IJzige vlakte

Ooit lagen delen van wat nu Nederland heet onder een dikke ijsmassa verborgen. De bewegingen en de druk van die ijskap hebben het land zo’n 150.000 jaar geleden vorm gegeven. Op sommige plekken werd het land opgestuwd en ontstonden gebieden die na het verdwijnen van het ijs boven de omgeving bleven uitsteken, zoals de Veluwe, Het Gooi, de Utrechtse Heuvelrug en Montferland. Tot daar ongeveer was het ijs gekomen. Al voordat die ijskap over Nederland heen schoof, was hier bewoning geweest. De vroegst bekende bewoners liepen hier ongeveer 250.000 jaar geleden rond. Alleen gedurende de allerkoudste perioden, de echte IJstijden, was er geen mens te bekennen.

Na het verdwijnen van het ijs woonden hier opnieuw wat mensen, en dat bleef zo tot tienduizenden jaren later het ijs opnieuw gevaarlijk dicht in de buurt kwam – tot aan Denemarken – en het te koud werd. Het land was een kale, onherbergzame vlakte met hier en daar een boom of struik. In het westen daalde het af naar een nog veel lager gebied, dat nu de bodemvan de Noordzee is. Omstreeks 11.000 voor Christus veranderde het klimaat zo sterk dat de noordelijk gelegen ijskap begon te smelten en het bassin van de Noordzee zich met water vulde. Het werd warmer en het land raakte weer bewoonbaar.

De eersten die hier weer heentrokken, waren jagers die rendierenkuddes naar het noorden volgden. Overal ontstonden bossen. Er groeide steedsmeer en er kwamen meer diersoorten. Een toenemend aantal mensen kon hier daarom een bestaan vinden, al waren het er hooguit een paar duizend. Zij leefden van de opbrengst van jacht en visserij, en van vruchten, knollen, noten en groentes. Van dierenhuiden maakten zij hun kleding. Het duurde tot omstreeks 5300 voor Christus voordat ergens landbouw werd bedreven. Daar waren niet alleen aparte technieken en gereedschappen voor nodig; belangrijker was dat de bewoners hun zwervend bestaan moesten opgeven in ruil voor een vaste woonplek. Terwijl hun voorouders van de natuur hadden geleefd, moesten de eerste boeren proberen de natuur naar hun hand te zetten, door stukken bos te rooien en granen te zaaien of koeien te laten grazen. Dit gebeurde eerst op de hoger gelegen, vruchtbare lössgronden van Zuid-Limburg, dat het dichtst bij die delen van Europa lag waar al akkerbouw bedreven werd.

Verder naar het noorden werd in de volgende eeuwen steeds vaker land ontgonnen. Zo streken ook op de Drentse zandgronden boeren neer. Er ontstonden kleine samenlevingen van eerst nietmeer dan twee of drie huizen, met hun eigen rituelen en gebruiken. Aan het begraven van hun doden gaven deze boeren veel zorg. Met grote zwerfkeien, die op het land waren blijven liggen nadat vijftienhonderd eeuwen eerder het ijs verdwenen was, bouwden zij vanaf omstreeks 3500 voor Christus imposante graven die zij met aarde afdekten, waardoor het kleine heuveltjes werden. Deze nu als hunebedden bekendstaande bouwsels zijn de oudste nog zichtbare overblijfselen van menselijke aanwezigheid in ons land.

In het kustgebied was bewoning lange tijd vrijwel onmogelijk geweest, behalve op enkele hoger gelegen stukken land als Wieringen en de Hoge Berg op Texel. Het westen was een waddenzee, waar het zeewater vrij spel had en drooggevallen land steeds weer onderliep. Pas omstreeks 4000 voor Christus werd het langs de kust, door het ontstaan van zandruggen, wat veiliger. De mensen hier hielden zich vooral bezig met jacht en visserij. Maar in de lage kustduinen en op de ruggen van kwelders begonnen zij ook vee te houden en graan te telen.

Al deze vroege ‘Nederlanders’ maakten gebruik van stenen of aardewerken voorwerpen. Het duurde tot circa 2000 voor Christus voordat de bevolking op grotere schaal ook metalen voorwerpen leerde kennen, die eerst vooral van brons waren gemaakt en later van ijzer. Ondertussen steeg de bevolking, zij het langzaam, tot zo’n dertigduizend man tijdens de IJzertijd, de periode tussen 700 voor Christus en het begin van onze jaartelling. Steeds grotere delen van het land werden in gebruik genomen. Al aan het begin van de Bronstijd waren de boeren begonnen de bossen te kappen. In ruim tweed uizend jaar verdwenen de uitgestrekte wouden bijna helemaal. Bosland werd heideland of werd geschikt gemaakt voor landbouw en veeteelt.

Op het lage land bij de zee in het huidige Friesland en Groningen werden rond 600 voor Christus voor het eerst nederzettingen gesticht. De vruchtbare kwelders en schorren leenden zich uitstekend voor akkerbouw en veeteelt. Zodra de zee gevaarlijker werd en het land steeds vaker overstroomde, begonnen de bewoners kleine heuvels op te werpen, terpen of wierden, waarop zij dicht tegen elkaar hun huizen zetten. Zo vonden zij eenmanier omde zee enigszins de baas te blijven.