Multicultureel land

Terwijl de verzuiling als ordening van de Nederlandse samenleving wegsmolt, nam vanaf de jaren 1960 de culturele diversiteit spectaculair toe. Daar zorgden vooral de ‘gastarbeiders’ voor die vanaf de jaren zestig eerst uit Zuid-Europa en later uit Turkije en Marokko naar Nederland kwamen en zich hier vervolgens met hun gezinnen vaak definitief vestigden. Kort na de oorlog hadden inwoners van de voormalige kolonie Nederlands-Indië al nieuwe gewoontesmeegebracht. De in 1975 met medewerking van de Nederlandse regering uitgeroepen onafhankelijkheid van Suriname bracht vervolgens nog een grote toevloed van Surinamers teweeg die in hun geboorteland geen toekomst zagen. Eind 1975 woonde eenderde van de totale Surinaamse bevolking in Nederland, dat ‘koude kikkerland’. Deze enorme instroom van buitenlanders, een ontwikkeling die vergelijkbaar is met die in andere West-Europese landen, veranderde onontkoombaar het karakter van de samenleving. Vooral in de grote steden ondergingen hele wijken een gedaantewisseling, waardoor scholen en het winkelaanbod daar eveneens een andere samenstelling kregen. Wat eens exotisch was, kon nu op de hoekworden gekocht. Die ontwikkeling zagen velen met interesse en enthousiasme aan, maar de inpassing van zoveel nieuwkomers zorgde ook voor problemen. Vaak ging het om mensen die ongeschoold waren en in de armste wijken terechtkwamen. Altijd week hun culturele achtergrond af van die van de oorspronkelijke bewoners. Hun ‘vreemde’ gewoonten en gebruiken en het feit dat velen islamitisch waren, bracht nogal eens een gevoel van onbehagen teweeg. Tegen het jaar 2000 behoorde zo’n 10% van de Nederlandse bevolking tot een, zoals het genoemd werd, etnische minderheid, of was, in andere woorden, van allochtone herkomst.

Op het internationale vlak traden er vanaf de jaren 1980 verschuivingen op die van grote invloed op Nederland waren. De val van de communistische regimes in Midden- en Oost-Europa, het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en van enkele naburige landen en de hereniging van West- en Oost-Duitsland – alle met elkaar samenhangende ontwikkelingen die rond 1990 plaatsgrepen – veranderden de internationale verhoudingen essentieel. In de jaren die volgden werd besloten dat een deel van de landen die tot het voormalige zogeheten Oostblok hadden behoord, in bestaande westerse organisaties als de NAVO en de Europese Unie zouden worden opgenomen. Tegelijkertijd zorgde het uiteenvallen van Joegoslavië binnen Europa voor een ernstig conflict. De burgeroorlog die daar ontstond, leidde tot ingrijpen van de internationale gemeenschap. Nederland deed daar met overtuiging aan mee. Maar in de zomer van 1995 viel het door Nederlandse VN-soldaten te beschermen Bosnische stadje Srebrenica zonder slag of stoot in Servische handen en werd een groot deel van de mannelijke bevolking uitgemoord. De val van Srebrenica was voor Nederland een traumatische ervaring, vooral doordat de betoonde goede wil niet strookte met de rauwe realiteit ter plekke, en leidde bijna zeven jaar later nog tot het voortijdig einde van het toenmalige kabinet.

Dat kabinet had onder leiding gestaan van PvdA-voorman Wim Kok, die sinds 1994 premier was. Hij leidde achtereenvolgens twee kabinetten waarin voor het eerst sinds 1908 geen christelijke partijen zitting hadden. Er waren twee politieke stromingen in vertegenwoordigd die in veel opzichten elkaars tegenpolen zijn: liberalen en sociaal-democraten. Mede hieromhield deze regering het voor Nederland zo kenmerkende harmoniemodel in ere. Dit ‘poldermodel’ werd zelfs bijna een exportproduct, een voorbeeld voor buitenlandse politici hoe een land te besturen. Economisch ging het in die jaren weer heel goed in Nederland. De welvaart steeg spectaculair en net als in de jaren zestig leek het alsof de bomen tot in de hemel konden groeien. Veel politici begonnen aan oude ideologische scheidslijnen minder belang te hechten. Zo kon het handhaven van de verzorgingsstaat – vooral voor sociaal-democraten een essentieel punt – hand in hand gaan met een vergaande privatisering van vaak traditionele overheidstaken, wat vooral een liberaal streven is. Maar bij de Tweede-Kamerverkiezingen die in 2002 na de val van het tweede kabinet-Kok nodig waren, werd het zo bejubelde poldermodel hard onderuit gehaald. Het sterk bestuurlijke en eigenlijk niet-politieke karakter van dit kabinet bleek nu zijn zwakte. De kloof tussen bestuur en bevolking bleek enormte zijn gegroeid en onder de oppervlakte van de zo welvarende samenleving broeide veel onrust. Hier droegen de toenemende bureaucratisering én tegelijkertijd de privatisering van allerlei overheidstaken, het toenemende multiculturele karakter van de samenleving én de groeiende macht van ‘Europa’ direct aan bij. Er ontstond een breed gedragen gevoel dat er te veel over de gezamenlijke toekomst werd bedisseld zonder dat er van een werkelijke betrokkenheid van de bevolking sprake was. Verwijten over ondoorzichtige ‘achterkamertjespolitiek’ en de indruk dat politici als wezenlijk gevoelde problemen bagatelliseerden, uitten zich in de aanloop tot de verkiezingen in een ongekende populariteit van een tot dan toe onbekend politicus, Pim Fortuyn. Hij sloot zich niet aan bij een bestaande politieke partij, maar begon, met wat haperingen, een eigen beweging, die zelfs als grote overwinnaar uit de bus leek te zullen komen. Veel van de wat genoemd werd traditionele politieke partijen stevenden af op een zware nederlaag. Kort voor de verkiezingen werd Fortuyn vermoord – een voor Nederland ongekende gebeurtenis die een enorme schok veroorzaakte. Zijn aanhangers kwamen toch nog als tweede partij in het parlement terecht en namen zitting in de regering, maar zonder Fortuyn bleken zij geen grote rol te kunnen spelen. Desondanks hebben er de laatste jaren belangrijke veranderingen in de Nederlandse samenleving plaatsgevonden, waarvan Fortuyn als vertolker van allerlei onrustgevoelens de aanjager was.

img0025.jpg

Tijdens de verkiezingscampagne in 1981 probeerde PvdA-lijsttrekker J.M. den Uyl, van 1973 tot 1977 minister-president van een veelbesproken kabinet, op 6 mei in Bergen op Zoomcontact temakenmet een Marokkaanse inwoonster van een saneringswijk in die stad. Fotograaf Eduard de Kamlegde vast dat dit niet vanzelf ging.

Internationale ontwikkelingen speelden bij dit alles een belangrijke rol. De aanval op 9 september 2001 door een groep extremistische islamitische terroristen met twee volle passagiersvliegtuigen op het World Trade Center in New York en met een derde vliegtuig op het Pentagon in Washington had wereldwijd gevolgen, en was dus ook in Nederland merkbaar. De Verenigde Staten riepen een ‘oorlog tegen het terrorisme’ uit, waar ook ons land bij betrokken raakte. Eerst werd met succes het Talibanregime uit Afghanistan verdreven, het land dat de thuisbasis was van veel islamterrorisme, met de Saoediër Osama bin Laden als leider. Vervolgens vielen de Verenigde Staten in 2003 Irak binnen met als doel de dictator Sadam Hoessein te verdrijven. Nederland ondersteunde deze oorlog, zij het niet actief, maar zelfs dit besluit stuitte in het parlement en in de samenleving op veel verzet. Na afloop van de werkelijke strijd stelde Nederland zowel in Irak als in Afghanistan troepen beschikbaar die de vrede en orde moesten handhaven. De internationale strijd tegen extremistische moslims verscherpte in Nederland zelf de tegenstellingen tussen autochtone Nederlanders en hier woonachtige moslims, zeker nadat in 2004 een extremist de opiniemaker en cineast Theo van Gogh in koelen bloede vermoordde.

Als een van de oprichters van wat nu de Europese Unie heet, was Nederland hiervan lang een trouw lid geweest. Maar doordat in toenemende mate in Brussel en niet meer in Den Haag belangrijke beslissingen over de toekomst van Nederland worden genomen en steeds vaker Europese regelgeving bepalend is voor de gang van zaken en steeds minder de eigen Nederlandse wetgeving – dit proces is nog steeds gaande – ontstond het gevoel dat er wel over ons, maar ook zonder ons allerlei wezenlijke besluiten worden genomen. Omdat meer landen deel gingen uitmaken van de Europese gemeenschap, nam de Nederlandse invloed binnen Europa bovendien af. De invoering eind 2001 van een gemeenschappelijke Europese munt, de Euro, waarmee een eind kwam aan de gulden als – eeuwenoude – nationale munt, was enerzijds een hoogtepunt voor de Europese gedachte, maar versterkte anderzijds het onbehagen, ook omdat het leven vervolgens op allerlei gebied duurder werd. De toenemende huiver voor Europa als ondoorzichtig, log en onbeheersbaar lijkend fenomeen, vertaalde zich in juni 2005 in een referendum waarbij de Nederlandse bevolking de nieuwe Europese grondwet verwierp. Samen met de afwijzing door Frankrijk zorgde dit voor een crisis binnen Europa zelf.

De samenleving zelf werd diverser en complexer, ook als gevolg van de snelle digitalisering dankzij computers en het internet. Het vertrouwde, het eigene kwamonder druk te staan. Als tegenwicht is een trend ontstaan om juist de Nederlandse identiteit centraal te stellen en zich tegen verdergaande Europeanisering te keren. Sommigen waarschuwen zelfs voor een islamisering. Populistische partijen en bewegingen ter rechter- en ter linkerzijde hebben sinds Fortuyn hiermee een groot deel van de kiezers achter zich gekregen. De traditionele partijen – CDA, PvdA en VVD – zijn in de verdrukking gekomen, al vormen zij tot nu toe in wisselende combinaties wel de meerderheid en zijn zij onder leiding van CDA-politicus Jan Peter Balkenende de opeenvolgende kabinetten blijven vormen. Bij een groot deel van de bevolking is van binding aan één partij geen sprake meer en het lijkt erop dat de verzuiling in Nederland definitief verleden tijd is. De identificatiemet Nederland zelf neemt tegelijkertijd toe. De roep om inburgering en aanpassing door allochtonen aan Nederlandse normen en gewoontes wordt inmiddels politiek breed gedragen, waardoor volgens sommigen het tolerante imago van het land onder druk komt te staan.

Zo wordt het eerste decennium van de 21e eeuw door een zekere crisissfeer gekenmerkt, ook al gaat het economisch over het algemeen beter dan in de meeste andere landen en geven Nederlanders in enquêtes vaak aan zich gelukkig te voelen. Maar Nederland is en blijft een dichtbevolkt land met ruim 16 miljoen inwoners, dat door zijn internationale oriëntatie bovendien snel het effect van ontwikkelingen elders voelt. De verschuiving van het economische gewicht naar zich in rap tempo industrialiserende Aziatische landen, China en India voorop, zal ook voor Nederland gevolgen hebben. Dat geldt zeker ook voor de economische crisis die eind 2008 als gevolg van een oververhitte financiële markt wereldwijd uitbrak. Daar komt de toenemende zorg over de opwarming van de aarde bij, die, naar wordt voorspeld, tot klimaatveranderinge en een stijging van de zeespiegel zal leiden. De kwetsbare ligging aan zee en aan de monding van de grote rivieren noopt nu, net als in het verleden, tot ingrijpende maatregelen. Misschien wel meer dan ooit is Nederland nu onderdeel van de wereld; juist als reactie hierop groeit de neiging het typisch Nederlandse element te versterken.

Nederland is in zijn lange geschiedenis steeds een eigen weg gegaan, maar dat was zelden of nooit een eenzame weg. Met vallen en opstaan en na nooit-gedachte mogelijkheden en onverwachte moeilijkheden heeft die weg geleid tot het volle, burgerlijke, multiculturele, pragmatisch-tolerante, naar de buitenwereld gerichte land dat het nog steeds is. Door zijn geschiedenis heeft het land een eigen identiteit, die bewust of onbewust door vrijwel iedere bewoner met zich meegedragen wordt. Natuurlijk zal Nederland blijven veranderen, dat doet het voortdurend. Welke kant het op gaat, valt niet precies te zeggen – de geschiedenis heeft wel eerder voor verrassingen gezorgd. Maar de kans is groot dat het op basis van het verleden zijn eigen, herkenbare karakter zal behouden.