Met of zonder Oranje

Door op 30 januari 1648 met de Republiek in het Westfaalse Munster vrede te sluiten en het vredesverdrag op 15 mei vervolgens te ratificeren, had Spanje de onafhankelijkheid van de Republiek erkend. Niet elk gewest had aanvankelijk met de vrede willen instemmen: terwijl Holland er een voorstander van was omdat dit gewest verwachtte dat de handel er wel bij zou varen, was onder meer Zeeland ertegen, uit vrees juist dat de handel onder een vrede zou lijden. Ook stadhouder Willem II, de 22-jarige zoon en opvolger van de in 1647 overleden Frederik Hendrik, vocht liever door. Zijn macht hing immers nauw samen met het belang van het leger en de vloot en zou in vredestijd alleen maar kunnen afnemen.

Hoewel Holland tijdens de vredesonderhandelingen alle gewesten uiteindelijk achter zich kreeg, kwam het in de jaren daarop wederom tot een hoogoplopend conflict tussen dit gewest enerzijds en de andere gewesten en de stadhouder anderzijds. Nu er vrede was gesloten, voelde Holland er niet langer voor om voor de kosten van het leger op te draaien en wilde het dit in omvang laten afnemen. Daar zagen vooral die gewesten die grensden aan het buitenland niets in. De al in de jaren 1610 opgekomen kwestie wie de Republiek beheerste, lag ook aan dit conflict ten grondslag. Stadhouder Willem II was serieus van plan het Hollandse machtsstreven gewapenderhand te breken, maar een poging van hem om in juli 1650 Amsterdam bij verrassing in te nemen mislukte jammerlijk. Zijn plotselinge dood ruim drie maanden later – hij stierf aan de pokken – gaf Holland de onverwachte gelegenheid zijn hegemonie te herstellen. De Staten van Holland namen de traditionele rechten van de stadhouder om stedelijke bestuurders te benoemen over en wisten uiteindelijk vier andere gewesten ervan te overtuigen dat het beter was geen nieuwe stadhouder te benoemen. Willems zoon kwam hier toch al niet voor in aanmerking, want die werd pas acht dagen na de dood van zijn vader geboren. Alleen de Staten van Groningen en Drenthe benoemden een nieuwe stadhouder, de al in 1640 tot stadhouder van Friesland aangestelde Willem Frederik, een kleinzoon van Jan van Nassau, de oudste broer van Willem I van Oranje.

In de ogen van veel Hollandse regenten kon nu eindelijk de ware Republiek worden gevestigd en kon nu elk gewest zijn soevereiniteit geheel in de geest van de Unie van Utrecht gaan uitoefenen. Het was het uur van de ware vrijheid. Holland zette de komende jaren binnen de Republiek weer onbedreigd de toon. De in 1653 benoemde Hollandse raadpensionaris Johan de Witt, een man met enorme capaciteiten, bepaalde voortaan in hoge mate zowel het buitenlandse beleid als talrijke interne kwesties.

De Republiek had in 1648 de Vrede van Munster kunnen ondertekenen als inmiddels een van de machtigste Europese staten. Die positie had het land grotendeels te danken aan de florerende handel. De buurlanden en meest nabije concurrenten, Engeland en Frankrijk, zaten eerst vooral elkaar lange tijd in de haren. Toch beviel het die landen uiteraard niet dat Hollandse en Zeeuwse schepen ondertussen hun eigen schepen keer op keer de loef afstaken. Engeland nam in augustus 1651 als eerste met de zogeheten Acte van Navigatie maatregelen om de eigen handel te beschermen ten koste van die van de Republiek. Daarop brak er begin 1652 tussen de twee staten een zeeoorlog uit. Hoewel de strijd voor de Republiek niet in alle opzichten succesvol verliep, bleek de macht van de Republiek daar niet onder te hebben geleden. De commerciële expansie nam de jaren daarop alleen maar toe.

Toch was gebleken hoe kwetsbaar het land in tijden van oorlog kon zijn en hoe afhankelijk de handel was van een ongestoorde scheepvaart. Het was De Witt en de zijnen duidelijk dat het hand haven van de vrede essentieel was voor het welzijn van de Republiek. Als beleidslijn hanteerde hij dan ook dat het land met diplomatieke middelen moest proberen conflicten te voorkomen en alleen op defensieve gronden een oorlog moest aangaan, ter verdediging van het land en de handel. Het door Hugo de Groot geïntroduceerde juridische principe van een vrije zee, waar elk land vreedzaam gebruik van mag maken en dus handelsschepen over kan laten varen zonder dat een ander land dit tegenhoudt, was hierbij een van de leidende gedachten. Dit principe bracht de Republiek er in 1658 toe de Zweedse vloot aan te vallen toen die probeerde de essentiële vrije doorvaart door de Sont naar het Oostzeegebied te blokkeren.

Met Engeland zou de Republiek nog twee keer de wapens kruisen, van 1665 tot 1667 en opnieuwin 1672, hoezeer De Witt ook geprobeerd had een oorlog te voorkomen. De Zeeuwse admiraal Michiel de Ruyter en zijn collega’s groeiden uit tot helden van het vaderland. Het opvaren van de Medway door De Ruyter in juni 1667 en de vernietiging van de Engelse oorlogsvloot, waarbij het vlaggenschip de Royal Charles in triomf naar Holland werd meegevoerd, waren huzarenstukjes en vormden een voor Engeland uiterst pijnlijk gezichtsverlies. Inwoners van Londen ontvluchtten zelfs hun stad uit vrees voor een Hollandse verovering. Maar zoiets paste nu juist niet in het Nederlandse oorlogsbeleid.

Net als Engeland keek ook Frankrijk met jaloezie en weerzin naar Hollands commerciële successen. De ambitieuze en trotse koning Lodewijk XIV nam in 1664 voor het eerst maatregelen om de Franse handel te beschermen. Drie jaar later verhoogde hij de importtarieven op buitenlandse goederen zo sterk, dat de maatregel als openlijk anti- Nederlands mocht worden opgevat. Daarnaast begon hij de druk op te voeren door delen van de Zuidelijke Nederlanden, met steden als Duinkerken, Rijsel (Lille) en Valenciennes, in te nemen. Zowel te land als ter zee nam de dreiging toe.

In de Republiek begon de positie van de in 1650 geboren prins Willem III van Oranje, zoon van stadhouder Willem II, ondertussen voor onrust te zorgen. In de discussies over zijn toekomst speelde opnieuw het vraagstuk van de structuur van de Republiek een hoofdrol. Al in 1654 was er een enorm protest opgestoken toen Holland onder leiding van De Witt besloot nooitmeer een prins van Oranje tot stadhouder of admiraal te benoemen. In 1667 besloten de Hollandse bestuurders het stadhouderschap zelfs voor eeuwig af te schaffen en de prins hooguit in de toekomst het commando over het leger te verlenen. Een meerderheid van de Staten-Generaal onderschreef dit besluit weliswaar, maar in feite was de Republiek sterk verdeeld. Vanaf de kansels werd scherp tegen deze maatregel geprotesteerd en een deel van de bevolking begon zich tegen de regenten te keren.

img0014.jpg

Op 22 juni 1667 voer een Nederlandse vloot onder bevel van luitenant-admiraal Michiel de Ruyter de Engelse rivier de Medway op, net ten zuiden van de Theemsmonding, en vernietigde bij Chatham een groot deel van de Engelse vloot. Het Engelse vlaggenschip, de Royal Charles, werd naar Nederland gesleept. Om De Ruyter voor deze klinkende overwinning te danken lieten de Staten van Holland door de Haagse zilversmid Nicolaas Loockemans deze kostbare gouden beker maken, waarop in email een aantal belangrijke momenten van deze tocht naar Chatham is weergegeven: de verovering van het fort Sheerness, het breken van de over de Medway gehangen ketting en het verbranden van de Engelse schepen.

Lang was het Johan de Witt gelukt Frankrijk en Engeland tegen elkaar uit te spelen, maar aan het eind van de jaren 1660 had hij zijn kruit verschoten. In 1672 dreigde het helemaal mis te lopen: in april van dat jaar verklaarden Frankrijk en Engeland de Republiek gezamenlijk de oorlog. Hun katholieke bondgenoten Keulen en Munster volgden dit voorbeeld. Van alle kanten dreigde het land te worden ingesloten. Lodewijk XIV liet er geen gras over groeien en rukte in juni met zijn leger bij Lobith het land binnen. Nog diezelfde maand bezette hij de stad Utrecht. Ondertussen werd een groot deel van de noordelijke gewesten door Lodewijks Duitse bondgenoten bezet. Holland viel terug op zichzelf, achter de onder water gezette landerijen die samenmet een aantal vestingsteden en forten de Hollandse Waterlinie vormden. Toende Staten-Generaal te kennen gaven het hoofd in de schoot te leggen, kwam de bevolking in opstand. Willem III, die al in februari tot kapitein-generaal van het leger was benoemd, moest de reddende engel worden. De Staten van Zeeland zwichtten op 2 juli als eerste voor de druk van de bevolking de prins tot stadhouder uit te roepen, waarna hun collega’s in de andere gewesten snel volgden. De woede van demassa keerde zich tegen de rijke, tolerante regenten die het in haar ogen zo ver hadden laten komen. Johan de Witt en zijn broer Cornelis waren de belangrijkste slachtoffers: op 20 augustus 1672 werden zij door een groep razende Hagenaars gelyncht.

img0015.jpg

Nadat hij eerder die zomer al gevangen had gezeten, werd de eerder zo succesvolle raadpensionaris Johan de Witt op zaterdag 20 augustus 1672 door uitzinnige inwoners van Den Haag, samen met zijn broer Cornelis, op gruwelijke wijze vermoord. Dit schilderij toont de zwaar verminkte en geschonden lichamen van de twee broers, zoals ze aan het eind van die dag op het Groene Zoodje bij de Plaats in Den Haag waren opgehangen.

Onder leiding van Willem III keerden uiteindelijk de kansen. Hij nam voor het eerst dat jaar namens de Republiek het initiatief. Evenals zijn grootvader Frederik Hendrik en diens oudere broer Maurits was de jonge stadhouder een uitstekend strateeg. Zo slaagde hij er in juni 1673 in Maastricht op de Fransen te heroveren. Maar als Lodewijk in 1672 zijn opmars wel had durven doorzetten en een Engelse landing op de kust niet was mislukt, dan was wellicht het lot van de Republiek als zelfstandige staat niettemin bezegeld geweest. Toen uiteindelijk de vredewerd getekend, in februari 1674 eerstmet Engeland, Keulen en Munster, en in augustus 1678 tevensmet Frankrijk, waren de oude grenzen hersteld. Het land was door het oog van de naald gekropen. Zijn militaire successen had de nieuwe stadhouder Willem III gebruikt om ook intern orde op zaken te stellen. Overal stelde hij hem gunstig gezinde bestuurders aan. Desondanks kwam het niet tot een wezenlijke hervorming van de structuur van de Republiek of tot een sterkere centralisering: de Republiek bleef een bond van formeel onafhankelijke staten.

Als gevolg van de gebeurtenissen in het rampjaar 1672 en de nietaflatende ambities van Lodewijk XIV zag Willem III de Franse koning als zijn voornaamste vijand. De Republiek had baat bij een machtsevenwicht in Europa. Daarom sloot het land in 1673 een verbond met Spanje. In 1677 trouwde Willem III met de nicht van de Engelse koning Karel II. Zijn schoonvader was, anders dan de koning zelf, katholiek. Toen Karel in 1685 overleed, volgde zijn broer hem als Jacobus II op. Er dreigde daardoor opnieuw een bondgenootschap tussen Engeland en het katholieke Frankrijk te ontstaan, waarvan de Republiek ongetwijfeld een van de belangrijkste slachtoffers kon worden. In Engeland zelf werd door een meerderheid van de bevolking een katholieke koning niet op prijs gesteld. In 1688 nodigden zijn tegenstanders daarom de protestantse Willem III als echtgenoot van ’s konings dochter uit om Jacobus te verjagen. De expeditie die in november van dat jaar werd uitgevoerd, slaagde wonderwel. Willem III werd behalve stadhouder ook koning van Engeland. Vanuit die positie kon hij Frankrijk beter aan. De traditioneel weinig oorlogsgezinde Republiek was wel gedwongen een belangrijke rol te blijven spelen in de coalitie die tussen een aantal machtige Europese staten tegen Lodewijk XIV werd gesloten. De Franse koning kon zo in toom worden gehouden.