zaterdag 24 oktober
“Het mysterie van de voorstad is het
ontbreken van een raadsel.”
Johan Eriksson
Op zaterdagochtend lagen er drie dikke stapels reclameblaadjes bij Oskar voor de deur. Zijn moeder hielp hem met vouwen. Drie verschillende folders in elk pakket, vierhonderdtachtig pakketjes in totaal. Gemiddeld leverde elk pakketje dat hij bezorgde veertien öre op. In het ongunstigste geval had je één blaadje, dat zeven öre opleverde. In het gunstigste geval (en het ergste, want het was een hele hoop vouwwerk) tot wel vijf blaadjes, wat vijfentwintig öre opleverde.
Hij kon goed opschieten, omdat hij de flats in zijn wijk had. Daar was hij binnen het uur honderdvijftig blaadjes kwijt. De hele ronde nam ongeveer vier uur in beslag, met tussendoor een keer naar huis om de voorraad folders bij te vullen. Die keren dat er vijf blaadjes in elk pakket zaten, moest hij twee keer terug voor nieuwe.
De blaadjes moesten uiterlijk dinsdagavond zijn bezorgd, maar hij deed het meestal ’s zaterdags. Dan was het maar klaar.
Oskar zat op de keukenvloer te vouwen, zijn moeder aan tafel. Het was niet zulk leuk werk, maar hij hield van de chaos die het in de keuken schiep. De enorme rommel, die stukje bij beetje geordend raakte in twee, drie, vier propvolle papieren zakken met keurig gevouwen folders.
Zijn moeder stopte nog een stapel gevouwen pakketjes in de tas. Ze schudde haar hoofd.
“Nee, ik vind het maar niks.”
“Wat?”
“Je moet niet … als iemand de deur opendoet of zo … je mag niet …”
“Nee. Waarom zou ik dat doen?”
“Er zijn zoveel rare mensen op de wereld.”
“Ja.”
Dit gesprek ontspon zich in de een of andere vorm zo goed als elke zaterdag. Vrijdagavond had zijn moeder gezegd dat hij deze zaterdag helemaal geen blaadjes moest rondbrengen vanwege de moordenaar. Maar Oskar had plechtig beloofd dat hij het op een krijsen zou zetten zodra iemand hem maar aansprak en zijn moeder had toegegeven.
Het was nog nooit voorgekomen dat iemand Oskar binnen wilde vragen of zoiets. Eén keer had een oude man hem uitgescholden omdat hij “een hoop rotzooi in de brievenbus stopte”, en daarna had hij bij die man geen blaadjes meer bezorgd.
Die moest verder leven zonder te weten dat hij deze week in de dameskapsalon een feestelijke coupe soleil aangemeten kon krijgen voor tweehonderd kronen.
Om halftwaalf waren alle folders gevouwen en ging hij op pad. Het had geen zin om alle blaadjes ergens bij het afval te gooien; ze belden en controleerden het, namen steekproeven. Dat hadden ze er bij hem ingeprent toen hij een halfjaar geleden bel-de om zich voor het werk op te geven. Misschien was het maar bluf, maar hij durfde het er niet op te wagen. Bovendien had hij niet direct iets op het werk tegen. In elk geval de eerste twee uur niet.
Dan speelde hij bijvoorbeeld dat hij een agent was op een geheime missie, die bezig was propaganda te verspreiden tegen de vijand die het land had ingenomen. Hij snelde van het ene portiek naar het andere, op zijn hoede voor de vijandelijke soldaten, die best verkleed konden zijn als gewone vrouwtjes met een hond.
Of hij deed net of elk huis een hongerig beest was, een draak met zes bekken die alleen maagdenvlees at, vermomd als reclameblaadjes, die hij tussen de kaken van het monster stak.
De laatste twee uur – zoals vandaag, bezig met de tweede ronde – trad er een soort afstomping in. Zijn benen draafden door en zijn armen voerden de bewegingen mechanisch uit.
Tas neerzetten, zes pakjes onder zijn linkerarm stoppen, buitendeur opendoen, eerste deur, brievenbus met de linkerhand opendoen, een blaadje pakken met de rechterhand, het erin stoppen. Tweede deur … enzovoort.
Toen hij eindelijk bij zijn eigen rijtje aankwam, bij de deur van het meisje, bleef hij ervoor staan luisteren. Hij hoorde het zachte geluid van een radio. Dat was alles. Hij stopte de blaadjes in de brievenbus en wachtte. Niemand kwam ze halen.
Zoals altijd deed hij zijn eigen deur het laatst, hij stopte een blaadje in de bus, deed de deur open, raapte het blaadje op en gooide het in de prullenbak.
Klaar voor vandaag. Zevenenzestig kronen rijker.
Zijn moeder was naar Vällingby om boodschappen te doen. Oskar had de flat voor zichzelf. Wist niet hoe hij daar gebruik van zou maken.
Hij opende de laatjes onder het aanrecht in de keuken, keek erin. Bestek, kloppers en een oventhermometer. In een andere la pennen en papier, een serie receptenkaartjes met verschillende gerechten, waar zijn moeder een abonnement op had genomen, maar waar ze weer mee was gestopt omdat overal zulke dure ingrediënten in zaten.
Hij liep door naar de woonkamer, deed de kasten open.
De handwerkspullen van zijn moeder, haar haaknaalden, of waren het breinaalden? Een map met rekeningen en bonnetjes. Fotoalbums waar hij heel vaak in had gekeken. Oude tijdschriften met nog steeds niet opgeloste kruiswoordpuzzels. Een leesbril in een brillenkoker. Een naaidoos. Een houten doosje met de paspoorten van zijn moeder en hemzelf, hun identiteitsplaatjes (hij had gevraagd of hij het zijne om zijn nek mocht dragen; alleen als het oorlog werd, had moeder gezegd), een foto en een ring.
Hij doorzocht de laatjes en kasten alsof hij ergens naar op zoek was, zonder dat hij zelf wist wat. Een geheim. Iets wat ergens verandering in zou brengen. Dat hij plotseling, helemaal achter in de kast een stuk rottend vlees zou vinden. Of een opgeblazen ballon. Wat dan ook. Iets vreemds.
Hij haalde de foto uit het doosje en keek ernaar.
Het was een foto van zijn doop. Zijn moeder stond met hem op haar arm, ze keek in de camera. Ze was slank toen. Oskar was gehuld in een doopjurk met lange, blauwe linten. Naast zijn moeder stond zijn vader, ongemakkelijk in een kostuum gestoken. Hij leek niet te weten wat hij met zijn handen moest doen en hield ze daarom stijf langs zijn lichaam, hij stond bijna in de houding. Hij keek strak naar de baby in de armen van zijn moeder. De zon scheen over hun drieën.
Oskar hield de foto dichter bij zijn ogen, hij bestudeerde de gezichtsuitdrukking van zijn vader. Hij keek trots. Trots en heel erg … onwennig. Een man die blij was dat hij vader was geworden, maar niet wist hoe hij zich moest gedragen. Hoe het moest. Je had kunnen denken dat hij de baby voor het eerst zag, hoewel de doop een halfjaar na Oskars geboorte was geweest.
Zijn moeder daarentegen hield Oskar in een zekere maar ontspannen greep. Haar blik in de camera was niet zozeer trots als wel … wantrouwig. Kom niet dichterbij, zei die blik. Of ik bijt je in je neus.
Zijn vader stond wat voorovergebogen, alsof hij ook dichterbij wilde komen, maar niet durfde. De foto stelde geen gezin voor. Hij stelde een jongetje met zijn moeder voor. Met iemand naast hen, vermoedelijk de vader. Naar zijn gezichtsuitdrukking te oordelen.
Maar Oskar hield van zijn vader, en zijn moeder ook. Op een bepaalde manier. Ondanks de … omstandigheden. Hoe het was geworden.
Oskar pakte de ring op en las wat erin stond: erik 22/4/1967.
Ze waren gescheiden toen Oskar twee jaar was. Ze hadden geen van beiden iemand anders ontmoet. “Het is gewoon niet gebeurd.” Die uitdrukking gebruikten ze allebei.
Hij legde de ring weer terug, deed het houten doosje dicht en zette het weer in de kast. Hij vroeg zich af of zijn moeder ooit naar de ring keek, waarom ze hem had bewaard. Het was toch goud. Zeker tien gram. Ongeveer vierhonderd kronen waard.
Oskar deed zijn jas aan en liep naar de binnenplaats. Het werd al donker, al was het nog maar vier uur. Uitgesloten om nu het bos in te gaan.
Tommy liep voor de deur langs, hij bleef staan toen hij Oskar zag.
“Moi.”
“Moi.”
“Ga je doen?”
“Tja, ik heb reclameblaadjes rondgebracht en … weet niet.”
“Verdient dat een beetje?”
“Gaat wel. Zeventig, tachtig kronen per keer.”
Tommy knikte.
“Wil je een walkman kopen?”
“Weet niet. Wat voor één?”
“Een Sony. Vijftig kronen.”
“Nieuw?”
“Ja. In de doos. Met koptelefoon. Vijftig kronen.”
“Ik heb geen geld. Nu.”
“Je verdiende toch zeventig, tachtig kronen, zei je.”
“Ja, maar ik krijg per maand betaald. Over een week.”
“Oké. Maar dan kun je hem nu krijgen. En dan krijg ik het geld zodra je het hebt.”
“Ja …”
“Oké. Wacht daar maar even, dan haal ik hem op.”
Tommy maakte een beweging met zijn hoofd in de richting van de speelplaats en Oskar liep erheen en ging op een bankje zitten. Stond meteen weer op en liep naar het klimrek, keek. Het meisje was er niet. Hij liep snel terug naar het bankje en ging zitten, alsof hij iets had gedaan wat niet mocht.
Even later kwam Tommy hem de doos brengen.
“Vijftig kronen over een week, oké?”
“Mm.”
“Waar luister je naar?”
“Kiss.”
“Wat heb je?”
“Alive.”
“Heb je Destroyer niet? Die mag je wel van me lenen als je wilt. Kun je hem kopiëren.”
“Ja, dat is mooi.”
Oskar had de dubbelelpee Alive van Kiss; die had hij een paar maanden geleden gekocht, maar hij luisterde er nooit naar. Hij keek alleen naar de foto’s van het concert. Ze zagen er echt heftig uit met hun geschminkte gezichten. Levende griezels. En Beth, gezongen door Peter Criss, vond hij een goed nummer, maar de andere nummers waren te … er zat gewoon geen melodie in. Misschien was Destroyer beter.
Tommy stond op en wilde weglopen. Oskar pakte de doos stevig vast.
“Tommy?”
“Ja?”
“Die jongen. Die is vermoord. Weet jij misschien … hóé die is vermoord?”
“Ja. Hij is opgehangen aan een boom en zijn keel is doorgesneden.”
“Is hij niet … neergestoken? Dat hij een mes in hem had gestoken? In zijn lichaam?”
“Nee, alleen zijn keel. Swoesj.”
“Oké.”
“Verder nog wat?”
“Nee.”
“Tot ziens.”
“Ja.”
Oskar bleef nog even op het bankje zitten nadenken. De lucht was donkerpaars, de eerste ster – of was het Venus? – was al duidelijk zichtbaar. Hij stond op, ging de walkman binnen verstoppen voordat zijn moeder thuiskwam.
Vanavond zou hij het meisje zien, zijn kubus terugkrijgen. De jaloezieën waren nog steeds neergelaten. Wóónde ze daar wel echt? Wat deden ze daar de hele dag binnen? Had ze geen vrienden?
Het zou wel niet.
“Vanavond …”
“Wat heb je gedaan?”
“Me gewassen.”
“Doe je anders nooit.”
“Håkan, vanavond moet je …”
“Nee, zei ik toch.”
(Stilte.)
“Toe?”
“Het gaat niet om … Iets anders, maakt niet uit wat. Zeg het maar en ik doe het. Neem in godsnaam van míj. Hier. Hier heb je een mes. Nee? Oké, dan moet ik …”
“Niet doen!”
“Waarom niet? Liever dat. Waarom heb je je gewassen? Je ruikt gewoon naar … zeep.”
“Wat moet ik dan doen?”
“Ik kan het niet!”
“Nee.”
“Wat ben je van plan?”
“Ik ga er zelf op uit.”
“Moet je je daarvoor wassen?”
“Håkan …”
“Ik wil je verder met alles helpen. Wat je maar wilt, maar …”
“Ja, ja, het is goed.”
“Sorry.”
“Ja.”
“Wees voorzichtig. Ik … wees voorzichtig.”
Kuala Lumpur, Phnom Penh, Mekong, Rangoon, Chongqing …
Oskar keek naar het stencil dat hij zojuist had ingevuld, huiswerk voor het weekend. De namen zeiden hem niets, het waren gewoon letterklompjes. Het gaf een zekere voldoening om dingen op te zoeken in de atlas, te zien dat er echt steden en rivieren waren op de plaatsen die op het stencil waren aangegeven, maar …
Ja, hij zou dit uit zijn hoofd leren en zijn moeder zou hem overhoren. Hij zou de stippen kunnen aanwijzen en de vreemde woorden zeggen. Chongqing, Phnom Penh. Moeder zou onder de indruk zijn. En het was wel een beetje leuk, al die vreemde namen van plaatsen ver weg, maar …
Waarom?
In de vierde had hij stencils gehad over de topografie van Zweden. Toen kende hij ook alles uit zijn hoofd. Hij was goed in zulke dingen. Maar nu?
Hij probeerde zich de naam van één Zweedse rivier te herinneren.
Äskan, Väskan, Piskan …
Zoiets was het. Ätran misschien. Ja, maar waar lag die? Geen idee. En met Chongqing en Rangoon zou het over een paar jaar net zo zijn.
Het is allemaal zinloos.
Deze plaatsen bestónden niet eens. En als ze bestonden … dan zou hij er nooit komen. Chongqing? Wat moest hij in Chongqing doen? Dat was gewoon een groot, wit oppervlak en een klein stipje.
Hij keek naar de rechte lijnen waarop zijn onregelmatige handschrift balanceerde. Het was school. Meer niet. Dit was school. Ze zeiden tegen je dat je een heleboel dingen moest doen en die deed je. Die plaatsen waren gemaakt zodat de leraren er stencils over konden uitdelen. Het betékende niets. Hij had net zo goed Tjippiflax, Bubbelibeng en Spitt op de lijntjes kunnen schrijven. Dat was net zo logisch.
Het enige verschil was dat de juf zou zeggen dat dat fóút was. Dat het niet zo héétte. Ze zou op de kaart wijzen en zeggen: “Kijk, het heet Chongqing en niet Tjippiflax.” Een armzalig bewijs. Wat in de atlas stond was immers ook door iemand bedacht. Wie zei dat het echt zo was? Misschien was de aarde in werkelijkheid plat, maar werd dat om de een of andere reden geheimgehouden.
Schepen die over de rand vallen. Draken.
Oskar stond op van tafel. Het stencil was klaar, gevuld met letters die de juf zou goedkeuren. Dat was alles.
Het was na zevenen, misschien was het meisje al buiten? Hij ging met zijn gezicht tegen het raam staan, schermde het met zijn handen af om het donker in te kunnen kijken. Ja, er bewoog toch iets beneden op de speelplaats?
Hij liep de hal in. Moeder zat in de huiskamer te breien, of was het haken?
“Ik ga even naar buiten.”
“Ga je nu weer naar buiten? Ik zou je nog overhoren.”
“Ja. Dat doen we zo.”
“Azië was het toch?”
“Wat?”
“Het stencil dat je had. Dat was toch Azië?”
“Ik geloof het wel. Chongqing.”
“Waar ligt dat? In China?”
“Weet ik niet.”
“Wéét je dat niet? Maar …”
“Ik kom zo terug.”
“Ja. Wees voorzichtig. Heb je je muts?”
“Ja hoor.”
Oskar stopte zijn muts in zijn jaszak en ging naar buiten. Halverwege de speelplaats waren zijn ogen aan het donker gewend en hij zag dat het meisje op het klimrek zat. Hij liep erheen en ging onder haar staan met zijn handen in zijn zakken.
Ze zag er vandaag anders uit. Nog steeds de roze trui – had ze niets anders? – maar haar haar zag er niet zo klitterig uit. Het was glad, zwart, volgde de vorm van haar hoofd.
“Moi.”
“Hoi.”
“Hoi.”
Hij zou van zijn leven nooit meer ‘moi’ tegen iemand zeggen. Dat klonk ongelóóflijk stom. Het meisje kwam overeind.
“Kom boven.”
“Oké.”
Oskar klom op het klimrek, kwam naast haar staan, zoog discreet lucht op door zijn neus. Ze stonk niet meer.
“Ruik ik zo beter?”
Oskars hele gezicht werd rood. Het meisje glimlachte en reikte hem iets aan. Zijn kubus.
“Bedankt voor het lenen.”
Oskar pakte de kubus aan en keek ernaar. Keek nog eens. Hield hem zo goed en zo kwaad als dat ging tegen het licht, draaide hem om en bekeek alle vlakken. Hij was opgelost. Alle vlakken hadden één kleur.
“Heb je hem uit elkaar gehaald?”
“Hoe dan?”
“Nou … uit elkaar gehaald en … de stukjes goed gezet.”
“Kan dat?”
Oskar voelde aan de kubus alsof hij wilde controleren of de stukjes loszaten nadat ze uit elkaar gehaald waren. Dat had hij zelf een keer gedaan en hij had zich erover verbaasd dat je maar een paar keer hoefde te draaien, dan was je de draad al kwijt en kon je de vlakken niet meer in één kleur krijgen. De stukjes hadden weliswaar niet losgezeten toen hij hem uit elkaar had gehaald, maar ze kon hem toch niet hebben ópgelost?
“Je moet hem wel uit elkaar hebben gehaald.”
“Nee.”
“Je had er toch nog nooit eerder een gezíén?”
“Nee. Het was leuk. Bedankt.”
Oskar hield de kubus voor zijn ogen, alsof die hem zou kunnen vertellen hoe het was gegaan. Op de een of andere manier was hij er zeker van dat het meisje niet loog.
“Hoe lang heb je erover gedaan?”
“Een paar uur. Nu zou het waarschijnlijk sneller gaan.”
“Ongelooflijk.”
“Het is niet zo moeilijk.”
Ze keek hem aan. Haar pupillen waren zo groot dat ze bijna het hele oog vulden, het licht uit de serie portieken werd gereflecteerd tegen het zwarte oppervlak en het leek of ze een verre stad in haar hoofd had.
De polotrui, hoog opgetrokken in haar hals, accentueerde haar zacht gepolijste trekken nog meer, en ze leek wel een … stripfiguur. De huid, de lijnen waren als een botermes waar je weken aan hebt geschuurd met het fijnste schuurpapier totdat het hout net zijde is.
Oskar schraapte zijn keel.
“Hoe oud ben je?”
“Wat denk je?”
“Veertien, vijftien.”
“Lijk ik zo oud?”
“Ja. Of nee, maar …”
“Ik ben twaalf.”
“Twaalf!”
Wow, te gek. Ze was vermoedelijk jónger dan Oskar, die over een maand dertien werd.
“Wanneer word je dertien?”
“Ik weet niet.”
“Wéét je dat niet? Maar … wanneer vier je je verjaardag en zo?”
“Die vier ik nooit.”
“Maar je ouders weten het toch wel?”
“Nee. Mijn moeder is dood.”
“Ach. Goh. Waaraan is ze overleden?”
“Dat weet ik niet.”
“Weet je … vader het dan?”
“Nee.”
“Dus … maar … krijg je dan geen cadeautjes en zo?”
Ze deed een stap in zijn richting. De damp van haar adem werd over zijn gezicht verspreid en de lichtjes van de stad in haar ogen doofden toen ze in Oskars schaduw kwam. De pupillen waren twee knikkergrote gaten in haar hoofd.
Ze is verdrietig. Heel erg verdrietig.
“Nee. Ik krijg geen cadeautjes. Nooit.”
Oskar knikte stijfjes. De wereld om hem heen bestond niet meer. Alleen de twee zwarte gaten op ademafstand. De damp uit hun monden vermengde zich en steeg op, loste op.
“Wil jij me een cadeautje geven?”
“Ja.”
Zijn stem was niet eens een fluistering. Alleen maar een uitademing die in zijn mondholte werd gevormd. Het gezicht van het meisje was vlakbij. Zijn blik werd naar haar botermeswang ge-trokken.
Daarom zag hij niet hoe haar ogen veranderden, smaller werden, een andere uitdrukking kregen. Hoe de bovenlip opgetrokken werd en een paar vuilwitte snijtanden liet zien. Hij zag alleen haar wang en terwijl haar tanden dichter bij zijn hals kwamen, deed hij zijn hand omhoog en aaide over haar wang.
Het meisje hield in, bleef een moment in dezelfde houding steken en trok zich terug. Haar ogen kregen hun eerdere uiterlijk weer terug, de lichten van de stad gingen weer aan.
“Wat deed je nou?”
“Sorry … ik …”
“Wat. Deed je?”
“Ik …”
Oskar keek naar zijn hand die de kubus vasthield, liet zijn greep verslappen. Hij had er zo hard in geknepen dat de zijkanten donkere afdrukken in zijn handen hadden achtergelaten. Hij stak de kubus uit naar het meisje.
“Wil je hem hebben? Je mag hem hebben.”
Ze schudde langzaam haar hoofd.
“Nee. Hij is van jou.”
“Hoe … heet je?”
“Eli.”
“Ik heet Oskar. Wat zei je nou? Eli?”
“… Ja.”
Het meisje leek plotseling rusteloos. Haar blik schoot alle kanten op, alsof ze in haar geheugen naar iets zocht, iets wat ze niet kon vinden.
“Ik … moet nu weg.”
Oskar knikte. Het meisje keek hem een paar seconden recht in de ogen en draaide zich toen om om te gaan. Ze kwam bij de glijbaan en aarzelde even. Ging er toen op zitten, roetsjte naar beneden en liep naar haar portiek. Oskar kneep in de kubus in zijn hand.
“Kom je morgen?”
Het meisje bleef staan en zonder zich om te draaien zei ze zachtjes: “Ja.” Ze liep weer door en Oskar volgde haar met zijn blik. Ze ging haar portiek niet binnen, maar liep naar de poort waardoor je de binnenplaats af ging. Ze verdween.
Oskar keek naar de kubus in zijn hand. Ongelooflijk.
Hij draaide een gedeelte een slag verder, zodat de eenheid werd verstoord. Toen draaide hij hem weer terug. Hij wilde hem zo houden. Nog eventjes.
Jocke Bengtsson grinnikte bij zichzelf toen hij uit de bioscoop naar huis liep. Wat een dolkomische film, De gezelschapsreis. Vooral met die twee figuren die de hele film door aan het zoeken waren naar Peppes bodega. Toen de ene zijn toeterzatte vriend in een rolstoel door de douane reed: “Invalido.” Ja, geweldig.
Misschien moest hij zelf ook eens zo’n reis zien te maken met een van de jongens. Maar met wie zou hij op reis kunnen?
Karlsson was zo saai, daar zakte je broek van af, hij zou na twee dagen schoon genoeg van hem hebben. Morgan kon vervelend worden als hij te veel dronk, en dat zou hij gegarandeerd doen als het zo goedkoop was. Larry was oké, maar zo krakkemikkig. Uiteindelijk zou hij hem waarschijnlijk in een rolstoel moeten rondrijden. “Invalido.”
Nee, Lacke moest het zijn.
Zij zouden samen in het zuiden echt een week lang veel lol kunnen hebben. Lacke was echter zo arm als een kerkrat, hij zou er nooit geld voor hebben. Hij zat elke avond bier en sigaretten te bietsen. Helemaal oké wat Jocke betrof, maar voor een reis naar de Canarische eilanden had hij geen geld.
Hij zou de feiten onder ogen moeten zien; de jongens bij de Chinees waren geen van allen erg goede reisgenoten.
Kon hij alleen op reis gaan?
Ja, dat had Stig-Helmer immers ook gedaan. Ook al was hij helemaal de weg kwijt. Toen was hij immers Ole tegengekomen. Het raakte aan met een donna en alles. Dat zou niet verkeerd zijn. Het was acht jaar geleden dat Maria hem had verlaten en de hond had meegenomen en sindsdien had hij in bijbelse zin niemand ‘bekend’.
Maar was er iemand die hem wilde hebben? Misschien. Hij zag er in elk geval niet zó beroerd uit als Larry. Hoewel de drank wel wat aanrichtte in zijn gezicht en zijn lichaam, ook al hield hij het min of meer onder controle. Vandaag had hij bijvoorbeeld nog geen druppel gedronken, terwijl het al bijna negen uur was. Nu zou hij in elk geval naar huis gaan en een paar glazen gin-tonic nemen voordat hij naar de Chinees ging.
Dat met die reis, daar moest hij nog eens over nadenken. Er zou wel net zoveel van terechtkomen als van wat hij nog meer had overwogen te gaan doen en te ondernemen de afgelopen jaren: geen ene donder. Maar dromen kon altijd.
Hij liep over de parkweg tussen de Holbergsgatan en de Blackebergschool. Het was vrij donker, de lantaarnpalen stonden op zo’n dertig meter van elkaar en op de heuvel links lichtte het Chinese restaurant op als een vuurbaken.
Misschien moest hij vandaag eens royaal zijn? Meteen naar de Chinees gaan en … nee. Dat werd te duur. Dan zouden de anderen denken dat hij de lotto had gewonnen of zoiets, dan vonden ze hem een enorme vrek als hij geen rondje gaf. Hij kon beter thuis een beetje indrinken.
Hij kwam langs de wasserij; de schoorsteen met zijn eenzame rode oog, het doffe gebrom uit zijn binnenste.
Toen hij op een nacht stomdronken naar huis liep, had hij in een soort hallucinatie gezien dat de schoorsteen zich van het hoofdgebouw losmaakte en grommend en sissend de heuvel af kwam glijden, zijn kant op.
Hij was met zijn handen boven zijn hoofd in elkaar gedoken op de parkweg en had gewacht op de klap. Toen hij ten slotte zijn armen weghaalde, stond de schoorsteen nog waar hij altijd had gestaan, magnifiek en onbeweeglijk.
De lamp die het dichtst bij de brug onder de Björnsonsgatan stond, was kapot en de weg onder de brug was een donker gewelf. Als hij nu dronken was geweest, zou hij vermoedelijk de trappen naast de brug op zijn gegaan en over de Björnsonsgatan verder zijn gelopen, ook al was dat een korte omweg. Hij had soms zulke rare visioenen in het donker als hij genoeg op had. Daarom sliep hij altijd met de lamp aan. Maar nu was hij broodnuchter.
Hij had verdraaid veel zin om evengoed de trap maar te nemen. Zijn deliriums begonnen zijn kijk op de wereld binnen te sijpelen, ook als hij nuchter was. Hij bleef op de parkweg staan en vatte de situatie voor zichzelf samen: “Ik begin gek te worden.”
Maar kijk eens, Jocke, wat wel zo is: als je geen moed vat en snel dat kleine stukje onder de brug door loopt, kom je ook nooit op de Canarische eilanden.
Hoezo niet?
Nou, omdat je altijd terugschrikt bij het minste of geringste probleem. De weg van de minste weerstand, in elke situatie. Denk je dat jij het voor elkaar krijgt om een reisbureau te bellen, een nieuw paspoort aan te schaffen, spullen te kopen voor de reis, überhaupt de sprong in het onbekende te wagen als je het niet voor elkaar krijgt dat kleine stukje te lopen?
Daar zit wat in. Dus? Als ik nu onder de brug door loop, betekent dat dan dat ik naar de Canarische eilanden ga, dat dat iets kan worden?
Ik stel me zo voor dat je morgen belt om een ticket te bestellen. Tenerife, Jocke, Tenerife.
Hij begon verder te lopen, vulde zijn hoofd met zonnige stranden en cocktails met parasolletjes. Hij ging op reis, verdorie. Hij ging vanavond niet naar de Chinees, nee. Hij zou thuisblijven en advertenties opzoeken. Acht jaar. Het werd verdorie tijd om moed te vatten.
Hij was net over palmen na gaan denken, of er palmen waren op de Canarische eilanden of niet, of hij ze in de film had gezien, toen hij het geluid hoorde. Een stem. Hij bleef midden onder de brug staan luisteren. Er klonk een jammerende stem bij de muur van het bruggewelf.
“Help me …”
Zijn ogen begonnen aan het donker gewend te raken, maar hij kon alleen de contouren onderscheiden van bladeren, die onder de brug gewaaid waren en in stapels opeengehoopt waren. Het klonk als de stem van een kind.
“Hallo. Is daar iemand?”
“Help me …”
Hij keek om zich heen. Geen mens in de buurt. Het ritselde in het donker, hij zag nu ook iets bewegen tussen de bladeren.
“Help me, alsjeblieft.”
Hij had heel veel zin om weg te lopen, maar dat kon natuurlijk niet. Een kind was gewond, was misschien overvallen door iemand …
De moordenaar!
De Vällingbymoordenaar was naar Blackeberg gekomen, maar deze keer had het slachtoffer het overleefd.
O, verdomme.
Hij wilde hier niet in betrokken worden. Hij zou morgen nog wel naar Tenerife en alles. Maar er was niets aan te doen. Hij zette een paar stappen in de richting van de stem. De bladeren knisperden onder zijn voeten en nu kon hij het lichaam zien. Het lag in foetushouding tussen de dorre bladeren.
Verdomme, verdomme.
“Wat is er gebeurd?”
“Help me …”
Jockes ogen hadden zich nu aan het donker aangepast en hij kon zien dat het kind een witte arm naar hem uitstrekte. Het lichaam was naakt, vermoedelijk verkracht. Nee. Toen hij er vlakbij was zag hij dat het kind niet naakt was, het had alleen een lichtroze trui aan. Hoe oud? Tien, twaalf jaar. Hij was misschien gewoon in elkaar geslagen door een paar ‘vriendjes’. Of zij. Als het een meisje was, was dat laatste minder waarschijnlijk.
Hij ging op zijn hurken naast het kind zitten, nam één hand in de zijne.
“Wat is er met je gebeurd?”
“Help me. Til me op.”
“Ben je gewond?”
“Ja.”
“Wat is er gebeurd?”
“Til me op …”
“Er is toch niets met je rug, hè?”
Hij was hospik geweest in dienst en hij wist dat je iemand met nek- of rugletsel niet mocht verplaatsen zonder het hoofd te fixeren.
“Is er niks met je rug?”
“Nee. Til me op.”
Wat moest hij in godsnaam doen? Als hij het kind meenam naar zijn flat, kon de politie denken …
Hij moest hem of haar naar de Chinees dragen en daar een ambulance bellen. Ja. Zo moest het. Het was een nogal klein en mager kind, vermoedelijk een meisje, en ook al was hij niet in topvorm, hij zou haar dat stukje vermoedelijk wel kunnen dragen.
“Oké. Ik draag je ergens heen waar we kunnen bellen, oké?”
“Ja … bedankt.”
Dat ‘bedankt’ bezorgde hem een steek in zijn hart. Hoe had hij kunnen aarzelen? Wat was hij eigenlijk voor een klootzak? Nou, hij was op betere gedachten gekomen en zou het meisje nu helpen. Hij wurmde zijn linkerarm onder haar beide knieën door en legde zijn andere arm onder haar nek.
“Oké. Nu til ik je op.”
“Mmm.”
Ze woog bijna niets. Het was ongelooflijk gemakkelijk om haar op te tillen. Vijfentwintig kilo, hooguit. Misschien was ze ondervoed. Beroerde thuissituatie, zichzelf uithongeren. Misschien was ze mishandeld door een stiefvader of zo. Wat een ellende.
Het meisje sloeg haar armen om zijn nek en leunde met haar wang tegen zijn schouder. Hij zou deze klus klaren.
“Hoe gaat het?”
“Goed.”
Hij glimlachte. Een warm gevoel doorstroomde hem. Hij was een goed mens, ondanks alles. Hij zag de gezichten van de anderen al voor zich als hij het meisje het restaurant in droeg. Eerst zouden ze vragen wat hij verdorie had uitgespookt en dan met groeiende waardering zeggen: “Goed gedaan, Jocke”, enzovoort.
Hij begon zich om te draaien om naar de Chinees te gaan, in beslag genomen door zijn fantasieën over een nieuw leven en hoe hij net met een schone lei was begonnen, toen hij de pijn in zijn hals voelde. Wat nou verdorie? Het voelde alsof hij door een wesp was gestoken en zijn linkerhand wilde naar boven gaan, hem wegwuiven, voelen of hij daadwerkelijk gestoken was. Maar hij kon het kind niet loslaten.
Een beetje sullig probeerde hij zijn hoofd te buigen om te zien wat het was, maar hij kon natuurlijk niets zien in die hoek. Bovendien kon hij zijn hoofd niet naar beneden buigen, aangezien de kaak van het meisje tegen zijn kin gedrukt lag. Haar greep om zijn nek werd harder en de pijn werd heviger. Nu begreep hij het.
“Wat doe je verdorie?”
Hij voelde de kaken van het meisje op en neer malen tegen zijn kin, terwijl de pijn in zijn hals toenam. Een warm straaltje liep over zijn borst.
“Hou op, verdomme!”
Hij liet het meisje los. Het was niet eens een bewuste gedachte, maar een reflex: dat kreng moet van mijn nek!
Maar het meisje viel niet. Ze hield zijn nek in een ijzeren greep – goh, wat was dat kleine lichaam sterk! – en klemde haar benen om zijn heupen.
Als een hand met vier vingers om een poppetje heen klemde zij zich aan hem vast, terwijl haar kaken maalden en maalden.
Jocke pakte haar bij haar hoofd, probeerde haar van zijn hals weg te duwen, maar hij kon net zo goed proberen een verse berkenteek met blote handen van een berk te trekken. Ze zat aan hem vastgelijmd. De omhelzing van het meisje was zo stevig dat de lucht uit zijn longen werd geperst en hij geen nieuwe lucht op kon zuigen.
Hij wankelde achteruit, snakkend naar adem.
De kaken van het meisje maalden niet meer, nu was alleen een kalm geslurp te horen. Ze verslapte haar greep geen moment, die was eerder harder geworden sinds ze begonnen was met zuigen. Een gedempt kraken en zijn borst werd gevuld met pijn. Er waren een paar ribben geknakt.
Hij had geen lucht om mee te schreeuwen. Hij sloeg het meisje krachteloos op haar hoofd met zijn vuisten, terwijl hij rondwankelde tussen de dorre bladeren. De wereld draaide. De parklantaarns in de verte dansten als vuurvliegjes voor zijn ogen.
Hij verloor zijn evenwicht en viel achterover. Het laatste geluid dat hij hoorde, was dat van een paar bladeren die onder zijn achterhoofd gekraakt werden. Een microseconde later kwam zijn hoofd op de stenen terecht en de wereld verdween.
Oskar lag klaarwakker in zijn bed en staarde naar het behang.
Zijn moeder en hij hadden naar De Muppets gekeken en hij had het verhaal helemaal niet gevolgd. Miss Piggy was boos geweest en Kermit was op zoek geweest naar Gonzo. Een van de chagrijnige mannen was van het balkon gevallen. Hoe dat was gekomen was Oskar ontgaan. Hij was met zijn gedachten ergens anders.
Toen hadden moeder en hij chocolademelk gedronken en broodjes gegeten. Oskar wist nog dat ze hadden gepraat, maar herinnerde zich niet meer wat ze hadden gezegd. Iets over de keukenbank blauw verven of zo.
Hij staarde naar het behang.
De hele wand waar zijn bed tegenaan stond, was bekleed met fotobehang waarop een open plek in een groot bos te zien was. Brede boomstammen en groene bladeren. Hij lag altijd te fantaseren dat er wezens tussen de bladeren vlak bij zijn hoofd zaten. Hij had twee figuren die hij altijd onmiddellijk zag, zo gauw hij keek. Als hij de andere wilde zien moest hij wat meer zijn best doen.
Nu had de muur een andere betekenis gekregen. Aan de andere kant van de muur, aan de andere kant van het bos, was immers … Eli. Oskar lag met zijn hand tegen het groene oppervlak en probeerde zich voor te stellen hoe het er aan de andere kant uitzag. Had zij daar haar slaapkamer? Lag ze nu in haar bed? Van de muur maakte hij Eli’s wang, hij streelde over de groene bladeren, over haar zachte huid.
Stemmen aan de andere kant.
Hij stopte met het strelen van het behang en luisterde. Een hoge en een lage stem. Eli en haar vader. Het klonk alsof ze ruziemaakten. Hij duwde zijn oor tegen de muur om het beter te horen. Verdorie. Had hij maar een glas. Hij durfde niet op te staan om er een te halen, dan stopten ze misschien intussen met praten.
Wat zeggen ze?
Het was Eli’s vader die boos klonk, Eli’s stem hoorde je bijna niet. Oskar spande zich in om woorden te verstaan. Hij hoorde alleen losse vloeken en “… vreselijk WREED”, toen klonk er een bons alsof iemand was gevallen. Sloeg hij haar? Had hij gezien dat Oskar haar wang streelde en … kon dat het zijn?
Nu was het Eli die praatte. Oskar kon er geen woord van verstaan, hij hoorde alleen de zachte toon van haar stem die omhoog en omlaag ging. Zou ze zo praten als hij haar had geslagen? Hij mócht haar niet slaan. Oskar zou hem ombrengen als hij haar sloeg.
Hij wilde dat hij zichzelf door de muur heen kon vibreren, zoals The Flash, de superheld. Verdwijnen door de muur, door het bos en er aan de andere kant weer uit komen, kijken wat er aan de hand was, of Eli hulp nodig had, troost, wat dan ook.
Nu was het stil aan de andere kant. Hij hoorde alleen zijn hart, dat met zijn zuigende roffels in zijn oor trommelde.
Hij stond op, liep naar zijn bureau en schudde een paar gummetjes uit een plastic bekertje. Hij nam het bekertje mee naar zijn bed en zette het met de opening tegen de muur en met de onderkant tegen zijn oor.
Hij hoorde alleen een ver gerammel, dat kon haast niet uit de kamer ernaast komen. Wat déden ze? Hij hield zijn adem in. Plotseling een harde knal.
Een pistoolschot!
Hij had een pistool gepakt ... Nee, het was de voordeur die met zo’n klap was dichtgeslagen dat de muren ervan trilden.
Hij sprong uit bed en ging bij het raam staan. Een paar seconden later kwam er een man naar buiten. Eli’s vader. Hij had een tas in zijn hand en liep met snelle, boze stappen door de poort en verdween.
Wat moet ik doen? Achter hem aan? Waarom?
Hij ging weer op bed liggen. Zijn fantasie speelde hem gewoon parten. Eli en haar vader hadden ruziegemaakt, dat deden Oskar en zijn moeder soms ook wel. Zijn moeder liep ook wel eens zo de deur uit, als het heel erg was geweest.
Maar niet midden in de nacht.
Zijn moeder dreigde soms dat ze bij Oskar weg zou gaan als ze hem vervelend vond. Oskar wist dat ze dat nooit zou doen en moeder wist dat Oskar dat wist. Eli’s vader had dat dreigspelletje misschien iets verder doorgevoerd. Hij ging er midden in de nacht vandoor, met tas en al.
Oskar lag in zijn bed met zijn handpalmen en zijn voorhoofd tegen de muur gedrukt.
Eli, Eli. Ben je daar? Heeft hij je pijn gedaan? Ben je verdrietig? Eli …
Er werd op Oskars deur geklopt en hij schrok. Een waanzinnig ogenblik dacht hij dat het de vader van Eli was, die hem ook onder handen kwam nemen.
Maar het was zijn moeder. Ze sloop Oskars kamer binnen.
“Oskar. Slaap je?”
“Mmm.”
“Het is toch ook wat … fijne buren hebben we gekregen. Hoorde je dat?”
“Nee.”
“Dat moet je toch gehoord hebben? Hij schreeuwde en smeet als een idioot de deur dicht. Mijn god. Soms ben ik blij dat ik geen man heb. Arme vrouw. Heb je haar gezien?”
“Nee.”
“Ik ook niet. Hem trouwens ook niet. De jaloezieën zijn de hele dag dicht. Vermoedelijk alcoholisten.”
“Mama.”
“Ja?”
“Ik wil nu slapen.”
“Ja, sorry jongen. Ik was alleen zo … Welterusten. Slaap lekker.”
“Mm.”
Zijn moeder ging de kamer uit en deed de deur voorzichtig achter zich dicht. Alcoholist? Ja, dat was wel waarschijnlijk.
Oskars vader had periodes dat hij dronk; daarom waren hij en zijn moeder niet meer bij elkaar. Zijn vader kon ook van die woede-uitbarstingen krijgen als hij dronken was. Hij sloeg weliswaar nooit, maar hij kon zo schreeuwen dat hij er hees van werd, met deuren slaan en dingen kapotgooien.
Iets in Oskar was blij met die gedachte. Dat was niet mooi van hem, maar goed. Als Eli’s vader alcoholist was dan hadden ze iets gemeenschappelijk, iets wat ze konden delen.
Oskar leunde weer met zijn voorhoofd en zijn handen tegen de muur.
Eli, Eli. Ik weet hoe het is. Ik zal je helpen. Ik zal je redden.
Eli …
De ogen waren wijd open, staarden blind naar het dak van het bruggewelf. Håkan veegde meer dorre bladeren opzij en zag de dunne roze trui die Eli altijd droeg op de borst van de man liggen. Håkan pakte hem op, wilde hem naar zijn neus brengen om eraan te ruiken, maar stopte toen hij voelde dat de trui kleverig was.
Hij liet de trui weer op de borst van de man vallen, haalde zijn zakflacon tevoorschijn en nam drie fikse slokken. De brandewijn schoot met zijn vurige tongen door zijn keel, likte zijn maag. De bladeren knisperden onder zijn achterste toen hij op de koude stenen ging zitten en naar de dode keek.
Er was iets mis met het hoofd.
Hij groef in zijn tas, vond de zaklamp. Hij controleerde of er niemand aankwam over de parkweg, deed de lamp aan en scheen ermee op de man. Het gezicht was bleek geelwit in het schijnsel van de zaklamp, zijn mond hing halfopen, alsof hij iets wilde zeggen.
Håkan slikte. De gedachte alleen al dat deze man dichter bij zijn geliefde had mogen komen dan hemzelf ooit was toegestaan, stond hem tegen. Zijn hand zocht de flacon weer, wilde de plotselinge benauwenis wegbranden, maar hield stil.
Zijn nek.
Rondom de hele nek van de man liep een brede, rode halsband. Håkan boog over hem heen en zag de wond die Eli had gemaakt om bij het bloed te kunnen komen …
Haar lippen tegen zijn huid.
… maar dat verklaarde de hals… band niet …
Håkan deed de zaklamp uit, haalde diep adem en leunde onwillekeurig achterover in de nauwe ruimte zodat het cement van de brug tegen de kalende plek op zijn hoofd schraapte. Hij verbeet de schrijnende pijn.
De huid in de nek van de man was gescheurd doordat … doordat het hoofd was omgedraaid. Een hele slag. De nek was ge-knakt.
Håkan deed zijn ogen dicht, ademde langzaam in en uit om rustig te worden en de impuls te onderdrukken om weg te rennen, weg van … hier. Het bruggewelf drukte tegen zijn hoofd, onder hem de stenen. Links en rechts een parkweg waar mensen langs konden komen, die de politie zouden bellen. En voor hem …
Het is maar een dood mens.
Ja, maar … het hoofd.
De wetenschap dat het hoofd loszat, beviel hem niet. Het zou achterover knikken, misschien losraken als hij het lichaam optilde. Hij kroop in elkaar en leunde met zijn voorhoofd op zijn knieën. Dit had zijn geliefde gedaan. Met blote handen.
Hij voelde de misselijkheid in zijn strottenhoofd kriebelen toen hij zich het geluid voorstelde. Het kraken van het hoofd toen het werd rondgedraaid. Hij wilde dat lichaam niet meer aanraken. Hij bleef hier zitten. Als Belacqua aan de voet van de Louteringsberg, wachtend op de dageraad, wachtend op …
Er kwamen een paar mensen aanlopen vanaf de metro. Hij ging tussen de bladeren liggen, vlak bij de dode, duwde zijn voorhoofd tegen de ijskoude steen.
Waarom? Waarom zo … met dat hoofd?
De infectie. Mocht het zenuwstelsel niet bereiken. Het lichaam moest afgesloten worden. Dat was alles wat hij te horen had gekregen. Hij had het niet begrepen. Nu begreep hij het.
De voetstappen gingen sneller en de stemmen werden zachter. Ze liepen de trap op. Håkan ging weer overeind zitten, keek naar de contouren van het dode, gapende gezicht. Zou dit lichaam dus weer zijn opgestaan, zou het de bladeren van zich afgeklopt hebben als het niet was … afgesloten?
Een schrille lach ontsnapte hem, fladderde als vogelgekwetter onder het bruggewelf. Hij sloeg zijn hand voor zijn mond, zo hard dat het pijn deed. Het beeld. Van het lijk dat opstond uit de berg bladeren en met slaperige gebaren dode bladeren van zijn jas veegde.
Wat moest hij met het lichaam doen?
Zo’n tachtig kilo aan spieren, vet en botten moest worden opgeruimd. Gehakt en vermalen. Begraven. Verbrand.
Het crematorium.
Natuurlijk. Daar moest hij het lichaam naartoe brengen, inbreken en het stiekem verbranden. Of het gewoon als een vondeling op de stoep leggen, hopen dat ze zoveel zin hadden om het te verbranden dat ze de politie niet zouden bellen.
Nee. Er was maar één mogelijkheid. Rechts liep de parkweg verder naar beneden, door het bos, naar het ziekenhuis. Naar het water.
Hij stopte de bloederige trui onder de jas van het lijk, hing zijn tas over zijn schouder en bracht zijn handen onder de knieën en de rug van het lijk. Hij kwam overeind, wankelde even, stond rechtop. Het hoofd van het lijk viel inderdaad in een onnatuurlijke hoek achterover en de kaken klapten dicht.
Hoe ver was het naar het water? Een meter of honderd. Als er iemand aan kwam? Dan was het niet anders. Dan was het afgelopen. In zekere zin zou dat mooi zijn.
Maar er kwam niemand aan en beneden bij het water kroop hij dampend van het zweet over de stam van een van de treurwilgen die over het water heen hingen, bijna parallel aan het wateroppervlak. Hij had twee grote stenen die op de kant lagen met stukken touw aan de voeten van het lijk vastgemaakt.
Met een langer stuk touw, dat hij met een lus om de borstkas van het lijk had vastgesjord, sleepte hij het lichaam zo ver hij kon het water in en toen trok hij het touw los.
Hij bleef even op de boomstam zitten. Zijn voeten bungelden vlak boven het water en hij keek in de zwarte spiegel onder zich, die rimpelde door steeds minder vaak verschijnende luchtbellen.
Hij had het gedaan.
Ondanks de kou liepen de zweetdruppels prikkend in zijn ogen en zijn hele lichaam deed pijn van de spierinspanning, maar hij had het gedaan. Pal onder zijn voeten lag het dode lichaam, voor de wereld verborgen. Het bestond niet. Er stegen geen luchtbellen meer op en er was niets … níéts wat erop wees dat het lijk daarbeneden lag.
In het wateroppervlak weerspiegelden een paar sterren.