Nederland overzee
Voor Nederland was na 1830 het bezit van koloniën in Amerika en vooral Azië van enorm belang. Maar liefst eenvijfde van de staatsbegroting werd in 1866 betaald met de inkomsten uit Nederlands-Indië. In 1830 was hier op initiatief van gouverneur-generaal J. van den Bosch een nieuwe vorm van exploitatie ingevoerd. De inlandse bevolking werd toen verplicht op een deel van het land gewassen te verbouwen die uitsluitend voor de Europese markt waren bestemd. Aan die binnen dit zogeheten Cultuurstelsel geteelde koffie, thee, indigo en suiker had de Indonesische landarbeider zelf niets; hij werd er alleen maar armer van en kon minder rijst verbouwen. Maar de vaderlandse economie voer er wel bij. De opbrengst uit de Indonesische koloniën nam toe als nooit tevoren. Behalve dat de handel en scheepvaart daarvan profiteerden, kon Nederland als staat hierdoor gemakkelijker zijn zelfstandige koers voortzetten. Tot 1873, toen het Cultuurstelsel werd afgeschaft, fungeerde de Nederlandse staat in Indië zo zelf als ondernemer, tot op bepaalde hoogte net als indertijd de voc, en bleven de territoriale ambities beperkt. Maar de bezwaren tegen het stelsel namen toe, deels omdat particuliere ondernemers in Indië geen kansen kregen, maar ook omdat de exploitatie van de inlandse bevolking op verzet stuitte. Eduard Douwes Dekker bijvoorbeeld stelde onder het pseudoniem Multatuli in 1860 in zijn boek Max Havelaar die uitbuiting op onnavolgbare wijze aan de kaak.
Al snel zou blijken dat het voor de Indonesiërs zelf bitter weinig uitmaakte of de Nederlandse staat of een particuliere Nederlandse ondernemer de baas was: de uitbuiting bleef veelal gewoon bestaan. Nadat de staat zich had teruggetrokken, kwamen in de archipel, maar vooral op Java en Sumatra, grote ondernemingen tot stand, die zich vooral bezighielden met het telen van tabak en het winnen van rubber of olie. In de jaren 1890 werd op Sumatra de basis gelegd voor een van de grootste Nederlandse ondernemingen van de twintigste eeuw: Koninklijke Olie alias Shell. Tegelijkertijd probeerde Nederland als bestuurder overal in de Indonesische archipel zijn gezag te vestigen. Dat ging niet altijd vanzelf, omdat veel lokale machthebbers vanzelfsprekend sterk hechtten aan de zelfstandigheid die hun al die jaren door de Nederlanders was gegund. Dat die nu drastisch werd ingeperkt, had onder meer te maken met de houding van andere West-Europese landen in Azië en Afrika. Elk zichzelf respecterend land moest zijn eigen kolonie hebben. In Azië hadden Engeland en Frankrijk dergelijke ambities. Nederland had het voordeel dat niet hele nieuwe gebieden hoefden te worden veroverd, maar het moest nu wel overal waar het aanwezig was zijn territoriale macht tonen. Tussen 1873 en 1903 poogde Nederland om die reden keer op keer het sultanaat Atjeh in het noorden van Sumatra in bedwang te krijgen, waarbij onder leiding van generaal Van Heutsz uiteindelijk de meest grove middelen niet werden geschuwd, en vond het koloniale gezag het in 1894 noodzakelijk het eiland Lombokmet geweld in te nemen en de plaatselijke machthebbers uit te moorden.
Gelijktijdig met het vestigen van de Nederlandsemacht tot in de verste uithoeken van deze, wat Multatuli noemde, Gordel van Smaragd, werd een beleid ontwikkeld om daadwerkelijk greep te krijgen op de bevolking van het land. Op basis van een sterk gevoel van westerse superioriteit streefde het Nederlandse gezag met deze als ‘ethisch’ bekendstaande politiek naar een verhoging van het levenspeil en het welzijn van de Indonesiërs zelf. Dit gebeurde in een vanaf 1898 als één geheel vanuit Batavia bestuurd land. Eilanden en gebieden in de archipel die tot dan toe weinig tot niets met elkaar te maken hadden gehad, ondergingen vanaf dat jaar eenzelfde soort eenheidsstreven als het Europese moederland eerder die eeuw had meegemaakt. Er werden spoorwegen aangelegd en bootverbindingen ingesteld, terwijl tevens het lager onderwijs overal werd bevorderd. Ooit zou deze ontwikkeling tot een zelfstandige staat kunnen leiden, maar binnen afzienbare tijd was zo’n resultaat allerminst de bedoeling. De houding van Nederland was die van een almachtige vader ten opzichte van zijn onmondige kind. Het was vanzelfsprekend dat de Indonesiërs geheel langs door Nederland uitgezette lijnen moesten worden opgevoed en dat Nederland als resultaat daarvan baat bij zijn kolonie bleef houden. De ontwikkeling van Indonesië was geen doel op zichzelf, maar een middel waarvan het moederland moest profiteren.
In Suriname, de andere grote, maar veelminder belangrijke Nederlandse kolonie, was van dergelijke ontwikkelingen nauwelijks sprake. Hier bepaalden de grote suiker- en cacaoplantages al sinds jaar en dag de economie, en deze plantages werden daar uitsluitend beheerd ten nutte van Nederland. Totdat in 1863 de slavernij werd afgeschaft, was er met uitzondering van de plantage-eigenaren geen sprake van een zelfstandige bevolking. En ook daarna bleven de Surinamers, die grotendeels bestonden uit creoolse afstammelingen van als slaven uit Afrika geïmporteerde negers, afhankelijk van de plantage-economie. Om die op peil te houden, werden goedkope arbeidskrachten uit Indonesië en India ingehuurd, waardoor onder de creoolse bevolking veel werkloosheid en armoede ontstonden. Maar het lot van Suriname hield in Nederland maar weinigen bezig.

In de loop van de jaren 1850 begonnen Nederlanders op het Indonesische eiland Billiton, voor de oostkust van Sumatra, met de winning van tin. De Billiton- Maatschappij zou in de loop der jaren uitgroeien tot een van de grotere ondernemingen van Nederland. Dit zilveren tafelstuk, in 1900 gemaakt door de Voorschotense zilverfabriek J.M. van Kempen en Zonen, werd door het overwegend Chinese personeel van het bedrijf, ter gelegenheid van diens zeventigste verjaardag, aangeboden aan J.Ph. Ermeling, die op het eiland de leiding over de tinmijnen had en die in Nederlands-Indië de in Nederland zetelende directie vertegenwoordigde. Behalve het portret van Ermeling zijn op het tafelstuk onder meer scènes van het werk in de mijnen te zien. Het wordt bekroond door ‘Sri Blitong’ – Vrouwe Billiton.