Eigen gezicht

Langzaam kwam het gebied uit de winterslaap waarin het na het vertrek van de Romeinen verzonken was geweest en werd het opnieuw deel van de wereld eromheen. De Rijn, die nog steeds bij het huidige Katwijk in zee stroomde, raakte als handelsroute weer in zwang. Nog voor 650 ontstond aan de zuidoever een handelsplaats, Dorestad, die in de daaropvolgende eeuwen een van de belangrijkste havens van Europa zou worden. Na 700, toen ook het land ten noorden van de Rijn in Frankische handen kwam, ontwikkelde deze stad zich sterk. Handelswaar uit heel Europa werd hier aan- en doorgevoerd. De ligging aan de Rijn en de betrekkelijke nabijheid van de zee waren hierbij cruciaal. Dorestad werd enerzijds een schakel tussen de Duitse gebieden en Engeland en Frankrijk, en anderzijds tussen het zuiden en het noorden van het Karolingische rijk. De Friezen werden zo de belangrijkste handelaars.

In de jaren rond 900 begonnen de bewoners in het westen last te krijgen van Deense en Noorse zeevaarders die de Noordzeekust afschuimden op zoek naar kostbaarheden. Net als enkele kleinere plaatsen in Zeeland en Friesland was Dorestad meer dan eens het slachtoffer van hun plundertochten. Door deze vernielingen, maar ook doordat rivierlopen zich steedsmaar bleven wijzigen en de kust landinwaarts verschoof, verloren deze stadjes uiteindelijk hun positie. Toen de oude Rijn steeds moeilijker bevaarbaar werd doordat bij Katwijk de monding verzandde en het rivierwater voortaan via de niet voor niets zo geheten Lek zijn weg naar zee zocht, kwam Dorestad terzijde van de nieuwe vaarweg te liggen. Alleen de naam van Wijk bij Duurstede, gelegen aan de noordoever van de Lek, herinnert nog aan deze ooit zo welvarende handelsplaats.

De welvarendheid van zijn gebied was voor elke vorst of plaatselijke heer van groot belang, want die bepaalde uiteindelijk zijn macht en invloed. Het was daarom zaak mensen te lokken naar de woeste zandgronden in het oosten en de moeilijk doordringbare veengebieden in het westen. Het land moest worden ontgonnen en bebouwd. In eerste instantie was het de keizer zelf die dit stimuleerde. Behalve aan vazallen gaf hij grote stukken land in beheer aan kloosters. Die lieten daar hun monniken werken, maar zorgden er, net als de edellieden, tevens voor dat hier kolonisten kwamen om bossen te rooien, dorpen te bouwen en de grond geschikt te maken voor akkerbouw en veeteelt. Dit gebeurde vooral op de hoger gelegen zandgronden in het oosten en het zuiden. De dorpen die daar ontstonden, waren echte boerendorpen, die midden in het ontgonnen gebied kwamen te liggen. Daarnaast waren er onder meer in Drenthe dorpen op plekken die al sinds de IJzertijd door mensen werden bewoond.

In het kustgebied werd de met zee- en rivierklei bedekte veengrond geschikt gemaakt voor veeteelt en het verbouwen van granen en andere gewassen. Om kolonisten te lokken beloofden de plaatselijke heren hun een betrekkelijk grote vrijheid. Zij verpachtten hun land, en anders dan op de zandgronden hadden de boeren geen verdere verplichtingen aan hun heer en waren zij niet van hem afhankelijk. In Friesland en Groningen, waar van oudsher al kleine boerengemeenschappen bestonden, hadden de bewoners zelfs helemaal niets te maken met landbezittende adel.

Het vergde heel wat om de drassige grond in het kustgebied geschikt te maken voor landbouw. Om de grond te ontwateren, moesten er rechte sloten worden gegraven, die het land in stroken verdeelden die dan ontgonnen konden worden. Om te zorgen dat de zee en de rivieren niet steeds opnieuw het zo zwaar bevochten akkerland overstroomden, begonnen de bewoners vanaf de jaren 1150 dijken aan te leggen. Aangeslibd gebied – kwelders, schorren, slikken – werd steeds waardevoller en eveneens omdijkt. Zo ontstonden de eerste polders. Doordat langs de grote rivieren ook dijken werden aangelegd, kwam hun loop eindelijk min of meer vast te liggen. Het ooit woeste en lege land werd zo in een betrekkelijk korte tijd, tussen 1100 en 1300, op veel plaatsen geschikt gemaakt voor menselijke bewoning en landbouw. Het westen van Nederland kreeg voor het eerst een eigen gezicht.

Dijken vergen constant onderhoud en een doorlopend beheer, en een goede afwatering vereist een voortdurende controle. Dorpen die in hetzelfde gebied lagen, sloegen daaromde handen ineen. Er kwamen overal in het kustgebied kleine bestuurlijke organisaties tot stand: heemraadschappen, waterschappen en polderbesturen. Deze instellingen zorgden ervoor dat de uitwaterende sluizen en de dijken goed onderhouden werden. Het kwamook voor dat kleinere gebieden met elkaar gingen samenwerken in een grotere organisatie. Dat gebeurde omstreeks 1200 in Rijnland, toen daar een hoogheemraadschap werd opgericht. Bij al deze instellingen was dankzij de gezamenlijke verantwoordelijkheid een groot deel van de bevolking betrokken enmoesten in overleg werkbare oplossingen worden gevonden. Ook de samenleving kreeg op die manier in het kustgebied een eigen karakter, dat sterk afweek van het leven op de oostelijke zandgronden.