Deel van de wereld
In bezet gebied en in kringen in Londen, tijdelijke zetel van de Nederlandse regering, waren tijdens de oorlogsjaren ideeën uitgewerkt over de toekomst van het land. Bij verschillende personen leefde de gedachte dat de gelegenheid te baat moest worden genomen om een punt te zetten achter de verzuiling, die naar hun idee verlammend werkte op een krachtdadige politiek. De verdeeldheid tussen de verschillende bevolkingsgroepen moest in die optiek doorbroken worden. Sommigen wilden in één moeite door zelfs het constitutionele stelsel op de helling zetten. De koningin zelf probeerde dergelijke veranderingen te bevorderen teneinde als staatshoofd een grotere macht te krijgen. Maar van zo’n vernieuwing kwam niets terecht, al werd het eerste naoorlogse kabinet een nationaal kabinet voor herstel en vernieuwing genoemd en waren er verscheidene partijloze ministers in opgenomen. Want al heel snel werden allerlei belangrijke verzuilde organisaties – omroepverenigingen, vakbonden en ook politieke partijen – weer actief en eisten hun plaats in de samenleving op. Tot in de jaren zestig zou de verzuiling een wezenlijk kenmerk van de Nederlandse samenleving blijven.
Vooral de protestantse en de katholieke zuilen bleven schijnbaar onaangetast de naoorlogse tijd bepalen. De socialistische zuil trad aanmerkelijk minder op de voorgrond. Juist in aan de SDAP verwante kringen had de doorbraakgedachte veel aanhang verworven. De partij had zichzelf in 1946 opgeheven om op te gaan in een nieuwe partij, de Partij van de Arbeid, waarbij zich ook een liberale partij – de Vrijzinnig Democratische Bond – en een links-christelijke partij – de Christen- Democratische Unie – aansloten. Maar bij de Kamerverkiezingen van 17mei 1946 bleek die nieuwe PvdA nietmeer aanhang te hebben dan de oude SADP in 1939 had gehad. De officieel na 1945 ook voor nietkatholieken toegankelijke Katholieke Volks Partij, zoals de vooroorlogse Rooms-Katholieke Staats Partij voortaan heette, bleek opnieuw de meeste stemmen te trekken. De kiezers kozen als vanouds. Toen in 1948 de liberale Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) werd opgericht als voortzetting van de vooroorlogse Liberale Staatspartij, stapten daar diverse vrijzinnig-democratische leden van de PvdA naar over.
In 1939 was de SDAP voor het eerst in haar bestaan tot het kabinet toegetreden. Na de oorlog was de mogelijke regeringsdeelname van de PvdA geen punt van discussiemeer. Tussen 1946 en 1958 kende het land steeds kabinetten waarin de KVP en de PvdA samenwerkten, soms aangevuldmet de protestantse partijen ARP en CHU ofmet de VVD. De constante figuur in deze rooms-rode kabinetten was de sociaal-democraat Willem Drees, die het merendeel van de tijd de post van minister-president bekleedde, ook al was de KVP lange tijd de grootste partij. Die partij zocht juist deze samenwerking in de hoop de aantrekkingskracht van de PvdA op de steeds zelfbewustere katholieke arbeider te verminderen. Vanaf 1947 brachten beide partijen een aantal wetten op het terrein van de sociale verzekering tot stand, waarvan in 1956 de AOW, de Algemene Ouderdomswet, de belangrijkste was. Dankzij het ‘trekken van Drees’ is elke 65-plusser sindsdien van een basisinkomen verzekerd.
In de jaren twintig en vooral in de jaren dertig was de invloed van de staat op de economie en op de arbeidsverhoudingen noodgedwongen sterk toegenomen. Na 1945 streefden de rooms-rode kabinetten ernaar dit beleid voort te zetten. Geordende arbeidsverhoudingen, vooral een katholiek ideaal, en vaste loonafspraken werden bovendien nodig gevonden om de aanzienlijke oorlogsschade zo snel mogelijk te boven te komen en het land op te bouwen. Het zoeken naar een consensus door constant overleg tussen werkgevers en werknemers, onder meer in de in 1950 opgerichte Sociaal-Economische Raad, doet niet alleen denken aan het overleg dat de politieke elites van de verschillende zuilenmet elkaar gewend waren te voeren, maar ook aan de wijze waarop sinds 1200 waterschappen werden bestuurd en tijdens de Republiek in de Statenvergaderingen beslissingen tot standmoesten komen. Dit harmoniemodel zou de verzuiling dan ook overleven.

Willem Drees was zonder twijfel de belangrijkste Nederlandse politicus in de jaren na de oorlog. Van 1948 tot 1958 was hij minister-president. Een belangrijk deel van zijn populariteit dankte hij aan zijn maatregelen om bejaarden van een inkomen te voorzien. Uit dankbaarheid hiervoor stuurde een inwoner van Ter Heijde Drees, ter gelegenheid van diens tachtigste verjaardag, in 1967 dit door hem van schelpen gemaakte portret.
Al bleef na 1945 een breuk in de vorm van een politieke doorbraak uit, op veel terreinen bracht de oorlog juist grote veranderingen teweeg. De confrontatie met vervolging, geweld, bombardementen, gevechten, deportatie en honger was voor menigeen van wezenlijke betekenis voor zijn verdere leven. Het werd gebruikelijk om van een periode vóór en een periode na de oorlog te spreken. Het merendeel van de bevolking wilde na de bevrijding de blik vooruit richten. De wederopbouw van het land en het herstel van de enorme oorlogsschade kregen prioriteit. Wel zorgde men ervoor dat oorlogsmisdadigers en collaborateurs werden gestraft, sommigen, zoals de NSBleider Anton Mussert, zelfs met de voor misdadigers allang afgeschafte doodstraf. Maar na een aantal jaren taande de belangstelling voor dit soort misdragingen en werden veel veroordeelden vervroegd in vrijheid gesteld, al bleven de meesten levenslang een smet met zich meedragen. De blik vooruit had ook tot gevolg dat veel joden die na hun terugkeer uit de kampen of uit de onderduik vaak zonder naaste familie of vrienden opnieuw hun plaats in de Nederlandse samenleving probeerden te vinden, over het algemeenmaar weinig begrip voor de ondervonden ellende aantroffen. Het zelfde lot trof degenen die de oorlog in Nederlands-Indië hadden doorgebracht.
Bijna in een handomdraai had Japan, Duitslands bondgenoot in Azië, in de eerste maanden van 1942 het hele Indische rijk veroverd. De Nederlandse bevolking en een deel van de gemengd Nederlands-Indische bevolking werden in kampen opgesloten, waarna de meeste mannen veelal elders in Azië voor allerlei zware werkzaamheden werden ingezet. De aanleg van een strategische spoorlijn door Birma is daarvan door de onmenselijke omstandigheden de bekendste geworden. In Nederlands-Indiëwas al in de jaren 1920 een Indonesische onafhankelijkheids beweging ontstaan, die geleid werd door aan Nederlandse scholen en universiteiten opgeleide en bewust geworden politici. De bouwkundig ingenieur Achmed Soekarno bijvoorbeeld had in 1927 de Partai Nasional Indonesia opgericht. Dit soort organisaties werd door het Nederlandse bewind stelselmatig onderdrukt, want een Indonesische onafhankelijkheid strookte absoluut nietmet het Nederlandse toekomstbeeld voor de kolonie. Het onafhankelijkheidsstreven werd onder de Japanse bezetting versterkt doordat verscheidene Indonesiërs voor het eerst een leidinggevende positie kregen. Dat een Aziatisch volk – de Japanners – een Europees volk zo eenvoudig op de knieën had weten te krijgen, had de koloniale Nederlandse superioriteit aanmerkelijk minder vanzelfs prekend gemaakt en het Aziatische zelfbewustzijn gestimuleerd. Op 17 augustus 1945, kort nadat Japan had gecapituleerd en lang voordat geallieerde strijdkrachten het gezag konden overnemen, riepen Soekarno en Mohammed Hatta de Indonesische onafhankelijkheid uit.
Regering noch bevolking had begrip voor de stap van Soekarno en Hatta. De paternalistische houding die Nederland jarenlang tegenover zijn kolonie had ingenomen, had tot gevolg dat de meeste Nederlanders geloofden dat de Indonesiërs niet buiten hen konden; zij verkeken zich volkomen op de gevoelens van de Indonesische bevolking zelf. Het waren juist de Nederlanders die emotioneel niet in staat waren de kolonie los te laten. De politiek die door de regering in Den Haag werd gevoerd, had daardoor weinig met de feiten te maken. Internationaal kreeg Nederland vrijwel geen steun, ook niet voor de pogingen Indonesië binnen koninkrijksverband zelfstandigheid te geven. Pas toen in 1947 en 1948 twee politionele acties – soms wrede militaire operaties – geen oplossing konden forceren, legde de regering het hoofd in de schoot. Op 27 december 1949 ondertekende koningin Juliana, die een jaar eerder haar moeder als staatshoofd was opgevolgd, de soevereiniteitsoverdracht. Die gebeurtenis vormde de afsluiting van een ongeveer 350 jaar durende bemoeienis van Nederland met dit gebied. Dat de nieuwe Republiek Indonesia onder leiding van Soekarno een eenheidsstaat werd, had zij aan de Nederlanders te danken. Zij waren het geweest die het eilandenrijk in de jaren daarvoor bijeen hadden gebracht.
De Duitse bezetting van Nederland in mei 1940 betekende ook het definitieve einde van de Nederlandse neutraliteitspolitiek. Tijdens de Tweede Wereldoorlog had de regering in ballingschap zich vanzelfsprekend aangesloten bij de geallieerden, waarvan de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en de Sovjet-Unie de leidende staten waren. Van de hieruit voortgekomen Verenigde Naties, die als doel hadden een nieuwe wereldoorlog met behulp van onderling overleg in de toekomst te vermijden en landen ook op andere terreinen, zoals gezondheid, voedselvoorziening en cultuur, wereldwijd beter met elkaar te laten samenwerken, was Nederland in 1945 een van de oprichters. Maar al snel raakte de wereld verdeeld in twee machtsblokken, waarvan het ene onder leiding stond van de Verenigde Staten en het andere bestond uit de communistische Sovjet-Unie tezamen met de staten die zij vooral in Oost- en Midden-Europa beheerste. De Koude Oorlog die ontstond en die een constante dreigingmet atoomwapens met zich meebracht, plaatste Nederland ferm in het kamp van het zogeheten ‘vrije Westen’. Van het begin af aan was Nederland daarom lid van de in 1949 opgerichte militaire organisatie NAVO. Maar op nog meer manieren werd Nederland met het buitenland verbonden: nog tijdens de oorlog had het met de buurlanden België en Luxemburg afgesproken in de Benelux economisch nauwer te gaan samenwerken. Bovendien is het land sinds 1952, toen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in het leven werd geroepen, actief betrokken bij de totstandkoming van een grotere samenwerking en groeiende eenwording van in eerste instantie de landen van West-Europa. De afzijdigheid van voor de Tweede Wereldoorlog had plaatsgemaakt voor een actieve internationale betrokkenheid.