zaterdag 31 oktober

 

De kandelaren van de nacht zijn uit,

boven de sluimerblinde toppen rilt het licht.

Heus, of ik ga en leef, of blijf en sterf.

William Shakespeare – Romeo en Julia III:5

 

 

Grijs. Alles was mistig grijs. Hij kon zijn ogen niet scherp stellen, het was net of hij in een regenwolk lag. Lag? Ja, hij lag. Druk tegen zijn rug, zijn billen, zijn hielen. Een sissend geluid links van hem. Het gas. Het stond aan. Nee. Nu werd het uitgezet. Weer aangezet. Er gebeurde iets met zijn borst op het ritme van het gesis. Hij werd gevuld en geleegd op het ritme van het geluid.

   Was hij nog in het zwembad? Zat het gas aan hém gekoppeld? Hoe kon hij dan wakker zijn? Was hij wakker?

   Håkan probeerde met zijn ogen te knipperen. Er gebeurde niets. Bijna niets. Er schokte iets voor zijn ene oog, waardoor het zicht nog slechter werd. Zijn andere oog was er niet. Hij probeerde zijn mond open te doen. De mond was er niet. Hij riep het beeld van zijn mond op in zijn hoofd, zoals hij die in de spiegel had gezien, hij probeerde het … maar hij was er niet. Niets reageerde op zijn commando. Net alsof hij probeerde met zijn bewustzijn een steen te laten bewegen. Er ontstond geen contact.

   Een heet gevoel over zijn hele gezicht. Een pijl van angst schoot zijn maag binnen. Zijn hoofd zat ingebakken in iets warms, stollends. Stearine. Een apparaat zorgde voor zijn ademhaling, aangezien zijn gezicht bedekt was met stearine.

   De gedachte strekte zich uit naar zijn rechterhand. Ja. Daar was hij. Hij deed hem open, kneep hem dicht, voelde zijn vingertoppen tegen zijn handpalm. Gevoel. Hij zuchtte van opluchting; stelde zich een zucht van opluchting voor, want zijn borst bewoog op het ritme van het apparaat en niet naar zijn wil.

   Hij tilde zijn hand langzaam op. Het trok in zijn borst en schouder. Zijn hand kwam binnen zijn blikveld, een wazige klomp. Hij bracht de hand naar zijn gezicht, stopte. Een zacht piepen aan zijn rechterkant. Hij draaide zijn hoofd langzaam die kant op en voelde iets hards schuren onder zijn kin. Hij ging er met zijn hand naartoe.

   Een metalen buisje. Dat vastzat in zijn keel. Er zat een slang aan het buisje vast. Hij volgde de slang zo ver hij kon, naar een geribbeld metalen onderdeel waar de slang ophield. Hij begreep het. Die moest eruit worden getrokken als hij wilde sterven. Zo hadden ze dat voor hem geregeld. Hij liet zijn vingers op de bevestiging van de slang rusten.

   Eli. Het zwembad. De jongen. Het zoutzuur.

   De herinneringen stopten bij het losdraaien van het deksel van de jampot. Hij moest het over zich heen hebben gegoten. Volgens plan. De enige misrekening was dat hij nog steeds leefde. Hij had foto’s gezien. Vrouwen die zuur in hun gezicht hadden gekregen dat jaloerse mannen hadden gegooid. Hij wilde niet aan zijn gezicht voelen, het al helemaal niet zien.

   De greep om de slang werd steviger. Hij gaf niet mee. Een schroefdraad. Hij probeerde of hij het metalen deel kon draaien en inderdaad, het draaide. Hij ging door met schroeven. Hij zocht zijn andere hand, voelde alleen een stekende bal van pijn waar zijn hand zou moeten zijn. Tegen de vingertoppen van zijn levende hand voelde hij nu een lichte, fladderende druk. Er begon lucht te stromen uit de bevestiging, het sissende geluid veranderde, werd dunner.

   Het grijze licht om hem heen vermengde zich met knipperend rood. Hij probeerde zijn enige oog te sluiten. Dacht aan Socrates en de gifbeker. Omdat hij de jeugd van Athene had verleid. Vergeet niet een haan terug te geven aan … hoe heette hij? Archimandros? Nee …

   Er klonk een zuigend geluid toen de deur werd opengeduwd en een witte gestalte naar hem toe kwam. Hij voelde vingers die zijn vingers loswrikten, ze loswurmden van de aansluiting van de slang. Een vrouwenstem.

   “Wat dóét u?”

   Asklepios. Offer een haan aan Asklepios.

   “Laat los!”

   Een haan. Aan Asklepios. De god van de geneeskunde.

   Een puffen en sissen toen zijn vingers losgemaakt waren en de slang weer werd vastgeschroefd.

   “We zullen bewaking bij u moeten zetten.”

   Offer die aan hem en vergeet het niet.

 

Toen Oskar wakker werd, was Eli weg. Hij lag met zijn gezicht naar de muur, er ging een koude tocht over zijn rug. Hij ging op zijn elleboog liggen en keek om zich heen in de kamer. Het raam stond op een kier. Daar moest ze door naar buiten zijn gegaan.

   Naakt.

   Hij draaide zich om in zijn bed, duwde zijn gezicht tegen de plaats waar zij had gelegen en snuffelde. Niets. Hij ging met zijn neus heen en weer over het laken, probeerde het geringste spoortje van haar aanwezigheid te vinden, maar niets. Zelfs die benzinelucht niet.

   Was het echt gebeurd? Hij ging op zijn buik liggen, probeerde of hij het nog kon voelen.

   Ja.

   Daar waren ze. Haar vingers op zijn rug. De herinnering aan haar vingers op zijn rug. Bok, bok. Dat had zijn moeder met hem gespeeld toen hij klein was. Maar dit was nu. Zonet. De haartjes op zijn armen en in zijn nek gingen overeind staan.

   Hij stapte uit bed en begon zich aan te kleden. Toen hij zijn broek aanhad, ging hij bij het raam staan. Het sneeuwde niet. Vier graden onder nul. Mooi. Als de sneeuw was gaan smelten, zou dat zo’n sneeuwbrij hebben opgeleverd dat hij zijn papieren tassen met reclameblaadjes niet bij de mensen voor de deur op de grond neer kon zetten. Hij stelde zich voor hoe het was om je bij vier graden vorst naakt uit een raam te laten zakken, tussen met sneeuw overdekte struiken …

   Nee.

   Hij leunde voorover, knipperde met zijn ogen.

   De sneeuw op de struiken was onaangeroerd.

   Gisteravond had hij naar die perfecte glijbaan van sneeuw staan kijken, die naar de weg afdaalde. Die zag er nog net zo uit. Hij deed het raam wat verder open en stak zijn hoofd naar buiten. De bosjes liepen door tot aan de muur vlak onder zijn raam, het sneeuwdek ook. Dat was intact.

   Oskar keek naar rechts, langs de ruwe buitenmuur. Haar raam zat drie meter verderop.

   Koude lucht streek over Oskars blote borst. Het moest vannacht gesneeuwd hebben, nadat ze was weggegaan. Dat was de enige verklaring. Maar trouwens … nu hij erover nadacht: hoe was ze bíj het raam gekomen? Was ze in de struiken geklommen?

   Maar dan had de sneeuwlaag er niet zo uitgezien, toch? Het had niet gesneeuwd toen hij naar bed ging. Haar lichaam of haar haar was niet vochtig geweest toen ze kwam, dus sneeuwde het toen niet. Wanneer was ze weggegaan?

   Tussen het moment dat ze wegging en nu, moest er dus zoveel sneeuw gevallen zijn dat het alle sporen had bedekt …

   Oskar deed het raam dicht en kleedde zich verder aan. Het was onbegrijpelijk. Hij was weer geneigd te geloven dat hij het allemaal had gedroomd. Toen zag hij het briefje. Het lag opgevouwen onder de klok op zijn bureau. Hij pakte het en vouwde het uit.

   Raam, zuig het licht op, stoot het leven uit.

   Een hartje, en dan:

   Tot vanavond. Eli.

   Hij las het briefje vijf keer. Toen dacht hij aan haar, hoe ze dat staande bij het bureau had geschreven. Gene Simmons’ gezicht aan de muur een halve meter erachter, zijn tong uitgestoken.

   Hij leunde over het bureau en haalde de poster van de muur, verfrommelde hem en gooide hem in de prullenbak.

   Toen las hij het briefje nog drie keer, vouwde het op en stopte het in zijn zak. Hij kleedde zich verder aan. Vandaag mochten er in elk pakket wel víjf blaadjes zitten, dat zou hem niet uitmaken. Het zou een fluitje van een cent zijn.

 

Er hing een rooklucht in de kamer en stofdeeltjes dansten in de zonnestralen die tussen de jaloezieën door drongen. Lacke was net wakker, hij lag op zijn rug in bed en hoestte. De stofjes voerden een vrolijk dansje uit voor zijn ogen. Rokershoest. Hij draaide zich om in bed, kreeg de aansteker te pakken en het pakje sigaretten dat op het nachtkastje lag, naast een volle as-bak.

   Hij pakte een sigaret – Camel light, Virginia was op haar oude dag bewuster gaan leven – stak hem aan, ging weer op zijn rug liggen met één arm onder zijn hoofd, rookte en dacht na.

   Virginia was een paar uur geleden naar haar werk gegaan, ze zou best moe geweest zijn. Ze hadden lang wakker gelegen nadat ze hadden gevreeën, gepraat en gerookt. Het was bijna twee uur toen Virginia de laatste sigaret had uitgemaakt en had gezegd dat het tijd was om te gaan slapen. Lacke was een poosje later stiekem opgestaan, had de laatste wijn uit de fles opgedronken en nog een paar sigaretten gerookt voordat hij weer naar bed ging. Misschien vooral omdat hij dat zo fijn vond: naast een warm, slapend lichaam in bed kruipen.

   Het was jammer dat hij er niet tegen kon continu iemand om zich heen te hebben. Maar als het met iemand kon lukken, dan met Virginia. Bovendien … verdorie, hij had via via gehoord hoe het nu met haar ging. Ze had perioden. Perioden dat ze stevig dronk in de kroegen van de stad, dat ze Jan en alleman mee naar huis sleepte. Ze wilde er niet over praten, maar ze was de laatste jaren sneller oud geworden dan nodig was.

   Als hij en Virginia … ja, wat? Als ze alles konden verkopen, een huisje op het platteland kopen, aardappels verbouwen. Ja, maar dat kon immers niet. Na een maand zouden ze elkaar vreselijk op de zenuwen werken, en zij had haar moeder hier, haar baan en hij had zijn … ja … zijn postzegels.

   Niemand wist ervan, zelfs zijn zus niet, en hij voelde zich er best schuldig over.

   De postzegelverzameling van zijn vader, die niet in de boedel beschreven stond, was een klein vermogen waard gebleken. Hij deed steeds een paar zegels van de hand als hij contanten nodig had.

   Nu was de markt heel slecht en hij had niet veel zegels meer over. Maar toch zou hij binnenkort moeten verkopen – misschien die speciale zegels, Noorwegen nummer één – en drankjes aanbieden om alle biertjes die hij de laatste tijd had gebietst terug te betalen. Dat moest hij wel doen.

   Twee huisjes op het platteland. Bij elkaar in de buurt. Boerderijtjes kosten immers bijna niets. En Virginia’s moeder dan? Dríé boerderijtjes. En dan haar dochter, Lena. Vier. Natuurlijk, koop een heel dorp als je toch bezig bent.

   Virginia was al gelukkig als ze bij Lacke was, dat had ze zelf gezegd. Lacke wist niet of hij nog het vermogen had om gelukkig te zijn, maar Virginia was de enige met wie hij het echt goed kon vinden. Waarom zouden ze niet op de een of andere manier iets leuks kunnen regelen voor zichzelf?

   Lacke zette de asbak op zijn buik, tipte de as van zijn sigaret en nam een trekje.

   Hij kon het nu met niemand zo goed vinden als met haar. Sinds Jocke was … verdwenen. Jocke was een goeie vent geweest. De enige uit zijn kennissenkring die hij zijn vriend had genoemd. Het was akelig dat zijn lichaam weg was. Dat hoorde niet. Er hoort een begrafenis te zijn. Er hoort een lijk te zijn waar je naar kunt kijken, zodat je kunt constateren: ja, ja, daar lig je dan, vriend. Je bent dood.

   De tranen sprongen Lacke in de ogen.

   Sommige mensen hadden zo verschrikkelijk veel vrienden, gebruikten dat woord te pas en te onpas. Hij had er één gehad, één enkele vriend, en die moest hem zonodig worden afgenomen door een koelbloedige hooligan. Waarom had zo’n jongere Jocke gedood?

   Ergens wist hij dat Gösta niet loog of zomaar iets verzon, en Jocke wás echt weg, maar het leek zo zinloos. De enige logische reden was iets met drugs. Jocke moest betrokken zijn geweest in drugstoestanden en de verkeerde persoon besodemieterd hebben. Maar waarom had hij niets gezégd?

   Voordat hij de flat verliet, leegde hij de asbak en zette de lege wijnfles onder in de keukenkast. Hij moest hem op zijn kop zetten om hem tussen de andere kwijt te kunnen.

   Ja, potverdomme. Twee boerderijtjes. Een aardappellandje. Aarde op je knieën en in het voorjaar het gezang van de leeuwerik. Enzovoort. Ooit.

   Hij trok zijn jas aan en ging naar buiten. Toen hij langs de ica kwam, wierp hij een kushandje naar Virginia, die achter de kassa zat. Ze glimlachte en stak haar tong naar hem uit.

   Onderweg naar zijn huis aan de Ibsengatan kwam hij een jongen tegen die met twee grote papieren tassen zeulde. Hij woonde aan de binnenplaats maar Lacke wist niet hoe hij heette. Lacke knikte naar hem.

   “Zwaar, zeker?”

   “Gaat wel.”

   Lacke keek de jongen na, die zijn zware tassen meesleepte naar de flats. Toch leek hij verdomd vrólijk. Zo moest je zijn. Je last aanvaarden en blijmoedig dragen.

   Zo moest je zijn.

   Hij bereidde zich erop voor dat hij op de binnenplaats de man tegen het lijf zou lopen die hem bij de Chinees een whisky had aangeboden. Hij was er meestal rond deze tijd. Soms liep hij rondjes over de binnenplaats. Maar hij had hem al een paar dagen niet gezien. Lacke gluurde naar de flat met de zwarte ramen waar hij dacht dat de man woonde.

   Zit natuurlijk binnen te zuipen. Ik zou kunnen aanbellen.

   Een andere keer.

 

Toen het donker werd, gingen Tommy en zijn moeder naar het kerkhof. Het graf van zijn vader lag vlak achter de scheidingswal met het Råckstameer, dus liepen ze door het bos. Zijn moeder zei niets, totdat ze bij de Kanaanvägen kwamen; Tommy had aangenomen dat ze zweeg omdat ze verdrietig was, maar toen ze het weggetje insloegen dat langs de rand van het meer liep, kuchte ze en zei: “Ja, weet je, Tommy …”

   “Ja.”

   “Staffan zegt dat er iets weg is. Uit zijn flat. Sinds wij daar geweest zijn.”

   “O.”

   “Weet jij daar iets van?”

   Tommy schepte sneeuw met zijn ene hand, maakte er een bal van en gooide die naar een boom. Raak.

   “Ja. Het ligt onder zijn balkon.”

   “Het is schijnbaar nogal belangrijk voor hem, omdat …”

   “Het ligt in de bosjes onder zijn balkon, zeg ik toch.”

   “Hoe is het daar terechtgekomen?”

   De met sneeuw bedekte wal om het kerkhof heen lag voor hen. Een zwak rood schijnsel verlichtte de dennen van onderop. Het graflichtje dat zijn moeder in haar hand hield rinkelde. Tommy vroeg: “Heb je vuur?”

   “Vuur? Ja, ja. Ik heb een aansteker. Hoe is …”

   “Ik heb het laten vallen.”

   Achter het hek van het kerkhof bleef Tommy staan, hij keek op de kaart; verschillende secties, die met letters waren gemarkeerd. Zijn vader lag in sectie D.

   Eigenlijk was het krankzinnig allemaal. Dat mensen dit überhaupt déden. Mensen verbranden, de as bewaren, die in de aarde begraven en dan die plaats ‘Graf 104, sectie D’ noemen.

   Bijna drie jaar geleden. Tommy had onduidelijke herinneringen aan de begrafenis, of hoe je het moest noemen. Dat gedoe met de kist en een heleboel mensen die beurtelings huilden en zongen.

   Hij wist nog dat hij te grote schoenen aan had gehad, de schoenen van zijn vader; dat zijn voeten erin zwommen toen ze naar huis liepen. Dat hij bang was geweest voor de kist, dat hij er de hele begrafenisdienst naar had zitten staren, ervan overtuigd dat zijn vader eruit op zou staan en weer levend zou zijn, maar … veranderd.

   De twee weken na de begrafenis was hij continu bang geweest voor zombies. Vooral als het donker werd, dacht hij dat hij dat misvormde wezen uit het ziekenhuisbed, dat zijn vader niet meer was, met uitgestrekte armen uit de schaduwen op zich af zag komen, net als in de film.

   Na het bijzetten van de urn was de angst verdwenen. Alleen zijn moeder en hijzelf en een koster en een dominee waren erbij geweest. De koster had de urn voor zich gehouden en was waardig voortgeschreden, terwijl de dominee moeder troostte. Het was allemaal straalbelachelijk. Het houten potje met deksel dat door een man in overal werd gedragen; dat dat iets te maken zou hebben met zijn váder. Het leek één grote verlakkerij.

   Maar de angst was verdwenen en Tommy’s verhouding tot het graf was mettertijd veranderd. Nu kwam hij hier wel eens alleen, zat een poosje bij de grafsteen en ging met zijn vingers over de uitgehouwen letters die de naam van zijn vader vormden. Daar kwam hij voor. Het potje in de grond kon hem niets schelen, maar de náám.

   De verwrongen man in het ziekenhuisbed en de as in het potje waren geen van beide zijn vader, maar de naam verwees naar de man die hij zich herinnerde, en daarom zat hij daar soms en ging met zijn wijsvinger over de uithollingen in de steen die de naam martin samuelsson vormden.

   “O, wat mooi”, zei zijn moeder.

   Tommy keek uit over de begraafplaats.

   Overal brandden kaarsjes; een stad gezien vanuit een vliegtuig. Hier en daar bewogen zich donkere vormen tussen de grafstenen. Moeder liep in de richting van vaders graf, het lantaarntje bungelde aan haar hand. Tommy keek naar haar smalle rug en werd plotseling verdrietig. Niet om zichzelf, niet om zijn moeder, nee: om alles. Om alle mensen die hier tussen de fladderende lichtjes in de sneeuw liepen. Zelf slechts schaduwen die bij stenen stonden, naar stenen keken, stenen aanraakten. Het was zo … stom.

   Dood is dood. Weg.

   Toch liep Tommy naar zijn moeder toe en ging op zijn hurken bij het graf van zijn vader zitten, terwijl zij het lantaarntje aanstak. Hij wilde de letters niet aanraken waar zijn moeder bij was.

   Ze bleven even zitten kijken hoe het zwakke vlammetje de nuances in de marmeren steen liet kruipen, bewegen. Tommy voelde niets behalve een zekere gêne. Dat hij het spelletje meespeelde. Even later stond hij op en begon naar huis te lopen.

   Moeder kwam achter hem aan. Iets te snel, vond hij. Zíj mocht zich de ogen uit het hoofd rouwen, de hele nacht blijven zitten. Ze haalde hem in, stak voorzichtig haar arm door de zijne. Hij liet het toe. Ze liepen naast elkaar en keken uit over het Råcksta-meer, waar al een laagje ijs op lag. Als het bleef vriezen, zou je er over een paar dagen op kunnen schaatsen.

   Er maalde aldoor een gedachte door Tommy’s hoofd als een koppige gitaarriff.

   Dood is dood. Dood is dood. Dood is dood.

   Moeder huiverde, drukte zich tegen hem aan.

   “Het is akelig.”

   “Vind je?”

   “Ja, Staffan heeft zoiets vreselijks verteld.”

   Staffan. Kon ze nú haar mond nog niet eens houden over hem …

   “O.”

   “Heb je gehoord van die brand in dat huis in Ängby? De vrouw die …”

   “Ja.”

   “Staffan vertelde dat ze sectie op haar hebben verricht. Ik vind het zo akelig. Dat ze dat doen.”

   “Ja, ja. Natuurlijk.”

   Er liep een eend over het broze ijsdek naar het wak dat zich bij de afvoerpijp aan de ene kant van het meer had gevormd. De visjes die je ’s zomers uit het meer kon hengelen, stonken naar riool.

   “Wat is dat voor afvoer?” vroeg Tommy. “Komt die van het crematorium?”

   “Weet ik niet. Wil je het niet horen? Vind je het akelig?”

   “Nee, nee.”

   En toen vertelde ze, terwijl ze door het bos naar huis liepen. Na een poosje raakte Tommy geïnteresseerd, begon vragen te stellen die zijn moeder niet kon beantwoorden; ze wist alleen wat Staffan had verteld. Ja, Tommy vroeg zoveel, raakte zo geïnteresseerd dat Yvonne spijt kreeg dat ze het überhaupt had verteld.

 

Later die avond zat Tommy op een kist in de schuilkelder, hij draaide het beeldje van de pistoolschutter alle kanten op. Hij zette het boven op de drie dozen met cassettedecks, als een overwinningsteken. De kroon op het werk.

   Gejat van een … politieman!

   Hij sloot de schuilkelder nauwkeurig af met de ketting en het hangslot, verstopte de sleutel op de vaste plek, ging zitten nadenken over wat zijn moeder had verteld. Even later hoorde hij voorzichtige stappen de kelderruimte naderen. Een stem die fluisterde: “Tommy …?”

   Hij stond op uit de stoel, liep naar de deur en deed die snel open. Daar stond Oskar; hij leek zenuwachtig, stak een bankbiljet naar hem uit.

   “Hier. Je geld.”

   Tommy pakte het briefje van vijftig aan en propte het in zijn zak. Hij lachte naar Oskar.

   “Word je hier stamgast of zo? Kom verder.”

   “Nee, ik moet ...”

   “Kom binnen, zeg ik. Ik wil je iets vragen.”

   Oskar ging met gevouwen handen op de bank zitten. Tommy plofte in de stoel neer en keek hem aan.

   “Oskar. Jij bent een slimme jongen.”

   Oskar haalde bescheiden zijn schouders op.

   “Je weet wel, dat huis in Ängby waar brand is geweest. Die vrouw die naar buiten kwam en is verbrand.”

   “Ja, daar heb ik over gelezen.”

   “Dat dacht ik wel. Hebben ze iets over de sectie geschreven?”

   “Niet dat ik weet.”

   “Nee. Maar dat hebben ze in elk geval wel gedaan. Sectie verricht op haar. En weet je wat? Ze hebben geen rook in haar longen gevonden. Weet je wat dat betekent?”

   Oskar dacht na.

   “Dat ze niet ademde.”

   “Ja. En wanneer stop je met ademhalen? Als je dood bent. Toch?”

   “Ja.” Oskar werd enthousiast. “Daar heb ik over gelezen. Precies. Daarom verrichten ze sectie als er brand geweest is. Om te zien of … de brand niet is aangestoken door iemand die degene die in het huis zit, in de brand, heeft vermoord en niet wil dat dat uitkomt. Ik heb gelezen … ja, dat stond in Hemmets Journal, dat er een man was in Engeland, die zijn vrouw had vermoord en die wist dit en dus had hij … voordat hij de brand stichtte, had hij een slang in haar keel gestopt en …”

   “Oké, oké. Jij bent op de hoogte. Mooi. Maar deze vrouw had dus géén rook in haar longen en toch is ze het huis uit gegaan en heeft een poosje buiten rondgerend voordat ze stierf. Hoe kan dat?”

   “Ze heeft zeker haar adem ingehouden. Nee, trouwens. Dat kan niet, dat heb ik ook ergens gelezen. Daarom doen mensen altijd …”

   “Oké, oké. Leg het mij eens uit dan.”

   Oskar leunde met zijn hoofd op zijn handen, dacht na. Zei toen: “Of ze hebben een vergissing gemaakt, of ze rende rond terwijl ze al dood was.”

   Tommy knikte. “Precies. En weet je? Ik geloof niet dat die lui zulke fouten maken. Denk je wel?”

   “Nee, maar …”

   “Dood is dood.”

   “Ja.”

   Tommy trok een draad uit de stoel, rolde die tussen zijn vingers op tot een balletje en schoot het weg.

   “Ja. Dat wil je natuurlijk graag geloven.”

 

 

Laat de ware binnenkomen
titlepage.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_000.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_001.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_002.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_003.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_004.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_005.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_006.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_007.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_008.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_009.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_010.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_011.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_012.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_013.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_014.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_015.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_016.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_017.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_018.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_019.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_020.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_021.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_022.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_023.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_024.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_025.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_026.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_027.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_028.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_029.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_030.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_031.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_032.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_033.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_034.xhtml