2
In hogere kringen

Onze eerste officiële daad als hondenbezitters was ruziemaken.

Het begon op de terugweg van de fokker en zette zich de daaropvolgende week met vlagen voort. We konden niet beslissen hoe we ons uitverkoophondje zouden noemen. Jenny schoot mijn voorstellen af en ik de hare. De strijd escaleerde op een ochtend voor we naar ons werk gingen.

‘Chélsea?’ zei ik. ‘Dat is zo’n meidennaam! Elke jongenshond zou zich doodschamen met een naam als Chelsea.’

‘Alsof hij dat zou weten,’ zei Jenny.

‘Hunter,’ zei ik. ‘Hunter is perfect.’

‘Húnter? Je houdt me toch zeker wel voor de gek, hè? Wat is dat nou voor naam! Veel te mannelijk. Bovendien heb je nooit één dag in je leven gejaagd.’

‘Het is een mannetje,’ zei ik, kokend van woede. ‘Hij hóórt mannelijk te zijn. Ga er nou niet een van je feministische statements van maken.’

Dit ging niet goed, het ging hard tegen hard. Terwijl Jenny zich opmaakte voor de tegenzet, probeerde ik snel terug te keren naar het overleg over mijn eerste kandidaat. ‘Wat is er mis met Louie?’

‘Niks, als je bij een benzinestation werkt,’ snauwde ze.

‘Hé! Rustig, hè? Dat is de naam van mijn opa. We moeten hem zeker naar jouw opa vernoemen? Braaf, Bíll!’

Terwijl we ruziemaakten, liep Jenny afwezig naar de stereo en drukte op ‘play’ van de cassetterecorder. Dat was een van haar huwelijkse gevechtsstrategieën. In geval van twijfel overstem je je tegenstander. De welluidende reggaeklanken van Bob Marley stroomden uit de luidsprekers en hadden bijna onmiddellijk een kalmerende invloed op ons allebei.

We hadden de overleden zanger pas ontdekt toen we vanuit Michigan naar Zuid-Florida verhuisden. In het blanke achterland van het noordelijke Midwesten waren we grootgebracht op een dieet van Bob Seger en John Cougar Mellencamp. Maar hier in de swingende etnische smeltkroes die Zuid-Florida heette, was de muziek van Marley, zelfs tien jaar na zijn dood, nog steeds overal te horen. We hoorden hem terwijl we over Biscayne Boulevard reden. We hoorden hem terwijl we café cubano in Little Havana zaten te drinken en hete Jamaicaanse kip aten in kleine eettentjes in de troosteloze immigrantenwijken ten westen van Fort Lauderdale. We hoorden hem terwijl we onze eerste gefrituurde schelpdieren aten op het Bahamian Goombay-festival in de wijk Coconut Grove in Miami en terwijl we in Key West op zoek waren naar Haïtiaanse kunst.

Hoe meer we op verkenning gingen, hoe verliefder we werden, zowel op Zuid-Florida als op elkaar. En altijd op de achtergrond, zo leek het, was daar Bob Marley. Hij was er terwijl we op het strand lagen te bakken, terwijl we de smerige groene muren van ons huis schilderden, wanneer we ’s ochtends vroeg wakker werden met het gekrijs van wilde papegaaien en vrijden terwijl het eerste licht door de Braziliaanse peperboom voor ons raam naar binnen sijpelde. We werden verliefd op zijn muziek om wat die was, maar ook om wat die vertegenwoordigde, namelijk het moment in ons leven dat we ophielden twee mensen te zijn en één werden. Bob Marley was de soundtrack van ons nieuwe leven samen op deze vreemde, exotische, chaotische plek die zo heel anders was dan iedere andere plek waar we ooit gewoond hadden.

En nu kwam uit de luidsprekers ons absoluut favoriete nummer, omdat het zo schrijnend mooi was en omdat het zo duidelijk op ons sloeg. Marley’s stem schalde door de kamer terwijl hij het refrein bleef herhalen: ‘Is this love that I’m feeling?’ en op precies hetzelfde moment, alsof we het wekenlang gerepeteerd hadden, schreeuwden we allebei: ‘Marley!’

‘Dat is ’m!’ riep ik uit. ‘Dat is onze naam.’ Jenny glimlachte, een goed teken. Ik probeerde het uit. ‘Marley, kom!’ beval ik. ‘Marley, blijf! Braaf, Marley!’

Jenny deed een duit in het zakje: ‘Je bent een schattehondje, Marley!’

‘Ja, volgens mij is het goed,’ zei ik. Volgens Jenny ook. Onze ruzie was voorbij. We hadden een naam voor ons nieuwe hondje.

De volgende avond na het eten kwam ik de slaapkamer binnen waar Jenny lag te lezen en zei: ‘Ik denk dat we de naam een beetje mooier moeten maken.’

‘Waar heb je het over?’ vroeg ze. ‘We vinden hem allebei prachtig.’

Ik had de registratiepapieren van de Amerikaanse kynologievereniging zitten lezen. Als raszuivere labrador waarvan beide ouders keurig geregistreerd stonden, had Marley ook recht op registratie. Dit was eigenlijk alleen echt nodig als je van plan was om met je hond naar tentoonstellingen te gaan of om ermee te fokken, in welk geval dit het allerbelangrijkste papier was. Voor een huisdier was het echter overbodig. Maar ik had grootse plannen met onze Marley. Dit was de eerste keer dat ik te maken kreeg met iets dat op adel leek, inclusief mijn eigen familie. Net als de heilige Shaun was ik een mengelmoes van onbestemde en onbelangrijke rassen. Ik stamde van meer volkeren af dan de Europese Unie telde. Door deze hond kwam ik dichter bij blauw bloed dan ik ooit zou komen en ik wilde die kans niet voorbij laten gaan. Ik moet toegeven dat ik een beetje sterallures kreeg.

‘Stel dat we hem aan wedstrijden willen laten meedoen,’ zei ik. ‘Heb je ooit wel eens een kampioen met één naam gezien? Ze hebben altijd van die lange titels, als sir Dartworth van Cheltenham.’

‘En zijn baasje, sir Mafketel van West Palm Beach,’ zei Jenny.

‘Ik meen het,’ zei ik. ‘We zouden geld kunnen verdienen door hem als dekreu uit te lenen. Weet je wat mensen betalen voor dekreuen? Zij hebben allemaal deftige namen.’

‘Wat je maar gelukkig maakt, schat,’ zei Jenny, en ging verder met haar boek.

De volgende ochtend, nadat ik de halve nacht brainstormend had doorgebracht, zette ik haar bij de wastafel in de badkamer klem en zei: ‘Ik heb de perfecte naam bedacht.’

Ze keek me sceptisch aan. ‘Zeg het maar,’ zei ze.

‘Goed. Ben je er klaar voor? Daar komt-ie.’ Ik liet ieder woord langzaam over mijn lippen rollen: ‘Grogans… Majesteitelijke… Marley… van… Churchill.’ Man, dacht ik, klinkt dat even koninklijk.

‘Man,’ zei Jenny, ‘klinkt dat even stom.’

Het kon me niets schelen. Ik was van de administratie en ik had de naam al ingevuld. Met inkt. Jenny kon gnuiven zoveel ze wilde; wanneer Grogans Majesteitelijke Marley van Churchill over een paar jaar de eerste prijs won op de Westminster Kennel Club Dog Show en ik triomfantelijk voor een vertederd internationaal televisiepubliek met hem door de ring stapte, dan zouden we nog wel eens zien wie er lachte.

‘Kom op, maffe markies van me,’ zei Jenny. ‘Laten we gaan ontbijten.’