2.

Ayla zat weggedoken in een nauwe spleet van een steile rotswand te kijken naar de enorme klauw van een holeleeuw die haar probeerde te bereiken. Ze gilde van pijn en angst toen hij haar blote dij vond en er vier diepe krassen in trok. De Geest van de Grote Holeleeuw had haar uitgekozen en haar dit kenteken gegeven om te laten zien dat hij haar totem was. Dat had Creb gezegd van de toets die veel verder was gegaan dan zelfs een man moest doorstaan, terwijl zij toen een meisje was van amper vijf jaar. Als ze het gevoel kreeg dat de grond onder haar voeten trilde, werd ze nog misselijk.

Ze schudde haar hoofd om de levendige herinnering te verjagen.

'Wat scheelt eraan, Ayla?' vroeg Jondalar, die haar verwarring wel zag.

'Ik zag die schedel,' zei ze en ze wees op de versiering boven de deur, 'en toen moest ik denken aan het moment dat ik gekozen werd. De holeleeuw is mijn totem!'

'We zijn in het Leeuwekamp,' zei Talut trots, hoewel hij dat al eerder had verteld. Hij verstond hen niet als ze Jondalars taal spraken, maar hij zag dat ze belangstelling hadden voor de talisman van het kamp.

'De holeleeuw betekent veel voor Ayla,' legde Jondalar uit. 'Ze zegt dat de geest van de grote kat haar leidt en beschermt.'

'Dan moet je je hier thuis voelen,' zei Talut met een stralende glimlach omdat hij het prettig vond.

Ze zag Nezzie, die Rydag droeg en moest weer aan haar zoon denken. 'Ik denk van wel,' zei ze.

Voor ze naar binnen gingen, bleef de jonge vrouw staan om de toegangspoort te bekijken en ze glimlachte toen ze zag hoe ze hem zo mooi symmetrisch hadden gekregen. Het was eenvoudig, maar zij zou er niet opgekomen zijn. Twee grote slagtanden van de mammoet, van hetzelfde dier, of tenminste dieren van dezelfde grootte, stonden stevig verankerd in de grond met de punten naar elkaar toe en boven waren ze verbonden door een koker, gemaakt van het holle bot uit de poot van een mammoet.

Een zwaar gordijn, gemaakt van de huid van een mammoet, sloot de opening af, maar die was hoog genoeg, zodat zelfs Talut zonder bukken naar binnen kon toen hij het kleed opzij trok. De poort gaf toegang tot een grote ruimte, een soort voorportaal, waar aan de andere kant weer een symmetrische poort van mammoettanden stond met een gordijn van leer. Ze stapten een ronde ruimte in met dikke wanden die in een boog naar een laag koepelvormig plafond liepen. Terwijl ze erdoorheen liepen, bekeek Ayla de wanden. Die leken te bestaan uit mammoetbot- ten waar bovenkleding aanhing en rekken met voorraden. Talut trok het tweede gordijn opzij, stapte erdoor en hield het open voor de gasten.

Ayla liep verder over de licht aflopende vloer. Toen bleef ze verbaasd staan, overweldigd door de vele indrukken van alle vreemde dingen die ze zag, zoals allerlei onbekende voorwerpen en felle kleuren. Er was veel bij waar ze niets van begreep en ze beperkte zich tot het bekijken van de minder moeilijke dingen.

In de ruimte waar ze zich bevonden was ongeveer in het midden een grote vuurplaats. Er hing een groot stuk vlees, aan een lange paal geregen, boven het vuur. De beide uiteinden steunden in een gleuf die uitgesneden was in het kniegewricht van een mammoetkalf dat gedeeltelijk was ingegraven. Van de vertakking van een hertegewei was een soort as gemaakt waar een jongen aan stond te draaien. Het was een van de kinderen die naar haar en Whinney hadden staan kijken. Ayla herkende hem en glimlachte. Hij grijnsde terug.

Toen haar ogen begonnen te wennen aan het flauwe licht, was ze verbaasd over de ruimte en hoe netjes en gezellig het er was. Deze vuurplaats was pas de eerste van een reeks verspreid over het midden van een langgerekt verblijf met een lengte van bijna dertig meter en een breedte van zes meter.

Zeven vuren telde Ayla terwijl ze ongemerkt haar vingers tegen haar been drukte en zich de telwoorden herinnerde die Jondalar haar had geleerd.

Ze merkte dat het binnen warm was. De vuren verwarmden het half onderaardse verblijf beter dan de grotten die zij kende. Het was eigenlijk erg warm en verderop zag ze verscheidene mensen die heel dun gekleed waren.

Maar het werd achterin niet donkerder. Het plafond was bijna overal even hoog, een meter of vier en boven elke vuurplaats was een opening zodat de rook kon ontsnappen en er ook licht naar binnen viel. De spanten van mammoetbeenderen hingen vol kleding, uitrustingsstukken en voedsel, maar het middengedeelte was gemaakt van een groot aantal rendiergeweien die in elkaar verstrengeld zaten.

Opeens werd Ayla zich bewust van een geur die haar deed watertanden. Dat is mammoetvlees! dacht ze. Ze had het kostelijke, malse mammoetvlees niet meer geproefd sinds ze de grot van de Stam had verlaten. Ze rook nog meer heerlijke geuren. Sommige waren bekend, andere niet, maar alles bij elkaar bezorgden ze haar wel een hongerig gevoel.

Toen ze via een doorgang langs vlakke treden naar beneden werden geleid, kwamen ze in het midden van het langgerekte verblijf bij verschillende vuurplaatsen. Langs de wanden zag ze brede banken met stapels vachten erop. Er zaten mensen op te rusten of te praten. Ze voelde dat ze naar haar keken toen ze erlangs liep. Ze zag nog meer poorten van mammoetslagtanden en ze vroeg zich af waar ze voor dienden, maar ze durfde het niet te vragen.

Het is net een grot, dacht ze, een grote gezellige grot. Maar de poorten van slagtanden en de grote mammoetbotten die dienst deden als posten, steunbalken en wanden, deden haar wel begrijpen dat het geen grot was die iemand toevallig had ontdekt. Ze hadden hem zelf gebouwd!

De eerste ruimte, waar het vlees geroosterd werd, was groter dan de andere. En de vierde ook, waar Talut hen nu heenbracht. Er stonden verscheidene slaapbanken langs de wanden, maar ze werden blijkbaar niet gebruikt omdat er geen vachten op lagen, zodat ze kon zien, hoe ze waren gemaakt.

Toen ze de vloer hadden uitgegraven, bleven er ruime stukken over, iets lager dan de begane grond. Die werden langs beide kanten gestut door strategisch geplaatste mammoetbotten. Er werden nog meer beenderen boven de platforms geplaatst en de gaten werden opgevuld met gevlochten gras om de zachtleren bedden hoger te maken en te steunen. De bedzakken werden opgevuld met mammoetwol en ander donzig materiaal. Met verscheidene lagen vachten erop werden de platforms warme, geriefelijke bedden of rustbanken.

Jondalar vroeg zich af of de vuurplaats, waar ze heengebracht waren, onbewoond was. Het leek zo, maar ondanks de vele lege plaatsen hing er toch een gezellige sfeer. Er gloeiden kooltjes in de vuurplaats en op een paar banken lagen stapels huiden en vachten terwijl er gedroogde kruiden op de rekken hingen.

'Gasten logeren gewoonlijk in de Vuurplaats van de Mammoet,' legde Talut uit, 'tenminste, als Mamut geen bezwaar maakt. Ik zal het vragen.'

'Natuurlijk mogen ze blijven, Talut.'

De stem kwam van een van de lege banken. Jondalar draaide zich om en bleef kijken toen er iets bewoog op een van de stapels vachten. Er schitterden twee ogen in een gezicht dat hoog op de rechterwang getekend was door getatoeëerde strepen, die wegzonken in de rimpels en vouwen die bij een ongelooflijk hoge leeftijd passen. Wat hij had aangezien voor de wintervacht van een dier bleek een witte baard te zijn. Twee lange dunne schenen maakten zich los uit een kleermakerszit en vielen over de rand van het verhoogde platform.

'Kijk niet zo verbaasd, man van de Zelandoniërs. De vrouw wist dat ik hier zat,' zei de oude man met een krachtige stem die weinig liet blijken van zijn hoge leeftijd.

'Is dat zo, Ayla?' vroeg Jondalar. Maar ze scheen hem niet te horen. Ayla en de oude man leken wel gehypnotiseerd en staarden elkaar aan alsof ze in eikaars ziel wilden kijken. Toen liet de jonge vrouw zich voor de oude Mamut op de grond vallen, kruiste haar benen en boog haar hoofd.

Jondalar stond voor een raadsel en was totaal van zijn stuk. Ze gebruikte de gebarentaal van het volk van de Stam, waar ze hem over had verteld. De houding waarin ze zat was die van eerbied en respect die een vrouw van de Stam aannam als ze toestemming vroeg om zich te uiten. De enige keer dat hij haar eerder in die houding had gezien was toen ze hem iets heel belangrijks probeerde te vertellen, iets dat ze niet op een andere wijze kon meedelen; toen de woorden die hij haar had geleerd niet toereikend waren om haar gevoelens te uiten. Hij vroeg zich af hoe iets duidelijker kon worden uitgedrukt in een taal waarin meer gebaren en bewegingen werden gebruikt dan woorden, maar zijn verbazing zou nog groter zijn geweest als hij wist hoe die mensen met elkaar communiceerden.

Maar hij wou dat ze dat hier niet had gedaan. Hij kreeg een kleur toen hij haar zo, in het bijzijn van anderen, platkopgebaren zag maken en hij wou vlug naar haar toe lopen om te zeggen dat ze moest gaan staan voor iemand anders haar zag. Trouwens, de houding stond hem niet aan. Alsof ze hem de eerbied en trouw betoonde die verschuldigd was aan Doni, de Grote Aardmoeder. Hij had het beschouwd als iets persoonlijks, tussen hen beiden. Niet iets dat je anderen liet zien. Het was nog tot daaraan toe als ze het bij hem deed, wanneer ze alleen waren, maar hij wou dat deze mensen een gcede indruk van haar kregen. Hij wou dat ze haar aardig vonden. Hij wilde niet dat ze haar achtergrond kenden.

Mamut wierp hem een scherpe blik toe en keek toen weer naar Ayla. Hij liet zijn blik even onderzoekend op haar rusten, toen boog hij voorover en tikte haar op de schouder.

Ayla keek op en zag een paar wijze, vriendelijke ogen in een gezicht dat doorgroefd was met fijne rimpels en zachte plooien. De tatoeëring onder zijn rechteroog gaf haar even de indruk dat het oog ontbrak in de donkere oogkas en ze dacht een moment dat het Creb was. Maar de oude heilige man van de Stam, die haar, samen met Iza, had grootgebracht en voor haar had gezorgd, was dood en Iza ook. Wie was deze man dan die zulke sterke gevoelens in haar had opgewekt? Waarom zat ze aan zijn voeten als een vrouw van de Stam? En hoe had hij het juiste antwoord van de Stam geweten?

'Sta op mijn kind. We praten later wel,' zei Mamut. 'Je moet eerst rusten en eten. Daar staan bedden—slaapplaatsen,' legde hij uit, op de banken wijzend alsof hij wist dat het haar gezegd moest worden. 'Daar liggen extra vachten en beddegoed.'

Ayla stond gracieus op. De oude man die haar gadesloeg zag in de beweging jaren van oefening en hij voegde die informatie bij wat hij al wist van de jonge vrouw. Na hun korte ontmoeting wist hij al meer over Jondalar en Ayla dan ieder ander in het kamp. Maar hij had ook het voordeel dat hij meer wist over Ayla's afkomst dan wie ook in het kamp.

Het mammoetvlees was net zo smakelijk en mals als Ayla zich herinnerde, maar toen het middagmaal werd opgediend werd het even moeilijk voor haar. Ze wist niet hoe het gebruik was. Bij zekere gelegenheden, meestal de meer formele, aten de vrouwen van de Stam gescheiden van de mannen. Gewoonlijk echter zaten ze in familiegroepjes bij elkaar. Maar ook dan werden de mannen eerst bediend.

Ayla wist niet dat de Mamutiërs hun gasten vereerden door ze het eerste en het beste stuk aan te bieden en dat het gebruik voorschreef, uit eerbied voor de Moeder, dat een vrouw de eerste hap nam. Ayla bleef wat achter Jondalar toen het eten werd binnengebracht en probeerde onopvallend naar de anderen te kijken. Er werd even onrustig geschuifeld toen iedereen stond te wachten tot zij begon en zij probeerde achter de anderen te blij ven.

Een paar leden van het kamp begonnen in de gaten te krijgen wat er aan de hand was en maakten er, ondeugend grijnzend, een spelletje van. Maar Ayla vond het niet grappig. Ze begreep dat ze iets verkeerds deed en het hielp haar niet als ze Jondalar in de gaten hield. Hij probeerde haar ook naar voren te duwen.

Mamut kwam haar te hulp. Hij nam haar bij de arm en leidde haar naar de grote benen schaal met dikke plakken mammoetvlees.

'Er wordt van je verwacht dat jij begint, Ayla,' legde hij uit.

'Maar ik ben een vrouw,' protesteerde ze.

'Daarom verwacht men dat jij begint. Dat is ons offer aan de Moeder en het is beter als een vrouw het in haar plaats accepteert. Neem het beste stuk, niet voor jezelf, maar om Mut te eren,' legde de oude man uit.

Ze keek hem aan, eerst verbaasd en toen dankbaar. Ze pakte een bord, een licht gebogen stuk ivoor dat van een slagtand was geslagen en heel ernstig zocht ze nauwkeurig het beste stuk uit. Jondalar glimlachte haar goedkeurend toe en toen drongen de anderen naar voren om zich te bedienen. Toen ze het op had, zette Ayla het bord op de grond zoals ze anderen had zien doen.

'Ik vroeg me af of je ons zo pas een nieuwe dans liet zien,' zei iemand vlak achter haar.

Ayla draaide zich om en zag de zwarte ogen van de man met de bruine huid. Ze verstond het woord 'dans' niet, maar hij glimlachte vriendelijk. Ze glimlachte terug.

'Heeft iemand je ooit verteld hoe mooi je bent als je glimlacht?' vroeg hij.

'Mooi? Ik?' Ze lachte en schudde ongelovig haar hoofd.

Jondalar had eens bijna dezelfde woorden tegen haar gezegd, maar Ayla vond zichzelf niet mooi.

Lang geleden, toen ze voor het eerst ongesteld werd, was ze langer en magerder dan de mensen die haar hadden grootgebracht. Ze zag er zo anders uit, met haar hoge voorhoofd en dat vreemde bot onder haar mond, waarvan Jondalar zei dat het een kin was, dat ze zichzelf altijd groot en lelijk had gevonden.

Ranec bekeek haar met grote belangstelling. Ze lachte met een kinderlijke ongedwongenheid alsof ze echt dacht dat hij iets grappigs had gezegd. Dat was geen gebruikelijke reactie wanneer hij tegen een vrouw zei dat ze knap was. Een verlegen glim lach misschien, of een uitnodigend lachje, maar in Ayla's blauwgrijze ogen lag geen slinksheid en in de manier waarop ze haar hoofd achterover wierp of haar lange haren opzij schoof zat geen enkele terughoudendheid of verlegenheid.

Haar bewegingen hadden eerder de natuurlijke, soepele gratie van een dier, een paard misschien, of een leeuw. Ze had een uitstraling, eigenschappen die hij niet precies kon omschrijven, maar er zaten elementen in van absolute onbevangenheid en eerlijkheid en toch een groot mysterie. Ze leek onschuldig als een baby, open voor alles, maar ze was een echte vrouw, een grote, overweldigend mooie vrouw, die niet bereid was te schipperen.

Hij bekeek haar belangstellend en nieuwsgierig. Haar dik lang haar had een natuurlijke golf en een warme gouden glans, als een veld rijp gras dat buigt in de wind; ze had grote ogen en haar wimpers waren iets donkerder dan het haar. Hij bekeek de zuivere, elegante lijnen van haar gezicht en de gespierde gratie van haar lichaam met de kennersblik van een beeldhouwer. Toen zijn ogen over haar volle borsten en uitnodigende heupen gleden, kregen ze een uitdrukking die haar deed schrikken.

Ze bloosde en wendde haar blik af. Hoewel Jondalar haar had verteld dat het niet onfatsoenlijk was, wist ze niet of ze het wel prettig vond als iemand haar zo recht in de ogen keek. Het gaf haar een weerloos en kwetsbaar gevoel. Ze zag Jondalars rug toen ze in zijn richting keek, maar zijn houding zei haar meer dan woorden konden doen. Hij was boos. Waarom was hij boos? Had ze iets gedaan dat zijn boosheid opwekte?

'Talut! Ranec! Barzec! Kijk eens wie daar komen!' riep een stem.

Iedereen draaide zich om en keek. Er kwam een aantal mensen over de top van de heuvel. Nezzie en Talut gingen de heuvel op terwijl een jonge man zich losmaakte uit de groep en naar hen toe rende. Ze ontmoetten elkaar halverwege met een hartelijke omhelzing. Ranec haastte zich om ook een van de aankomenden tegemoet te gaan en hoewel de begroeting wat rustiger was, drukte hij met warme genegenheid een oudere man tegen zich aan.

Ayla keek met een vreemd, leeg gevoel toe hoe de overige mensen de gasten alleen lieten in hun ijver om de thuiskomende familie en vrienden te begroeten en allen praatten en lachten tegelijk. Zij was Ayla Zonder Volk. Ze had geen plaats om heen te gaan, geen thuis, geen stam om haar te verwelkomen met omhelzingen en kussen. Iza en Creb, die van haar hadden gehouden, waren dood en zij was dood voor degenen van wie ze hield.

Oeba, de dochter van Iza, was als een zuster voor haar geweest; ze hadden een liefdesband al waren ze geen verwanten. Maar Oeba zou zich nu voor haar afsluiten als ze Ayla zag; ze zou haar ogen niet geloven en haar niet willen zien. Broud had de doodvloek over haar uitgesproken. Daarom was ze dood.

En Dure, haar zoon, zou hij het zich nog herinneren? Ze was al drie jaar weg en Dure was pas drie toen ze vertrok. Ze moest hem achterlaten bij de Stam van Brun. Zelfs als ze hem had kunnen ontvoeren, waren ze nog maar samen geweest. Als haar iets was overkomen, was hij alleen achtergebleven. Het was het beste om hem achter te laten bij de Stam. Oeba hield van hem en zou voor hem zorgen. Ze hielden allemaal van hem—behalve Broud. Maar Brun zou hem beschermen en hem leren jagen. En hij zou sterk en dapper worden en net zo goed met een slinger om kunnen gaan als zij en een snelle loper worden en-

Opeens zag ze dat een lid van het kamp de helling niet was opgerend. Rydag stond bij de ingang, met een hand op een slagtand, met wijd open ogen te kijken naar de groep blij lachende mensen die de heuvel afkwam. Toen zag ze hen, zoals hij hen moest zien, met de armen om elkaar heen, kinderen aan de hand terwijl andere kinderen eromheen huppelden en ook om een hand vroegen. Hij ademde te snel, dacht ze, omdat hij zich te druk maakte. Ze ging naar hem toe en zag Jondalar dezelfde kant op lopen. 'Ik wou hem meenemen naar de anderen,' zei hij. Hij had het kind ook zien staan en ze hadden hetzelfde gedacht.

'Ja, doe dat,' zei ze. 'Whinney en Renner kunnen wel weer onrustig worden met al die nieuwe mensen om hen heen. Ik blijf wel bij ze.'

Ayla zag hoe de grote blonde man het kind met het donkere haar optilde en op zijn schouders zette. Hij liep met grote passen de heuvel op naar de mensen van het Leeuwekamp. De jongeman die bijna net zo groot was als Jondalar, die Talut en Nezzie zo hartelijk hadden verwelkomd, stak zijn armen uit naar de jongen en begroette hem met grote vreugde, dat was duidelijk te zien. Toen zette hij Rydag op zijn schouders voor de weg naar beneden, naar huis. Ze houden van hem, dacht ze en ze herinnerde zich dat ze ook van haar hadden gehouden, ondanks het feit dat ze anders was.

Jondalar zag dat ze naar hem keek en glimlachte. Ze kreeg zo'n warm gevoel voor de zorgzame, gevoelige man en ze had er last van toen ze eraan dacht dat ze enkele ogenblikken geleden nog medelijden met zichzelf had. Ze was niet meer alleen. Ze had Jondalar. Ze hield van de klank van zijn naam en haar gedachten waren vervuld van hem en haar gevoel voor hem.

Jondalar. De eerste van de Anderen die ze ooit had gezien voor zover ze zich kon herinneren; de eerste met een gezicht dat op het hare leek; blauwe ogen als de hare—alleen blauwer, zijn ogen waren zo blauw dat het bijna niet te geloven was dat ze echt waren.

Jondalar. De eerste man die ze ontmoette die groter was dan zij; de eerste die ooit samen met haar had gelachen, en de eerste die ooit tranen huilde van verdriet, om de broer die hij had verloren.

Jondalar. De man die gebracht was als een geschenk van haar totem naar de vallei waar ze was gaan wonen nadat ze de Stam had verlaten en moe werd van het zoeken naar de Anderen.

Jondalar. Die haar weer had leren spreken, met woorden, niet alleen de gebarentaal van de Stam. Jondalar, wiens gevoelige handen een stuk gereedschap konden maken, of een jong paard konden krauwen, of een kind konden optillen en het op zijn rug zetten. Jondalar, die haar de vreugden van haar lichaam leerde kennen—en van het zijne, die haar liefhad en van wie ze meer hield dan ze ooit had gedacht van iemand te kunnen houden.

Ze liep naar de rivier en ging een bocht om waar Renner met een lang touw was vastgebonden aan een boom. Ze veegde met de rug van haar hand over haar vochtige ogen, overstelpt door de emoties die nog zo nieuw voor haar waren. Ze pakte haar amulet, een leren zakje dat aan een riempje om haar hals hing. Ze voelde de voorwerpen die erin zaten en dacht aan haar totem.

De Geest van de Holeleeuw. Creb zei altijd dat het moeilijk was om te leven met een krachtige totem. Hij had gelijk. Het toetsen is altijd moeilijk geweest, maar het was de moeite waard. Deze vrouw is dankbaar voor de bescherming en de geschenken van haar krachtige totem. De geschenken voor haar innerlijk, de dingen die ze leerde en de geschenken van hen voor wie ze zorgde, zoals Whinney en Renner en Kleintje en vooral Jondalar.

Whinney kwam naar haar toe toen ze bij het veulen stond en brieste zachtjes bij wijze van groet. Ze legde haar hoofd op de hals van de merrie en leunde tegen haar aan. Ze was moe en voelde zich uitgeput. Ze was niet gewend aan zoveel mensen, al dat gedoe. Mensen die een taal spraken waren zo druk. Ze had hoofdpijn, haar slapen klopten en haar nek en schouders deden pijn. Whinney leunde ook tegen haar aan en Renner, die zich bij hen voegde, duwde ook van zijn kant tot ze voelde dat ze tussen hen in geklemd zat, maar ze vond het niet erg.

'Genoeg!' zei ze tenslotte en sloeg het veulen op de flank. 'Je wordt te groot, Renner, om me zo tussen jullie in te nemen. Moet je eens zien! Kijk eens hoe groot je bent. Je bent bijna net zo groot als je moeder!' Ze krabde hem, roste en streelde Whinney en voelde opgedroogd zweet. 'Het is voor jullie zeker ook moeilijk? Ik zal jullie eens goed afwrijven en daarna borstelen met de kaardebol. Maar er komen nu meer mensen, dus waarschijnlijk krijgen jullie ook meer aandacht. Het zal wel meevallen als ze eenmaal aan jullie gewend zijn.'

Het viel Ayla niet op dat ze in haar eigen taaltje was overgegaan. Dat had ze ontwikkeld in de loop van de tijd dat ze alleen was geweest met geen ander gezelschap dan dieren. Het was voor een deel opgebouwd uit gebaren van de Stam en gedeeltelijk uit vervormingen van een paar woorden die de Stam gebruikte, imitaties van diergeluiden en de woordjes zonder betekenis die zij en haar zoon hadden gebruikt. Een ander had de gebaren waarschijnlijk niet opgemerkt en die had gedacht dat ze een serie heel vreemde geluiden maakte: geknor en gegrom en telkens dezelfde lettergrepen. Het zou waarschijnlijk niet als een taal worden beschouwd.

'Misschien wil Jondalar Renner ook wel rossen.' Opeens zweeg ze omdat er een zorgwekkende gedachte bij haar opkwam-. Ze pakte haar amulet weer en probeerde haar gedachten te ordenen. Grote Holeleeuw, Jondalar is nu ook uw uitverkorene. Hij draagt de littekens op zijn been, net als ik. Ze bracht haar gedachten over in de oude taal zonder woorden, waarbij ze alleen haar handen gebruikte; de passende taal voor contact met de wereld van de geesten.

'Grote Geest van de Holeleeuw, de man die gekozen is weet niets van totems. Die man weet niets van toetsen, kent de proeven niet van een krachtige totem en ook de geschenken en het leren niet. Zelfs de vrouw die ze kent vond ze moeilijk. Deze vrouw zou de Geest van de Holeleeuw nederig willen vragen... willen smeken... voor die man...'

Ayla wachtte even. Ze wist niet precies wat ze zou vragen. Ze wilde de geest niet vragen om Jondalar niet te toetsen—ze wilde niet dat hij de voordelen zou verspelen die zulke proeven hem zeker zouden opleveren—en ze wou het hem ook niet te gemakkelijk maken. Omdat ze grote beproevingen had doorstaan en unieke vaardigheden en inzichten had verworven, was ze gaan geloven dat de voordelen in verhouding stonden tot de zwaarte van de toets. Ze vatte haar gedachten samen en ging verder.

'Deze vrouw zou de Geest van de Grote Holeleeuw nederig willen vragen om die man die gekozen is de waarde van zijn krachtige totem te leren kennen; te weten dat de toets noodzakelijk is, hoe moeilijk het ook lijkt.' Eindelijk was ze klaar en liet ze haar handen zakken.

'Ayla?'

Ze draaide zich om en zag Latie staan. 'Ja.'

'Je was zeker... bezig. Ik wou je niet storen.'

'Ik ben klaar.'

'Talut wou graag dat je komt en de paarden meebrengt. Hij heeft iedereen al verteld dat ze niets moeten doen wat jij niet zegt. Ze niet laten schrikken of nerveus maken. Ik geloof dat hij wel een paar mensen zenuwachtig heeft gemaakt.'

'Ik kom,' zei Ayla en ze glimlachte. 'Wil jij paardrijden terug?' vroeg ze.

Laties gezicht toonde een brede grijns. Als ze zo lachte, leek ze op Talut, dacht Ayla. 'Zou dat kunnen? Echt?'

'Misschien mensen niet nerveus als ze jou op Whinney zien. Kom, hier groot rotsblok. Kun je gemakkelijker opkomen.'

Toen Ayla de bocht om kwam, gevolgd door een volwassen merrie met een meisje op de rug en een dartel veulen erachter, verstomden alle gesprekken. Zij die het eerder hadden gezien genoten van de verbaasde en ongelovige uitdrukking op de gezichten van degenen die het voor het eerst zagen, hoewel ze er zelf ook nog respect voor hadden.

'Kijk eens, Tulie. Wat heb ik je gezegd!' zei Talut tegen een vrouw met donker haar die bijna net zo groot was als hij, maar hij had een andere kleur haar. Ze stak boven Barzec uit, de man van de laatste vuurplaats, die naast haar stond met zijn arm om haar middel. Dicht bij hen stonden de twee jongens van die vuurplaats, dertien en acht jaar oud en hun zusje van zes die Ayla eerder had ontmoet.

Toen ze het woonverblijf hadden bereikt, tilde Ayla Latie van het paard, streelde Whinney die haar neusgaten weer open had nu ze weer nerveus de geur van vreemde mensen opsnoof. Het meisje rende naar een slungelachtige jongen, met rood haar, van een jaar of veertien. Hij was bijna net zo groot als Talut en leek sprekend op hem, maar hij was nog niet zo breed.

'Kom mee naar Ayla,' zei Latie en ze trok hem naar de vrouw met de paarden. Hij liet zich meetrekken. Jondalar was omgelopen om Renner te kalmeren.

'Dit is mijn broer, Danug,' legde Latie uit. 'Hij is een hele tijd weg geweest, maar nu hij alles weet over het opgraven van vuursteen is hij van plan thuis te blijven. Nietwaar Danug?'

'Ik weet er niet alles van, Latie,' zei hij, een beetje verlegen.

Ayla glimlachte. 'Ik begroet je,' zei ze en stak haar handen uit. Dat bracht hem in nog grotere verwarring. Hij was de zoon van de Leeuwevuurplaats. Hij had de gast eerst moeten begroeten, maar hij was onder de indruk van de mooie vreemde die zo'n macht over dieren had. Hij pakte haar uitgestoken handen en mompelde een groet. Whinney koos dat moment om te snuiven en opzij te springen Hij liet vlug haar handen los omdat hij het gevoel kreeg dat het paard het om de een of andere reden niet goed vond.

'Whinney zou je sneller leren kennen als je haar streelde en ze je geur kon opsnuiven,' zei Jondalar, die merkte dat de jongeman zich niet op zijn gemak voelde. Het was een moeilijke leeftijd; geen kind meer, maar nog geen man. 'Heb je geleerd vuursteen te bewerken?' vroeg hij, om een praatje te maken en de jongen wat gerust te stellen, terwijl hij hem liet zien hoe hij het paard moest aaien.

'Ik bewerk vuursteen. Wymez heeft het me al geleerd toen ik nog klein was,' zei de jongeman trots.

'Hij is de beste, maar hij wou dat ik nog een paar andere technieken zou leren en ook hoe je de ruwe steen moet beoordelen.' Nu het gesprek overging op meer bekende onderwerpen, kwam het natuurlijke enthousiasme van Danug weer boven.

Jondalars ogen begonnen uit oprechte belangstelling te schitteren. 'Ik bewerk ook vuursteen en ik heb het ook geleerd van een man die de beste was. Toen ik ongeveer zo oud was als jij, woonde ik bij hem, in de buurt van een vindplaats van vuursteen. Ik zou de man wel eens willen ontmoeten die het jou heeft geleerd.'

'Daar kan ik wel voor zorgen, want ik ben de zoon van zijn vuurplaats—en de eerste, maar niet de enige gebruiker van zijn gereedschap.'

Jondalar draaide zich om toen hij de stem van Ranec hoorde en hij zag dat het hele kamp om hen heen stond. Naast de man met de bruine huid stond de man die hij zo hartelijk had begroet. Jondalar zag geen gelijkenis, zij het dan dat ze ongeveer even groot waren. De oudere man had sluik bruin haar dat begon te grijzen, gewone blauwe ogen en er was geen enkele gelijkenis met de duidelijk exotische trekken van Ranec. De Moeder moet de geest van een andere man hebben gekozen voor het kind van zijn vuurplaats, dacht Jondalar. Maar waarom had Zij er dan een gekozen met zo'n ongewone kleur?

'Wymez, van de Vossevuurplaats van het Leeuwekamp, Meester van de Mamutiërs op het gebied van vuursteen,' zei Ranec, overdreven vormelijk. 'Dit zijn onze gasten, Jondalar van de Zelandoniërs, nóg een van jouw slag, naar het lijkt.' Jondalar voelde een ondertoon van... Was het humor? Of spot? Hij wist het niet. 'En zijn knappe reisgezelschap, Ayla. Een vrouw zonder volk, maar heel bekoorlijk en mysterieus.' Hij glimlachte en Ayla werd weer getroffen door het contrast tussen zijn donkere huid en de witte tanden. Aan het vonkje in zijn ogen was te zien dat het hem niet was ontgaan.

'Dag,' zei Wymez eenvoudig en ondubbelzinnig, zonder uit te weiden of iets te suggereren, zoals Ranec had gedaan. 'Ben je steenbewerker?'

'Ja, ik ben steenklopper,' antwoordde Jondalar.

'Ik heb uitstekende stenen meegebracht. Ze komen pas uit de grond en zijn nog niet uitgedroogd.'

'Ik heb een stenen hamer en een goede drevel in mijn rugzak,' zei Jondalar, die meteen geïnteresseerd was. 'Gebruik je ook een drevel?'

Ranec wierp een gepijnigde blik op Ayla, toen het gesprek snel overging op hun gemeenschappelijke vaardigheid. 'Ik had kunnen weten dat dit zou gebeuren,' zei hij. 'Weet je wat het ergste is als je bij de vuurplaats van een meester-gereedschap- maker woont? Niet dat je altijd steensplinters in je vachten hebt, maar dat je altijd verhalen over steen in je oren krijgt. En toen ook Danug belangstelling begon te tonen, heb ik niets anders meer gehoord dan... steen, steen, steen.' Zijn warme glimlach verzachtte de klacht en blijkbaar had iedereen die eerder gehoord, want men schonk er geen aandacht aan, behalve Danug.

'Ik wist niet dat je er zo'n last van had,' zei de jongeman.

'Dat is ook niet zo,' zei Wymez. 'Je merkt toch wel dat Ranec indruk probeert te maken op een knappe vrouw?'

'Eigenlijk ben ik je dankbaar, Danug. Ik geloof dat hij hoopte van mij een steenbewerker te maken tot jij kwam,' zei Ranec, om de ongerustheid van Danug weg te nemen.

'Maar pas toen ik begon te beseffen dat jouw belangstelling alleen naar mijn gereedschap uitging om er ivoor mee te bewerken en dat begon al gauw toen we hier kwamen,' zei Wymez. Hij glimlachte en voegde eraan toe, 'Als je een .hekel hebt aan steensplinters in je bed, probeer het dan eens met ivoorstof in je eten.'

De twee totaal verschillende mannen glimlachten tegen elkaar en Ayla begreep opgelucht dat ze elkaar op een vriendschappelijke manier plaagden en dat het maar een grapje was. Ze zag ook dat, ondanks hun verschillende huidkleur en de exotische trekken van Ranec, hun glimlach dezelfde was en hun bewegingen ook overeenkomst vertoonden.

Plotseling hoorden ze geschreeuw uit het lange huis komen. 'Houd je erbuiten, oude vrouw! Dit is iets tussen Fralie en mij.' Het was een mannenstem, van de man van de zesde vuurplaats, naast de laatste. Ayla herinnerde zich dat ze hem had gezien.

'Ik weet niet waarom ze jou heeft gekozen, Frebec! Ik had het nooit toegestaan!' krijste een vrouw terug naar de man. Opeens kwam er een oudere vrouw door de poort naar buiten. Ze trok een huilende jonge vrouw mee. Er kwamen twee jongens verbijsterd achteraan, een van een jaar of zeven en de andere was een hummeltje van twee die in zijn blote kont liep met de duim in de mond.

'Het is allemaal jouw schuld. Ze luistert te veel naar jou. Waarom bemoei je je er steeds mee?'

Ze keken allemaal een andere kant op—ze hadden het al zo vaak gehoord. Maar Ayla keek stomverbaasd. In de Stam zou geen enkele vrouw zo tekeergaan tegen een man.

'Frebec en Crozie zijn weer bezig. Let er maar niet op,' zei Tronie. Het was de vrouw van de vijfde vuurplaats—de Rendiervuurplaats, herinnerde Ayla zich. Het was de volgende naast de Mammoetvuurplaats, waar zij en Jondalar logeerden. De vrouw had een baby aan de borst.

Ayla had de jonge moeder eerder ontmoet en ze voelde zich tot haar aangetrokken. Tornec, haar levensgezel, tilde het meisje van drie op dat zich aan haar moeder vastklemde en nog niet kon accepteren dat de baby de plaats aan de borst van haar moeder had ingenomen. Het was een leuk jong stel. Ze hielden van elkaar en Ayla was blij dat zij naast hen woonde en niet naast degenen die zo'n ruzie maakten. Manuv, die bij hen woonde, was onder het eten een praatje met haar komen maken en had verteld dat hij de man van de vuurplaats wasgeweest toen Tornec nog jong was. Hij was de zoon van een neef van Mamut. Hij zei dat hij vaak zijn tijd doorbracht bij de vierde vuurplaats en dat vond ze prettig. Ze had altijd een bijzondere genegenheid gehad voor oudere mensen. Ze was minder gelukkig met de vuurplaats aan de andere kant, de derde. Daar woonde Ranec—hij had hem de Vossevuurplaats genoemd. Ze had geen hekel aan hem, maar Jondalar reageerde zo vreemd op hem. Het was wel een kleinere vuurplaats, met maar twee mannen en hij nam weinig ruimte in het lange huis, zodat ze zich wat dichter bij Nezzie, Talut en Rydag voelde, die bij de tweede vuurplaats woonden. Ze vond de andere kinderen van Taluts Leeuwevuurplaats ook aardig. Latie en Rugie, de jongste dochter van Nezzie, die bijna even oud was als Rydag. Ze had Danug nu ook ontmoet en ze mocht hem wel.

Talut naderde met de grote vrouw. Barzec en de kinderen waren bij hen en Ayla nam aan dat ze familie waren.

'Ayla, ik wou je kennis laten maken met mijn zuster Tulie van de Oerosvuurplaats. Ze is leidster van de vrouwen in het Leeuwekamp.'

'Dag,' zei de vrouw en ze stak heel formeel haar beide handen uit. 'Uit naam van Mut heet ik je welkom.' Als zuster van het stamhoofd was ze zijns gelijke en ze was zich bewust van haar verantwoordelijkheid.

'Ik begroet je, Tulie,' antwoordde Ayla en ze probeerde niet verbaasd te kijken.

Toen Jondalar voor het eerst weer kon staan, was het een schokkende ervaring om te zien dat hij groter was dan zij, maar het was een nog veel grotere verrassing om een vrouw te ontmoeten die langer was. In de Stam had Ayla altijd boven iedereen uitgestoken. Maar de leidster was niet alleen lang, ze was ook gespierd en Ayla kreeg de indruk dat ze sterk was. Alleen haar broer was nog groter. Uit haar hele houding sprak de onmiskenbare zelfverzekerdheid van een vrouw, moeder en leidster die volledig overtuigd is van zichzelf en baas is over haar eigen leven.

Dat kwam misschien wel door haar lengte en omvang.

Tulie verbaasde zich over het vreemde accent van de gast, maar er was een ander probleem dat haar meer bezighield en met de openhartigheid die haar volk eigen was aarzelde ze niet erover te beginnen.

'Ik wist niet dat de Mammoetvuurplaats bezet zou zijn toen ik Branag uitnodigde om met ons mee te gaan. Hij en Deegie gaan deze zomer een verbintenis aan. Hij blijft maar een paar dagen en ik weet dat ze had gehoopt die tijd samen door te kunnen brengen, zonder haar broers en zuster. Omdat je een gast bent, wil ze het niet vragen, maar Deegie zou graag met Branag in de Mammoetvuurplaats willen logeren als je er geen bezwaar tegen hebt.'

'Is grote vuurplaats. Veel bedden. Ik heb geen bezwaar,' zei Ayla, die het vervelend vond dat ze het aan haar vroeg. Het was haar huis niet.

Terwijl ze stonden te praten, kwam er een jonge vrouw uit het huis, gevolgd door een jonge man. Ayla moest nog eens goed kijken. Ze was van Ayla's leeftijd, stevig en iets groter! Ze had kastanjebruin haar en een vriendelijk gezicht dat door velen wel knap gevonden zou worden en het was duidelijk dat de jonge man haar heel aantrekkelijk vond. Maar Ayla schonk niet veel aandacht aan haar lichamelijke verschijning, ze keek vol bewondering naar de kleding van de jonge vrouw.

Ze droeg beenkappen en een leren tuniek in een kleur die goed bij het haar paste—een lange, overvloedig versierde tuniek in roodoker die aan de voorkant open was en met een riem werd dichtgehouden. Rood was voor de Stam een heilige kleur. Iza's gewijde zakje was het enige voorwerp dat Ayla bezat dat rood was geverfd. Er zaten speciale wortels in die werden gebruikt om drank te bereiden bij bijzondere riten. Ze had het zorgvuldig weggeborgen in haar medicijntas waar ze verschillende gedroogde kruiden in bewaarde die werden gebruikt om hun geheimzinnige geneeskracht. Een hele tuniek van rood leer? Het was bijna niet te geloven.

'Wat is dat mooi!' zei Ayla, nog voor ze behoorlijk kennis hadden gemaakt.

'Vind je haar mooi? Ze is voor mijn feest, als we verbonden worden. Ik heb haar van Branags moeder gekregen en ik moest haar gewoon aandoen om aan iedereen te laten zien.'

'Ik zag nog nooit zoiets!' zei Ayla en ze keek haar ogen uit.

De jonge vrouw was opgetogen. 'Jij bent toch Ayla, nietwaar? Ik heet Deegie en dit is Branag. Hij moet over een paar dagen terug,' zei ze en er klonk teleurstelling in haar stem. 'Maar na de komende zomer zullen we samen zijn. We gaan bij mijn broer, Tarneg, wonen. Hij woont nu bij de familie van zijn vrouw, maar hij wil een nieuw kamp stichten en heeft erop aangedrongen dat ik een levensgezel kies zodat hij een leidster heeft.'

Ayla zag dat Tulie haar dochter glimlachend toeknikte en ze herinnerde zich het verzoek. 'Vuurplaats heeft veel ruimte, veel lege bedden, Deegie. Je logeert met Branag in de Mammoet- vuurplaats? Hij is ook gast... als Mamut niet erg vindt. Is vuurplaats van Mamut.'

'Natuurlijk kunnen jij en Branag blijven, Deegie,' zei de oude man, 'maar denk erom, jullie zullen waarschijnlijk niet veel slaap krijgen. Deegie glimlachte afwachtend terwijl Mamut vervolgde: 'Met de gasten en Danug die een heel jaar weg is geweest, jouw Verbintenisfeest en de resultaten van Wymez op zijn handelsreis. Ik denk dat er voldoende reden is om vanavond in de Mammoetvuurplaats bij elkaar te komen en de verhalen te vertellen.'

Ze glimlachten allemaal. Ze hadden die mededeling wel verwacht, maar dat deed niets af aan hun hooggespannen verwachtingen. Ze wisten dat een bijeenkomst in de Mammoetvuurplaats betekende dat de ervaringen werden uitgewisseld, verhalen werden verteld met misschien nog ander vermaak en ze verheugden zich al op de avond. Ze waren benieuwd naar de verhalen over andere kampen en wilden ook wel weer luisteren naar de verhalen die ze al kenden. Ze waren net zo geïnteresseerd in de reacties van de vreemden op de belevenissen van de leden van hun eigen kamp als in de verhalen die zij hadden te vertellen.

Jondalar wist ook wel wat zo'n samenkomst betekende en hij maakte zich zorgen. Zou Ayla haar hele geschiedenis vertellen? Zouden ze daarna nog zo welkom zijn in het Leeuwekamp? Hij speelde met de gedachte om een poging te doen haar te waarschuwen, maar hij wist dat ze alleen maar boos en verdrietig zou worden. Ze leek in veel opzichten op de Mamutiërs, openhartig en eerlijk in het uiten van haar gevoelens. Het zou trouwens niet helpen. Ze wist niet hoe ze moest liegen. In het gunstigste geval zou ze ervan afzien om haar mond open te doen. Hij kon alleen maar afwachten—en het beste ervan hopen.