Nieuwe grondwet

De ambitie een middelgrote natie te zijn, moest Nederland na 1830 opgeven. Dat viel de meeste bewoners en politici minder zwaar dan de koning; velen verwelkomden eerder het einde van het Belgisch avontuur. Nederland kon in elk geval weer die oude vertrouwde handelsnatie zijn met een sterk protestants karakter. Het land trok zich binnen zijn grenzen terug en probeerde zich voortaan afzijdig te houden van de grote internationale politiek, zoals het dat ook in de achttiende eeuwal had geprobeerd. Amsterdam werd de officiële hoofdstad, een positie die de havenstad dankte aan haar verleden, toen het economisch, politiek en cultureel de rest van het land overvleugeld had. Maar Amsterdam was alleen hoofdstad in naam, want net als in de jaren van de Republiek was Den Haag het bestuurlijke centrum. Hier zetelde de regering, kwam het parlement bijeen, huisden de staatsorganen en resideerde de koning.

Het Belgische échec had Willem I de lust tot verder regeren ontnomen. De gedesillusioneerde koning trad in oktober 1840 af, ten gunste van zijn zoon. Net als zijn vader kon koning Willem II nagenoeg zelfstandig het land besturen en voor een belangrijk deel een beleid voeren dat hemzelf goeddunkte. De ministers waren alleen aan hem verantwoording schuldig. De koning symboliseerde niet alleen de staatsmacht, hij was het ook. In maart 1848 besloot Willem II geheel op eigen houtje, zelfs zonder zijn ministers hierin te kennen, een commissie in te stellen die een nieuwe grondwet moest voorbereiden. Het gistte in die dagen in het omringende buitenland flink – vooral in Frankrijk en Duitsland – en ook in eigen land hadden wat relletjes plaatsgevonden. Wellicht speelde angst voor zijn eigen lot een rol, wellicht ook vertrouwde hij zijn zoon en troonopvolger geen onbeperkte macht toe. Zijn eigenmachtige besluit om de net 50 jaar geworden liberaal Johan Rudolf Thorbecke een nieuwe grondwet te laten formuleren, betekende in elk geval dat de koninklijke macht aanzienlijk beknot zou worden.

Thorbecke was geen Hollander, maar geboren in Zwolle. Bovendien was hij geen vertegenwoordiger van de oude regentenstand en kwam hij uit een luthers, niet uit een calvinistisch milieu. Zijn achtergrond was hiermee opmerkelijk anders dan die van de meeste politici in die tijd. Sinds 1840 was hij lid van de volksvertegenwoordiging, en in die hoedanigheid had hij in 1844 zijn ideeën over de verhouding tussen burgers en staat gepubliceerd in zijn Over het hedendaagsch staatsburgerschap. De hierin geuite gedachten vormden de basis voor de grondwetstekst die Thorbecke in opdracht van de koning formuleerde en die in zijn kern en wezen tot de dag van vandaag gehandhaafd kon blijven. De machtsverhoudingen veranderden hiermee radicaal, want voortaan was weliswaar de koning onschendbaar, maar waren de ministers verantwoordelijk. Niet langerwas het beleid afhankelijk van dewil van de koning, het werd voortaan door de ministers onderling bepaald. Het parlement, dat uit twee delen ging bestaan, kon op eigen initiatief en in het openbaar het door de regering gevoerde beleid bekritiseren en voorstellen indienen om dit aan te passen. Dit gebeurde vooral door de Tweede Kamer, waarvan de leden via directe verkiezingen gekozen werden, al was het maar een klein deel van de bevolking dat op deze manier invloed op het beleid kon uitoefenen. Alleen die mannen die een bepaald inkomen hadden, mochten namelijk een stem uitbrengen. In 1849 waren dit niet meer dan 75.000 Nederlanders, op een bevolking van zo’n drie miljoen. De rechterlijke macht kreeg een eigen, onafhankelijke positie en was niet langer een verlengstuk van de overheid. De grondwet is zo ook het begin en het fundament van Nederland als rechtsstaat.

Dankzij het eigenhandig ingrijpen van de koning werd zijn eigen macht sterk ingeperkt ten gunste van de volksvertegenwoordiging en het door dit parlement mogelijk gemaakte kabinet. Het ging als het ware om zijn laatste daad als autoritair vorst. Nederland kreeg onverwachts een van de modernste staatsregelingen in het toenmalige Europa. Daar kon koning Willem III tot zijn grote spijt niets meer aan veranderen toen hij in 1849 zijn op 56-jarige leeftijd gestorven vader opvolgde.

De nieuwe grondwet vormde de definitieve breuk met het republikeinse verleden. Pas nu werd werkelijk afgerekendmet het oorspronkelijk federale Nederland en kreeg de eenheidsstaat een fundament waarop kon worden voortgebouwd. Over het hele land werd eenzelfde structuur van provincies en gemeentes gelegd. Lokale verschillen werden tot een minimum beperkt en speelden organisatorisch geen doorslaggevende rol meer. In wetten werden de onderscheiden verantwoordelijkheden van rijk, provincies en gemeenten vastgelegd. Niet alleen de Tweede Kamer, ook de Provinciale Staten en de gemeenteraden werden voortaan via verkiezingen gekozen. Doordat alleen de rijkeren mochten stemmen, bleef een kleine maatschappelijke bovenlaag de touwtjes in handen houden. Daarin verschilde de situatie niet heel erg met die van voor 1848, zelfs niet met die van de voorgaande 250 jaar, want veel van die rijke Nederlanders waren kooplieden of bankiers, of anders wel renteniers en grootgrondbezitters. Maar tegelijkertijd kregen groeperingen die tot dan toe voornamelijk langs de kant hadden moeten blijven staan, de kans zich eindelijk ten volle te manifesteren. De katholieke minderheid profiteerde hier het meest van.

In de nieuwe grondwet was de scheiding tussen kerk en staat definitief geregeld. Nog in 1816 had de regering de reglementen bepaald van de Nederlands Hervormde Kerk, de opvolger van de Nederduits Gereformeerde Kerk uit de Republiek. De staat was zich met de aanstelling van predikanten en met interne regelingen blijven bemoeien. Net als in de voorgaande eeuwen wilde de overheid een kerk die zich voor een zo breed mogelijk publiek openstelde en daarmee een echt vaderlandse kerk zou zijn. Net als toen had dat scheuringen tot gevolg. Nadat een grote groep gelovigen zich in 1834 officieel afscheidde en een eigen kerk oprichtte die terugging op de veel strengere beginselen van de oude gereformeerde kerk en daarom Christelijk Gereformeerde Kerk werd gedoopt, nam de regering daar aanvankelijk harde maatregelen tegen, tot gevangenisstraffen aan toe. Na 1848 was zoiets nietmeermogelijk.

Het was evenmin nog mogelijk de pauselijke invloed op het katholieke volksdeel tegen te gaan. Net zoals de staat de hervormde Nederlanders in zijn greep hadwillen houden, was dat aanvankelijk ook met de rooms-katholieke Nederlanders geprobeerd. Hoewel ruim eenderde van de bevolking katholiek was, had hun kerk zich hierdoor, ondanks de al sinds 1795 geldende formele godsdienstvrijheid, niet werkelijk kunnen vestigen. Zelfs katholieke kerkgebouwen werden door de staat ontworpen – de zogenaamde ‘Waterstaatskerken’. Dat alles veranderde met de grondwet en met het pauselijke besluit uit 1853 om in Nederland vijf nieuwe bisdommen op te richten. Het was de eerste poging in Nederland bisdommen te vormen sinds de kerkelijke herindeling van 1559, die als gevolg van de kort daarop uitgebroken opstand op een fiasco was uitgelopen. Sindsdien had Nederland geen eigen bisschoppen meer gekend. Bij het protestantse volksdeel stak een woedende storm van protest op toen men besefte dat hiermee definitief een eind was gekomen aan Nederland als een protestantse natie. Maar de grondwet lag inmiddels vast en het herstel van de ‘bisschoppelijke hiërarchie’ vond onverminderd plaats. Nederland was veranderd.

De nieuwe grondwet was liberaal, in die zin dat zij ruimte gaf aan verschillende groeperingen en zaken als vrijheid van organisatie, van drukpers en van vergadering garandeerde – alle stuk voor stuk ook verlichte beginselen. Maar ook omdat, met uitzondering wellicht van de liberale burgerij, geen van die groeperingen een overheersende rol kon spelen. Dit uitte zich onder meer in het onderwijsbeleid, waarbij werd aangesloten bij de in 1806 in werking getreden Onderwijswet. Hierin was uiteraard vastgelegd dat de jeugd in algemeen christelijke zin moest worden opgevoed, maar dit algemene hield tegelijkertijd in dat de godsdienst geen allesbepalende rol had. De eersten die zich daaraan gingen storen waren de orthodoxe protestanten, onder wie velen die in 1834 de Hervormde Kerk verlaten hadden. Pogingen om in door de overheid opgerichte openbare scholen het christelijke element te versterken maakten geen kans, zodat de enige weg het stichten van eigen, in eerste instantie uitsluitend lagere scholen was. Dit was een kostbare weg, want het gebouw, de onderwijzers en het lesmateriaal – zaken waaraan door de overheid steeds hogere eisen werden gesteld –moest men zelf betalen, terwijl het openbaar onderwijs op flinke overheidssteun kon rekenen.

Het ideaal van een protestants-christelijk land was na 1848 niet verdwenen, maar leek onhaalbaar te zijn geworden. Hier kwam het ideaal van een protestants-christelijke gemeenschap met een eigen plek in het grotere Nederland voor in de plaats. De predikant Abraham Kuyper speelde in deze ontwikkeling een grote rol. Hij breidde het principiële recht omkinderen volgens de eigen beginselen op te voeden en hun onderwijs te geven uit tot allerlei andere aspecten van demaatschappij. De wens tot ‘soevereiniteit in eigen kring’, zoals Kuyper dit noemde, leidde in de loop der jaren tot een netwerk van verenigingen en organisaties waar Nederlanders van orthodox-protestantsen huize samenkwamen. In 1872 was Kuyper een eigen krant begonnen, De Standaard, waarin hij voor eigen kring zijn standpunten uitdroeg. Zes jaar later richtte hij als eerste in Nederland een politieke partij op, de Anti-Revolutionaire Partij (ARP); de naam maakte duidelijk dat hij van de Verlichting en de hierop gevolgde revolutie niets wilde weten. Deze initiatieven werden in 1880 vervolgd met de oprichting van een eigen universiteit, die hij niet voor niets de Vrije Universiteit noemde, en in 1886 van een eigen kerk, de Nederlands Gereformeerde Kerk. Net als voor de in 1834 afgescheiden groeperingen was de Hervormde Kerk hemveel te weinig principieel. Of het nu ging om de universiteit of om een harmonieorkest, een jongerenvereniging of een boerenorganisatie, essentieel was dat de volgelingen van Kuyper er gelijkgezinden troffen en niet blootstonden aan onwelgevallige opvattingen of bemoeienis van de overheid. Vrijwel het hele doen en laten van een grote groep Nederlanders werd zo volgens dezelfde principes bepaald. Eenzelfde ontwikkeling deed zich voor binnen het katholieke volksdeel: ook hier werden op lokaal, regionaal en nationaal niveau organisaties opgericht waarbinnen het leven van de rooms-katholieke Nederlanders zich afspeelde.

img0019.jpg

Abraham Kuyper (1837-1920) was een van de opvallendste politici uit de laatste decennia van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw. Kuyper, van oorsprong dominee, was de feitelijke oprichter en vervolgens jarenlang de onbetwiste leider van de protestantse zuil, en als zodanig de politieke voorman van de ARP. Abrahamde Geweldige was zijn kenmerkende bijnaam. Tussen 1901 en 1904 was hij namens zijn partij minister-president. Tekenaar Jan Veth maakte in 1900 dit gedetailleerde portret van hem, dat als steendruk werd uitgegeven.