Duitse bezetting

De economische crisis van de jaren dertig ging in grote delen van Europa tevens gepaardmet een politieke crisis. In een aantal landen, vooral Italië en Duitsland, waren rechtse autoritaire regimes gekomen die aan de parlementaire democratieën resoluut een einde hadden gemaakt. In Duitsland was in 1933 de nationaal-socialist Adolf Hitler aan de macht gekomen. Zijn uiterst benauwende ideologie ging uit van de superioriteit van het Germaanse ras en het Duitse volk, en zijn ambitie was omten koste van de buurlanden een duizendjarig rijk te stichten. Als zijn voornaamste vijanden zag hij de joden, die zowel de kapitalistische als de communistische ideologieën en samenlevingen naar zijn stelligemening hadden geïnfiltreerd en naar hun hand gezet.

In Nederland identificeerden diverse groeperingen zich met Hitler ofmet de Italiaanse fascistische leider Benito Mussolini. Bij de Tweede- Kamerverkiezingen van 1935 lukte het de fascistische Nationaal-Socialistische Beweging (nsb) zo’n acht procent van de stemmen te verwerven, waarbij de onvrede over het verzuilde stelsel zeker een rol speelde. In de jaren daarop slonk de aanhang van deze rechtse protestpartij tot zo’n vier procent. Die vergelekenmet het omringende buitenland relatief geringe aanhang had op zijn beurt te maken met de gebondenheid van een groot deel van de Nederlanders aan hun eigen zuil.

Op 10 mei 1940 kwam voor Nederland een eind aan een periode vanmeer dan honderd jaarwaarin het land had weten te voorkomen betrokken te raken bij Europese oorlogen. In vier dagen tijd wisten Duitse soldaten Nederland te bezetten. Door Rotterdamte bombarderen werd op 14 mei de capitulatie van het Nederlandse leger afgedwongen; alleen in delen van Zeeland werd nog twee weken doorgevochten. Koningin en kabinet waren in de tussentijd naar Londen gevlucht, waar zij een regering in ballingschap vormden. Nog dezelfde maand werd een burgerlijk Duits bestuur gevestigd, waarvan de Oostenrijker Arthur Seyss-Inquart de leiding kreeg. De Duitse soldaten, die voornamelijk aan de kust werden gelegerd, kregen een uitsluitend militaire taak.

img0022.jpg

Op 17 mei 1940 viel het Duitse leger de Zeeuwse hoofdstad Middelburg aan. Nadat drie dagen eerder de binnenstad van Rotterdam al was verwoest, viel nu ook de oude stad Middelburg ten offer aan het oorlogsgeweld. Een van de verwoeste gebouwen was het oude, uit het midden van vijftiende eeuw daterende stadhuis. De van oorsprong Belgische schilder Reimond Kimpe legde nog in hetzelfde jaar vast wat er van het gebouwwas overgebleven. Dit schilderij was ooit eigendomvan Anton Mussert, leider van de NSB en geestverwant van de schilder.

De overmacht en snelheid waarmee Duitsland Nederland overrompeld had, leidden aanvankelijk tot apathie en een gevoel vanmachteloosheid. Doordat het Duitse bestuur zich de eerste tijd bovendien opmerkelijk gematigd opstelde, was de Nederlandse overheid al snel bereidmet de Duitsers samen te werken, zeker wanneer het ging om de belangen van de eigen burgers en het instandhouden van de geordende gang van zaken in het land. Ook veel Nederlandse bedrijven onderhielden, soms vrijwillig, soms gedwongen, binnen korte tijd contacten met de bezetter. Die hechtte er groot belang aan het relatief rijke Nederland zo snel mogelijk ten dienste van Duitsland te laten werken. De samenleving paste zich al met al ogenschijnlijk betrekkelijk vlot aan de nieuwe situatie aan, maar van harte ging dat niet. Van het begin af aan slaagde de Duitse overheid er niet in om de Nederlandse bevolking ideologisch aan haar kant te krijgen en voor het nationaal-socialisme te winnen. De enorme aanhang die de in juli 1940 opgerichte Nederlandse Unie verwierf was een duidelijk signaal dat grote groepen mensen niets moesten hebben van de Duitse ideologie en de bezetting. Hoewel de Nederlandse Unie, die zichmet zoveelwoorden tegen de vooroorlogse schotjesgeest keerde, bereid bleek overleg te plegen met de bezettingsmacht, beschouwden de leden de nieuwe vereniging begrijpelijkerwijs als een echt Nederlandse organisatie, bedoeld voor het hele Nederlandse volk en gericht tegen de NSB. Toen dat in 1941 ook de bezettingsmacht duidelijk werd, werd de Unie verboden. Instellingen als de Landstand voor de boeren en de Artsenkamer voor doktoren, die eind 1941 werden opgericht in plaats van de bestaande, veelal verzuilde organisaties, verwierven in het algemeen weinig aanhang. Wanneer ze voortkwamen uit een bestaande instelling en waren genazificeerd of ‘gelijkgeschakeld’, liepen de meeste in rap tempo leeg. Dit gebeurde bijvoorbeeld met het Nederlands Arbeidsfront, waarin het NVV en de christelijke en katholieke vakcentrales CNV en RKWV in 1942 moesten opgaan.

De staking die op 25 februari 1941 in Amsterdamen omgeving uitbrak, richtte zich daadwerkelijk tegen de bezetting. De straatterreur die nationaal-socialisten in toenemendemate tegen de joodse inwoners van Amsterdam uitoefenden en de eerste maatregelen die de bewegingsvrijheid van de joden beperkten – zoals in Amsterdam het instellen van een aparte joodse wijk – leidden tot een scherp protest dat onmiddellijk rigoureus werd onderdrukt. In juli 1942 begon de massale deportatie van de Nederlandse joden. Hoewel velen een geheim onderduikadres wisten te vinden, mocht dat lang niet altijd baten. Uiteindelijk werden ruim honderdduizend joden – ongeveer driekwart van alle in Nederland woonachtige joden – willens en wetens in concentratiekampen in vooral Polen, zoals Auschwitz en Sobibor, vermoord, samen met zes miljoen joden uit andere Europese landen.

De bevolking begon in het dagelijks leven de gevolgen van de bezetting op steeds meer terreinen te merken. Producten werden schaars en ermoesten duidelijker keuzes worden gemaaktmet directere consequenties. Toen ambtenaren in oktober 1940 moesten verklaren geen jood te zijn, deed de overgrote meerderheid wat gevraagd werd. Toen de studenten in april 1943 een loyaliteitsverklaring moesten ondertekenen, weigerden de meesten. En toen de Nederlandse militairen die inmei 1940 naar huis hadden mogen terugkeren, diezelfde maand werden opgeroepen zich alsnog in krijgsgevangenschap te begeven en steeds meer mensen gedwongen werden in Duitsland te gaan werken, namde weerzin omaan de Duitse eisen te voldoen zodanige vormen aan, dat eind april 1943 opnieuw – dit keer in Twente – stakingen uitbraken, die zich over een groot deel van het land verspreidden. Zeker toen Duitsland in de winter van 1942/1943 bij de Russische stad Stalingrad voor het eerst verslagen werd, besloten mensen – bijvoorbeeld door onder te duiken – aan dit soort maatregelen te ontkomen. Het verzet, dat altijd wel had bestaan maar de eerste jaren bescheiden was gebleven, groeide sterk. Slechts zelden ging het om gewapend verzet. Kenmerkend is veel meer de hulp aan onderduikers en alles wat daarbij kwam, zoals het vervalsen van identiteitsbewijzen, het stelen van bonkaarten en het uitgeven van illegale kranten. Er waren voorts verscheidene spionagegroepen actief, die onder meer de steeds sterker wordende Duitse kustverdediging in kaart probeerden te brengen.

Op 6 juni 1944 ondernamen vooral Britse en Amerikaanse troepen in Normandië een grootscheepse aanval op de Duitse legermacht in West-Europa. In bezet gebied nam de onderdrukking als reactie hierop verder toe. De geallieerde soldaten bereikten in september voor het eerst de Nederlandse grens. Na zware gevechten rond de Scheldemonding en bij Arnhem werd die herfst het deel van Nederland ten zuiden van de grote rivieren bevrijd. Dwars door het land liep nadien de frontlinie. Het nog bezette deel raakte vrijwel volledig geïsoleerd. Doordat de Nederlandse Spoorwegen op last van de regering in ballingschap in staking gingen en de winter buitengewoon streng was, ontstond vooral in de grote steden in het westen aan bijna alles een gebrek: voedsel, brandstof, kleding. De term ‘hongerwinter’ maakt duidelijk dat de Hollandse bevolking er beroerd aan toe was. Pas met de definitieve nederlaag van Duitsland inmei 1945 kwamook aan de bezetting van het gebied boven de grote rivieren een eind.