer was nog onbetrouwbaar en hij had Ayla beloofd om Renner te beleren—maar hij wist wel dat het uitvluchten waren. Talut dacht dat hij bleef om met hen naar de Zomerbijeenkomst te gaan en Jondalar deed geen moeite om die indruk weg te nemen, hoewel hij vast van plan was om voor die tijd te vertrekken. Elke avond wanneer hij naar bed ging, en vooral wanneer Ayla naar de Vossevuurplaats ging, zei hij bij zichzelf dat hij de volgende dag wegging en iedere dag stelde hij het uit. Hij voerde een strijd met zichzelf, maar wanneer hij er serieus aan dacht om te pakken en weg te gaan, herinnerde hij zich hoe ze daar koud en onbeweeglijk op de vloer van de Mammoetvuurplaats lag en dan kon hij niet vertrekken.

Mamut had de dag na het feest met hem gepraat en gezegd dat de wortel zo sterk was geweest dat hij er geen macht meer over had. Het was te gevaarlijk, zei de medicijnman, hij zou hem nooit meer gebruiken. Hij had Ayla de raad gegeven hem ook niet te gebruiken en hij had haar gewaarschuwd dat ze krachtige bescherming nodig had wanneer ze het ooit deed. Zonder het echt te zeggen liet de oude man doorschemeren dat Jondalar op de een of andere manier vat op Ayla had gekregen en verantwoordelijk was voor haar terugkomst.

De woorden van de medicijnman brachten Jondalar in verwarring, maar hij putte er ook een zekere troost uit. Wanneer de man van de Mammoetvuurplaats niet kon instaan voor Ayla's veiligheid, waarom had hij hem dan gevraagd om te blijven? En waarom zei Mamut dat hij haar had teruggebracht? Ze had Ranec de Belofte gedaan en er viel niet te twijfelen aan de gevoelens van de beeldhouwer voor haar. Als Ranec er was, waarom had Mamut hem dan nodig? Waarom had Ranec haar niet teruggebracht? Wist de oude man iets dat hij niet wist? Hoe het ook zij, Jondalar kon de gedachte niet verdragen dat hij er niet zou zijn als ze hem weer nodig had, of dat ze, zonder hem, een ernstig gevaar zou lopen, maar hij moest er ook niet aan denken dat ze met een andere man ging leven. Hij kon niet beslissen of hij zou gaan of zou blijven.

'Wolf! Laat los!' schreeuwde Rugie, boos en geschrokken. Ze speelde met Rydag in de Mammoetvuurplaats waar Nezzie hen had heengestuurd zodat zij kon pakken. 'Ayla! Wolf heeft mijn pop en hij wil hem niet neerleggen.'

Ayla zat midden op haar bed met haar spullen in keurige stapeltjes om zich heen. 'Wolf! Laat los!' riep ze. 'Kom hier,' beduidde ze met een gebaar.

Wolf liet de pop vallen, die van stukjes leer was gemaakt, en kroop met zijn staart tussen de poten naar Ayla. 'Kom op,' zei ze en ze klopte op het plekje bij het hoofdeind van haar bed waar hij gewoonlijk sliep. De jonge wolf sprong erheen. 'Nu gaan liggen en Rugie en Rydag niet meer plagen.' Hij ging met zijn kop op zijn poten liggen en keek haar aan met een heel beklagenswaardige en berouwvolle blik.

Ayla ging weer door met het sorteren van haar spullen, maar ze hield spoedig op om naar de twee kinderen te kijken die samen op de vloer van de Mammoetvuurplaats speelden. Het was niet haar bedoeling naar hen te kijken, maar haar belangstelling was gewekt. Ze speelden 'vuurplaatsje' en deden alsof ze een vuurplaats deelden zoals volwassen mannen en vrouwen dat doen. Hun 'kind' was de leren pop, die de vorm van een mens had, met een ronde kop, een romp, armen en benen en die in een dekentje van zachte huid was gewikkeld. Ayla was vooral geboeid door de pop. Ze had nooit een pop gehad. De mensen van de Stam maakten helemaal geen afbeeldingen, geen tekeningen, geen beelden en zeker niet van leer, maar ze moest plotseling denken aan een gewond konijn dat ze eens had meegenomen naar de grot, opdat Iza het kon genezen. Ze had het konijn net zo geknuffeld en gewiegd als Rugie nu met de pop deed.

Ayla wist dat Rugie meestal met de spelletjes begon. Soms speelden ze dat ze een verbintenis aangingen, maar deze keer waren ze 'leiders' als broer en zuster in hun eigen kamp. Ayla bekeek het blonde meisje en de jongen met het bruine haar en opeens viel het haar weer op dat hij typische trekken van de Stam had. Rugie beschouwt hem als haar broer, dacht Ayla, maar ze betwijfelde of ze ooit samen leiders van een kamp zouden worden.

Rugie gaf Rydag de pop om erop te passen. Ze stond op en liep weg voor de een of andere denkbeeldige boodschap. Rydag keek haar na en legde de pop neer. Hij keek naar Ayla en glimlachte. Toen Rugie niet zo gauw terugkwam, had de jongen geen belangstelling meer voor de denkbeeldige baby. Hij gaf de voorkeur aan echte baby's hoewel hij het niet erg vond om met Rugies spel verder te gaan wanneer ze terugkwam. Na een poosje stond Rydag op en ging ook weg. Rugie had het spel en de pop even vergeten en Rydag ging haar zoeken of misschien vond hij iets anders om te doen.

Ayla probeerde weer beslissingen te nemen over wat ze zou meenemen naar de Zomerbijeenkomst. Ze had het afgelopen jaar al te vaak haar spullen bekeken en besloten wat ze zou meenemen en wat ze zou achterlaten. Deze keer ging ze pakken voor een reis en ze zou niet meer meenemen dan ze kon dragen. Tulie had het er al met haar over gehad om de paarden en de slee te gebruiken voor de geschenken; dat zou haar status en die van het Leeuwekamp verhogen. Ze pakte de huid die ze rood had geverfd en schudde haar uit. Ze wist nog niet of ze haar wel nodig had. Ze had nog altijd niet kunnen besluiten wat ze van de rode huid zou maken. Ze had er nog geen goede bestemming voor, maar rood was heilig voor de Stam en bovendien, ze vond de kleur mooi. Ze vouwde de huid op en legde haar bij nog een paar dingen die ze beslist wou meenemen: het beeldje van het paard dat ze zo mooi vond, dat Ranec haar had gegeven bij haar adoptie, en de nieuwe muta; de prachtige vuurstenen speerpunt van Wymez; wat sieraden, kralen en kettingen; haar kleding die ze van Deegie had gekregen, de witte tuniek die ze had gemaakt en Durcs cape.

Terwijl ze nog een paar voorwerpen bekeek, dwaalden haar gedachten af naar Rydag. Zou hij ooit een echt levensgezellin krijgen, zoals Dure? Ze dacht niet dat er ook meisjes zouden zijn zoals hij op de Zomerbijeenkomst. Ze realiseerde zich dat ze er niet eens zeker van was of hij wel volwassen zou worden. Ze was dankbaar dat haar zoon sterk en gezond was en dat hij een levensgezellin zou krijgen. De Stam van Broud zou zich nu zo ongeveer gereedmaken om naar de Stambijeenkomst te gaan, als ze al niet waren vertrokken. Oera zou erop rekenen dat ze met hen terugging om uiteindelijk met Dure een verbintenis aan te gaan en waarschijnlijk zou ze er tegen opzien om haar eigen stam te verlaten. Arme Oera, het zou haar zwaar vallen om de mensen te verlaten die ze kende en in een vreemde omgeving bij een vreemde stam te gaan wonen. Ayla vroeg zich opeens af of ze Dure wel aardig zou vinden? En zou hij haar wel aardig vinden? Ze hoopte het maar, omdat ze waarschijnlijk geen andere keus zouden hebben.

Terwijl ze aan haar zoon dacht, pakte Ayla een zakje dat ze uit de vallei had meegebracht. Ze maakte het open en gooide het leeg. Haar hart bonsde toen ze het ivoren beeldje zag. Ze nam het in de hand. Het was een beeldje van een vrouw, maar heel anders dan de beeldjes die ze eerder had gezien en ze besefte nu hoe ongewoon het was. De meeste muta, met uitzondering van Ranecs beeld van de vogelvrouw, waren volle, ronde, moederlijke types met slechts een knobbel, zij het soms versierd, die het hoofd voorstelde. Ze waren allemaal bedoeld als symbool van de Moeder, maar dit was een beeldje van een slanke vrouw, met het haar in vlechtjes, zoals zij het meestal droeg. Het meest verrassende was dat het gezicht nauwkeurig was uitgesneden, met een mooie neus en kin en een aanduiding van de ogen.

Ze hield het beeldje in haar hand en het begon voor haar ogen te vervagen terwijl al de herinneringen terugkwamen. Zonder dat ze het zich bewust was, liepen de tranen over haar gezicht. Jondalar had het gemaakt, in de vallei. Toen hij het maakte zei hij dat hij haar geest wou vangen zodat ze nooit gescheiden zouden zijn. Daarom had hij een beeldje gemaakt dat zo op haar leek, hoewel niemand ooit een beeld maakte van een levende persoon uit vrees de geest te zullen vangen. Hij zei dat zij het beeldje moest bewaren, opdat niemand het met verkeerde bedoelingen tegen haar kon gebruiken. Ze besefte dat dit haar eerste muta was. Hij had het haar gegeven na haar Eerste Riten, toen hij van haar een echte vrouw had gemaakt.

Ze zou die zomer in de vallei nooit vergeten, toen ze daar samen waren. Maar Jondalar zou zonder haar weggaan. Ze drukte het ivoren beeldje aan haar borst en wou dat ze met hem mee kon. Wolf jankte zachtjes terwijl hij naar haar keek, en kroop voorzichtig naar haar toe omdat hij wel wist dat hij eigenlijk moest blijven waar hij was. Ze boog zich over hem heen en verborg haar gezicht in zijn vacht, terwijl hij probeerde haar zoute tranen weg te likken.

Ze hoorde iemand het gangpad afkomen en ging vlug rechtop zitten. Ze veegde haar gezicht af en ze deed haar best om zich te beheersen. Ze draaide zich om alsof ze iets achter zich zocht toen Barzec en Druwez voorbijkwamen. Ze waren druk in gesprek. Ze deed het beeldje weer in de zak en legde die voorzichtig op de leren huid die ze rood had geverfd. Ze zou hem zeker meenemen, want ze kon haar eerste muta niet achterlaten.

Later op de avond, toen het Leeuwekamp op het punt stond om gezamenlijk te eten, begon Wolf opeens dreigengd te grommen en hij rende naar de hoofdingang. Ayla sprong overeind en liep hem achterna. Ze vroeg zich af wat er aan de hand was. Verscheidene anderen volgden haar. Toen ze het kleed openduwde, zag ze tot haar verbazing een vreemde staan, die geschrokken terugdeinsde voor een halfvolwassen wolf in dreigende houding.

'Wolf! Kom!' beval Ayla. De jonge wolf trok zich met tegenzin terug, maar hij bleef grommend en met ontblote tanden naar de vreemde man kijken.

'Ludeg!' zei Talut. Hij stapte naar voren met een brede grijns en ontving de man met een onstuimige omhelzing. 'Kom binnen.

Kom erin. Het is koud.'

ik... eh... ik weet niet,' zei de man die naar de jonge wolf keek. 'Zijn er binnen nog meer van dat soort?'

'Nee. Niet meer,' zei Ayla. 'Wolf doet je niets. Daar zorg ik wel voor.'

Ludeg keek Talut aan en wist niet of hij de onbekende vrouw kon geloven. 'Waarom hebben jullie een wolf in huis?'

'Dat is een lang verhaal, maar dat kan ik je beter bij een warm vuur vertellen. Kom binnen, Ludeg. De jonge wolf doet je niets, dat beloof ik je,' zei Talut met een veelbetekenende blik naar Ayla, terwijl hij de jonge man mee naar binnen nam.

Ayla wist precies wat die blik inhield. Wolf kon deze vreemde maar beter niet aanvallen. Ze volgde hen en gaf het jonge dier een teken dat hij naast haar moest blijven, maar ze wist niet hoe ze hem moest laten ophouden met grommen. Dit was een nieuwe situatie. Ze wist dat wolven heel goedaardig en aanhankelijk waren tegenover hun eigen troep, maar ze stonden ervoor bekend dat ze vreemden die hun gebied binnendrongen, aanvielen en doodden. Wolfs gedrag was dus heel begrijpelijk, maar daarom kon ze het nog niet toestaan. Hij zou aan vreemden moeten wennen, of hij het leuk vond of niet. Nezzie begroette de zoon van haar neef hartelijk. Ze pakte zijn rugzak en anorak en gaf ze aan Danug om ze naar een leeg bed in de Mammoetvuurplaats te brengen. Toen vulde ze een bord en zocht een plaatsje voor hem. Ludeg bleef de wolf in de gaten houden. Hij voelde zich niet op zijn gemak en telkens wanneer Wolf hem zag kijken, begon hij harder te grommen. Als Ayla zei dat hij stil moest zijn, legde hij de oren in de nek en kroop in elkaar, maar het volgende moment gromde hij weer tegen de vreemde. Ze dacht eraan om Wolf vast te zetten met een touw om zijn nek, maar ze geloofde niet dat het iets zou oplossen. Het zou het waakse dier alleen maar angstiger maken en de man op zijn beurt onrustiger.

Rydag was op de achtergrond gebleven omdat hij wat verlegen was voor de vreemde, al kende hij hem wel. Maar hij begreep het probleem meteen. Hij voelde dat de gespannen houding van de man bijdroeg aan de moeilijkheden. Ludeg zou zich misschien beter op zijn gemak voelen wanneer hij zag dat Wolf vriendelijk was. De meeste mensen zaten bij elkaar in de kookplaats en toen Rydag hoorde dat Hartal wakker was, kreeg hij een idee. Hij liep naar de Rendiervuurplaats en troostte de dreumes. Toen nam hij hem bij de hand en liep naar de kookplaats,

maar niet naar zijn moeder. In plaats daarvan ging hij naar Ayla en Wolf.

Hartal had de laatste tijd een warme genegenheid opgevat voor het speelse jonge dier en toen hij het harige grijze beest zag, kraaide hij van pret. Hartal liep opgetogen naar de wolf toe, maar zijn kleine stapjes waren nog onzeker. Hij struikelde en viel boven op hem. Wolf jankte, maar hij likte alleen maar het gezicht van de kleine zodat Hartal begon te kirren. Hij duwde de warme natte tong weg en stak zijn mollige handjes tussen de lange kaken vol scherpe tanden. Vervolgens sloeg hij zijn handjes in Wolfs vacht en probeerde hem naar zich toe te trekken.

Ludeg vergat zijn nerveusheid en zag met grote ogen van verbazing hoe de dreumes de wolf niet bepaald zachtzinnig behandelde, maar vooral hoe de kwaadaardige vleeseter er geduldig en vriendelijk in berustte. Wolf moest zijn waakzame houding ook wel laten varen onder deze aanval en hij was nog maar een halfvolwassen wolf en nog niet in staat tot de volharding van de volwassen leden van zijn soort. Ayla glimlachte naar Rydag en ze begreep waarom hij Hartal had gehaald. Hij had precies zijn doel bereikt. Toen Tronie kwam om haar zoon te halen, pakte Ayla Wolf op. Ze vond dat dit het juiste moment was om hem met de vreemde te laten kennis maken.

ik denk dat Wolf sneller aan je went, wanneer je hem je geur laat ruiken,' zei ze tegen de jonge man.

Ayla sprak de taal uitstekend, maar Ludeg hoorde wel enig verschil in de uitspraak van sommige woorden. Hij nam haar voor de eerste keer goed op en hij vroeg zich af wie ze was. Hij wist dat ze niet bij het Leeuwekamp was toen ze vorig jaar vertrokken. Hij kon zich eigenlijk niet herinneren haar ooit gezien te hebben en hij wist zeker dat hem dat bij zo'n mooie vrouw niet was ontgaan. Waar kwam ze vandaan? Hij keek op en zag dat een grote, blonde vreemdeling naar hem stond te kijken.

'Wat moet ik doen?' vroeg hij.

ik denk dat het al helpt wanneer je hem gewoon aan je hand laat ruiken. Hij vindt het ook fijn om te worden geaaid, maar ik zou het niet overdrijven de eerste keer. Hij heeft wat tijd nodig om aan je te wennen,' zei Ayla.

Ludeg stak wat aarzelend zijn hand uit. Ayla zette Wolf neer om hem eraan te laten snuffelen, maar ze bleef er wel bij staan om te kunnen ingrijpen wanneer het nodig was. Ze dacht niet dat Wolf zou aanvallen, maar ze was er niet zeker van. Na een poos je stak de man de hand uit om de dikke, verharende vacht aan te raken. Hij had nog nooit een levende wolf aangeraakt en hij vond het nogal spannend. Hij glimlachte naar Ayla en het viel hem weer op hoe knap ze was toen ze zijn glimlach beantwoordde.

Talut, ik geloof dat ik mijn nieuws beter vlug kan vertellen,' zei Ludeg, 'want ik denk dat het Leeuwekamp verhalen heeft die ik graag wil horen.'

Het grote stamhoofd glimlachte. Hij genoot van dit soort belangstelling. Boodschappers kwamen meestal nieuws brengen en ze werden niet alleen gekozen omdat ze een goed verhaal konden vertellen, maar ook omdat ze in staat waren snel te lopen.

'Vertel het ons maar. Wat voor nieuws kom je brengen?' vroeg Talut.

'Het belangrijkste is de plaat,s van samenkomst voor de Zomerbijeenkomst. Het Wolvekamp treedt op als gastheer. De plaats die vorig jaar werd gekozen, is weggespoeld. Ik heb ook ander nieuws, droevig nieuws. Ik ben een nacht in een Sungaea- kamp gebleven. Daar is ziekte, een dodelijke ziekte. Er waren er al een paar gestorven en toen ik wegging waren de zoon en de dochter van de leidster ook ernstig ziek. Men twijfelde of ze het zouden overleven.'

'O, dat is verschrikkelijk!' zei Nezzie.

'Wat voor ziekte hebben ze?' vroeg Ayla.

'Het schijnt in de borst te zitten. Hoge koorts, zware hoest en benauwdheid.'

'Hoe ver is dat hier vandaan?' vroeg Ayla.

'Weetje dat niet?'

'Ayla was een gast, maar ze is geadopteerd,' zei Tulie. Vervolgens wendde ze zich tot Ayla. 'Het is niet zo ver.'

'Kunnen we erheen, Tulie? Of kan iemand me erheen brengen? Als die kinderen ziek zijn, kan ik hen misschien helpen.'

'Ik weet het niet. Wat denk jij ervan, Talut?'

'Het is een hele omweg als de Zomerbijeenkomst bij het Wolvekamp wordt gehouden en we hebben er niet eens verwanten, Tulie.'

ik geloof dat Darnev verre familie in dat kamp had,' zei Tulie. 'Het is wel erg voor die kinderen om zo ziek te zijn.'

'Misschien moesten we wel gaan, maar dan moeten we wel zo gauw mogelijk vertrekken,' zei Talut.

Ludeg had met grote belangstelling geluisterd. 'Nu ik mijn nieuws heb verteld, zou ik graag iets willen horen over de nieuwe bewoonster van het Leeuwekamp, Talut. Is ze echt een Genezer? En waar is de wolf vandaan gekomen? Ik heb nog nooit gehoord dat iemand een wolf in huis heeft.'

'En dat is nog niet alles,' zei Frebec. 'Ayla heeft ook twee paarden, een merrie en een jonge hengst.'

De bezoeker keek Frebec ongelovig aan. Toen ging hij er rustig bij zitten om te luisteren naar de verhalen die het Leeuwekamp had te vertellen.

Nadat hij tot diep in de nacht had geluisterd naar de verhalen, zag Ludeg de volgende morgen nog een staaltje van Ayla's en Jondalars rijkunst en hij was er wel van onder de indruk. Hij vertrok naar het volgende kamp om daar het nieuws te brengen over de gewijzigde plaats van samenkomst en om te vertellen van de nieuwe vrouw van de Mamutiërs. Het Leeuwekamp zou de volgende morgen vertrekken en de rest van de dag werd besteed aan de laatste voorbereidingen.

Ayla besloot meer medicijnen mee te nemen dan ze gewoonlijk in haar tas had en ze bekeek nauwkeurig haar voorraad kruiden terwijl ze met Mamut praatte, die ook aan het pakken was. Ze moest vaak aan de Stambijeenkomst denken en toen ze zag hoe de oude medicijnman zijn stijve gewrichten ontzag, herinnerde ze zich hoe de oude mensen die de lange reis niet konden maken, door de Stam werden achtergelaten. Hoe zou Mamut een lange reis kunnen maken? Ze maakte zich er zorgen over en ging naar buiten om Talut te zoeken.

ik draag hem het grootste gedeelte op mijn rug,' legde Talut uit.

Ze zag dat Nezzie nog een pak bij de stapel dingen legde die door de paarden op de slee zouden worden vervoerd. Rydag zat er dichtbij op de grond en keek triest om zich heen. Opeens ging Ayla weg om Jondalar te zoeken. Toen ze hem vond, was hij bezig de spullen in te pakken die Tulie hem had gegeven.

'Jondalar! Ben je hier,' zei ze.

Hij keek geschrokken op. Zij was de laatste die hij op dat moment verwachtte te zien. Hij had net aan haar gedacht, hoe hij afscheid moest nemen. Hij was tot de conclusie gekomen dat dit voor hem ook het juiste moment was om te vertrekken, nu iedereen het huis verliet. Maar in plaats van met het Leeuwekamp naar de Zomerbijeenkomst te gaan, zou hij de andere kant opgaan en aan zijn lange reis naar huis beginnen.

'Weet jij hoe Mamut op de Zomerbijeenkomst moet komen?' vroeg Ayla.

De vraag overviel hem. Het was wel het laatste waar hij aan dacht en hij begreep niet goed waar ze het over had. 'Eh... nee,' zei hij.

'Talut moet hem op zijn rug dragen. En dan is Rydag er ook nog. Die moet ook gedragen worden. Ik had gedacht, Jondalar, jij hebt Renner beleerd en die is er nu aan gewend om iemand op zijn rug te hebben, of niet?'

'Ja.'

'En hij luistert naar je. Je kunt hem sturen waarheen je wilt, nietwaar?'

'Ja, ik denk het wel.'

'Goed zo. Dan zie ik geen reden waarom Mamut en Rydag niet op de paarden naar de Bijeenkomst kunnen rijden. Zij kunnen ze niet leiden, maar dat kunnen jij en ik wel. Het zou zoveel gemakkelijker zijn voor iedereen en Rydag is de laatste tijd zo somber, misschien vrolijkt het hem wat op. Weet je nog hoe heerlijk hij het vond toen hij de eerste keer op Whinney reed? Je vindt het toch niet erg, Jondalar? Wij hoeven niet te rijden, ze lopen allemaal,' zei Ayla.

Ze was zo blij en enthousiast over het plan en het was duidelijk dat ze er niet eens aan had gedacht dat hij niet mee zou gaan. Hoe zou hij het kunnen weigeren, dacht hij. Het was een goed idee en het was wel het minste dat hij kon doen na alles wat het Leeuwekamp voor hem had gedaan.

'Nee, ik vind het niet erg om te lopen,' zei Jondalar. Hij kreeg een vreemd gevoel van opluchting toen hij Ayla naar Talut zag gaan om het hem te vertellen, alsof er een verschrikkelijke last van zijn schouders was genomen. Hij haastte zich om de laatste spullen in te pakken en nam alles mee naar de anderen. Ayla hield toezicht bij het laden van de beide sleden. Ze waren bijna klaar om te vertrekken.

Nezzie zag hem aankomen en glimlachte. 'Ik ben blij dat je hebt besloten om mee te gaan en Ayla te helpen met de paarden. Mamut zal het veel gemakkelijker hebben en moet je Rydag eens zien. Ik heb hem nog nooit zo enthousiast gezien om naar een Zomerbijeenkomst te gaan.'

Jondalar vroeg zich af waarom hij het gevoel had dat Nezzie wist dat hij naar huis had willen gaan.

'En bedenk eens wat een indruk het zal maken wanneer we niet alleen met twee paarden aankomen, maar ook met twee mensen die erop zitten,' zei Barzec.

'Jondalar, we stonden op je te wachten. Ayla wist niet wie op welk paard moest rijden,' zei Talut.

ik geloof niet dat het iets uitmaakt,' zei Jondalar. 'Whinney is wat gemakkelijker te berijden. Ze schokt niet zo.'

Hij zag dat Ranec Ayla hielp om de vracht te verdelen. Inwendig kromp hij ineen toen hij hen samen zag lachen en hij besefte hoe tijdelijk zijn gevoel van opluchting was. Hij had het onvermijdelijke slechts uitgesteld, maar hij zat er nu aan vast. Nadat Mamut geheimzinnige gebaren had gemaakt en alleen voor ingewijden begrijpelijke woorden had gesproken, stak hij voor de ingang van het huis een muta in de grond om het te bewaken en toen besteeg hij Whinney, met hulp van Ayla en Talut. Hij leek nerveus, maar dat was moeilijk te zien. Jondalar vond dat hij het goed wist te verbergen.

Rydag was echter niet nerveus. Hij had eerder op de rug van een paard gezeten. Hij was alleen maar enthousiast toen de grote man hem optilde en op Renners rug zette. Hij had nog nooit op de hengst gereden. Hij grijnsde naar Latie die met gemengde gevoelens naar hem keek. Ze maakte zich zorgen over zijn veiligheid, maar ze was ook blij en een beetje jaloers op hem om deze nieuwe belevenis. Ze had Jondalar bezig gezien met het beleren van het paard, voor zover dat van een afstand mogelijk was. Het was moeilijk om een andere vrouw mee te krijgen en het van dichtbij te bekijken. Er zaten ook nadelen aan het volwassen worden. Ze was tot de conclusie gekomen dat er niet beslist toverij voor nodig was om een jong paard te beleren. Er was gewoon geduld bij nodig, en natuurlijk, een paard om te beleren.

Het kamp werd voor de laatste keer gecontroleerd en toen vertrokken ze, de helling op. Halverwege bleef Ayla staan. Wolf ook en hij keek afwachtend naar haar omhoog. Ze keek naar het verblijf waar ze een thuis had gevonden en was geaccepteerd door haar eigen soort. Ze miste nu al de gezellige geborgenheid, maar als ze terugkwamen zou die er weer zijn om hen te beschermen tegen een lange koude winter. De wind rimpelde het kleed voor de toegangspoort van mammoetslagtanden en ze zag de schedel van de holeleeuw erboven. Het Leeuwekamp leek eenzaam zonder mensen. Het gaf Ayla van de Mamutiërs opeens een verdrietig gevoel.