Verscherpte tegenstellingen

Het besluit nieuwe bisdommen op te richten was in 1559 door de paus en Filips II gezamenlijk genomen. Filips was op 22 oktober 1555 zijn vader Karel v opgevolgd als heer van de Nederlanden en zo’n drie maanden later ook als koning van Spanje. Als Duits keizer werd Karel opgevolgd door zijn broer Ferdinand.

Tijdens het bewind van Karel v had Antwerpen zich ontwikkeld tot het centrum van de wereldhandel. Steeds meer was de keizer op zijn rijke, welvarende Nederlandse gewesten gaan leunen. Maar de oorlogen die hij, en later zijn zoon, moesten voeren, trokken op die welvaart een zware wissel. Geregeld werden er nieuwe belastingen opgelegd om de strijd tegen Frankrijk of het Turkse rijk te bekostigen. Juist de welvarende kustprovincies moesten hiervoor grote bedragen neerleggen, al voelden zij zich bij die strijd niet of nauwelijks betrokken. Dat veranderde niet onder het bewind van zijn zoon.

In 1559 keerde Filips vanaf de rede van Vlissingen voorgoed naar zijn geboorteland Spanje terug – voor hem het centrum van zijn macht. De spanning in de Nederlanden was inmiddels hoog opgelopen. De al sinds Filips de Goede aanwezige tegenstelling tussen de wensen van de centrale staat en die van de gewesten leek tot een nieuw hoogtepunt te zijn gekomen, niet alleen door de aanhoudende financiële druk, maar ook door de onverminderde pogingen een modern en gecentraliseerd bestuursapparaat op te zetten. De adel en de gewesten werden nog verder op een zijspoor gerangeerd; vooral de hoge edelen, die al generaties lang invloedrijke posities bekleedden, voelden dat de macht hun aan het ontglippen was. De spanningen namen ook toe door een diepgaand verschil van mening over dissidente kerkelijke stromingen. Filips en zijn hoogste ambtenaar Granvelle wilden de strenge antiketterse maatregelen zonder enig pardon uitgevoerd zien, maar wisten hiervoor weinig bijval te krijgen. Zonder hiermee een protestantse voorkeur uit te spreken, bleken veel stads bestuurders de onrust die het vervolgen van andersgelovenden met zich meebracht te willen vermijden. Die was immers slecht voor de welvaart van stad en streek. In de praktijk stond de vervolging in grote delen van de Nederlanden op een laag pitje.

Op oudejaarsdag 1564 sprak een van de invloedrijkste hoge edelen, Willem van Oranje, zich namens zijn gelijken in het openbaar uit voor een mild vervolgingsbeleid. Maar vanuit het verre Spanje wilde Filips van geen compromis weten. In april 1566 bepleitte een grote groep lage edelen in een zogeheten smeekschrift bij landvoogdes Margaretha van Parma, die het gezag van Filips II formeel vertegenwoordigde, opnieuw een gematigde houding tegenover protestanten, alsmede eerbiediging van de eeuwenoude privileges die de gewesten en de edellieden zelf toekwamen. Toen de landvoogdes aan de bezwaren tegemoet leek te komen, durfden vooral calvinistische protestanten hun geloof openlijk te belijden. Aanvankelijk gebeurde dit in de openlucht buiten de steden, soms ook in ruimten als stallen en pakhuizen. Hun afkeer van katholieke gebruiken en hun behoefte aan eigen kerkgebouwen leidden op 10 augustus 1566 tot een uitbarsting: die dag vernielde een groep bewoners van het West-Vlaamse dorp Steenvoorde het interieur van de plaatselijke kerk. Binnen enkele dagen werd dit voorbeeld in andere plaatsen in de Nederlanden gevolgd. Deze zogeheten ‘Beeldenstorm’ was geen spontane actie, maar een weloverwogen daad die door de prille calvinistische organisaties was opgezet. Van een tegenactie door de overwegend katholieke stads- en dorpsbewoners was opmerkelijk genoeg geen sprake.

Filips toonde zich in Spanje uitermate verbolgen over deze ontwikkelingen en stelde vast dat zijn Nederlandse vertegenwoordigers jammerlijk hadden gefaald. In 1567 besloot hij tot het nemen van stevige maatregelen. Hij zond de Spaanse hertog van Alva als zijn nieuwe landvoogd met een grote troepenmacht naar de Nederlanden. Het was Alva’s uitdrukkelijke opdracht Filips’ gezag te herstellen en protestantse uitingen niet langer te tolereren. Daarmee negeerde de koning de adviezen van Willem van Oranje en andere hoge edelen. Na aankomst richtte Alva de Raad van Beroerten op, een rechtbank die tegenstanders van het gezagmoest veroordelen. Ruim elfduizend personen werden wegens verraad of ketterij verbannen en meer dan duizend anderen terechtgesteld. Bij elkaar zo’n zestigduizend mensen ontvluchtten de Nederlanden en wachtten elders – in Duitsland of Engeland – hun tijd af. Willemvan Oranje trok zich terug op het vaderlijke slot in het Duitse Dillenburg.

De maatregelen die Alva na zijn aankomst in de Nederlanden nam, waren niet alleen op religieus gebied hard. Hij nam ook stappen om nieuwe, zware belastingen op te leggen. Belastingheffing door de centrale overheid was al jaren het symbool van de strijd tussen het centrale gezag en de gewestelijke autonomie. Dankzij het ingrijpen van Alva nam de weerzin tegen het nu als Spaans, buitenlands gevoelde gezag alleen maar toe. Ook veel gematigde katholieken keerden zich van hem af, vooral in gebieden waar de Beeldenstorm, die uiting van calvinistisch geweld, beperkt was gebleven.

Al een jaar na de komst van Alva was het tot militaire botsingen gekomen tussen zijn Spaanse troepen en troepen onder leiding van Willem van Oranje en zijn broers, die vanuit Duitsland op verscheidene plekken de Nederlanden waren binnengevallen. Beide zijden begonnen pamfletten uit te brengen waarin de andere partij beschimpt werd en het eigen standpunt verdedigd, alsmede prenten waarop de tegenstander belachelijk werd gemaakt en de eigen zaak verheerlijkt. Uit het brons van de kanonnen die Alva in 1568 tijdens de slag bij het Oost-Friese plaatsje Jemgum op Oranjes broer Lodewijk van Nassau had buitgemaakt, liet hij zijn eigen standbeeld gieten. Het werd op 19 mei 1571 onthuld in de citadel die de Spaanse veldheer in Antwerpen had laten bouwen om de bevolking van die stad in toom te houden.

img0006.jpg

Deze zilveren penning werd in 1574 gedragen door een van de 300 manschappen van admiraal Boisot, die in Zeeland en Hollandmet zijn vloot tegen de Spanjaarden vocht. Deze zogeheten ‘watergeuzen’ speelden in de eerste jaren van de opstand een inmilitair opzicht belangrijke en vaak doorslaggevende rol. Op de halve maan – een Turks symbool – staat te lezen ‘Liver Turcx dan Paus’ (Liever Turks dan paaps), waarmee het godsdienstige aspect van de opstand tegen koning Filips II wordt benadrukt; Turkije was in die tijd bovendien een van Spanjes belangrijkste tegenstanders.

 

Alva prijkte er als vredestichter en als verdediger van het ware, katholieke geloof. De opstandelingen schilderden zich graag af als de kleine, dappere David die de reus Goliath overwon – niet voor niets bovendien een bijbelse held. De scheldnaam ‘geuzen’, de vernederlandsing van het Franse woord voor bedelaars, werd met succes tot erenaam gemunt. De slogan ‘Liever Turks dan paaps’, die verwees naar de jarenlange oorlog tussen Spanje en het Turkse rijk, liet aan duidelijkheid niets te wensen over. Het was zonneklaar dat het calvinisme een serieuze rol van betekenis was gaan spelen.