woensdag 11 november
Thuis van school. Hoofdpijn. Om een uur of negen ging de telefoon. Hij nam niet op. Midden op de dag zag hij uit het raam Tommy en zijn moeder buiten voorbijlopen. Tommy liep half voorovergebogen, langzaam. Als een oude man. Oskar kroop onder de vensterbank toen ze passeerden.
De telefoon ging om het uur. Rond een uur of twaalf nam hij ten slotte op. “Ja, met Oskar.”
“Hallo. Met Bertil Svanberg. Ik ben, zoals je misschien weet, directeur van de school waar je …”
Hij hing op. Er werd weer gebeld. Hij bleef even naar de rinkelende telefoon staan kijken, stelde zich voor hoe de directeur met zijn geruite jasje aan met zijn vingers zat te trommelen en rare gezichten trok. Toen kleedde hij zich aan en ging naar de kelder.
Hij prutste wat met de puzzels, stak zijn vinger in het witte houten doosje waar de honderden stukjes van het glazen ei lagen te glimmen. Eli had maar een paar duizendjes meegenomen en de kubus. Hij deed de doos met puzzels dicht, maakte de andere open, woelde met zijn hand door de ritselende biljetten en haalde er een vuistvol uit. Hij gooide de bankbiljetten op de grond, stopte ze in zijn zakken, haalde ze er een voor een uit en speelde De jongen met de gouden broek tot het hem begon te vervelen. Twaalf kreukelige duizendjes en zeven honderdjes lagen bij zijn voeten.
Hij maakte een stapeltje van de duizendjes en vouwde ze op. De honderdjes stopte hij terug en hij deed de doos dicht. Ging het appartement binnen, zocht een witte envelop en stopte daar de duizendjes in. Hij zat zich met de envelop in zijn hand af te vragen wat hij zou doen. Hij wilde niet schrijven; iemand zou zijn handschrift kunnen herkennen.
De telefoon ging.
Hou toch op. Snap dan dat ik er niet ben.
Iemand wilde een hartig woordje met hem spreken. Iemand wilde hem vragen of hij begreep wat hij had aangericht. Hij begreep het heel goed. Jonny en Tomas begrepen het vast ook. Heel goed. Hoefden ze het niet meer over te hebben.
Hij ging naar zijn bureau en pakte zijn wrijfletters. Midden op de envelop wreef hij een ‘T’ en een ‘O’. De eerste ‘M’ kwam er scheef op, maar de tweede zat recht. Net als de ‘Y’.
Toen hij Tommy’s portiekdeur opendeed met de envelop in zijn jaszak was hij banger dan hij de avond tevoren in de school was geweest. Behoedzaam en met bonzend hart stopte hij de envelop voorzichtig in Tommy’s brievenbus, want hij wilde niet dat iemand het hoorde en dan naar de deur kwam of uit het raam keek en hem zag.
Maar er kwam niemand en toen Oskar terug was in zijn appartement, voelde hij zich wat beter. Even. Tot het weer op hem af kwam.
Ik moet … hier niet zijn.
Om drie uur kwam zijn moeder thuis, een paar uur eerder dan normaal. Oskar zat toen in de woonkamer en draaide de plaat van de Vikingarna. Ze kwam de kamer in, tilde de naald op en zette de platenspeler uit. Aan haar gezicht kon hij raden dat ze het wist.
“Hoe is het met je?”
“Niet zo goed.”
“Nee …”
Ze zuchtte en ging op de bank zitten.
“De directeur van je school heeft me gebeld. Op het werk. Hij vertelde dat … dat er gisteren brand is geweest. In de school.”
“O ja? Is die afgebrand?”
“Nee, maar …”
Ze deed haar mond dicht, bleef een paar seconden naar het vloerkleed kijken. Sloeg haar ogen toen op en keek hem aan.
“Oskar. Heb jij dat gedaan?”
Hij keek haar recht in de ogen en zei: “Nee.”
Pauze.
“Nee, want kennelijk was het zo dat er veel vernield was in het lokaal, maar dat het … bij de banken van Jonny en Tomas … dat het daar was begonnen.”
“Ja, ja.”
“En zíj waren er kennelijk nogal zeker van … dat jij het had gedaan.”
“Maar dat is niet zo.”
Zijn moeder bleef op de bank zitten en ademde door haar neus. Ze zaten een meter van elkaar, een oneindige afstand.
“Ze willen … met je praten.”
“Ik niet met hen.”
Het zou een lange avond worden. Niks leuks op tv.
Die nacht kon Oskar niet slapen. Hij stond op en sloop naar het raam. Hij dacht dat er beneden iemand op het klimrek van de speelplaats zat. Maar dat verbeeldde hij zich natuurlijk maar. Toch bleef hij naar de schaduw daar beneden staren, totdat zijn oogleden zwaar werden.
Toen hij weer in bed ging liggen, kon hij nog steeds niet slapen. Voorzichtig klopte hij op de muur. Geen antwoord. Alleen het droge geluid van zijn eigen vingertoppen en knokkels op het beton, kloppen op een deur die voorgoed gesloten was.