donderdag 29 oktober

 

 

 

Håkan zat op de grond in de smalle gang naar het gespetter in de badkamer te luisteren. Hij had zijn knieën opgetrokken, zodat zijn hielen tegen zijn billen kwamen, zijn kin rustte op zijn knieën. De jaloezie was een dikke, krijtwitte slang in zijn borst. Die kronkelde langzaam, zuiver als onschuld en kinderlijk duidelijk.

   Hij kon gemist worden. Ze kon hem … missen.

   Gisteravond had hij in zijn bed gelegen met het raam op een kier. Hij had Eli en Oskar afscheid horen nemen. Hun heldere stemmen, hun lach. Een … lichtheid die hij niet kon opbrengen. Hij was iemand van loodzware ernst, eisen, begeerte.

   Hij had gedacht dat zijn geliefde net zo was. Hij had in Eli’s ogen gekeken en de wijsheid en onverschilligheid van een oeroud mens gezien. Eerst was hij er bang van geworden; de ogen van Samuel Beckett in het gezicht van Audrey Hepburn. Daarna had het hem een veilig gevoel gegeven.

   Beter kon je het niet hebben. Het jonge, mooie lichaam dat zijn leven schoonheid gaf, terwijl de verantwoordelijkheid hem werd ontnomen. Hij was niet degene die de dienst uitmaakte. En hij hoefde zich niet schuldig te voelen over zijn begeerte; zijn geliefde was ouder dan hij. Geen kind. Dacht hij.

   Maar sinds dit met Oskar was begonnen, gebeurde er iets. Een … regressie. Eli gedroeg zich steeds meer als het kind dat haar uiterlijk toonde; ze was gaan slungelen met haar lichaam, gebruikte kinderlijke uitdrukkingen en woorden. Wilde spélen. De sleutel verstoppen. Laatst hadden ze sleutel verstoppen gespeeld. Eli was boos geworden toen Håkan niet enthousiast genoeg meedeed aan het spel, had toen geprobeerd hem te kietelen om hem aan het lachen te maken. Hij had genoten van de aanraking.

   Het was aantrekkelijk, natuurlijk. Die blijheid, dat … léven. Tegelijkertijd beangstigend, aangezien het zo ver van hem af stond. Hij was zo geil en bang als hij sinds hun eerste ontmoeting niet meer was geweest.

   Gisteravond had zijn geliefde zich in zijn kamer opgesloten, om een halfuur op bed te liggen en tegen de muur te tikken. Toen Håkan weer toegang tot zijn kamer kreeg, zag hij dat er een blaadje met tekens met plakband boven zijn bed was gehangen. De morsecode.

   Toen hij in bed lag en wilde gaan slapen had hij de aanvechting gehad om zelf een boodschap aan Oskar te tikken. Iets over wat Eli eigenlijk wás. Maar in plaats daarvan had hij de code overgeschreven op een briefje, zodat hij in het vervolg zou kunnen interpreteren wat ze tegen elkaar zeiden.

   Håkan boog zijn hoofd, leunde met zijn voorhoofd op zijn knieën. Het gespetter in de badkamer was opgehouden. Het kon zo niet doorgaan. Hij ontplofte bijna. Van begeerte, van jaloezie.

   Het slot van de badkamerdeur werd omgedraaid en de deur ging open. Eli stond voor hem, poedelnaakt. Schoon.

   “Zit jij hier?”

   “Ja. Je bent mooi.”

   “Dank je.”

   “Kun je je even omdraaien?”

   “Waarom?”

   “Omdat ik dat … wil.”

   “Maar ik niet. Kun je een eindje opschuiven.”

   “Misschien zeg ik iets … als je het doet.”

   Eli keek Håkan vragend aan. Draaide zich toen een halve slag om en bleef met de rug naar hem toe staan.

   Speeksel stroomde toe in Håkans mond, hij slikte. Keek. Een lichamelijk gevoel dat zijn ogen ópaten wat ze voor zich zagen. Het mooiste wat er was. Op een armlengte afstand. Oneindig ver weg.

   “Heb je … honger?”

   Eli keerde zich weer om.

   “Ja.”

   “Ik zal het doen. Maar ik wil er iets voor terug.”

   “Zeg het maar.”

   “Een nacht. Ik wil een nacht.”

   “Ja.”

   “Mag dat?”

   “Ja.”

   “Bij jou liggen? Jou aanraken?”

   “Ja.”

   “Mag ik …?”

   “Nee. Meer niet. Maar dat. Ja.”

   “Dan doe ik het. Vanavond.”

   Eli ging op haar hurken bij hem zitten. Håkans handpalmen brandden. Hij wilde strelen. Mocht niet. Vanavond. Eli richtte haar blik op het plafond, zei: “Dank je wel. Maar stel je voor dat … die foto in de krant … er zijn mensen die weten dat je hier woont.”

   “Daar heb ik over nagedacht.”

   “Als iemand hier overdag komt … als ik rust …”

   “Daar heb ik over nagedacht, zeg ik.”

   “Hoe dan?”

   Håkan pakte Eli bij de hand, stond op en liep de keuken in, deed de voorraadkast open, haalde er een jampot uit met een glazen schroefdeksel. De pot zat halfvol met een doorzichtige vloeistof. Hij legde uit hoe hij het zich had voorgesteld. Eli schudde heftig haar hoofd.

   “Dat kun je niet doen.”

   “Jawel. Begrijp je nu hoeveel ik … om je geef?”

 

Toen Håkan zich klaarmaakte om te gaan, stopte hij de jampot in de tas bij de overige uitrusting. Eli had zich intussen aangekleed en stond in de hal te wachten toen Håkan naar buiten kwam, boog naar voren en drukte een lichte kus op zijn wang. Håkan knipperde met zijn ogen, keek lang naar Eli’s gezicht.

   Ik ben verloren.

   Toen ging hij aan de slag.

 

Morgan lepelde zijn ‘Vier kleine gerechtjes’ een voor een naar binnen, maar nam nauwelijks notitie van de rijst, die er in een aparte schaal naast stond. Lacke boog naar voren en vroeg zachtjes: “Zeg, mag ik de rijst nemen?”

   “Tuurlijk man. Moet je er saus bij?”

   “Nee. Ik neem alleen wat ketjap.”

   Larry keek over de rand van zijn Expressen, trok een gezicht toen Lacke de schaal met rijst pakte en er ketjap overheen goot met een kluk-kluk-klukgeluid en begon te eten alsof hij nog nooit eerder voedsel had gezien. Larry maakte een gebaar naar de hoop gefrituurde garnalen op Morgans bord.

   “Daar mag je wel wat van uitdelen.”

   “O, ja. Sorry. Wil je een garnaal?”

   “Nee, daar kan mijn maag niet tegen. Maar Lacke misschien.”

   “Wil jij een garnaal, Lacke?”

   Lacke knikte en hield de rijstschaal bij. Morgan legde er met een groots gebaar twee gefrituurde garnalen in. Hij trakteerde. Lacke bedankte en viel op de garnalen aan.

   Morgan kreunde en schudde zijn hoofd. Lacke was zichzelf niet sinds Jocke was verdwenen. Eerder was het ook geen vetpot, maar nu dronk hij meer en bleef er geen cent over voor eten. Het was een vreemde zaak, dat met Jocke, maar niets om zo door van de kook te zijn. Jocke was nu vier dagen weg, maar wat wist je ervan? Hij kon best een vrouwtje hebben ontmoet en naar Tahiti zijn gegaan, wat dan ook. Hij zou wel weer boven water komen.

   Larry legde de krant opzij, schoof zijn bril op zijn voorhoofd, wreef in zijn ogen en zei: “Weten jullie waar hier schuilkelders zijn?”

   Morgan grijnsde. “Wat? Wou je een winterslaap houden of zo?”

   “Nee, maar die onderzeeboot. Als het puur theoretisch tot een grootschalige invasie zou komen …”

   “Dan kom je maar bij ons. Ik ben er wezen kijken toen er zo’n vent van defensie was, een paar jaar geleden, die kwam inventariseren. Gasmaskers, conserven, pingpongtafel, de hele reutemeteut. Staat daar gewoon.”

   “Pingpongtafel?”

   “Tuurlijk. Als de Russen aan land komen, zeggen we gewoon: ‘Halt. Kalm aan, jongens, leg jullie kalashnikovs maar neer, dit beslissen we met een tafeltenniswedstrijd.’ Dan mogen de generaals effectballen naar elkaar slaan.”

   “Spelen Russen wel tafeltennis?”

   “Nee. Dus dat winnen we zo. Misschien kunnen we het hele Baltische gebied terugkrijgen.”

   Lacke veegde zijn mond overdreven precies af met een servet en zei: “Toch is het raar.”

   Morgan stak een John Silver op. “Wat?”

   “Dat met Jocke. Hij zei het anders altijd als hij ergens heen ging. Jullie weten wel. Als hij naar zijn broer op Väddö ging was dat heel wat. Daar had hij het een week van tevoren al over. Wat hij mee zou nemen, wat ze gingen doen.”

   Larry legde een hand op Lackes schouder.

   “Je praat over hem in de verleden tijd.”

   “Wat? Ja. Maar ik denk dus echt dat hem iets is overkomen. Dat denk ik.”

   Morgan nam een flinke slok bier, boerde.

   “Jij denkt dat hij dood is.”

   Lacke haalde zijn schouders op, keek hulpzoekend naar Larry, die het patroon van de servetten zat te bestuderen. Morgan schudde zijn hoofd.

   “No way. Dan zouden we het weten. Dat zei die smeris toch toen ze daar de deur openmaakten, dat ze jou zouden bellen als er iets opdook. Niet dat ik de kit vertrouw, maar toch … je had iets moeten horen.”

   “Hij had anders wel gebeld.”

   “God nog aan toe, zijn jullie getrouwd of zo? Maak je geen zorgen. Hij duikt binnenkort wel weer op. Met rozen en bonbons en dan belooft hij dat hij het nóóóóit meer zal doen.”

   Lacke knikte moedeloos, nipte van het bier dat hij van Larry had gekregen tegen de belofte dat hij een biertje voor hem zou kopen als er betere tijden aanbraken. Twee dagen nog, maximaal. Dan zou hij zelf gaan zoeken. Ziekenhuizen en mortuaria bellen en wat je allemaal nog meer zou kunnen doen. Je liet je beste vriend niet in de steek. Of hij ziek was of dood, of wat dan ook. Je liet hem niet in de steek.

 

Het was halfacht en Håkan begon ongerust te worden. Hij had doelloos om de Nya Elementar Scholengemeenschap en de Vällingbyhal heen geslenterd, waar de jeugd zich roerde. Er waren sporttrainingen bezig en het zwembad was vanavond ook open, dus er was geen gebrek aan mogelijke slachtoffers. Het probleem was dat ze meestal in groepjes waren. Hij had een gesprek van drie meisjes opgevangen, waarin een van hen vertelde dat haar moeder “nog steeds in de stress schoot vanwege die moordenaar.”

   Hij had natuurlijk verder weg kunnen gaan, naar een omgeving waar zijn vorige daad niet zo bekend was, maar dan bestond het risico dat het bloed in kwaliteit achteruitging op weg naar huis. Als hij het nu toch ging doen, wilde hij zijn geliefde het beste geven. En hoe verser, hoe dichter bij de bron, hoe beter. Dat was hem verteld.

   Gisteren had de kou toegeslagen en het was onder nul. Daardoor baarde het niet al te veel opzien dat hij een skimuts droeg die zijn gezicht verborg, met gaten voor de ogen en de mond.

   Maar hij kon hier niet al te lang rondsluipen. Uiteindelijk zou iemand achterdochtig worden.

   Als hij niemand te pakken kon krijgen? Als hij thuiskwam zonder? Dan zou zijn geliefde niet doodgaan, dat wist hij zeker. Een verschil met de eerste keer. Maar nu was er een andere, een fantastische inzet. Een hele nacht. Een hele nacht met het lichaam van zijn geliefde naast zich. De tere, zachte ledematen, de platte buik om zachtjes met zijn hand over te strelen. Een brandende kaars in de slaapkamer, waarvan het schijnsel over zijdezachte huid flakkerde, één nacht de zijne.

   Hij wreef over zijn geslacht dat bonsde en schreeuwde van verlangen.

   Ik moet rustig worden, ik moet …

   Hij wist wat hij moest doen. Het was waanzin, maar hij zou het doen.

   Het Vällingbybad in gaan en daar zijn slachtoffer zoeken. Het was er waarschijnlijk niet druk rond deze tijd en nu hij zijn besluit had genomen, wist hij precies hoe hij het zou doen. Gevaarlijk, zeker. Maar heel goed uitvoerbaar.

   Als het fout liep zou hij van de laatste uitweg gebruikmaken. Maar het zou niet fout lopen. Hij zag het in detail voor zich, nu hij zijn pas versnelde en naar de ingang liep. Hij leek wel dronken. De stof van het skimasker voor zijn neus werd vochtig van de condens toen hij heftig in- en uitademde.

   Hij zou vannacht iets te vertellen hebben aan zijn geliefde, terwijl hij haar stevige, bolle kontje streelde met zijn trillende hand en alles voor eeuwig in zijn geheugen opsloeg.

   Hij liep de entree binnen en rook de welbekende, milde chloorlucht. Alle uren die hij in zwembaden had doorgebracht. Met de anderen, of alleen. De jonge lichamen die glommen van zweet of water op een armlengte afstand, maar buiten bereik. Alleen beelden om te koesteren en tevoorschijn te halen als hij in bed lag met het toiletpapier in zijn ene hand. Door de chloorlucht voelde hij zich veilig, voelde hij zich thuis. Hij liep naar de kassa.

   “Eén kaartje graag.”

   De juffrouw achter de kassa keek op van een tijdschrift. Haar ogen werden ietsje groter. Hij maakte een gebaar naar zijn gezicht, naar de muts.

   “Koud.”

   Ze knikte onzeker. Moest hij zijn muts afdoen? Nee. Hij wist wat hij ging doen om ervoor te zorgen dat ze niet achterdochtig werd.

   “Een kluisje?”

   “Een hokje graag.”

   Ze reikte hem een sleutel aan en hij betaalde. Terwijl hij zich van de kassa wegdraaide, trok hij de muts van zijn hoofd. Nu had ze gezien dat hij hem afdeed, maar zijn gezicht had ze niet gezien. Hij was geniaal. Met snelle stappen liep hij naar de kleedkamers, hij keek naar de grond voor het geval hij iemand tegen zou komen.

 

“Welkom. Treed binnen in mijn nederige woning.”

   Tommy liep langs Staffan heen de hal in; achter hem was een klikkend geluid te horen toen zijn moeder en Staffan elkaar zoenden. Staffan zei zacht: “Heb je …?”

   “Nee. Ik dacht …”

   “Mm. We moeten …”

   Weer dat klikken. Tommy keek om zich heen. Hij was nog nooit eerder bij een smeris in huis geweest, was ongewild wat nieuwsgierig. Naar hoe het er bij zo iemand uitzag.

   Maar al in de hal begreep hij dat Staffan nauwelijks representatief kon zijn voor het korps als geheel. Hij had zich iets voorgesteld … ja, zoals in detectives. Wat armoedig en kaal. Een plek waar je naartoe ging om te slapen als je niet op boeven joeg.

   Zulke boeven als ik dus.

   Nee. Staffans appartement was gevuld met … tierelantijntjes. De hal zag eruit alsof hij was ingericht door iemand die álles kocht uit van die gratis reclamekrantjes.

   Hier hing een fluwelen schilderijtje met een zonsondergang, daar stond een alpenhutje met een vrouwtje op een stokje dat uit een deur stak. Er lag een gekantklost kleedje op het telefoontafeltje; naast de telefoon stond een gipsen beeldje van een hond en een kind. Op de sokkel las hij de tekst: kun je niet praten?

   Staffan tilde het beeldje op.

   “Lollig ding, hè? Als er ander weer komt, verandert het van kleur.”

   Tommy knikte. Of Staffan had dit appartement van zijn oude moeder geleend, uitsluitend voor dit bezoek, of hij had echt een gaatje in zijn hoofd. Staffan zette het beeldje behoedzaam weer neer.

   “Ik spaar zulke dingen, weet je. Dingen die aangeven wat voor weer het wordt. Dit bijvoorbeeld.”

   Hij gaf het vrouwtje dat uit het alpenhutje kwam een duwtje met zijn vinger, ze zwaaide het huisje in en er kwam een mannetje naar buiten.

   “Als het vrouwtje buiten is wordt het slecht weer, en als het mannetje buiten is …”

   “Wordt het nog slechter.”

   Daar moest Staffan om lachen, wat onecht klonk in Tommy’s oren.

   “Hij doet het niet zo goed.”

   Tommy wierp een blik op zijn moeder en hij schrok bijna van wat hij zag. Ze stond met de jas aan, de handen stijf in elkaar en een glimlach waar een paard schichtig van zou kunnen worden. Panische angst. Tommy besloot zijn best te doen.

   “Een soort barometer, dus?”

   “Ja, precies. Daar ben ik mee begonnen. Barometers. Sparen dus.”

   Tommy wees naar een klein houten kruis met een zilveren Jezus die aan de wand hing.

   “Is dat ook een barometer?”

   Staffan keek naar Tommy, naar het kruis, weer naar Tommy. Werd plotseling ernstig.

   “Nee. Dat is Christus.”

   “Die uit de Bijbel.”

   “Ja, precies.”

   “O ja.”

   Tommy stopte zijn handen in zijn zakken en ging de woonkamer binnen. Ja hoor, daar had je de barometers. Er hingen er een stuk of twintig in verschillende uitvoeringen aan de lange wand, achter een grijze leren bank met een glazen tafel ervoor.

   Ze waren het niet bepaald eens. De wijzers wezen allemaal een andere kant op; het leek nog het meest op een muur met klokken die de tijd in verschillende delen van de wereld aangaven. Hij tikte tegen het glas van een ervan en de wijzer versprong een stukje. Hij wist niet wat het betekende, maar mensen tikten om de een of andere reden altijd op barometers.

   In een hoekkast met glazen deurtjes stonden een heleboel bekers. Vier grotere stonden op een rijtje op een piano naast de kast. Aan de muur boven de piano hing een groot schilderij van de maagd Maria met het kindje Jezus in de armen. Ze gaf hem de borst met die afwezige uitdrukking in haar ogen die leek te zeggen: waar heb ik dit aan verdiend?

   Staffan kuchte toen hij de kamer in kwam.

   “Zo, Tommy. Is er iets waar je meer over wilt weten?”

   Tommy was niet zo dom dat hij niet begreep wat hij geacht werd te vragen.

   “Wat zijn dat voor bokalen?”

   Staffan zwaaide met zijn hand naar de bekers op de piano.

   “Deze?”

   Nee, sul. De bekers in het clubhuis bij het voetbalveld natuurlijk.

   “Ja.”

   Staffan wees naar een circa twintig centimeter hoog zilveren figuurtje op een stenen voet die tussen de bokalen op de piano stond. Tommy had gedacht dat het een beeldje was, maar dat was dus ook een prijs. Het figuurtje stond wijdbeens met zijn armen recht, hield een pistool vast, richtte.

   “Pistoolschieten. Die is voor de eerste plaats in het districtskampioenschap, die voor de derde plaats in het Zweeds kampioenschap kaliber .45, staand … enzovoort.”

   Tommy’s moeder kwam binnen en ging naast Tommy staan.

   “Staffan is een van de beste pistoolschutters van Zweden.”

   “Heb je daar wat aan?”

   “Hoezo?”

   “Dat je op mensen mag schieten, dus.”

   Staffan ging met zijn vinger over de sokkel van een van de bokalen en keek naar zijn vinger.

   “Het hele idee van politiewerk is dat je niet op mensen hoeft te schieten.”

   “Heb je het wel eens gedaan?”

   “Nee.”

   “Maar je zou het wel willen, hè?”

   Staffan haalde demonstratief diep adem, liet de lucht in een lange zucht naar buiten komen.

   “Ik ga … bij het eten kijken.”

   De benzine. Kijken of die brandt.

   Hij ging naar de keuken. Tommy’s moeder greep hem bij zijn elleboog en fluisterde: “Waarom zeg je dat?”

   “Ik vraag het me gewoon af.”

   “Hij is een goed mens, Tommy.”

   “Ja. Dat moet ook wel. Met die prijzen voor pistoolschieten én de maagd Maria. Kan het beter?”

 

Håkan kwam niemand tegen op weg door het zwembad. Zoals hij had geraden was het niet druk rond deze tijd. In de kleedkamer stonden twee mannen van zijn eigen leeftijd zich aan te kleden. Te dikke, vormeloze lichamen. Verschrompelde geslachten onder hangbuiken. De lelijkheid zelve.

   Hij vond zijn kleedhokje, ging naar binnen en deed de deur op slot. Zo. Klaar met de voorbereidingen. Hij zette de muts weer op, voor alle zekerheid. Maakte de Halotanfles los, hing zijn jas aan een haak. Opende zijn tas en haalde het gereedschap tevoorschijn. Mes, touw, trechter, jerrycan. Hij was de regenjas vergeten. Verdorie. Dan moest hij zich uitkleden. Het gevaar om ondergespetterd te worden was groot, maar dan kon hij de vlekken ónder zijn kleren verstoppen, als hij klaar was. Ja. En dit was wel een zwembad. Er was niks raars aan om hier geen kleren aan te hebben.

   Hij testte de draagkracht van de andere haak door hem met beide handen vast te pakken en zijn voeten van de vloer te tillen. De haak hield het. Hij zou makkelijk een lichaam kunnen dragen dat vermoedelijk dertig kilo lichter was dan het zijne. De hoogte was wel een probleem. Het hoofd zou niet boven de vloer hangen. Hij zou moeten proberen de knieën bij elkaar te binden, er was wel zoveel ruimte tussen de haak en de bovenkant van het hokje dat de voeten er niet bovenuit zouden steken. Dát zou pas achterdocht wekken.

   De twee mannen leken aanstalten te maken om weg te gaan. Hij hoorde hun stemmen.

   “En met het werk?”

   “Nog hetzelfde. Geen vacatures voor mijnwerkers.”

   “Finn doet het anders goed met de olie.”

   “Ja, daar kunnen de Noren er wel eentje op nemen.”

   “Zijn ze dan helemaal in de olie.”

   Hij giechelde; iets in zijn hoofd raakte overstuur. Hij was te opgewonden, haalde te heftig adem. Zijn lichaam bestond uit vlinders die alle kanten op wilden fladderen.

   Rustig. Rustig. Rustig.

   Hij haalde diep adem totdat hij duizelig werd en kleedde zich vervolgens uit. Hij vouwde zijn kleren op en stopte ze in de tas. De twee mannen liepen de kleedkamer uit. Het werd stil. Hij ging op het bankje staan en keek of hij naar buiten kon kijken. Jawel, hij kwam met zijn ogen precies boven de rand. Drie jongens van een jaar of dertien, veertien kwamen binnen. De een sloeg de ander tegen zijn achterste met een opgerolde handdoek.

   “Hou op, verdorie!”

   Hij boog zijn nek. Verder naar beneden voelde hij dat zijn erectie in de hoek werd geduwd als tussen twee harde, wijdopen billen.

   Rustig. Rustig.

   Hij keek weer over het randje. Twee van de jongens hadden hun zwembroek uitgetrokken en stonden voorovergebogen om hun kleren uit hun kastje te halen. Zijn middenrif werd samengeknepen in één krachtige kramp, het sperma spoot de hoek in en liep op het bankje waarop hij stond.

   Nu. Rustig.

   Ja. Nu voelde het beter. Maar dat sperma was niet zo mooi. Sporen.

   Hij haalde zijn sokken uit de tas en veegde de hoek en het bankje zo goed mogelijk schoon. Hij stopte de sokken weer in de tas en zette zijn muts op terwijl hij naar het gesprek van de jongens luisterde.

   “… nieuwe Atari. Enduro. Ga je mee om hem uit te proberen?”

   “Nee, ik moet nog wat doen …”

   “Jij dan?”

   “Oké. Heb je twee joysticks?”

   “Nee, maar …”

   “Zullen we die van mij dan eerst ophalen? Dan kunnen we tegelijk spelen.”

   “Oké. Tot ziens, Matte.”

   “Tot kijk.”

   Twee van de jongens gingen blijkbaar weg. De situatie was perfect. Er bleef er één over, en de anderen wachtten niet op hem. Hij durfde het aan nog eens over de rand te kijken. Twee van de jongens waren klaar, wilden net weggaan. De laatste was bezig zijn sokken aan te trekken. Hij dook weg, realiseerde zich dat hij de muts op had. Een geluk dat ze hem niet hadden gezien.

   Hij pakte de Halotanfles, hield hem vast met zijn vingers op de spuitknop. Zou hij zijn muts op houden? Als de jongen ontsnapte. Als er iemand de kleedkamer binnenkwam. Als …

   Verdomme. Dat hij zich had uitgekleed was een vergissing geweest. Als hij snel moest vluchten. Er was geen tijd om te denken. Hij hoorde dat de jongen zijn kastje dichtdeed en naar de uitgang begon te lopen. Over vijf seconden zou hij langs de deur van zijn hokje komen. Te laat voor overwegingen.

   In de kier tussen de binnenkant van de deur en de wand zag hij een schaduw passeren. Hij blokkeerde alle gedachten, haalde het slot van de deur, gooide de deur open en sprong naar buiten.

   Mattias draaide zich om en zag een groot naakt wit lichaam met een skimasker over zijn hoofd op hem af komen. Eén gedachte, één enkel woord kwam door zijn bewustzijn vliegen voordat zijn lichaam zich instinctief achteroverwierp: de Dood.

   Hij deinsde terug voor de Dood die hem wilde pakken. In één hand hield de Dood iets zwarts. Dat zwarte vloog in zijn gezicht en hij zoog lucht in zijn longen om te schreeuwen.

   Maar voordat de schreeuw eruit kon komen was het zwarte over hem, bedekte zijn mond, zijn neus. Een hand pakte hem om zijn achterhoofd, duwde zijn gezicht in het zwarte, zachte. Van de schreeuw bleef alleen een gesmoord gejammer over en terwijl hij zijn verminkte schreeuw eruit gooide, hoorde hij een gesis als van een rookmachine.

   Hij probeerde weer te schreeuwen, maar toen hij lucht binnenhaalde, gebeurde er iets met zijn lichaam. Een verdoving verspreidde zich door al zijn ledematen en de volgende schreeuw was alleen nog maar gepiep. Hij ademde in en zakte door zijn benen. Veelkleurige sluiers fladderden voor zijn ogen.

   Hij wilde niet meer schreeuwen. Had de kracht niet. De sluiers bedekten nu zijn hele gezichtsveld. Hij had geen lichaam meer. De kleuren dansten.

   Hij viel achterover de regenboog in.

 

Oskar hield het blaadje met de morsecode in zijn ene hand en klopte met de andere de letters op de muur. Een tik met zijn knokkels voor een punt, een klap met zijn handpalm voor een streep, zo hadden ze het afgesproken.

   Knokkels. Pauze. Knokkels, handpalm, knokkels, knokkels. Pauze. Knokkels, knokkels. (E.L.I.)

   I.K.G.A.N.A.A.R.B.U.I.T.E.N.

   Een paar seconden later kwam het antwoord.

   I.K.K.O.M.

 

Ze ontmoetten elkaar voor haar portiek. In één dag was ze … veranderd. Een maand geleden was er een joodse mevrouw bij hen op school geweest, die had verteld over de Holocaust, ze had dia’s laten zien. Eli leek nu een beetje op de mensen op die dia’s.

   De scherpe verlichting in het portiek markeerde schaduwen in haar gezicht, alsof de beenderen bijna door haar huid staken, alsof haar huid dunner was geworden. En …

   “Wat heb je met je haar gedaan?”

   Hij dacht eerst dat het door het licht kwam dat het er zo uitzag, maar toen hij dichterbij kwam, zag hij dat er dikke witte strengen in haar haar zaten. Net als bij oude mensen. Eli streek over haar haar, glimlachte naar hem.

   “Dat gaat wel weer weg. Wat zullen we doen?”

   Oskar rammelde met een paar muntjes in zijn zak.

   “Iets te smikkelen halen?”

   “Wat?”

   “Bij de kiosk?”

   “Mm. Wie er het laatst is, is een slome duikelaar.”

   Er flitste een beeld door Oskars hoofd.

   Zwart-witte kinderen.

   Toen spurtte Eli weg en Oskar ging erachteraan. Hoe ziek ze er ook uitzag, ze was toch veel sneller dan hij; ze vloog soepel over de stenen van het pad en was in een paar stappen de straat over. Oskar rende zo hard mogelijk door, afgeleid door dat beeld.

   Zwart-witte kinderen?

   Ja, precies. Hij holde de heuvel af langs de Spekjesfabriek en toen wist hij het. Van die oude films die op zondag werden vertoond. Kalle van vrouw Andersson en dat soort films. “Wie er het laatst is, is een slome duikelaar.” Dat soort dingen zeiden ze in die films.

   Eli wachtte onder aan de weg op hem, twintig meter van de kiosk. Oskar jogde naar haar toe, probeerde niet te hijgen. Hij was nooit eerder met Eli bij de kiosk geweest. Zou hij het vertellen? Ja.

   “Weet je dat ze dit ‘de kiosk van de minnaar’ noemen?”

   “Waarom?”

   “Omdat … ja, ik heb gehoord, op een ouderavond … was er iemand die vertelde … niet aan mij, dus, maar … ik hoorde dat. Die zei dat de man van de kiosk, dat die …”

   Nu had hij spijt. Het was stom. Gênant. Eli zwaaide met haar handen.

   “Wat?”

   “Uh, dat de eigenaar … dámes in de kiosk heeft. Als de kiosk dicht is, dus … snap je?”

   “Is dat wáár?” Eli keek naar de kiosk. “Is daar ruimte voor?”

   “Vies, hè?”

   “Ja.”

   Oskar liep naar de kiosk toe. Eli deed een paar snelle stappen zodat ze naast hem kwam te staan en fluisterde: “Ze zijn vast heel dun!”

   Ze giechelden allebei. Ze kwamen in het licht van de kiosk. Eli draaide demonstratief haar ogen omhoog naar de eigenaar van de kiosk, die in het hokje stond en naar een teeveetje keek.

   “Is dat hem?” Oskar knikte. “Hij lijkt wel een ááp.”

   Oskar hield zijn hand bij Eli’s oor, fluisterde: “Hij is vijf jaar geleden uit de dierentuin ontsnapt. Ze zijn nog steeds naar hem op zoek.”

   Eli giechelde en hield haar hand bij Oskars oor. Haar warme adem stroomde zijn hoofd binnen.

   “Helemaal niet. Ze hebben hem híér opgesloten.”

   Ze keken allebei naar de kioskeigenaar en schaterden het uit; het idee alleen al: de barse kioskeigenaar een aap in zijn kooi, omgeven door snoep. Bij het geluid van hun gelach draaide de man zich om en fronste zijn enorme wenkbrauwen, zodat hij nog meer op een gorilla leek. Oskar en Eli vielen bijna om van het lachen en ze duwden hun hand tegen hun mond en probeerden serieus te worden.

   De eigenaar leunde naar de opening.

   “Willen jullie iets kopen?”

   Eli was al gauw weer ernstig, ze haalde haar hand van haar mond, ging naar het luikje en zei: “Een banaan, graag.”

   Oskar proestte en duwde zijn hand nog harder tegen zijn mond. Eli draaide zich om en hield haar vinger tegen haar lippen en zei met gespeelde strengheid “sstt”. De kioskeigenaar stond er nog.

   “Ik heb geen bananen.”

   Eli deed net of ze er niets van begreep.

   “Geen banááánen?”

   “Nee. Anders nog iets?”

   Oskar had kramp in zijn kaken van onderdrukt lachen. Hij liep waggelend bij de kiosk weg, holde een paar stappen naar de brievenbus, leunde er proestend tegenaan en schudde van het lachen. Eli kwam bij hem staan, schudde haar hoofd.

   “Geen bananen.”

   Oskar hijgde: “Heeft ie ze zeker … allemaal … zelf opgegeten.”

   Oskar vermande zich, kneep zijn lippen op elkaar, haalde zijn vier kronen tevoorschijn en liep naar het luikje.

   “Van alles wat.”

   De man keek hem boos aan, begon met een tang snoepjes uit de plastic bakken in de etalage te pakken en liet ze in een papieren zak vallen. Oskar gluurde opzij om te zien of Eli het hoorde en zei: “Vergeet de bananen niet.”

   De eigenaar hield op met scheppen.

   “Ik héb geen bananen.”

   Oskar wees naar een van de bakken.

   “Bananenschuimpjes, bedoel ik.”

   Hij hoorde Eli giechelen en deed hetzelfde wat zij had gedaan; hij hield zijn vinger voor zijn mond en zei “sstt”. De eigenaar snoof, deed een paar bananenschuimpjes in de zak en gaf die aan Oskar.

   Ze liepen terug naar de binnenplaats. Voordat Oskar er zelf een nam, hield hij Eli het zakje voor. Ze schudde haar hoofd.

   “Nee, dank je.”

   “Snoep je niet?”

   “Ik kan er niet tegen.”

   “Tegen geen enkele soort snoep?”

   “Nee.”

   “Goh, wat vervelend.”

   “Ja. Nee. Ik weet toch niet hoe het smaakt.”

   “Heb je het nog nooit gepróéfd?”

   “Nee.”

   “Hoe weet je dan dat …”

   “Dat weet ik gewoon.”

   Zo ging het soms. Ze praatten ergens over, Oskar vroeg iets en het eindigde met een “dat is gewoon zo”, “dat weet ik gewoon”. Geen verdere verklaring. Dat was een van die dingen die wat raar waren aan Eli.

   Jammer dat hij niet had kunnen trakteren. Dat was zijn plan geweest. Heel veel trakteren. Zoveel ze wilde. En dan snoepte ze niet! Hij stopte een bananenschuimpje in zijn mond en gluurde naar haar.

   Ze zag er echt niet gezond uit. En die witte strengen in haar haar … In een verhaal dat Oskar een keer had gelezen, had een man spierwit haar gekregen nadat hij ergens heel erg van was geschrokken. Maar dat was bij Eli toch niet zo?

   Ze keek opzij, had haar armen om haar lichaam heen geslagen en zag er heel kléín uit. Oskar kreeg zin een arm om haar heen te slaan, maar durfde het niet goed.

   In de poort naar de binnenplaats bleef Eli staan en keek omhoog naar haar raam. Er brandde geen licht. Ze stond stil, met haar armen om haar lichaam heen, en keek naar de grond.

   “Zeg, Oskar …”

   Hij deed het. Haar hele lichaam vroeg erom en hij haalde ergens de moed vandaan om het te doen. Hij omhelsde haar. Een vreselijk ogenblik lang dacht hij dat hij iets fout had gedaan, haar lichaam was stijf, op slot. Hij wilde haar net loslaten toen ze ontspande in zijn armen. De knoop raakte los en ze stak haar armen uit, hield ze om zijn rug en drukte zich bevend tegen hem aan.

   Ze boog haar hoofd naar zijn schouder en zo bleven ze staan. Haar adem tegen zijn hals. Ze hielden elkaar zwijgend vast. Oskar deed zijn ogen dicht en wist: dit was het grootste. Het licht van een lamp in de poort drong zwak door zijn gesloten oogleden, legde een rood waas over zijn ogen. Het grootste.

   Eli bracht haar hoofd dichter naar zijn hals. De warmte van haar adem werd sterker. Spieren in haar lichaam die ontspannen waren geweest, werden weer aangespannen. Haar lippen raakten zachtjes zijn hals en er ging een huivering door zijn lichaam.

   Plotseling ging er een schok door haar heen en ze verbrak de omhelzing, deed een stap naar achteren. Oskar liet zijn armen vallen. Eli schudde haar hoofd als om zich te bevrijden uit een boze droom, draaide zich om en liep naar haar portiek. Oskar bleef staan. Toen ze de deur opendeed, riep hij haar achterna.

   “Eli?” Ze draaide zich om. “Waar is je vader?”

   “Hij is ... eten aan het halen.”

   Ze krijgt geen eten. Dat is het.

   “Je kunt bij ons wel wat krijgen.”

   Eli liet de deur los, kwam naar hem toe. Oskar begon snel plannen te maken wat hij met zijn moeder aan moest. Hij wilde niet dat zijn moeder Eli ontmoette. Of andersom. Hij kon een paar boterhammen klaarmaken en mee naar buiten nemen, misschien. Ja, dat zou het beste zijn.

   Eli ging voor hem staan, keek hem ernstig in de ogen.

   “Oskar. Vind je mij aardig?”

   “Ja. Heel aardig.”

   “Als ik geen meisje was … zou je me dan nog steeds aardig vinden?”

   “Hoezo?”

   “Gewoon. Zou je me ook aardig vinden als ik geen meisje was?”

   “Ja … dat denk ik wel.”

   “Weet je het zeker?”

   “Ja. Waarom vraag je dat?”

   Iemand trok aan een raam dat klemde, toen ging het open. Achter Eli’s hoofd kon Oskar zien dat zijn moeder haar hoofd naar buiten stak door zijn slaapkamerraam.

   “Ooooskar!”

   Eli trok zich snel terug tegen de muur. Oskar balde zijn vuisten, holde de helling op en ging onder het raam staan. Als een klein kind.

   “Wat is er!?”

   “O. Ben je dáár. Ik dacht …”

   “Wat ís er?”

   “Ja, het begint nu.”

   “Dat wéét ik.”

   Moeder wilde nog iets zeggen, maar deed haar mond dicht en keek naar hem terwijl hij daar onder het raam stond, nog steeds met stijf gebalde vuisten langs zijn lichaam, zijn hele lichaam gespannen.

   “Wat doe je?”

   “Ik … ik kom eraan.”

   “Ja, want …”

   Tranen van woede sprongen hem in de ogen en Oskar siste: “Ga naar bínnen. Doe het raam dicht. Ga naar bínnen!”

   Zijn moeder staarde nog een moment naar hem. Toen gleed er iets over haar gezicht en ze sméét het raam dicht, liep weg. Oskar had haar terug willen roepen … nee dat niet, maar … gedachten aan haar willen sturen. Kalm en rustig uitleggen hoe het zat. Dat ze dat niet moest doen, dat hij …

   Hij holde weer naar beneden.

   “Eli?”

   Ze was er niet. En ze was haar portiek niet binnengegaan, dat zou hij gezien hebben. Dan zou ze wel naar de metro gegaan zijn om op bezoek te gaan bij haar tante in de stad, waar ze uit school altijd heen ging. Dat zou het wel zijn.

   Oskar ging in het donkere hoekje staan waar zij zich had teruggetrokken toen zijn moeder riep. Keerde zijn gezicht naar de muur. Bleef even zo staan. Daarna ging hij naar binnen.

 

Håkan sleepte de jongen het hokje binnen en deed de deur achter zich dicht. De jongen had nauwelijks een kik gegeven. Het enige wat nu verdacht kon overkomen was het gesis uit de gasfles. Hij moest snel werken.

   Het zou zoveel gemakkelijker zijn als hij meteen met het mes kon aanvallen, maar nee. Het bloed moest uit een levend lichaam komen. Nog een van de dingen die ze hem had uitgelegd. Bloed van dode mensen was waardeloos, zelfs schadelijk.

   Nu. De jongen leefde. Zijn borst ging op en neer, inhaleerde het verdovende gas.

   Hij trok het touw hard aan om de benen van de jongen, vlak boven de knieën, sloeg beide uiteinden van het touw om de haak en begon te trekken. De benen van de jongen kwamen van de grond.

   Een deur ging open, er klonken stemmen.

   Hij hield het touw met één hand vast en zette met de andere het gas uit, haalde het mondstuk los. De verdoving zou een paar minuten duren, hij moest opschieten, of er nu mensen buiten waren of niet, zo zachtjes mogelijk.

   Een aantal mannen buiten. Twee, drie, vier? Ze hadden het over Zweden – Denemarken. Een of andere interland. Handbal. Terwijl ze praatten, hees hij het lichaam van de jongen op. De haak kraakte, de belasting kwam uit een andere hoek dan toen hij er zelf aan had gehangen. De mannen buiten zwegen. Hadden ze iets gehoord? Hij stond stil, haalde nauwelijks adem en hield het lichaam, waarvan het hoofd net boven de grond hing, in dezelfde positie vast.

   Nee. Alleen een pauze in het gesprek. Ze gingen verder.

   Praat door. Praat door.

   “Die straf voor Sjögren sloeg toch helemaal …”

   “Wat je niet in je armen hebt, moet je in je hoofd hebben.”

   “Hij kan ze er toch heel goed in krijgen.”

   “Met die schroef, ik begrijp niet hoe hij dat doet …”

   Het hoofd van de jongen hing een paar decimeter boven de vloer. Nu …

   Waar moest hij de uiteinden van het touw aan vastmaken? De kieren tussen de planken van het bankje waren zo smal dat hij het touw er niet tussendoor zou kunnen krijgen. Hij kon ook niet met één hand werken terwijl hij met de andere het touw vasthield. Daar was hij niet sterk genoeg voor. Hij stond stil met de uiteinden van het touw in zijn stijf gebalde vuisten, hij zweette. De muts was warm, hij moest hem afzetten.

   Straks. Als het klaar is.

   De andere haak. Eerst een lus maken. Het zweet liep in zijn ogen toen hij het gewicht van de jongen neerliet om het touw te vieren en hij maakte een lus. Hij trok de jongen weer omhoog en probeerde de lus om de haak te krijgen. Te kort. Hij liet de jongen weer los. De mannen zwegen.

   Toe dan! Toe dan!

   In stilte maakte hij dichter bij het uiteinde van de touwen nog een lus, wachtte. Ze begonnen weer te praten. Bowling. Successen voor de Zweedse vrouwen in New York. Strike en spare en het zweet brandde in zijn ogen.

   Heet. Waarom was het zo heet?

   Hij wist de lus om de haak te krijgen en haalde opgelucht adem. Konden ze niet wéggaan?

   Het lichaam van de jongen hing goed en hij moest nu snel aan het werk, voordat hij wakker werd, dat ze nou niet wég konden gaan. Maar nu kwamen de bowlingherinneringen en hoe ze vroeger hadden gespeeld en dat iemand met zijn duim in de bal vast was komen te zitten en naar het ziekenhuis moest om hem eraf te laten halen.

   Hij kon niet wachten. Hij zette de trechter op de jerrycan, zette hem bij de hals van de jongen. Pakte zijn mes. Toen hij zich omdraaide om de jongen zijn bloed af te tappen, was het gesprek daarbuiten weer verstomd. En de ogen van de jongen waren open. Wijd open. De pupillen dwaalden rond terwijl hij daar op de kop hing, zochten houvast, iets wat ze konden begrijpen. Ze bleven rusten op Håkan, die daar naakt stond met het mes in zijn hand. Heel even keken ze elkaar recht in de ogen.

   Toen deed de jongen zijn mond open en gaf een gil.

   Håkan deinsde achteruit, knalde tegen de wand van het hokje met een vochtig geluid. Zijn zweterige rug gleed langs de wand en hij verloor bijna zijn evenwicht. De jongen schreeuwde en schreeuwde maar. Het geluid plantte zich voort door de kleedkamer, echode tussen de muren, werd zo versterkt dat Håkan er doof van werd. Zijn hand klemde zich steviger om het heft van het mes en het enige wat hij kon denken was dat hij een eind moest maken aan het geschreeuw van de jongen. Zijn hoofd afhouwen zodat het niet meer schreeuwde. Hij kroop naar de jongen toe.

   Er werd op de deur gebonsd.

   “Hallo! Doe open!”

   Håkan liet het mes los. De tik van het lemmet op de vloer was nauwelijks te horen door het gebons en het onophoudelijke gekrijs van de jongen heen. De deur schudde op zijn grondvesten door de slagen van buitenaf.

   “Doe open. Ik sla de deur in.”

   Afgelopen. Nu was het afgelopen. Nu bleef hem maar één ding over. De geluiden om hem heen verdwenen. Håkans gezichtsveld kromp ineen tot een tunnel toen hij zijn hoofd omdraaide naar de tas. Door de tunnel zag hij dat zijn hand de tas in ging en de jampot pakte.

   Hij plofte op zijn achterste neer met de jampot in zijn handen, draaide het deksel eraf. Wachtte.

   Op het moment waarop de deur open zou gaan. Voordat ze de muts van zijn gezicht konden trekken.

   Door het geschreeuw en het gebons op de deur heen dacht hij aan zijn geliefde. Aan de tijd die ze samen hadden gehad. Hij riep een beeld op van zijn geliefde als engel. Een jongensengel die nu uit de hemel neerkwam, zijn vleugels spreidde, hem kwam halen. Hem meenam. Naar een plaats waar ze altijd samen zouden zijn. Altijd.

   De deur vloog open en knalde tegen de muur. De jongen bleef schreeuwen. Buiten stonden drie meer of minder geklede mannen. Ze staarden vol onbegrip naar de scène voor hen.

   Håkan knikte langzaam, aanvaardde het.

   Toen schreeuwde hij: “Eli! Eli!” en hij goot het geconcentreerde zoutzuur in zijn gezicht.

 

“Weest verheugd! Weest verheugd!

   Weest verheugd in de Heer, uw God!

   Weest verheugd! Weest verheugd!

   En eert uw Koning en God!”

   Staffan begeleidde zichzelf en Tommy’s moeder op de piano. Ze keken elkaar af en toe in de ogen, lachten en straalden. Tommy zat lijdzaam op de leren bank. Hij had een gaatje gevonden onder aan de ene leuning en terwijl Staffan en zijn moeder zongen, was hij bezig dat groter te maken. Zijn wijsvinger groef in de vulling en hij vroeg zich af of Staffan en zijn moeder wel eens met elkaar hadden gevreeën op deze bank. Onder de barometers.

   Het eten was prima geweest, iets van gemarineerde kip met rijst. Na de maaltijd had Staffan Tommy de kluis laten zien waarin hij zijn pistolen bewaarde. Hij stond onder het bed in de slaapkamer, en Tommy had zich daarvan hetzelfde afgevraagd. Hadden ze met elkaar liggen vrijen in dit bed? Dacht zijn moeder aan zijn vader, terwijl Staffan haar streelde? Maakte de gedachte aan de pistolen onder het matras hem geil? En haar?

   Staffan sloeg het slotakkoord aan, liet het wegsterven. Tommy trok zijn vinger uit het nu vrij grote gat in de bank. Zijn moeder knikte naar Staffan, pakte zijn hand en ging naast hem op de pianokruk zitten. Vanuit de hoek waar Tommy zat, hing de maagd Maria precies boven hun hoofden, alsof ze het zo uitgekiend hadden, het van tevoren hadden gerepeteerd.

   Zijn moeder keek naar Staffan, glimlachte en keerde zich naar Tommy.

   “Tommy. We willen je iets vertellen.”

   “Gaan jullie trouwen?”

   Zijn moeder aarzelde. Als ze dit van tevoren hadden gerepeteerd met enscenering en alles, dan hadden ze deze opmerking kennelijk niet ingecalculeerd.

   “Ja. Wat vind je ervan?”

   Tommy haalde zijn schouders op.

   “Oké. Doe maar.”

   “We waren van plan … van de zomer, misschien.”

   Zijn moeder keek hem aan als om te vragen of hij misschien een beter voorstel had.

   “Ja, ja. Natuurlijk.”

   Hij stopte zijn vinger weer in het gat, liet hem daar zitten. Staffan leunde naar voren.

   “Ik weet best dat ik je vader niet kan vervangen. Zeker niet. Maar ik hoop dat jij en ik … elkaar kunnen leren kennen en … ja. Dat we vrienden kunnen worden.”

   “Waar gaan jullie dan wonen?”

   Zijn moeder keek plotseling bedroefd.

   “Wíj, Tommy. Het gaat ook over jou. We weten het niet. Maar we willen misschien een huis in Ängby kopen. Als het lukt.”

   “Ängby.”

   “Ja. Hoe lijkt je dat?”

   Tommy keek naar het glazen tafelblad, waarin zijn moeder en Staffan half doorzichtig werden gereflecteerd, net spoken. Hij peuterde met zijn vinger in het gat, kreeg een stuk schuimrubber los.

   “Duur.”

   “Wablief?”

   “Een huis in Ängby. Dat is duur. Kost een boel geld. Hebben jullie veel geld?”

   Staffan wilde net antwoord geven toen de telefoon ging. Hij streelde Tommy’s moeder over haar wang en liep naar de telefoon in de hal. Moeder ging naast Tommy op de bank zitten en vroeg: “Vind je het geen goed idee?”

   “Ik vind het een fantastisch idee.”

   Uit de hal klonk de stem van Staffan. Hij klonk opgewonden.

   “Maar dat is … ja, ik kom er meteen aan. Moeten we … nee, dan ga ik er meteen heen. Goed. Dag.”

   Hij kwam de woonkamer weer in.

   “De moordenaar zit in de Vällingbyhal. Ze hebben niet genoeg mensen op het bureau, dus ik moet …”

   Hij dook de slaapkamer in en Tommy hoorde de kluis open- en dichtgaan. Staffan kleedde zich daarbinnen om en even later kwam hij in volledig politie-uniform weer naar buiten. Zijn ogen zagen er lichtelijk gestoord uit. Hij kuste Tommy’s moeder op haar mond en gaf een klopje op Tommy’s knie.

   “Ik moet meteen weg. Ik weet niet wanneer ik terug ben. We praten later verder.”

   Hij liep snel naar de hal en Tommy’s moeder liep achter hem aan.

   Tommy hoorde iets van “wees voorzichtig” en “ik hou van je” en “blijf je”, terwijl hij naar de piano liep en zonder te weten waarom zijn arm uitstak en het beeldje van de pistoolschutter pakte. Dat woog zwaar in zijn hand, minstens twee kilo. Terwijl zijn moeder en Staffan afscheid van elkaar namen – Dit vinden ze leuk. De man die ten strijde trekt. De smachtende vrouw – ging hij op het balkon staan. De koude avondlucht drong in zijn longen en hij kon voor het eerst sinds een paar uur goed ademhalen.

   Hij hing over het balkonhekje en zag dat er dichte bosjes onder stonden. Hij hield het beeldje over het hekje heen en liet het los. Het viel met een ritselend geluid in de bosjes.

   Zijn moeder kwam het balkon op en ging naast hem staan. Een paar seconden later ging de voordeur open. Staffan kwam naar buiten en liep op een holletje naar de parkeerplaats. Moeder zwaaide, maar Staffan keek niet op. Toen hij vlak onder het balkon langskwam, giechelde Tommy even.

   “Wat is er?” vroeg moeder.

   “Niets.”

   Alleen dat er een mannetje met een pistool in de bosjes staat en op Staffan richt. Dat is het enige.

   Tommy voelde zich best goed, ondanks alles.

 

De groep had versterking gekregen in de persoon van Karlsson, de enige van de mannen die een ‘echte baan’ had, zoals hij het zelf uitdrukte. Larry was met de vut, Morgan werkte af en toe bij een autosloperij, en van Lacke wist niemand precies waar hij eigenlijk van leefde. Soms had hij gewoon wat geld.

   Karlsson had een vaste baan in de speelgoedwinkel van Vällingby. Hij was er ooit eigenaar van geweest, maar had moeten verkopen in verband met ‘economische problemen’. De nieuwe eigenaar had hem later in dienst genomen, want, zoals Karlsson zei, je kon niet ontkennen “dat je na dertig jaar in de branche een zekere ervaring hebt.”

   Morgan ging achterover in de stoel hangen met zijn benen wijd, vouwde zijn handen achter zijn hoofd en staarde naar Karlsson. Lacke en Larry keken elkaar aan. Nu zou je het hebben.

   “Zo, Karlsson, nog nieuws in de speelgoedbranche? Heb je nog nieuwe manieren bedacht om arme kinderen van hun zakgeld af te helpen?”

   Karlsson snoof.

   “Je weet niet waar je het over hebt. Als er iemand arm wordt ben ik het. Je kunt je niet voorstellen hoeveel er gejat wordt. Die kinderen …”

   “Ja, ja. Je hoeft toch alleen maar voor twee kronen wat plastic troep uit Korea te kopen en dat voor honderd te verkopen, dan hebben jullie het toch terugverdiend.”

   “Zulke spullen verkopen we niet.”

   “Nee, nee. Wat zag ik laatst dan in de etalage? Smurfen. Wat is dat? Met de hand gemaakt kwaliteitsspeelgoed uit Bengtsfors, of zo?”

   “Ik vind dit een eigenaardige opmerking uit de mond van iemand die auto’s verkoopt die alleen maar rijden als je er een paard voor spant.”

   En zo ging het door. Larry en Lacke luisterden, lachten soms, gaven commentaar. Als Virginia hier was geweest, waren de hanenkammen nog wat verder overeind gaan staan en was Morgan niet gestopt voordat Karlsson echt pissig was.

   Maar Virginia was er niet. En Jocke ook niet. De stemming wilde er niet goed in komen en de discussie was al wat ingezakt toen tegen halfnegen de voordeur langzaam openging.

   Larry keek op en zag iemand van wie hij nooit had verwacht dat die hier een voet zou zetten: Gösta. De stinkbom, zoals Morgan zei. Larry had een paar keer op een bankje voor de flat met Gösta zitten praten, maar híér was hij nooit eerder geweest.

   Gösta keek angstig. Hij bewoog alsof hij uit slecht verlijmde stukken bestond en uit elkaar kon vallen als hij te veel bewoog. Hij tuurde door samengeknepen oogleden en maakte kleine schokkerige beweginkjes. Hij was óf stomdronken óf ziek.

   Larry wenkte. “Gösta! Kom hier zitten!”

   Morgan draaide zijn hoofd, zag Gösta en zei: “O, verdomme.”

   Gösta manoeuvreerde naar hun tafeltje als over een mijnenveld. Larry trok de stoel naast zich naar achteren en maakte een uitnodigend gebaar.

   “Welkom bij de club.”

   Gösta leek hem niet te horen, maar slofte naar de stoel. Hij was gekleed in een versleten kostuum met een vest en een vlinderdasje, hij had zijn haar met water gekamd. En hij stonk. Pis, pis en nog eens pis. Ook als je met hem buiten zat, was de stank duidelijk te ruiken, maar dan was het nog te harden. In de warmte binnen dampte het om hem heen van oude, zure urine, zodat je door je mond moest inademen, anders was het niet uit te houden.

   Alle mannen, ook Morgan, deden hun best om niet in hun gezicht tot uitdrukking te brengen wat hun neus rook. De ober kwam bij hun tafeltje, bleef staan toen hij Gösta’s lucht rook en vroeg: “Wat … mag het zijn?”

   Gösta schudde zijn hoofd zonder de ober aan te kijken. De ober fronste zijn wenkbrauwen en Larry maakte een gebaar dat zoveel wilde zeggen als: het is in orde, we regelen het wel. De ober verwijderde zich en Larry legde zijn hand op Gösta’s schouder.

   “Wat verschaft ons het genoegen?”

   Gösta kuchte en met zijn blik op de vloer zei hij: “Jocke.”

   “Wat is er met hem?”

   “Hij is dood.”

   Larry hoorde Lacke achter zijn rug hijgen. Hij liet zijn hand bemoedigend op Gösta’s schouder liggen. Voelde dat dat nodig was.

   “Hoe weet je dat?”

   “Ik heb het gezien. Toen het gebeurde. Toen hij werd gedood.”

   “Wanneer?”

   “Zaterdag. Avond.”

   Larry haalde zijn hand weg. “Afgelopen zaterdag? Maar … ben je naar de politie gegaan?”

   Gösta schudde zijn hoofd.

   “Dat kon ik niet. En ik … heb het niet gezien. Maar ik weet het.”

   Lacke hield zijn handen voor zijn gezicht, fluisterde: “Ik wist het, ik wist het.”

   Gösta vertelde. Het kind dat de lamp het dichtst bij de brug kapot had gegooid met een steen, naar binnen was gegaan en had gewacht. Jocke die naar binnen was gegaan en niet meer naar buiten was gekomen. De vage afdruk, de contouren van een lichaam in de dorre bladeren de volgende ochtend.

   De ober stond al een poosje boze gebaren te maken naar Larry, wees beurtelings op Gösta en de deur. Toen Gösta was uitgesproken, legde Larry een hand op zijn arm.

   “Wat zeg je ervan. Zullen we er een kijkje gaan nemen?”

   Gösta knikte en stond op van het tafeltje. Morgan goot de laatste teug bier naar binnen, grijnsde naar Karlsson, die de krant pakte en in zijn jaszak stopte; dat deed hij altijd, die vrek.

   Alleen Lacke bleef zitten en speelde met een paar afgebroken tandenstokers die voor hem op tafel lagen. Larry bukte.

   “Ga jij niet mee?”

   “Ik wist het. Ik voelde het.”

   “Ja. Ga je niet mee?”

   “Jawel. Ik kom zo. Gaan jullie maar.”

   Toen ze in de koude avondlucht kwamen werd Gösta rustiger. Hij zette zo stevig de pas erin dat Larry hem moest vragen het wat kalmer aan te doen, zijn hart kon dit niet aan. Karlsson en Morgan liepen naast elkaar achter hen; Morgan wachtte op een stomme opmerking van Karlsson, zodat hij hem uit kon schelden. Dat zou hem goeddoen. Maar zelfs Karlsson leek in beslag genomen door zijn eigen gedachten.

   De kapotte lamp was vervangen en het was behoorlijk licht onder de brug. Ze stonden in een groepje bij elkaar en luisterden naar wat Gösta vertelde. Hij wees naar de stapels bladeren, stampte met zijn voeten om ze te warmen. Slechte doorbloeding. Het galmde in het gewelf alsof er een marcherend leger doorheen liep. Toen Gösta klaar was zei Karlsson: “Maar er zijn geen directe bewijzen.”

   Op zo’n opmerking had Morgan gewacht.

   “Je hoort toch wat hij zegt, verdomme. Denk je dat hij staat te liegen?”

   “Nee”, zei Karlsson, alsof hij tegen een kind sprak, “maar ik bedoel dat de politie misschien niet even bereid is als wij zijn om zijn verhaal te geloven als het door niets wordt bevestigd.”

   “Hij is toch getuige.”

   “Denk je dat dat genoeg is?”

   Larry maakte een zwaaiend gebaar naar de stapels bladeren.

   “Het is de vraag waar hij gebleven is. Als het zo is.”

   Lacke kwam aanlopen over de parkweg, liep naar Gösta toe en wees naar de grond.

   “Daar?”

   Gösta knikte. Lacke stopte zijn handen in zijn zakken en bleef zo een hele poos naar de onregelmatige bladerpatronen staan kijken, alsof het een gigantische puzzel was die hij moest oplossen. Zijn kaakspieren spanden zich, ontspanden zich, spanden zich.

   “En? Wat zeggen jullie ervan?”

   Larry deed een paar stappen in zijn richting.

   “Ik vind het heel erg, Lacke.”

   Lacke wapperde afwerend met zijn hand, hield Larry op een afstand.

   “Wat zeggen jullie? Krijgen we de klootzak die dit heeft gedaan te pakken of niet?”

   De anderen keken alle mogelijke kanten op behalve naar Lacke. Larry wilde net een opmerking maken dat dat wel heel moeilijk was, vermoedelijk onmogelijk, maar deed het niet. Ten slotte kuchte Morgan, ging bij Lacke staan en sloeg zijn arm om zijn schouder.

   “We krijgen hem te pakken, Lacke. Beslist.”

 

Tommy keek over het hekje, dacht dat hij het glinsteren van zilver zag daarbeneden. Het leek op van die dingen waar de Jonge Woudlopers na een wedstrijd mee thuiskwamen.

   “Waar denk je aan?” vroeg zijn moeder.

   “Aan Donald Duck.”

   “Jij vindt Staffan niet erg aardig, hè?”

   “Gaat wel.”

   “Ja?”

   Tommy keek naar het centrum. Zag de grote rode V in neon die langzaam boven alles ronddraaide. Vällingby. Victory.

   “Heeft hij jou de pistolen laten zien?”

   “Waarom vraag je dat?”

   “Ik vroeg het me gewoon af. Heeft hij dat gedaan?”

   “Ik begrijp niet wat je bedoelt.”

   “Dat is toch niet zo moeilijk. Heeft hij zijn kluis opengedaan, de pistolen eruit gehaald en ze laten zien?”

   “Ja. Hoezo?”

   “Wanneer heeft hij dat gedaan?”

   Zijn moeder veegde iets van haar blouse, wreef over haar armen.

   “Ik heb het een beetje koud.”

   “Denk je aan papa?”

   “Ja. Ik denk aldoor aan hem.”

   “Aldoor?”

   Zijn moeder zuchtte, boog haar hoofd om hem in de ogen te kunnen kijken.

   “Waar wil je naartoe?”

   “Waar wil jíj naartoe?”

   Tommy’s hand rustte op het hekje, ze legde de hare erbovenop. “Ga je morgen mee naar papa?”

   “Morgen?”

   “Ja. De zaterdag van Allerzielen.”

   “Overmorgen. Ja, dan ga ik mee.”

   “Tommy …”

   Ze maakte zijn handen los van het hekje, draaide hem naar zich toe. Knuffelde hem. Hij bleef een poosje stokstijf staan. Toen maakte hij zich los en liep naar binnen.

   Terwijl hij zijn jas aantrok, besefte hij dat zijn moeder van het balkon af moest als hij het beeldje wilde kunnen ophalen. Hij riep haar en ze kwam snel van het balkon, hongerend naar een woord.

   “Ja … doe de groeten aan Staffan.”

   Zijn moeders gezicht klaarde op.

   “Dat zal ik doen. Blijf je niet?”

   “Nee, ik … dit kan wel de hele nacht duren.”

   “Ja. Ik ben wel wat ongerust.”

   “Hoef je niet te zijn. Hij kán immers schieten. Dag.”

   “Dag …”

   De voordeur sloeg dicht.

   “… lieverd.”

 

Er klonk een doffe knal uit het binnenste van de Volvo toen Staffan met hoge snelheid de rand van het trottoir op reed. Zijn kaken klapten op elkaar zodat zijn hoofd ervan zoemde, hij zag even niets meer. Hij had bijna een oudere man aangereden die zich net bij de schare nieuwsgierigen wilde voegen die zich had verzameld rond de politieauto voor de hoofdingang.

   Aspirant Larsson zat in de auto en praatte in de mobilofoon. Hij zou wel om versterking vragen, of om een ambulance. Staffan reed door tot achter de politieauto om de weg vrij te laten voor eventuele versterking, hij sprong uit de auto en sloot die af. Hij deed zijn auto altijd op slot, ook als hij er maar een minuutje bij weg hoefde. Niet omdat hij bang was dat hij gestolen zou worden, maar opdat het een vaste gewoonte werd, zodat hij alsjeblieft nooit zou vergeten de díénstwagen af te sluiten.

   Hij liep naar de hoofdingang en deed zijn best er autoritair uit te zien met het oog op de toeschouwers; hij wist van zichzelf dat hij een uiterlijk had dat de meeste mensen vertrouwen inboezemde. Sommigen van de omstanders dachten waarschijnlijk: aha, hier komt iemand die het allemaal even gaat regelen.

   Vlak achter de toegangsdeuren stonden vier mannen in zwembroek met een handdoek over hun schouders geslagen. Staffan liep langs hen heen, naar de kleedkamers, maar een van de mannen riep: “Hallo, pardon” en slofte op blote voeten naar hem toe.

   “Ja, sorry, maar … onze kleren.”

   “Wat is daarmee?”

   “Wanneer kunnen we ze halen?”

   “Uw kleren?”

   “Ja, die liggen in de kleedkamer en daar mogen we niet in.”

   Staffan deed zijn mond open om een zure opmerking te maken dat hun kleren op dit moment niet bovenaan stonden op het prioriteitenlijstje, maar een vrouw met een wit T-shirt aan kwam net naar de mannen toe lopen met een stapel badjassen op haar arm. Staffan maakte een gebaar naar de vrouw en liep verder naar de kleedkamers.

   Onderweg kwam hij nog een vrouw in een wit T-shirt tegen, die een jongen van een jaar of twaalf, dertien naar de uitgang bracht. Het gezicht van de jongen stak dieprood af tegen de witte badjas waarin hij was gehuld, zijn ogen waren leeg. De vrouw keek Staffan strak aan met een blik die bijna beschuldigend was.

   “Zijn moeder komt hem halen.”

   Staffan knikte. Was die jongen … het slachtoffer? Dat had hij willen vragen, maar hij kwam zo gauw niet op een zinnige manier om de vraag te formuleren. Hij moest er maar van uitgaan dat Holmberg zijn naam en verdere gegevens had opgeschreven, dat hij het beter had gevonden om het aan de moeder van de jongen over te laten hem naar de ambulance, slachtofferhulp en therapie te brengen.

   Zie, Heer, Uw kinderen aan.

   Staffan liep verder de gang door, holde de trap op terwijl hij inwendig een dankgebedje opzegde voor bewezen genade en bad om kracht voor de beproeving die zou komen.

   Was de moordenaar echt nog in het gebouw?

   Voor de kleedkamers, onder een bordje met alleen het woord heren, stonden inderdaad drie heren met agent Holmberg te praten. Slechts een van hen was volledig gekleed. Een van de drie had geen broek aan, de beide anderen hadden een bloot bovenlichaam.

   “Fijn dat je zo snel kon komen”, zei Holmberg.

   “Is hij er nog?”

   Holmberg wees op de deur naar de kleedkamers.

   “Daarbinnen.”

   Staffan maakte een gebaar naar de drie mannen.

   “Zijn zij …?”

   Voordat Holmberg iets kon zeggen, deed de man zonder broek een halve stap naar voren en zei, niet zonder trots: “Wij zijn getuigen.”

   Staffan knikte en keek vragend naar Holmberg.

   “Moeten ze niet …”

   “Ja, maar ik heb gewacht tot jij kwam. Hij is kennelijk niet gewelddadig.” Holmberg keerde zich naar de drie mannen en zei vriendelijk: “We nemen nog contact op. U kunt nu het best naar huis gaan. Ja, nog één ding. Ik begrijp dat het niet heel makkelijk is, maar probeer hier niet met elkaar over te praten.”

   De man zonder broek lachte een scheef lachje dat hij het begreep.

   “Iemand kan het horen, bedoelt u.”

   “Nee, maar u kunt gaan geloven dat u dingen hebt gezien die u feitelijk niet hebt gezien, alleen omdat iemand anders dat heeft verteld.”

   “Ik niet. Ik weet wat ik heb gezien en het was het vreselijkste …”

   “Geloof me. Het kan de beste overkomen. Als u ons nu wilt excuseren. Bedankt voor alle hulp.”

   De mannen liepen mompelend de gang door. Holmberg was goed in dat soort dingen. Met mensen praten. Dat deed hij ook het meest. Hij ging bij scholen langs en hield een praatje over drugs en het werk van de politie. Tegenwoordig deed hij dit soort dingen waarschijnlijk niet zo vaak meer.

   Een blikkerige knal, alsof er iets van metaal was omgevallen, klonk uit de kleedkamer en Staffan schrok, luisterde.

   “Niet gewelddadig.”

   “Zwaargewond, kennelijk. Hij heeft een of ander zuur in zijn gezicht gegoten.”

   “Waarom?”

   Holmbergs gezicht was leeg, hij keek naar de deur.

   “We moeten maar naar binnen gaan en het vragen.”

   “Gewapend?”

   “Vermoedelijk niet.”

   Holmberg wees naar de vensternis; op de marmeren plaat lag een groot keukenmes met een houten handvat.

   “Ik had geen zakje bij me. Bovendien had die man zonder broek er al een tijdje mee staan hannesen voordat ik kwam. Dat doen we zo wel.”

   “Moeten we het gewoon zo laten liggen?”

   “Heb jij een beter idee?”

   Staffan schudde zijn hoofd en nu, in de stilte, kon hij twee dingen onderscheiden. Een zwak, onritmisch blazend geluid uit de kleedkamer. De wind in een schoorsteenpijp. Een gebarsten fluit. Dat, en een geur. Iets waarvan hij eerst had gedacht dat het deel uitmaakte van de chloorlucht waar het hele zwembad in was gehuld. Maar dit was meer. Een scherpe, stekende geur, die in zijn neusgaten prikte. Staffan haalde zijn neus op.

   “Zullen we …”

   Holmberg knikte, maar bleef staan waar hij stond. Vrouw en kinderen. Natuurlijk. Staffan haalde zijn dienstwapen uit de holster, liet zijn andere hand op de deurkruk rusten. Het was de derde keer in de twaalf jaar dat hij in dienst was, dat hij met getrokken pistool een vertrek binnenging. Hij wist niet of hij het goed deed, maar niemand zou hem iets kwalijk nemen. Een kindermoordenaar. Opgesloten, misschien ten einde raad, hoe zwaargewond hij ook was.

   Hij gaf Holmberg een teken en deed de deur open.

   De stank sloeg hem tegemoet.

   Het prikte in zijn neus, zodat zijn ogen ervan traanden. Hij hoestte. Haalde een zakdoek uit zijn zak en hield die voor zijn mond en zijn neus. Hij had de brandweer een paar keer geassis-teerd bij brandende huizen, dat was hetzelfde gevoel geweest. Maar hier was geen rook, alleen een vage walm die door de ruimte zweefde.

   Mijn god, wat is dit?

   Het eentonige, hortende geluid was nog steeds te horen aan de andere kant van de rij kastjes vóór hen. Staffan gebaarde naar Holmberg dat hij van de andere kant om de rij kastjes heen moest lopen, zodat ze van twee kanten kwamen. Staffan liep naar het eind van de rij kastjes en keek om de hoek; de arm waarmee hij het pistool vasthield, hing langs zijn lichaam.

   Hij zag een omgegooide metalen prullenbak en daarnaast lag een naakt lichaam.

   Holmberg dook aan de andere kant op, signaleerde naar Staffan dat hij het rustig aan moest doen, er leek immers geen onmiddellijk gevaar te bestaan. Staffan voelde een steek van ergernis dat Holmberg de leiding probeerde te nemen nu het allemaal niet gevaarlijk meer leek. Hij ademde in door de zakdoek, haalde die van zijn mond en zei hardop: “Hallo. Hier is de politie. Hoort u mij?”

   De man op de vloer gaf er geen blijk van dat hij het had gehoord, bleef alleen dat eentonige geluid maken met zijn gezicht naar de vloer. Staffan deed een paar stappen naar voren.

   “Hou uw handen waar ik ze kan zien.”

   De man bewoog niet. Maar nu Staffan dichterbij was kon hij zien dat het hele lichaam schokte. Dat van die handen was onnodig. De ene arm lag over de prullenbak, de andere naast hem op de vloer. De handpalm was opgezwollen en gebarsten.

   Zuur … hoe ziet hij eruit …

   Staffan hield zijn zakdoek weer voor zijn mond en liep naar de man toe, terwijl hij zijn pistool in de holster stopte, erop vertrouwend dat Holmberg hem dekking gaf als er iets gebeurde.

   Het lichaam schokte spasmodisch en er klonken zachte, smakkende geluiden toen de naakte huid losgetrokken werd van de tegels en weer vast werd gezogen. De hand die op de vloer lag, sprong als een platvis op een gladde rots. En aldoor het geluid uit de mond, naar de vloer: “… eeiiieeeeiii …”

   Staffan gaf Holmberg een teken dat hij op een paar passen afstand moest blijven en hurkte bij het lichaam neer.

   “Kunt u mij horen?”

   De man was stil. Plotseling maakte het hele lichaam een spastische draai en rolde om.

   Het gezicht.

   Staffan deinsde achteruit, verloor zijn houvast en kwam op zijn staartbotje terecht. Hij klemde zijn kiezen op elkaar om het niet uit te schreeuwen toen een waaier van pijn zich verspreidde door zijn lenden. Hij kneep zijn ogen dicht. Deed ze weer open.

   Hij heeft geen gezicht.

   Staffan had een junkie gezien die tijdens een hallucinatie verscheidene keren met zijn gezicht tegen de muur had gebeukt. Hij had een man gezien die een benzinetank aan het lassen was, zonder dat hij die eerst had leeggemaakt. De tank was in zijn gezicht geëxplodeerd.

   Maar niets wat hierop leek.

   De neus was weggevreten; waar die had gezeten, zaten alleen twee gaten in het hoofd. De mond was samengesmolten, de lippen verzegeld op een kiertje in de ene hoek na. Het ene oog was uitgevloeid over wat de wang was geweest, maar het andere … het andere stond wijd open.

   Staffan staarde in het oog, het enige wat als menselijk herkenbaar was in deze vormeloze massa. Het oog was bloeddoorlopen en toen het probeerde te knipperen was er maar een half stukje huid dat eroverheen viel en weer opgetrokken werd.

   Waar de rest van het gezicht had moeten zitten, zaten alleen stukken kraakbeen en botten die uitstaken tussen rafelige stukken vlees en zwarte lappen. De naakte, glanzende stukken spier werden samengetrokken en ontspanden, spartelden alsof het hoofd was vervangen door een bos pas gedode, in stukken gehakte palingen.

   Het hele gezicht, dat wat het gezicht was geweest, had een eigen leven.

   Staffan voelde de misselijkheid opkomen en hij zou vermoedelijk hebben overgegeven als zijn lichaam het niet zo druk had met het sturen van pijngolven naar zijn rug. Langzaam trok hij zijn benen onder zich op, ging op zijn voeten staan, steunend tegen de kastjes. Het bloeddoorlopen oog staarde hem onafgebroken aan.

   “Afgrijselijk …”

   Holmberg stond met hangende armen het verminkte lichaam op de vloer te bekijken. Het was niet alleen het gezicht. Het zuur was ook over het bovenste gedeelte van het lichaam gelopen. De huid over het sleutelbeen was aan één kant weg en er stak een stuk bot uit, dat wit afstak als een stuk krijt in een pan stoofvlees.

   Holmberg schudde zijn hoofd, stak een hand omhoog en liet hem halverwege weer naar beneden gaan, op en neer, op en neer. Hij kuchte.

   “Afgrijselijk …”

 

Het was elf uur en Oskar lag in zijn bed. Hij tikte voorzichtig de letters op de muur.

   E … L … I …

   E … L … I …

   Geen antwoord.

Laat de ware binnenkomen
titlepage.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_000.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_001.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_002.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_003.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_004.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_005.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_006.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_007.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_008.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_009.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_010.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_011.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_012.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_013.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_014.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_015.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_016.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_017.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_018.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_019.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_020.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_021.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_022.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_023.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_024.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_025.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_026.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_027.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_028.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_029.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_030.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_031.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_032.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_033.xhtml
Laat_de_ware_binnenkomen-ebook_split_034.xhtml