Eenwording

In het jaar 1433 maakte een nieuwe graaf in triomf zijn intocht in zijn net verworven Hollandse en Zeeuwse steden. Filips van Bourgondië kon zich nu, behalve hertog van Bourgondië, Brabant en Limburg en graaf van Vlaanderen, Namen en Henegouwen, ook hertog van Holland en Zeeland noemen. Filips de Goede, zoals de hertog meestal werd genoemd, was landsheer over gebieden die voorheen meer tegenover dan naast elkaar hadden gestaan. Voor veel Hollanders waren de gebieden langs de Oostzeekust bijvoorbeeld belangrijker dan een buurgewest als Brabant, want daar kwam hun graan nu eenmaal niet vandaan. Niettemin had juist de handel tegelijkertijd veel gewesten van elkaar afhankelijk gemaakt. Inmiddelswas er langzamerhand ook een verwantschap in taal aan het groeien. Kort na 1250 waren grafelijke ambtenaren in Holland, in navolging van hun collega’s in Vlaanderen, in officiële stukken het Nederlands gaan gebruiken, in plaats van het toen gebruikelijke Latijn. Niet veel later, in 1266, had de Vlaamse dichter Jacob van Maerlant de twaalfjarige Hollandse graaf Floris v onder de titel ‘Heimelijkheid der heimelijkheden’ in zijn eigen taal verteld hoe een goed en rechtvaardig vorst zijn land moest besturen en een waardig en eervol leven kon leiden. Ook Filips de Goede leerde Nederlands spreken, maar zijn moedertaal bleef Frans, en het Frans zou als gevolg van de Bourgondische invloed op bestuurlijk niveau voorlopig het Nederlands gaan domineren.

Er waren dus overeenkomsten tussen de gebieden die vanaf dat moment onder de Bourgondische hertog vielen, maar de verschillen waren groter. Elk graafschap en hertogdom waarvan Filips de Goede heer werd, kende zijn eigen interne structuren. Overal was de verhouding tussen landsheer en bevolking anders. De steden in Holland kenden andere gewoontes en andere regels dan die in Brabant of Vlaanderen. Wel was overal een orgaan ontstaan waar de adel en de steden, soms aangevuld met de geestelijkheid, hun belangen tegenover hun landsheer konden uitdragen. Deze vergadering van de voornaamste standen uit de samenleving werd de Statenvergadering genoemd. De landsheer gebruikte deze bijeenkomsten voor het voeren van overleg, maar vooral omervoor te zorgen dat hij via belastingheffing geld ontving. De Staten van Brabant konden hun vorst in vergelijking met de andere gebieden de meeste beloften afdwingen, waardoor zijn macht beperkt werd ten gunste van die van de adel en de steden. Die wederzijdse rechten en plichten werden hier in 1356 in een officieel contract vastgelegd, de zogeheten ‘Blijde Inkomste’. Elke nieuwe Brabantse hertog was verplicht zich hieraan te verbinden.

Ook Filips de Goede moest de vanouds geldende rechten in zijn Nederlandse gebieden erkennen en daarmee de onderlinge verschillen accepteren. Maar nu die oude landsheerlijkheden in zijn persoon voor het eerst met elkaar verbonden waren, begon hij ook maatregelen te nemen met als doel een grotere bestuurlijke en politieke eenheid tot stand te brengen. Alleen dan maakte hij een kans daadwerkelijk zijn gezag te kunnen laten gelden en een machtig vorst te worden, want zoals een heer betaamt was een van zijn belangrijkste ambities om op het internationale vlak een rol van betekenis te spelen. Dat kon alleen als hij intern greep op de zaak had.

Filips richtte met dit doel voor ogen een aantal instellingen op waar al zijn gebieden mee te maken kregen. In de Brabantse stad Mechelen kwam een rechtbank, de Grote Raad, waar uit alle gewesten zaken in hoger beroep aanhangig konden worden gemaakt. Zelf vestigde Filips zich met zijn hof in de Brabantse stad Brussel. Vanaf 1464 liet de hertog hier vertegenwoordigers van de verschillende gewesten bijeenkomen in de Staten-Generaal. Zelf mochten de leden hiertoe uitdrukkelijk niet besluiten. De voornaamste taak van deze vergadering was om besluiten te nemen over Filips’ verzoeken om meer geld. De rol van de gewestelijke Staten werd hiermee enigszins beperkt, al werden zij allerminst uitgeschakeld.

Het bestuur zelf werd wat de dagelijkse gang van zaken betreft steeds meer in handen gelegd van ambtenaren, die vaak hadden gestudeerd aan de enige universiteit in de Nederlanden, die in 1425 in Leuven was opgericht. Namens de landsheer werden ook in de verschillende landsheerlijkheden speciale ambtenaren aangesteld. Als ‘stadhouders’, plaatsvervangers van de landsheer, bezaten zij een bestuurlijke macht zonder dat bij hen het belang van het gebied vooropstond. Land bijvoorbeeld bezaten zij daar niet.

Deze toenemende centralisatie stuitte op nogal wat weerstand. Veel steden en edelen zagen de invloed van het Brusselse hof en van de ambtenarij als een ongewenste aantasting van hun eigen macht. De posities die zij traditiegetrouw bekleedden, dreigden hun te worden ontnomen door personen die nog niet eens van adel hoefden te zijn. De gewestelijke statenvergaderingen kwamen hierdoor meer dan eens in conflict met de hertog en zijn ambtenaren. Maar die conflicten waren eigenlijk altijd lokaal of regionaal van aard, zodat ze alleen ter plaatse opgelost of onderdrukt hoefden te worden. Bovendien was Filips tactvol genoeg niet iedereen tegelijkertijd tegen zich in het harnas te jagen.

Zijn ambitieuze zoon Karel de Stoute, die in 1467 zijn vader opvolgde, miste dit talent ten enenmale. Zijn hoge ambities uitten zich in allerlei oorlogen, die zoveel geld kostten dat de gewesten steeds hogere belastingen moesten opbrengen om de soldaten te kunnen betalen. De weerzin tegen ‘Brussel’ nam hierdoor overal toe. Toen de hertog in 1477 op het slagveld sneuvelde, zagen de Staten-Generaal hun kans schoon: zij buitten hun samenzijn uit door van zijn onervaren twintigjarige dochter Maria te eisen de privileges en vrijheden van de verschillende gebieden voor een belangrijk deel te herstellen. Het spreken van recht en het heffen van belastingen werden weer een zaak van elk gewest afzonderlijk en konden niet meer zo gemakkelijk van bovenaf worden opgelegd. Tegelijkertijd was de samenhang tussen de gebieden, die vijftig jaar eerder nog maar zo weinig met elkaar te maken hadden willen hebben, inmiddels zo groot, dat hun vertegenwoordigers er niet over dachten daar een eind aan temaken. Meer nog, in het zogeheten Groot Privilege van 1477 werden afspraken gemaakt die – wellicht onbedoeld – de gegroeide eenheid bevestigden. Wanneer de hertog voortaan een oorlog wilde beginnen, moesten bijvoorbeeld alle gewesten hier via de Staten-Generaal mee instemmen.