Aparte gebieden

Onder de opvolgers van Karel de Grote was het centrale bestuur niet goed in staat gebleken overal zijn macht te handhaven. Dit had sommige plaatselijke machthebbers de kans gegeven een eigen, zelfstandige positie te verwerven. Vrijwel altijd hadden zij hun macht in oorsprong aan de keizer te danken. Juist omdat zijn rijk zo omvangrijk was, had hij betrouwbare personen aangesteld die als een soort ambtenaren delen ervan waren gaan besturen. Vaak kregen zij dan van de keizer ook grote stukken grond in eigendom, wat hun positie ter plekke alleen maar versterkte. Tot hun verantwoordelijkheden hoorden de rechtspraak en het heffen van tol en belastingen, terwijl zij bovendien hun vorst militair ter zijde moesten staan.

Omdat het Nederlandse gebied aan de rand van het rijk lag, kregen dit soort leenmannen hier in de praktijk een behoorlijk grote vrijheid de zaken te regelen zoals hun het beste uitkwam. Op die manier ontstonden na verloop van tijd gebieden met eigen regels en gewoonten. Sommige heren werden langzamerhand machtiger dan andere en wisten het zo ver te brengen dat zij in hun gebied zelfstandig konden besturen.

In het kustgebied werd Holland steeds belangrijker. Vanuit Kennemerland breidde de plaatselijke heer vanaf circa 900 zijn macht gestaag uit ten koste van die van zijn buren. In 985 beheerste Dirk II behalve Kennemerland inmiddels Texel en Maasland, maar het latere Holland was nog een verbrokkeld geheel waar anderen eveneens een grote rol speelden. Honderd jaar later zou Dirk v zich als eerste ‘graaf van Holland’ laten noemen en werden andere lokale machthebbers in een bijrol geduwd. Maar de grenzen lagen nooit definitief vast. Naburige gebieden werden daarom gezien als vreemd land en vaak ook als vijand. Zo vochten de Hollandse graven met hun Vlaamse collega’s – die als eersten in de loop van de elfde eeuw baas in eigen land waren geworden – vanaf de tweede helft van de dertiende eeuw omhet bezit van Walcheren en de Bevelanden, een strijd die uiteindelijk in het voordeel van Holland werd beslist.

img0003.jpg

De abdij in Egmond was gesticht door de Hollandse graven en voor hen een machtig steunpunt. Dit zandstenen timpaan maakte ooit deel uit van een uitbreiding van de abdij uit circa 1120. De Hollandse gravin Petronella en haar zoon graaf Dirk VI brengen hierop een eerbetoon aan de heilige Petrus. Hiermee beleed de graaf van Holland trouw aan Rome en de paus. Dat had niet alleen een godsdienstige, maar ook een politieke betekenis, aangezien de Duitse keizer, die formeel in Holland de hoogste macht bekleedde, juist probeerde het pauselijk gezag in politiek en kerkelijk opzicht te ondermijnen. De graaf van Holland koos zo dus niet alleen vóór de paus, maar ook tegen de keizer.

 

De bisschop van Utrecht werd eveneens een vijand van de graven van Holland. Een van de bolwerken in de Amsterdamse stadsmuur werd niet voor niets ‘Zwijg Utrecht’ genoemd. De functie van bisschop, die anders dan die van graaf of hertog niet erfelijk kón zijn, was toen niet alleen religieus van aard. Om te voorkomen dat hij alle greep op zijn gebieden bij de zee zou verliezen, had de Duitse keizer er rond het jaar 1000 voor gezorgd dat het Utrechtse bisdom een regionale macht werd. Verschillende gebieden schonk hij toen niet aan een leenman, die het later vanzelfsprekend aan zijn kinderen zou vererven, maar aan het bisdom. ’s Keizers macht reikte zo ver dat hij de paus zelfs geregeld kon overhalen zíjn favorieten tot bisschop te benoemen. Die bisschoppen kregen het op die manier in een groot gebied ook in bestuurlijke zaken voor het zeggen, al was dit gebied een stuk kleiner dan dat waar hun geestelijke gezag gold. Het bisdom zelf had bijna dezelfde omvang als het huidige Nederland benoorden de grote rivieren, maar het wereldlijke gezag van de bisschop beperkte zich tot Utrecht zelf, dat het Sticht – een ander woord voor bisdom– werd genoemd, en Overijssel, Drenthe, Groningen en delen van Friesland, het zogeheten Oversticht. De macht van het bisdom Utrecht verzwakte na 1175 doordat vorsten van omliggende gebieden er steeds vaker in slaagden hun protégés tot bisschop te laten benoemen. Dat was tegelijkertijd een teken dat de greep van de Duitse keizer op deze streken zwakker werd.

In het oosten was Gelderland, ofwel Gelre zoals het toen werd genoemd, onder leiding van een hertog een eenheid geworden. Tegen het jaar 1200 werd het graafschap Zutphen bij dit hertogdom gevoegd, terwijl delen van de Veluwe aan het gezag van het bisdom Utrecht werden onttrokken. De titel van hertog van Brabant was in 1106 door de latere keizer Hendrik v aan Godfried, graaf van Leuven, gegeven. Sindsdien breidden hij en zijn nazaten gewapenderhand hun gezag over een steeds groter gebied uit. Na 1288 kon hertog Jan I zich na een met Reinoud I van Gelre uitgevochten oorlog tevens hertog van Limburg noemen.

Zo ontstond uiteindelijk een beperkt aantal gebieden die elk een eigen eenheid vormden waar het gezag door een in hoge mate zelfstandig regerende hertog of graaf werd uitgeoefend. Zij waren de landsheer van hun gebieden, die daarom ‘landsheerlijkheden’ werden genoemd. Alleen de Friezen in het noorden kenden geen eigen landsheer. Anders dan elders waren de boeren in Friesland altijd volledig vrije boeren gebleven, die geen verplichtingen hadden aan een boven hen gestelde heer. De rijkdom als gevolg van de al eeuwen bloeiende handel hielp hen deze zelfstandigheid te bewaren. Wel was hun land in de loop van de eeuwen steeds kleiner geworden. Zo verdreef de Hollandse graaf Floris v hen na jaren van felle gevechten in 1289 voorgoed uit West-Friesland, aan de overkant van de Zuiderzee. Tegelijkertijd werd Friesland juist door het ontbreken van een duidelijk gezag tijdenlang geteisterd door rivaliserende grootgrondbezitters die elkaar te vuur en te zwaard bestreden en hun omgeving terroriseerden.

Ten gevolge van interne twisten, kinderloos overlijden en huwelijken ontstonden in de graafschappen en hertogdommen na verloop van tijd allerlei allianties met vorstenhuizen die in heel andere delen van Europa de macht uitoefenden. Het Huis van Beieren kon bijvoorbeeld vanaf het midden van de veertiende eeuw een rol in Holland gaan spelen doordat graaf Willemiv, die in 1345 bij Warns sneuvelde in een poging Friesland te veroveren, geen kinderen had. Zijn met Lodewijk van Beieren getrouwde zuster ontving daarop de grafelijke rechten. Tien jaar later stierf de Brabantse hertog Jan III. Hij liet alleen een dochter na, die gehuwd was met hertog Wenceslas van Luxemburg. Die werd nu hertog van Brabant. Al bleef dit huwelijk kinderloos, toch was ook Brabant hierdoor voortaan directer betrokken bij ontwikkelingen die elders plaatsvonden.