vrijdag 30 oktober
De jongens uit 6b stonden in de rij op het pad voor de school en wachtten op het teken van meester Ávila. Ze hadden allemaal een gymnastiektas of een andere tas in hun handen, want God sta degene bij die zijn gymkleren vergeten had of niet een heel goede reden had om niet mee te gymmen.
Ze stonden op een armlengte afstand van elkaar, zoals de meester hun had geleerd die eerste dag in de vierde, toen hij de verantwoordelijkheid voor hun lichamelijke opvoeding had overgenomen van de klassenlerares.
“In gelid. Armlengte afstand!”
Meester Ávila was gevechtspiloot geweest in de oorlog. Een paar keer had hij de jongens verhalen verteld over luchtgevechten en noodlandingen in korenvelden. Ze waren onder de indruk. Ze hadden respect voor hem.
Een klas die als druk en lastig bekendstond, ging gehoorzaam op een armlengte afstand van elkaar staan, ook als de meester niet eens in zicht was. Als het gelid er niet zo uitzag als hij wilde, liet hij hen tien minuten extra wachten, of hij blies een beloofde volleybalwedstrijd af ten gunste van opdrukken en sit-ups.
Oskar was, net als de anderen, tamelijk bang voor de meester. Met zijn stoppelige grijze haar en zijn haviksneus, zijn goed onderhouden atletische uiterlijk en zijn ijzeren vuisten was hij niet iemand die gauw begrip zou hebben voor een slappe, iets te dikke jongen die werd gepest. Maar tijdens zijn lessen heerste er orde. Jonny, Micke en Tomas durfden niets te doen zolang de meester in de buurt was.
Nu stapte Johan uit de rij, wierp een blik op de school. Maakte toen de Hitlergroet en zei: “In gelid! Vandaag brandoefenink. Met touw!”
Sommigen lachten zenuwachtig. De meester had een voorliefde voor brandoefeningen. Eén keer per seizoen moesten de leerlingen oefenen en zich met touwen uit de ramen laten zakken, terwijl de meester de hele procedure klokte met een stopwatch. Als ze het record van de vorige keer wisten te breken mochten ze de volgende les apenkooi doen. Als ze het hadden verdiend.
Johan ging gauw weer in de rij staan. Gelukkig, want maar een paar seconden later kwam de meester met snelle passen de hoofdingang van de school uit en liep richting gymnastieklokaal. Hij keek recht voor zich, keurde de groep geen blik waardig. Toen hij halverwege was, maakte hij een kom!-gebaar met zijn hand zonder zijn pas in te houden, zonder zijn hoofd om te draaien.
De rij zette zich in beweging, terwijl ze probeerden op een armlengte afstand van elkaar te blijven. Tomas, die achter Oskar liep, trapte op Oskars hielen, zodat hij aan de achterkant uit zijn schoen raakte. Oskar liep door.
Sinds dat met die zwepen eergisteren hadden ze hem met rust gelaten. Niet dat ze sorry hadden gezegd of zo, maar de wond op zijn wang zat er en dat vonden ze zeker wel genoeg. Voorlopig.
Eli.
Oskar kromde zijn tenen in zijn schoen om hem aan te houden en marcheerde verder naar het gymnastieklokaal. Waar was Eli? Oskar had gisteravond voor zijn raam staan spieden om te kijken of Eli’s vader thuiskwam. Hij had alleen gezien dat Eli om een uur of tien naar buiten was gegaan. Toen had hij chocolademelk gedronken en broodjes gegeten met zijn moeder en misschien had hij haar thuiskomst gemist. Maar ze had niet geantwoord op zijn geklop.
De klas stommelde de kleedkamer binnen, het gelid viel uiteen. Meester Ávila stond met gekruiste armen te wachten.
“Ja, ja. Vandaag oefeningen. Met rekstok, kast en springtouw.”
Gezucht en gekreun. De meester knikte.
“Als het goed is, als jullie werken, volgende keer we doen trefbal. Maar vandaag: oefeningen. Schiet maar op!”
Geen discussie mogelijk. Je mocht al blij zijn met dat trefbal, en de klas kleedde zich snel om. Oskar zorgde er net als altijd voor dat hij met zijn rug naar de anderen toe stond toen hij zijn broek uittrok. Door de Pisbol zag het er raar uit in zijn onderbroek.
In het gymnastieklokaal waren de anderen bezig kasten neer te zetten en rekstokken neer te laten. Johan en Oskar droegen samen de matten. Toen alles klaar was, blies de meester op zijn fluitje. Er waren vijf onderdelen, dus hij deelde hen in vijf groepjes van twee in.
Oskar en Staffe waren een groepje. Dat was mooi, want Staffe was de enige in de klas die slechter was in gymnastiek dan Oskar. Hij was beresterk, maar onhandig. Dikker dan Oskar. Toch was er niemand die hem pestte. Iets in Staffes houding zei dat je nog niet jarig was, als je ruzie met hem kreeg.
De meester blies op zijn fluitje en ze begonnen.
Optrekken aan de rekstok. Kin boven de stang, omlaag, omhoog. Oskar kon het twee keer. Staffe vijf keer, toen gaf hij het op. Fluitsignaal. Sit-ups. Staffe bleef gewoon op de mat naar het plafond liggen kijken. Oskar deed nep-situps tot aan het volgende fluitje. Springtouw. Daar was Oskar goed in. Hij roffelde maar door, terwijl Staffe in de knoop kwam met het touw. Toen opdrukken. Staffe kon een heleboel keer. Ten slotte de kast, die rotkast.
Hierbij was het mooi om met Staffe te zijn. Oskar had naar Micke, Jonny en Olof gegluurd, hoe ze over de kast vlogen via de springplank. Staffe nam een aanloop, rende, kwam met een dreun op de springplank neer, zodat die ervan kraakte en kwam toch niet op de kast. Hij keerde om en wilde teruglopen. De meester liep naar hem toe.
“Op de kast!”
“Dat lukt niet.”
“Dan moet je kroipen.”
“Wat?”
“Kroipen. Króipen. Hup en springen!”
Staffe pakte de kast vast, kroop erop en liet zich aan de andere kant als een luiaard naar beneden glijden. De meester wenkte ‘kom’ en Oskar rende.
Ergens tijdens die passen naar de kast nam hij een besluit.
Hij zou het probéren.
De meester had een keer tegen hem gezegd dat hij niet bang moest zijn voor de kast, dat alles daarvan afhing. Anders zette hij nooit goed af, bang dat hij zijn evenwicht zou verliezen of tegen de kast zou knallen. Maar nu zou hij het erop wagen, doen alsof hij het kon. De meester keek, Oskar rende in volle vaart naar de springplank.
Hij dacht nauwelijks na bij het afzetten, concentreerde zich er volledig op dat hij over de kast moest zien te komen. Voor het eerst zette hij zijn voeten met volle kracht op de plank, zonder in te houden, en zijn lichaam vloog er uit zichzelf vandoor, zijn handen strekten zich uit om af te zetten en zijn lichaam verder te brengen. Hij vloog met zo’n vaart over de kast dat hij zijn evenwicht verloor en voorover viel toen hij aan de andere kant landde. Maar hij was eroverheen gekomen!
Hij draaide zich om en keek naar de meester, die waarachtig niet glimlachte, maar bemoedigend knikte.
“Goed zo, Oskar. Alleen wat meer balans.”
De meester blies op zijn fluitje en ze mochten een minuutje uitblazen voordat ze nog een rondje maakten. Deze keer slaagde Oskar erin over de kast heen te komen en ook nog zijn evenwicht te bewaren.
De meester floot de les af en ging naar zijn kamertje, terwijl zij de spullen opruimden. Oskar klapte de wieltjes van de kast uit en reed hem naar de bergruimte, gaf hem een klopje als een braaf paard dat zich eindelijk had laten temmen. Hij zette de kast op zijn plaats en liep naar de kleedkamer. Er was iets waar hij met de meester over wilde praten.
Halverwege de deur werd hij tegengehouden. Een lus van een springtouw viel over zijn hoofd en kwam om zijn buik terecht. Iemand hield hem vast. Achter zich hoorde hij Jonny’s stem: “Hop, Varkentje.”
Hij draaide zich om, zodat de lus van zijn buik naar zijn rug gleed. Jonny stond voor hem met de handvatten van het springtouw in zijn handen. Hij ging ermee op en neer, klakte met zijn tong.
“Hop, hop.”
Oskar pakte het touw met beide handen vast en rukte de handvatten uit Jonny’s handen. Het springtouw viel achter Oskar op de vloer. Jonny wees naar het springtouw.
“Nu mag jij het gaan pakken.”
Oskar pakte het springtouw in het midden met één hand vast en draaide het boven zijn hoofd rond zodat de handvatten tegen elkaar klapperden, riep: “Pak aan!” en liet los. Het springtouw vloog weg en Jonny hield instinctief zijn handen ter bescherming voor zijn gezicht. Het springtouw vloog over zijn hoofd heen en kwam ratelend in het wandrek achter hem terecht.
Oskar ging het gymnastieklokaal uit en holde de trappen af. Zijn hart bonsde in zijn oren. Het is begonnen. Hij ging met drie treden tegelijk de trap af, landde met beide voeten naast elkaar op de overloop, liep de kleedkamer door en het kamertje van de meester binnen.
De meester zat in zijn sportkleren te bellen in een vreemde taal, waarschijnlijk Spaans. Het enige woord dat Oskar eruit kon halen was ‘perro’; hij wist dat dat ‘hond’ betekende. De meester gebaarde dat hij op de andere stoel in de kamer moest gaan zitten. De meester praatte door, nog een paar keer ‘perro’, terwijl Oskar hoorde dat Jonny de kleedkamer binnenkwam en luid begon te praten.
De kleedkamer was al leeg toen de meester klaar was met zijn hond. Hij keek Oskar aan.
“Zo, Oskar. Waar kom je voor?”
“Ja, ik vroeg me af … die trainingen op donderdag.”
“Ja?”
“Mag ik daaraan meedoen?”
“Je bedoelt krachttraining in het zwembad?”
“Ja, precies. Kan ik me opgeven, of …”
“Je hoeft je niet op te geven. Gewoon komen. Donderdag zeven uur. Jij wilt dat doen?”
“Ja, ik … ja.”
“Dat is goed. Je traint. Dan kun je de rekstok … vijftig keer!”
De meester deed het optrekken aan de rekstok voor met zijn armen in de lucht. Oskar schudde zijn hoofd.
“Nee. Maar … ja, ik kom.”
“Dan we zien elkaar donderdag. Mooi.”
Oskar knikte, wilde weggaan, zei toen: “Hoe gaat het met de hond?”
“De hond?”
“Ik hoorde dat u ‘perro’ zei. Dat betekent toch hond?”
De meester dacht even na.
“Ah. Niet ‘perro’. Pero. Dat betekent ‘maar’. Zoals in ‘maar ik niet’. Dat wordt pero yo no. Begrijp je? Ga je nu ook een Spaanse cursus doen?”
Oskar glimlachte en schudde zijn hoofd. Zei dat krachttraining wel genoeg was.
De kleedkamer was leeg op Oskars kleren na. Oskar trok zijn gymbroek uit en bleef staan. Zijn broek was weg. Natuurlijk. Dat hij daar niet aan had gedacht. Hij keek overal in de kleedkamer, in de wc’s. Geen broek.
De kou beet in Oskars benen toen hij naar huis liep met alleen zijn gymbroek aan. Tijdens de gymles was het gaan sneeuwen. De sneeuwvlokken vielen en smolten op zijn blote benen. Op de binnenplaats bleef hij onder Eli’s raam staan. De jaloezieën neergelaten. Geen beweging. Grote vlokken streelden zijn omhoog gerichte gezicht. Hij ving er een paar op zijn tong. Dat smaakte lekker.
“Moet je Ragnar eens zien.”
Holmberg wees naar buiten, naar het Vällingbyplein, waar de vallende sneeuw een tere deken uitspreidde over de cirkelvormig gelegde straatstenen. Een van de drop-outs zat doodstil op een bankje, gehuld in een grote jas, terwijl de sneeuw hem veranderde in een slecht geknede sneeuwpop. Holmberg zuchtte.
“We mogen wel eens bij hem gaan kijken als hij zich niet gauw beweegt. Hoe is het met jou?”
“Gaat wel.”
Staffan had een extra kussen op zijn bureaustoel gelegd om de pijn in zijn onderrug te verzachten. Hij zou liever willen staan en het allerliefst in bed willen liggen, maar het proces-verbaal van de gebeurtenissen van de vorige avond moest voor het weekend naar de afdeling ernstige delicten.
Holmberg keek in zijn notitieblok en tikte er met zijn pen op.
“Die drie in de kleedkamer. Die zeiden dat de moordenaar voordat hij zoutzuur over zichzelf heen goot, ‘Eli, Eli!’ schreeuwde en ik vraag me af …”
Staffans hart sprong op in zijn borst, hij boog naar voren over het bureau.
“Zei hij dat?”
“Ja? Weet jij wat …”
“Ja.”
Staffan leunde heftig achterover in de stoel en de pijn schoot een pijl af tot in zijn haargrens. Hij pakte de rand van het bureau vast, ging rechtop zitten en ging met zijn handen over zijn gezicht. Holmberg keek hem aan.
“Verdorie. Ben je bij de dokter geweest?”
“Nee, het is gewoon … het gaat wel weer over. Eli, Eli.”
“Is dat een naam?”
Staffan knikte langzaam. “Ja. … Het betekent … God.”
“Ja, ja, hij riep tot God. Denk je dat Hij het heeft gehoord?”
“Wat?”
“God. Denk je dat Hij het heeft gehoord? Gezien de omstandigheden lijkt het wat … onwaarschijnlijk. Hoewel jij de expert bent, natuurlijk. Ja, ja.”
“Het zijn de laatste woorden van Christus aan het kruis. Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Eli, Eli, lama sabachthani?”
Holmberg knipperde met zijn ogen en keek in zijn aantekeningen.
“Juist ja.”
“Volgens Matteüs en Marcus.”
Holmberg knikte en zoog op zijn pen.
“Zetten we dat ook in het proces-verbaal?”
Toen Oskar thuiskwam uit school, trok hij een nieuwe broek aan en ging naar de kiosk van de Minnaar om een krant te kopen. Het gerucht ging dat de moordenaar was gegrepen en hij wilde alles weten. Uitknippen en bewaren.
Er was iets vreemds aan de hand toen hij naar de kiosk liep, iets was anders dan anders, afgezien van de sneeuw.
Toen hij met de krant onderweg was naar huis, kwam hij erop wat het was. Hij keek niet om zich heen. Hij liep gewoon. Hij was het hele eind naar de kiosk gelopen zonder te kijken of er jongens aankwamen die hem iets wilden doen.
Hij begon te rennen. Hij rende aan één stuk door naar huis met de krant in zijn hand, terwijl de vlokken zijn gezicht likten. Hij deed de voordeur op slot. Ging naar zijn bed, ging op zijn buik liggen, klopte op de muur. Geen reactie. Hij had met Eli willen praten, vertellen.
Hij sloeg de krant open. De Vällingbyhal. Politieauto’s. Ambulance. Poging tot moord. De verwondingen van de man van dien aard dat identificatie moeilijk is. Foto van het Danderyd Ziekenhuis waar de man wordt verpleegd. Referentie aan de vorige moord. Geen commentaren.
Vervolgens onderzeeboot, onderzeeboot, onderzeeboot. Verhoogde staat van paraatheid.
Er werd aangebeld.
Oskar sprong uit zijn bed, liep snel de hal in.
Eli, Eli, Eli.
Toen hij zijn hand op de klink had, stopte hij. Als het Jonny was met de andere jongens? Nee, ze zouden nooit zomaar bij hem thuis komen. Hij deed open. Voor de deur stond Johan.
“Moi.”
“Ja … moi.”
“Zullen we iets doen?”
“Ja … wat dan?”
“Ik weet niet. Iets.”
“Oké.”
Oskar trok zijn jas en schoenen aan terwijl Johan in het trappenhuis wachtte.
“Jonny had flink de smoor in. Bij gym.”
“Hij heeft mijn broek meegenomen, zeker?”
“Ja. Ik weet waar hij is.”
“Waar dan?”
“Daar achter. Bij het zwembad. Ik zal het aanwijzen.”
Oskar bedacht dat Johan zijn broek dan ook wel mee had kunnen nemen naar hem toe, maar hij zei het niet. Zover ging zijn welwillendheid kennelijk niet. Oskar knikte en zei: “Mooi.”
Ze liepen naar het zwembad en haalden de broek die in de bosjes hing. Toen liepen ze wat rond. Maakten sneeuwballen en gooiden ermee op bomen. In een container vonden ze elektriciteitsdraad dat ze in stukken konden snijden en ombuigen om ze als projectielen voor een katapult te gebruiken. Ze praatten over de moordenaar, over de onderzeeboot en over Jonny, Micke en Tomas, die Johan niet goed wijs vond.
“Helemaal gestoord.”
“Jou doen ze toch nooit wat?”
“Nee, maar toch.”
Ze liepen naar het worststalletje bij de metro en kochten ieder twee ‘zwervers’. Voor één kroon per stuk. Gegrilde broodjes met alleen mosterd, ketchup, hamburgerdressing en rauwe ui. Het begon donker te worden. Johan praatte met het meisje in het worststalletje en Oskar keek naar de metro’s die kwamen en gingen, dacht aan de elektrische draden die boven het spoor liepen.
Met hun mond walmend van uiensmaak liepen ze naar de school, waar hun wegen zich zouden scheiden. Oskar zei: “Denk jij dat mensen zelfmoord plegen door op die draden boven het spoor te springen?”
“Weet niet. Misschien wel. Mijn broer kent iemand die op de elektrische rail piste.”
“Wat gebeurde er toen?”
“Hij ging dood. De stroom ging door de pis naar zijn lichaam.”
“Goh. Wílde hij dood?”
“Nee. Hij was dronken. Getsie. Ik zie het al voor me …”
Johan mimede hoe hij zijn piemel tevoorschijn haalde, piste en over zijn hele lichaam begon te schudden. Oskar lachte.
Bij de school gingen ze elk een kant op, zwaaiden naar elkaar. Oskar liep naar huis met zijn teruggevonden broek om zijn heupen geknoopt en floot de herkenningsmelodie van Dallas. Het sneeuwde niet meer, maar er lag een witte deken over alles heen. Er scheen licht achter de grote matglazen ramen van het kleine zwembad. Daar ging hij donderdagavond heen. Dan begon hij met trainen. Dan zou hij sterker worden.
Vrijdagavond bij de Chinees. Aan de ene lange wand hangt een ronde klok met stalen rand, die niet op zijn plaats lijkt tussen lampen van rijstpapier en gouden draken; hij staat op vijf voor negen. De mannen zitten over hun bier gebogen, verliezen zich in de landschapjes op de placemats. Buiten blijft het sneeuwen.
Virginia roert wat in haar San Francisco en zuigt aan de tonicstamper die gekroond wordt door een Johnny Walker-poppetje.
Wie was Johnny Walker? Waar liep hij naartoe?
Ze tikt met het stokje tegen het glas en Morgan kijkt op.
“Ga je een toespraak houden?”
“Iemand moet het toch doen?”
Ze hadden het haar verteld. Alles wat Gösta had gezegd over Jocke, de brug en het kind. Toen waren ze in stilte verzonken. Virginia rinkelde met het ijs in haar glas, keek hoe het gedempte licht aan het plafond werd gereflecteerd in de half gesmolten blokjes.
“Eén ding snap ik niet. Als het zo gegaan is als Gösta zegt. Waar ís hij dan? Jocke dus.”
Karlssons gezicht klaarde op, alsof hij op deze gelegenheid had gewacht.
“Net wat ik probeerde te zeggen. Waar is het lijk? Als je …”
Morgan stak een waarschuwende wijsvinger op naar Karlsson.
“Jij noemt Jocke niet ‘het lijk’.”
“Hoe moet ik hem dan noemen? De overledene?”
“Je hoeft hem niets te noemen voordat we weten hoe het zit.”
“Dat is precies wat ik probeer te zeggen. Er is geen l… ze hebben … hem nog niet gevonden en zolang kunnen we niet …”
“Wie ‘ze’?”
“Nou, wat denk je? De Helikopterdivisie in Berga? De politie natuurlijk.”
Larry wreef in zijn oog en maakte een zacht klakgeluid.
“Dat is een probleem. Zolang ze hem niet hebben gevonden zijn ze niet geïnteresseerd, en zolang ze niet geïnteresseerd zijn, gaan ze hem niet zoeken.”
Virginia schudde haar hoofd. “Jullie moeten naar de politie om het te vertellen.”
“Ja, ja. En wat moeten we dan zeggen?” grinnikte Morgan. “Jongens, even ophouden met al dat gedoe met die kindermoordenaar, die onderzeeboot en alles, want wij zijn drie vrolijke drinkebroers en een van onze makkers is verdwenen en nu heeft weer een andere makker van ons verteld dat hij op een avond toen hij behoorlijk kachel was, heeft gezien … hè?”
“Maar Gösta dan? Hij heeft het gezien, hij …”
“Ja, ja, natuurlijk. Maar hij is zo gauw van de kaart. Een uniform voor zijn neus en dan kun je hem wegdragen. Dat kan hij niet aan. Verhoren en dat soort ellende.” Morgan haalde zijn schouders op. “Heel naar.”
“Moeten we het dan gewoon zo láten?”
“Ja, wat moeten we anders, verdomme?”
Lacke, die zijn bier in de loop van het gesprek naar binnen had gegoten, zei iets op zo’n zachte toon dat het niet te horen was. Virginia boog naar hem toe en legde haar hoofd op zijn schouder.
“Wat zei je?”
Lacke staarde naar het in mist gehulde landschap in Oost-Indische inkt op zijn placemat en fluisterde: “Jij zei. Dat we hem te pakken zouden nemen.”
Morgan gaf een klap op de tafel zodat de bierglazen een luchtsprongetje maakten, hij stak zijn hand als een klauw voor zich uit.
“Dat dóén we ook. Maar we moeten eerst een aanknopingspunt hebben.”
Lacke knikte als een slaapwandelaar en maakte aanstalten om op te staan.
“Ik moet even …”
Hij zakte door zijn benen en viel over de tafel heen; het gerinkel van vallende glazen zorgde ervoor dat alle acht bezoekers van het restaurant zich omdraaiden en keken. Virginia pakte Lacke bij zijn schouders en zette hem weer rechtop op zijn stoel. Lackes ogen waren ver weg.
“Sorry, ik …”
De ober haastte zich naar hun tafeltje, terwijl hij als een bezetene zijn handen afveegde aan zijn schort. Hij boog zich naar Lacke en Virginia en fluisterde boos: “Dit is een restaurant, geen zwijnenstal.”
Virginia glimlachte zo lief mogelijk naar hem, terwijl ze Lacke overeind hielp.
“Kom, Lacke. We gaan naar mijn huis.”
Met een beschuldigende blik op de andere mannen liep de ober snel naar Lacke en Virginia toe, ondersteunde Lacke aan de andere kant om de restaurantbezoekers te laten zien dat er hem ook veel aan gelegen was dat dit element, dat hun vredige maaltijd verstoorde, verwijderd werd.
Virginia hielp Lacke in zijn zware, ouderwets elegante jas – een erfenis van zijn vader die een paar jaar geleden was overleden – en duwde hem naar de deur.
Achter zich hoorde ze Morgan en Karlsson veelbetekenend fluiten. Met Lackes arm om haar schouders keerde ze zich naar hen om en ze stak haar tong uit. Toen trok ze de deur open en ging naar buiten.
De sneeuw viel in grote, langzame vlokken en schiep een ruimte van kou en stilte voor hen tweeën. Virginia’s wangen werden rood toen ze Lacke naar de parkweg leidde. Het was beter zo.
“Dag. Mijn vader zou me ophalen, maar hij is er niet en … mag ik binnenkomen en even bellen?”
“Natuurlijk.”
“Mag ik binnenkomen?”
“Daar staat de telefoon.”
De vrouw wees naar de hal; op een tafeltje stond een grijze telefoon. Eli stond nog buiten voor de deur, ze was nog niet binnen gevraagd. Vlak bij de deur stond een egel van gietijzer met stekels van palmyra. Eli veegde haar schoenen eraan om te verbloemen dat ze niet binnen kon komen.
“Vindt u het echt goed?”
“Ja, ja. Kom binnen, kom binnen.”
De vrouw maakte een vermoeid gebaar; Eli was binnen gevraagd. De vrouw leek haar belangstelling kwijt te zijn en ging de woonkamer binnen, vanwaar Eli het statische gezoem van een tv-toestel kon horen. Een lang geel zijden lint dat in het grijzende haar van de vrouw was gebonden, kronkelde als een tamme slang over haar rug.
Eli liep de gang in, deed haar schoenen en haar jas uit en pakte de hoorn van de telefoon. Ze draaide zomaar een nummer, deed net of ze met iemand sprak en hing op.
Ze ademde in door haar neus. Bakluchtjes, schoonmaakmiddel, modder, schoenpoets, winterappels, natte spullen, elektriciteit, stof, zweet, behangplaksel en … kattenpis.
Ja. Een roetzwarte kat stond in de deuropening van de keuken te grommen. Zijn oren naar achteren, zijn vacht omhoog, zijn rug gekromd. Om zijn hals had hij een rood bandje met een metalen kokertje, vermoedelijk bedoeld om een briefje met naam en adres in te stoppen.
Eli deed een stap in de richting van de kat, die zijn tanden liet zien en blies. Het lichaam gespannen, klaar voor de sprong. Nog een stap.
De kat trok zich terug, kroop met knikkende bewegingen achteruit, terwijl hij doorging met blazen en Eli in de ogen bleef kijken. Het lichaam sidderde van haat en het metalen kokertje trilde. Ze taxeerden elkaar. Eli liep langzaam naar voren, dwong de kat naar achteren totdat hij in de keuken was, en deed de deur dicht.
De kat ging door met grommen en miauwde kwaad aan de andere kant. Eli liep naar de woonkamer.
De vrouw zat op een leren bank, die zo glimmend was gewreven dat het licht van de tv erin weerkaatst werd. Ze zat met rechte rug en keek star naar het blauw flikkerende scherm. Ze had aan de ene kant een gele strik in haar haar, aan de andere kant was de strik losgeraakt. Op de salontafel voor haar stonden een schaal met crackertjes en een kaasplankje met drie kaasjes. Een onge-opende fles wijn en twee glazen.
De vrouw leek Eli’s aanwezigheid niet op te merken, ze werd in beslag genomen door wat er op het scherm gebeurde. Een natuurprogramma. Pinguïns op de zuidpool.
Het mannetje draagt het ei op zijn poten, om het niet in contact te laten komen met het ijs.
Een karavaan van pinguïns bewoog waggelend door een ijswoestijn. Eli ging naast de vrouw op de bank zitten. De vrouw zat stijf rechtop, alsof de tv een strenge meester was die haar de les las.
Als het vrouwtje drie maanden later terugkomt is de vetlaag van het mannetje zo goed als opgebruikt.
Twee pinguïns wreven met hun snavels tegen elkaar ter begroeting.
“Verwacht u bezoek?”
De vrouw schrok op en keek Eli een paar seconden vol onbegrip recht in de ogen. De gele strik benadrukte hoe afgeleefd haar gezicht eruitzag. Ze schudde even haar hoofd.
“Nee, ga je gang.”
Eli bewoog niet. Het tv-beeld ging over in een panorama van Zuid-Georgië, met muziek. In de keuken was het miauwen van de kat overgegaan in iets … smekends. De geur in de kamer was chemisch. De vrouw zweette een ziekenhuisgeur uit.
“Komt er iemand? Bij u?”
Weer schrok de vrouw op alsof ze wakker was gemaakt, keek Eli aan. Ditmaal keek ze echter geërgerd; een scherpe rimpel tussen haar wenkbrauwen.
“Nee. Er komt niemand. Neem maar wat, als je wilt.” Ze wees met een stijve wijsvinger de kaasjes om de beurt aan: “Camembert, gorgonzola, roquefort. Neem maar.”
Ze keek Eli bemoedigend aan en Eli nam een crackertje, stopte het in haar mond en kauwde langzaam. De vrouw knikte en keerde haar blik weer naar het scherm. Eli spuugde de plakkerige crackermassa in haar hand en liet het goedje naast de leuning op de vloer vallen.
“Wanneer ga je weg?” vroeg de vrouw.
“Straks.”
“Blijf zolang je wilt. Mij maakt het niet uit.”
Eli ging dichter bij haar zitten, als om beter tv te kunnen kijken, totdat hun armen elkaar raakten. Er gebeurde iets met de vrouw. Ze rilde en zakte in elkaar, werd zacht als een doorgeprikt pak koffie. Nu keek ze met een milde, dromerige blik naar Eli.
“Wie ben je?”
Eli’s ogen waren maar een paar decimeter van de hare verwijderd. De ziekenhuisgeur dampte uit de mond van de vrouw.
“Ik weet het niet.”
De vrouw knikte, reikte naar de afstandsbediening op de salontafel en zette het geluid van de tv uit.
In het voorjaar bloeit Zuid-Georgië met een sobere schoonheid …
Het smeken van de kat was nu duidelijk te horen, maar het leek de vrouw niet te deren. Ze wees naar Eli’s bovenbenen. “Mag ik …?”
“Natuurlijk.”
Eli schoof een eindje bij de vrouw weg, die haar benen onder zich optrok en met haar hoofd op Eli’s benen ging liggen. Eli streelde haar zachtjes over het haar. Zo bleven ze een poosje zitten. Glinsterende walvisruggen doorbraken de zeespiegel, spoten een fontein van water uit en verdwenen.
“Vertel eens iets aan me”, zei de vrouw.
“Wat moet ik vertellen?”
“Een mooi verhaal.”
Eli streek een lok van het haar van de vrouw achter haar oor. Ze haalde nu rustig adem en haar lichaam was helemaal ontspannen. Eli sprak met zachte stem.
“Er was eens … heel lang geleden. Een arme boer. Zijn vrouw en hij hadden drie kinderen. Een zoon en een dochter die oud genoeg waren om samen met de volwassenen aan het werk te gaan. En een jonger zoontje van nog maar elf. Iedereen die hem zag, zei dat hij het mooiste kind was dat ze ooit hadden gezien.
De vader was horige en moest vele dagen werken bij de landheer die de grond bezat. Daarom moesten de moeder en de kinderen vaak voor het huis en de tuin van het gezin zorgen. Aan het jongste kind hadden ze niet veel.
Op een dag schreef de landheer een wedstrijd uit waaraan alle families op zijn landgoederen moesten deelnemen. Iedereen die een zoon tussen de acht en de twaalf had. Er werden geen beloningen en geen prijs uitgeloofd. Toch werd het een wedstrijd genoemd.
Op de dag van de wedstrijd nam de moeder haar jongste mee naar het slot van de landheer. Ze waren niet de enigen. Er stonden al zeven kinderen met één of beide ouders bijeen op de binnenplaats van het kasteel. En er kwamen er nog drie bij. Arme gezinnen, de kinderen gekleed in de mooiste kleren die ze hadden.
Ze stonden de hele dag te wachten op de binnenplaats. Toen het donker werd, kwam er een man uit het kasteel die zei dat ze nu naar binnen mochten.”
Eli luisterde naar de ademhaling van de vrouw, diep en langzaam. Ze sliep. Haar adem was warm op Eli’s schoot. Vlak onder haar oor kon Eli haar bloed zien kloppen onder de slappe, rimpelige huid.
De kat was stil.
Op de tv liep nu de aftiteling van het natuurprogramma. Eli legde haar wijsvinger op de halsslagader van de vrouw, ze voelde het tikkende vogelhartje onder haar vingertop.
Eli duwde haar rug tegen de rugleuning van de bank en schoof het hoofd van de vrouw voorzichtig een eindje op, zodat het op Eli’s knieën rustte. De scherpe geur van de roquefortkaas zwakte alle andere geuren af. Eli trok een deken van de rugleuning, boog naar voren en legde de deken over de kaasjes heen.
Een zwak piepen; de ademhaling van de vrouw. Eli boog naar beneden, hield haar neus vlak bij de slagader van de vrouw. Zeep, zweet, geur van oude huid … die ziekenhuislucht … nog iets, wat de eigen geur van de vrouw was. En onder alles, door alles heen: het bloed.
De vrouw kreunde toen Eli’s neus haar hals raakte en haar hoofd opzijduwde, maar Eli nam met haar ene arm de armen en de borst van de vrouw in een vaste greep en hield met de andere haar hoofd vast. Ze deed haar mond zo ver mogelijk open, bracht die naar de hals van de vrouw totdat haar tong tegen de slagader werd geduwd en beet dicht. Ze zette haar kaken op slot.
De vrouw spartelde alsof ze een schok had gekregen. Ze spreidde haar lichaam en haar voeten stootten krakend tegen de armleuning, zo hard dat de vrouw omhoog vloog en met haar rug op Eli’s knieën terechtkwam.
Het bloed spoot stootsgewijs uit de open ader en gutste op het bruine leer van de bank. De vrouw schreeuwde en zwaaide met haar handen, trok de deken van tafel. Een zucht schimmelkaas vulde haar neusgaten toen Eli zich languit op de vrouw stortte, haar mond tegen haar hals duwde en dronk met volle teugen. Het geschreeuw van de vrouw sneed in haar oren en Eli liet haar ene arm los om een hand op haar mond te kunnen leggen.
Het geschreeuw werd gesmoord, maar de vrije hand van de vrouw zwaaide over de salontafel, kreeg de afstandsbediening te pakken en sloeg Eli ermee op het hoofd. Plastic versplinterde terwijl op hetzelfde moment het geluid van de tv aanging.
De herkenningsmelodie van Dallas stroomde door het vertrek en Eli rukte haar hoofd los van de hals van de vrouw.
Het bloed smaakte naar geneesmiddel. Morfine.
De vrouw keek met grote ogen op naar Eli. Nu proefde Eli nog een smaak. Een bedorven smaak die samensmolt met de geur van schimmelkaas.
Kanker. De vrouw had kanker.
Haar maag kromp ineen van afschuw en Eli moest de vrouw loslaten en rechtop op de bank gaan zitten om niet over te geven.
De camera vloog over Southfork, terwijl de muziek zijn crescendo naderde. De vrouw schreeuwde niet meer, ze lag stil op haar rug terwijl het bloed in steeds zwakkere stoten uit haar werd gepompt en in stroompjes achter de kussens van de bank liep. Haar ogen waren vochtig, afwezig, terwijl ze Eli’s blik zocht en zei: “Alsjeblieft … alsjeblieft ...”
Eli slikte een braakneiging in, boog zich over de vrouw heen.
“Pardon?”
“Alsjeblieft …”
“Ja. Wat moet ik doen?”
“… alsjeblieft … alsjeblieft …”
Na een poosje veranderden de ogen van de vrouw, ze werden star. Zagen niets meer. Eli sloot haar oogleden. Ze gingen weer open. Eli pakte de deken van de vloer en legde die over haar gezicht, ze ging rechtop op de bank zitten.
Het bloed was wel voedzaam, ook al smaakte het beroerd, maar de morfine …
Op het tv-scherm een wolkenkrabber van spiegels. Een man in pak met een cowboyhoed op stapte uit een auto en liep naar de wolkenkrabber. Eli probeerde op te staan van de bank. Het lukte niet. De wolkenkrabber begon over te hellen, te draaien. De spiegels reflecteerden de wolken die in slow motion langs de hemel gleden en de vorm aannamen van dieren en planten.
Eli moest lachen toen een man met een cowboyhoed op achter een bureau ging zitten en Engels begon te praten. Eli verstond wat hij zei, maar het sloeg nergens op. Eli keek om zich heen. De hele kamer helde nu zo sterk dat het vreemd was dat de tv niet wegrolde. Het gepraat van de cowboy echode door haar hoofd. Eli keek waar de afstandsbediening lag, maar die lag in stukken over de tafel en de vloer verspreid.
Ik moet die cowboy stil zien te krijgen.
Eli liet zich op de vloer glijden en kroop op handen en voeten naar de tv, terwijl de morfine bedwelmend door haar lichaam schoot, ze lachte naar de personen die oplosten in alleen maar kleuren, kleuren. Ze kon het niet. Ze zakte plat op haar buik voor de tv in elkaar, terwijl de kleuren in haar ogen spatten.
Er waren nog steeds een paar kinderen op snowracers aan het sleeën op de helling tussen de Björnsonsgatan en het veldje bij de parkweg. De Dodenhelling, zoals hij om de een of andere reden heette. Drie schaduwen zetten tegelijkertijd af op de top en er klonk een luide vloek toen een van de schaduwen het bos in werd geduwd, gelach van de beide anderen die verder de heuvel af gleden, over een hobbel vlogen en met doffe klappen en gerammel neerkwamen.
Lacke bleef staan, hij keek naar de grond. Virginia probeerde hem voorzichtig mee te krijgen. “Toe nou, Lacke.”
“Het is zo verschrikkelijk moeilijk.”
“Ik kan je niet dragen, hoor.”
Een snuiven dat waarschijnlijk een lach was, ging over in hoesten. Lacke liet haar schouders los, liet zijn armen hangen en keerde zijn hoofd naar de sleeheuvel.
“Verdorie, die kinderen zijn daar aan het sleetjerijden, en daar …”, hij maakte een vaag gebaar naar de brug aan het eind van de heuvel waar de helling deel van uitmaakte, “… daar is Jocke vermoord.”
“Daar moet je nu niet meer over nadenken.”
“Hoe kan ik ermee stoppen? Misschien heeft een van die kinderen het wel gedaan.”
“Daar geloof ik niks van.”
Ze pakte zijn arm en wilde die weer om haar nek leggen, maar Lacke trok hem terug. “Nee, ik kan wel lopen.”
Lacke liep voorzichtig over de parkweg. De sneeuw knerpte onder zijn voeten. Virginia stond stil naar hem te kijken. Daar liep hij, de man van wie ze hield en met wie ze onmogelijk kon leven.
Ze had het geprobeerd.
Acht jaar geleden, toen Virginia’s dochter net uit huis was gegaan, was Lacke bij haar ingetrokken. Virginia werkte toen ook al in de ica-winkel aan de Arvid Mörnesvägen, boven het Chinapark. In die straat woonde ze zelf ook, in een tweekamerflat met keuken, slechts drie minuten van haar werk.
Tijdens de vier maanden dat ze samenwoonden kwam Virginia er niet achter wat Lacke eigenlijk dééd. Hij had verstand van elektriciteit; zette een dimmer op de lamp in de woonkamer. Hij kon lekker koken; verraste haar een paar keer met fantastische maaltijden, met vis als basis. Maar wat dééd hij?
Hij zat in huis, maakte een wandelingetje, praatte met mensen, las een heleboel boeken en kranten. Dat was alles. Voor Virginia, die toen ze van school kwam meteen was gaan werken, was dat een onbegrijpelijke manier van leven. Ze had gevraagd: “Zeg, Lacke, ik bedoel er niks mee … maar wat dóé je eigenlijk? Hoe kom je aan geld?”
“Ik heb geen geld.”
“Een béétje geld heb je wel.”
“Dit is Zweden. Zet een stoel op het trottoir. Ga erop zitten en wacht. Als je lang genoeg wacht, komt er iemand die je geld geeft. Of op een andere manier voor je zorgt.”
“Kijk je zo ook tegen mij aan?”
“Virginia. Als je zegt: ‘Lacke, ga weg’. Dan ga ik weg.”
Het had een maand geduurd voordat ze het had gezegd. Toen had hij zijn kleren in één tas gepropt, zijn boeken in een andere. En was weggegaan. Vervolgens had ze hem een halfjaar niet gezien. In die periode was ze meer gaan drinken, in haar een-tje.
Toen ze Lacke weer zag, was hij veranderd. Bedroefder. In dat halve jaar had hij bij zijn vader gewoond, die kanker had en wegkwijnde in een huis ergens in Småland. Toen zijn vader was overleden, hadden Lacke en zijn zus het huis geërfd, het verkocht en het geld gedeeld. Lackes deel was genoeg voor een flatje met lage maandlasten in Blackeberg en daar wilde hij nu voorgoed blijven.
In de jaren die volgden, zagen ze elkaar steeds vaker bij de Chinees, waar Virginia ook bijna elke avond kwam. Soms gingen ze samen naar huis, vrijden stilletjes, en zoals ze stilzwijgend waren overeengekomen was Lacke weg als zij de volgende dag thuiskwam van haar werk. Ze hadden een latrelatie op maximaal vrijwillige basis; soms gingen er twee, drie maanden voorbij zonder dat ze het bed deelden, en ze vonden het beiden prima zoals het nu ging.
Ze kwamen langs de ica met reclames voor goedkoop gehakt en ‘Eet, drink en wees vrolijk’. Lacke bleef op haar staan wachten. Toen ze naast hem kwam lopen, stak hij zijn ene arm naar haar uit. Virginia haakte haar arm in de zijne. Lacke knikte in de richting van de winkel.
“En je werk?”
“Hetzelfde als altijd.” Virginia bleef staan, wees. “Dat heb ik gemaakt.”
Een bord waarop stond tomaten in blokjes. drie blikjes voor 5,-.
“Mooi.”
“Vind je?”
“Ja. Je krijgt gewoon zin in blokjes tomaat.”
Ze gaf hem voorzichtig een por in zijn zij. Voelde zijn ribben tegen haar elleboog. “Weet jij nog wel hoe eten smaakt?”
“Je hoeft niet …”
“Nee, maar dat ga ik wél doen.”
“Eeeeli … Eeeeliii …”
De stem uit de tv was bekend. Eli probeerde ervoor weg te lopen, maar haar lichaam gehoorzaamde niet. Alleen haar handen gleden in slow motion over de vloer, op zoek naar iets om zich aan vast te houden. Ze vonden een snoer. Ze kneep er hard in, alsof het een reddingslijn was uit een tunnel met aan het eind de tv die tegen haar praatte.
“Eli … waar ben je?”
Haar hoofd was zo zwaar dat ze het niet van de grond kon tillen; Eli kon alleen haar ogen oprichten naar het scherm en, natuurlijk … Hij was het.
Op de schouders van de zijden jas lagen lichte strengen van de blonde pruik van mensenhaar, die het vrouwelijke gezicht nog kleiner deed lijken dan het was. De dunne lippen waren samengeperst, omhooggetrokken in een lippenstiftglimlach, glanzend als een meswond in het bleek gepoederde gezicht.
Eli slaagde erin haar hoofd een klein stukje op te tillen en ze zag Zijn hele gezicht. Blauwe, kinderlijk grote ogen, en boven de ogen … de lucht werd in stootjes uit Eli’s longen geperst, haar hoofd viel slap op de grond, zodat haar neusbeen kraakte. Grappig. Op Zijn hoofd droeg Hij een cowboyhoed.
“Eeeliii …”
Andere stemmen. Kinderstemmen. Eli tilde haar hoofd weer op, trillend als een zuigeling. Druppels van het zieke bloed stroomden uit Eli’s neus, in haar mond. De man had zijn armen gespreid in een verwelkomend gebaar, hij liet de voering van de jas zien. De voering golfde, krioelde, bestond uit lippen. Honderden kinderlippen, die zich vertrokken in grimassen, hun verhaal vertelden, Eli’s verhaal.
“Eli … kom naar huis …”
Eli snikte en deed haar ogen dicht. Ze wachtte op de koude greep om haar nek. Er gebeurde niets. Ze deed haar ogen weer open. Het beeld was veranderd. Het toonde nu een lange rij kinderen in armoedige kleren, die over een sneeuwvlakte trokken, voortwaggelden in de richting van een ijskasteel aan de horizon.
Dit gebeurt niet.
Eli spuugde bloed naar de tv. Er kwamen rode vlekken op de witte sneeuw, ze liepen uit over het ijskasteel.
Dit bestaat niet.
Eli rukte aan de reddingslijn, probeerde zich uit de tunnel te trekken. Er klonk een klik toen de stekker losschoot uit het stopcontact en de tv uitging. Taaie strepen van met bloed vermengd speeksel liepen over het donkere scherm en drupten op de vloer. Eli liet haar hoofd op haar handen rusten en verdween in een donkerrode kolk.
Virginia maakte een snelle hap van stukjes vlees, ui en blokjes tomaat, terwijl Lacke ging douchen. Een hele poos. Toen het eten klaar was, ging ze bij hem in de badkamer kijken. Hij zat met zijn hoofd naar beneden in de badkuip, de douchekop rustte slap in zijn nek. De ruggenwervels een rij pingpongballetjes onder de huid.
“Lacke? Het eten is klaar.”
“Mooi. Mooi. Zit ik hier al lang?”
“Nee. Maar ze belden net van het waterleidingbedrijf om te zeggen dat het grondwater opraakt.”
“Wat?”
“Kom nu maar.” Ze haalde haar badjas van het haakje en reikte hem die aan. Hij ging staan in de badkuip door met beide handen af te zetten tegen de rand. Virginia schrok toen ze zijn uitgemergelde lichaam zag. Lacke merkte het en zei: “Toen klom hij uit het bad, die oogstrelend schone godenzoon.”
Daarna aten ze en deelden een fles wijn. Lacke at niet veel, maar in elk geval iets. Ze deelden nog een fles in de woonkamer en daarna gingen ze naar bed. Ze lagen een poosje op hun zij naast elkaar en keken elkaar in de ogen.
“Ik ben gestopt met de pil.”
“O. We hoeven niet …”
“Nee, maar ik heb hem niet meer nodig. Geen menstruatie.”
Lacke knikte. Peinsde. Streelde haar wang.
“Vind je het erg?”
Virginia glimlachte.
“Jij bent waarschijnlijk de enige man die ik ken die op het idee zou komen dat te vragen. Ja, een beetje wel. Alsof … ja, wat mij tot vrouw maakt. Dat het niet meer zo is.”
“Mmm. Voor mij is het in elk geval genoeg.”
“Is dat zo?”
“Ja.”
“Kom dan.”
Dat deed hij.
Gunnar Holmberg sleepte met zijn voeten door de sneeuw om geen voetsporen achter te laten die het werk van de technische recherche zouden bemoeilijken, bleef staan en keek naar de sporen die van het huis wegvoerden. Het licht van de brand deed de sneeuw geelrood oplichten en de hitte was zo intens dat je er zweetdruppels van in je haargrens kreeg.
Holmberg had heel wat venijnige opmerkingen moeten incasseren vanwege zijn misschien wel naïeve geloof in de principiële goedheid van de jeugd. Die probeerde hij te versterken met zijn ijverige schoolbezoeken, met zijn vele lange gesprekken met jongeren die ontspoorden. Daarom werd hij zo onaangenaam getroffen door wat hij voor zijn voeten zag.
De sporen in de sneeuw waren afkomstig van kléíne schoenen. Niet eens van wat je een ‘jongere’ zou kunnen noemen, nee, dit waren sporen van kinderschoenen. Keurige kleine afdrukken op een behoorlijk grote afstand van elkaar. Iemand had gerend. Hard.
Uit zijn ooghoek zag hij aspirant Larsson dichterbij komen.
“Slepen met je voeten, verdorie!”
“Oeps, sorry.”
Larsson slofte door de sneeuw, kwam naast Holmberg staan. De aspirant had grote, ver uit elkaar staande ogen met een uitdrukking van voortdurende verbazing, die hij nu op de sporen in de sneeuw richtte.
“Potverdomme.”
“Ik had het zelf niet beter kunnen verwoorden. Het is een kind.”
“Maar … dat is gewoon …” Larsson volgde het spoor een eind met zijn blik, “puur hink-stap-sprong.”
“Een heel eind tussen de landingen, ja.”
“Niet zomaar een heel eind, het is … het is niet normaal. Zo ver als dat is.”
“Hoe bedoel je?”
“Ik doe aan hardlopen. Ik zou zo niet kunnen rennen. Niet meer dan … twee passen. En dit gaat het hele eind zo door.”
Staffan kwam aanrennen tussen de huizen, drong zich door de groep nieuwsgierigen heen die zich rond het perceel had verzameld en liep naar het groepje dat toezicht stond te houden terwijl een paar broeders het lichaam van een vrouw, bedekt met een blauw kleed, in een ambulance tilden.
“Is het gelukt?” vroeg Holmberg.
“Nee … gingen naar … de Bällstavägen en daarna … waren ze niet meer … te volgen … auto’s … moeten er honden op zetten.”
Holmberg knikte, luisterde naar een gesprek dat vlak naast hen plaatsvond. Een buurman, die getuige was geweest van een deel van de gebeurtenissen, bracht aan een rechercheur verslag uit van zijn indrukken.
“Eerst dacht ik dat het vuurwerk of zoiets was. Toen zag ik de handen … dat het wuivende handen waren. En zij kwam hier naar buiten … door het raam … ze kwam naar buiten …”
“Het raam was dus open?”
“Ja, open. En ze kwam erdoor naar buiten … en toen stond het huis in brand, hè. Dat zag ik toen. Dat het achter haar brandde … en ze kwam naar buiten … potverdorie. Ze stond in brand, hè, helemaal. En ze liep bij het huis weg …”
“Pardon. Ze liep? Ze rende niet?”
“Nee. Dat was juist zo verdomd … ze liep. Zwaaide zo met haar handen alsof ze … ik weet het niet. En toen bleef ze staan. Begrijpt u? Ze bleef dus stáán. Ze stond in brand, helemaal. Bleef zo staan. En keek om zich heen. Alsof … heel rustig. En toen liep ze weer verder. En toen was het … of het ophield, begrijpt u? Geen paniek of zo, ze … ja, verdomme … ze schreeuwde niet. Gaf geen kik. Ze zakte gewoon in elkaar. Viel op haar knieën. En toen … plof. In de sneeuw.
En toen was het net of … ik weet niet … het was allemaal zo ontzettend vreemd. Tóén kwam ik … toen holde ik naar binnen en ging een deken halen, twee dekens, en ik sprong weer naar buiten en … doofde het vuur. Verdorie … toen ze daar lag, dat was … nee, mijn god.”
De man bracht twee beroete handen naar zijn gezicht, hij huilde snikkend. De rechercheur legde een hand op zijn schouder.
“Misschien kunnen we hiervan morgen een formeler verslag opnemen. Maar u hebt dus niemand anders het huis zien verlaten?”
De man schudde zijn hoofd en de rechercheur maakte een notitie in zijn opschrijfboekje.
“Goed. Ik neem morgen contact met u op. Zal ik een broeder vragen u iets kalmerends te geven voordat ze weggaan, zodat u kunt slapen?”
De man wreef de tranen uit zijn ogen. Zijn handen lieten vochtige roetvegen achter op zijn wangen.
“Nee. Dat is … ik heb zelf anders wel.”
Gunnar Holmberg richtte zijn blik op het brandende huis. De inspanningen van de brandweer hadden resultaat gehad en er waren nauwelijks nog vlammen te zien. Alleen een enorme rookwolk die naar de nachtelijke hemel opsteeg.
Terwijl Virginia Lacke in haar armen nam en terwijl de rechercheurs afgietsels maakten van de sporen in de sneeuw, stond Oskar voor zijn raam naar buiten te kijken. De sneeuw had een deken over de bosjes onder zijn vensterbank gelegd en een witte glijbaan gemaakt, die zo dicht en ononderbroken was, dat je zou kunnen denken dat je ervan af kon glijden.
Eli was vanavond niet gekomen.
Oskar had van halfacht tot negen op de speelplaats gestaan, heen en weer gelopen, geschommeld en gekleumd. Geen Eli. Rond negen uur had hij zijn moeder voor het raam zien staan en hij was naar binnen gegaan, vol bange vermoedens. Dallas, chocolademelk en koffiebroodjes en zijn moeder die vragen stelde; hij had het bijna verteld, maar toch niet.
Nu was het even na twaalven en hij stond voor het raam met een knagend gevoel in zijn maag. Hij zette het raam op een kier en ademde de koude nachtlucht in. Was het echt vanwege haar dat hij had besloten terug te vechten? Ging het niet om hemzelf?
Jawel.
Maar vanwege haar.
Helaas. Het was zo. Als ze maandag achter hem aan kwamen, zou hij de puf, de kracht, de zin niet hebben om hen te weerstaan. Dat wist hij. Hij zou donderdag niet naar die training gaan. Nergens voor nodig.
Hij liet het raam een stukje openstaan in de vage hoop dat ze vannacht terug zou komen. Hem zou roepen. Als ze midden in de nacht weg kon gaan, kon ze ook midden in de nacht terugkomen.
Oskar kleedde zich uit en ging naar bed. Hij klopte op de muur. Geen antwoord. Hij trok het dekbed over zijn hoofd en ging op zijn knieën op bed zitten. Hij vouwde zijn handen, duwde zijn voorhoofd ertegenaan en fluisterde: “Lieve Heer. Laat haar alstublieft terugkomen. U krijgt wat U wilt. Al mijn tijdschriften, al mijn boeken en spullen. Wat U maar wilt. Maar maak dat ze terugkomt. Alstublieft, Heer.”
Hij bleef liggen, in elkaar gedoken onder de deken, totdat hij het zo warm kreeg dat hij ging zweten. Toen stak hij zijn hoofd weer naar buiten, legde het op het kussen. Kroop in elkaar in foetushouding. Deed zijn ogen dicht. Beelden van Eli, van Jonny en Micke en Tomas. Moeder. Vader. Een hele poos lag hij beelden op te roepen die hij wilde zien, toen begonnen ze hun eigen leven te leiden, terwijl hij weggleed in de slaap.
Eli en hij zaten op een schommel die steeds hoger schommelde. Hoger en hoger, totdat hij losraakte van zijn kettingen en wegvloog naar de hemel. Ze hielden de rand van de schommel stevig vast, hun knieën zaten tegen elkaar aangedrukt, en Eli fluisterde: “Oskar. Oskar …”
Hij deed zijn ogen open. De aardbol was uit en het maanlicht maakte alles blauw. Gene Simmons keek hem aan van de muur tegenover zijn bed, stak zijn lange tong uit. Hij kroop in elkaar, deed zijn ogen dicht. Toen hoorde hij het gefluister weer.
“Oskar.”
Het kwam bij het raam vandaan. Hij deed zijn ogen open en keek die kant op. Aan de andere kant van het raam zag hij de contouren van een klein hoofdje. Hij gooide het dekbed van zich af, maar voordat hij uit bed was, fluisterde Eli: “Wacht. Blijf liggen. Mag ik binnenkomen?”
Oskar fluisterde: “Jaaa …”
“Zeg dat ik binnen mag komen.”
“Je mag binnenkomen.”
“Ogen dicht.”
Oskar kneep zijn ogen dicht. Het raam zwaaide open; een koude tocht gleed door de kamer. Het raam werd voorzichtig gesloten. Hij hoorde Eli’s ademhaling, fluisterde: “Mag ik kijken?”
“Even wachten.”
De bedbank in de andere kamer kraakte. Zijn moeder stond op. Oskar had zijn ogen nog steeds dicht toen de deken van hem af getrokken werd en een koud, naakt lichaam achter hem kroop, het dekbed over hen beiden heen trok en achter zijn rug in elkaar kroop.
De deur van zijn kamer ging open.
“Oskar?”
“Mmm?”
“Was jij aan het praten?”
“Nee.”
Zijn moeder stond nog in de deuropening, luisterde. Eli lag doodstil achter zijn rug, duwde haar voorhoofd tussen zijn schouderbladen. Haar adem stroomde warm naar zijn onderrug.
Zijn moeder schudde haar hoofd.
“Dan zullen het die mensen van hiernaast wel geweest zijn.” Ze luisterde nog even, zei toen: “Welterusten, lieve jongen”, en sloot de deur.
Oskar was alleen met Eli. Achter zijn rug hoorde hij een fluistering.
“Die mensen van hiernaast?”
“Ssttt.”
Het kraakte toen zijn moeder weer op de bedbank ging liggen. Hij keek naar het raam. Dat was dicht.
Een koude hand kroop over zijn middel, werd op zijn borst gelegd, op zijn hart. Hij legde zijn beide handen op die hand, warmde hem. De andere hand wroette onder zijn oksel door, over zijn borst en tussen zijn handen. Eli draaide haar hoofd en ging met haar wang tegen zijn rug liggen.
Er was een nieuwe geur de kamer binnengekomen. Een zwakke geur van de motorbakfiets van zijn vader als die net was volgetankt. Benzine. Oskar boog zijn hoofd, rook aan haar handen. Ja. Daar kwam de geur vandaan.
Ze lagen een hele poos zo. Toen Oskar de slapende ademhaling van zijn moeder hoorde in de kamer ernaast, toen de klomp van hun handen door en door warm was en zweterig begon te worden op zijn hart, fluisterde hij: “Waar ben je geweest?”
“Eten halen.”
Haar lippen kietelden tegen zijn schouder. Ze maakte haar handen los uit de zijne, rolde op haar rug. Oskar lag nog even in Gene Simmons’ ogen te kijken. Toen ging hij op zijn buik liggen. Achter haar hoofd zag hij vaag dat de kleine figuurtjes op het behang nieuwsgierig naar haar keken. Haar ogen waren wijdopen, blauwzwart in het maanlicht. Oskar kreeg kippenvel op zijn armen.
“En je vader dan?”
“Weg.”
“Wég?” Oskar ging onwillekeurig harder praten.
“Ssttt. Dat maakt niet uit.”
“Maar … wat … heeft hij …”
“Het. Maakt. Niet. Uit.”
Oskar knikte ten teken dat hij niet verder zou vragen en Eli legde allebei haar handen onder haar hoofd en keek naar het plafond.
“Ik voelde me eenzaam. Dus ben ik hierheen gekomen. Is dat goed?”
“Ja. Maar … je hebt geen kleren aan.”
“Sorry. Vind je dat naar?”
“Nee. Maar heb je het niet koud?”
“Nee. Nee.”
De witte strengen in haar haar waren weg. Ja, ze zag er helemaal gezonder uit dan toen ze elkaar gisteren hadden gezien. Haar wangen waren ronder, Oskar zag dat er kuiltjes in kwamen toen hij voor de grap vroeg: “Je bent zo toch niet langs de kiosk van de Minnaar gelopen?”
Eli lachte, deed toen heel serieus en zei met een spookachtige stem: “Jawel. En weet je wat? Hij stak zijn hoofd naar buiten en zei: ‘Ko-o-o-om …. Ko-o-o-om … ik heb snoe-oe-oep en … banaaaanen …’”
Oskar boorde zijn gezicht in het kussen, Eli keerde zich naar hem toe, fluisterde in zijn oor: “Ko-o-o-om … spe-e-e-kjes … spe-e-e-kjes …”
Oskar riep: “Nee, nee!” in het kussen. Zo gingen ze nog even door. Toen keek Eli naar de boekenplank en Oskar vertelde in het kort de inhoud van zijn lievelingsboek Mist van James Herbert. Eli’s rug lichtte in het donker wit op als een groot vel papier, zoals ze daar op haar buik op het bed naar de boekenplank lag te kijken.
Hij hield zijn hand zo dicht bij haar huid dat hij er de warmte van kon voelen. Toen kromde hij zijn vingers en liep ermee over haar rug, fluisterde:
“Bok, bok. Hoeveel vingers steek ik … op?”
“Mmm. Acht?”
“Acht zei je en het waren er ook acht, bok, bok.”
Toen deed Eli het bij hem, maar hij voelde het lang niet zo goed als zij. Steen, schaar, papier won hij daarentegen met overmacht. Zeven-drie. Ze deden het nog een keer. Toen won hij met negen-één. Dat ergerde Eli een beetje.
“Wéét je wat ik ga kiezen?”
“Ja.”
“Hoe dan?”
“Dat weet ik gewoon. Dat is altijd zo. Ik krijg er een beeld van, of zoiets.”
“Nog een keer. Nu ga ik niet denken. Alleen doen.”
“Probeer maar.”
Ze deden het nog eens. Oskar won met acht-twee. Eli deed of ze woedend was, ging met haar gezicht naar de muur liggen.
“Ik doe niet meer met jou. Je speelt vals.”
Oskar keek naar haar witte rug. Durfde hij het? Ja, nu ze niet naar hem keek, kon het.
“Eli. Wil je verkering met me?”
Ze draaide zich om, trok het dekbed op tot aan haar kin.
“Wat houdt dat in?”
Oskar richtte zijn blik op de ruggen van de boeken voor hem, haalde zijn schouders op.
“Dat … of je met mij samen wilt zijn, eigenlijk.”
“Hoezo ‘samen’?”
Haar stem klonk achterdochtig, hard. Oskar haastte zich om te zeggen: “Misschien heb je op school al een vriendje.”
“Nee, maar … Oskar, ik kan niet … Ik ben geen meisje.”
Oskar snoof. “Wat dan? Ben je een jóngen of zo?”
“Nee. Nee.”
“Wat ben je dan?”
“Niets.”
“Hoezo ‘niets’?”
“Ik ben niets. Ik ben geen kind. Ik ben niet oud. Ik ben geen jongen en geen meisje. Ik ben niets.”
Oskar ging met zijn vinger over de rug van De Ratten, kneep zijn lippen op elkaar, schudde zijn hoofd. “Wil je verkering met me of niet?”
“Oskar, ik zou het graag willen, maar … kunnen we het niet gewoon zo houden?”
“… jawel.”
“Vind je het erg? We kunnen wel zoenen, als je wilt.”
“Nee!”
“Wil je dat niet?”
“Nee, dat wil ik niet!”
Eli fronste haar wenkbrauwen.
“Moet je iets speciaals dóén met degene met wie je verkering hebt?”
“Nee.”
“Is het gewoon … net als anders?”
“Ja.”
Eli’s gezicht klaarde op, ze vouwde haar handen op haar buik en keek Oskar aan.
“Dan heb je verkering met me. Dan zijn we samen.”
“Echt waar?”
“Ja.”
“Fijn.”
Met een stille vreugde in zijn buik ging Oskar verder met het bestuderen van de ruggen van de boeken. Eli lag stil te wachten. Na een poosje zei ze: “Verder niets?”
“Nee.”
“Kunnen we niet weer zo gaan liggen als zonet?”
Oskar ging met zijn rug naar haar toe liggen. Ze sloeg haar armen om hem heen en hij pakte haar handen in de zijne. Zo bleven ze liggen totdat Oskar slaap begon te krijgen. Zijn oogleden werden zwaar, hij had moeite zijn ogen open te houden. Voordat hij de slaap binnengleed, zei hij: “Eli?”
“Mmm?”
“Fijn dat je gekomen bent.”
“Ja.”
“Waarom … ruik je naar benzine?”
Eli’s handen duwden harder tegen zijn handen, tegen zijn hart. Ze knepen. De kamer werd groter om Oskar heen, de muren en het dak werden zacht, de vloer viel weg en toen hij voelde dat het hele bed vrij door de lucht zweefde, begreep hij dat hij sliep.