Nieuwe machthebbers
De neergang en uiteindelijke ondergang van het Romeinse rijk brachten in heel Europa grote onrust teweeg. Verschillende volken probeerden te profiteren van het ontstane machtsvacuüm. Overal kwamen volksverhuizingen op gang. Maar de bewoonbare hogere gronden ten noorden en ten zuiden van de Rijn bleven vrij dun bevolkt. Sommige volken trokken weg, zoals de Franken, die tussen 300 en 400 in de Betuwe en Brabant woonden; zij trokken zuidwaarts. Er was voor nieuwkomers ruimte genoeg en die kwamen na verloop van tijd dan ook. Op de noordoostelijke zandgronden streken vanuit Duitsland Saksen neer. Op enkele hogere gedeelten in het kustgebied vestigden zich vanuit het noorden weer Friezen, al bleef vooral in Zeeland en in het noorden van Holland het land dankzij de zee nog eeuwenlang veranderen. Anders dan voorheen waren de zeegaten waardoor de grote rivieren in zee stroomden nu smal, maar Holland bestond landinwaarts nog altijd grotendeels uit moerassig veengebied dat nauwelijks bewoonbaar was. Pas na het jaar 1000 werden de riviermondingen op verscheidene plaatsen breder. Toen ook pas ontstonden de huidige duinen.
Het waren de Franken die de Romeinen vanaf ongeveer het jaar 500 in grote delen van West-Europa als heersers opvolgden. Koning Clovis uit het geslacht der Merovingers lukte het rivaliserende stammen te onderwerpen. Op de fundamenten van het ingestorte Romeinse rijk stichtte hij een nieuw koninkrijk, dat zich onder zijn opvolgers geleidelijk begon uit te strekken over grote delen van het continent. Het noorden van het oude Gallië werd hiervan het centrum. Net als enkele eeuwen eerder werd de Rijn grens, ditmaal tussen de Franken enerzijds en de Friezen en de Saksen anderzijds.
Anders dan de Romeinen zou het de Franken wel lukken het gebied ten noorden van de Rijn in hun rijk op te nemen. In 689 versloeg de Frankische sterke man Pippijn II, uit het geslacht der Karolingers, de Friese koning Radbod en maakte hij een voorlopig einde aan de Friese zelfstandigheid. Maar vijfentwintig jaar later werden de Franken alweer uit het noorden verdreven. Pippijns zoon Karel Martel onderwierp de Friezen in het jaar 734 pas definitief, waarna het Frankische rijk zich tot aan de Waddenzee uitstrekte. De Saksen werden op hun beurt in 785 door de Karolingische koning Karel de Grote onderworpen. Zijn rijk bereikte zo’n grote omvang dat hij zich in 800 in Rome tot keizer kon laten kronen.
Opnieuw hoorde het hele Nederlandse gebied tot een immens rijk, dat echter een veel korter leven was beschoren dan dat van de Romeinen. Al in 843 werd het onder de drie kleinzonen van Karel de Grote verdeeld. Vooral in het Midden-Frankische rijk, waar Nederland grotendeels onder viel, zouden daarna nieuwe verdelingen én fusies volgen. Uiteindelijk maakte het Nederlandse gebied vanaf 925 formeel deel uit van het Duitse rijk. Alleen het latere Vlaanderen zou bij Frankrijk gaan horen, dat uit het West-Frankische rijk was voortgekomen. Van een gebied dat als Nederlands herkenbaar was, was op nog geen enkele manier sprake.