Nieuw geloof

In 695 vestigde de Ierse monnik Willibrord zich in Utrecht als bisschop. Voor Willibrord vormde Nederland een missiegebied. In grote delen van Europa was het christendom inmiddels doorgedrongen, maar hier vereerden de bewoners nog allerlei inheemse goden. Wel kende Maastricht al enkele eeuwen lang een bisschop doordat de in 384 overleden Servaas in deze Romeinse stad zijn zetel had gevestigd. Maar noordwaarts was de invloed van dit christelijke centrum nauwelijks doorgedrongen. Willibrord en zijn priesters kostte het uitermate veel moeite het christendom ingang te doen vinden. De gewone bevolking hield liever vast aan haar eigen plaatselijke goden, die immers konden zorgen voor een goede oogst, een behouden vaart of welvaart voor het dorp. De arme Bonifatius, missionaris én aartsbisschop van het Duitse Mainz, moest zijn bekeringspogingen in 754 zelfs met de dood bekopen toen woedende bewoners van het Friese plaatsje Dokkum hem het preken definitief beletten en hem vermoordden.

Het waren in eerste instantie demachthebbers die voor het nieuwe geloof gewonnen werden. De Frankische koning en zijn hof hadden het christendom al omstreeks 500 omarmd en gaven anderen hiermee het goede voorbeeld. Tegelijkertijd maakte deze keus de door de Franken onderworpen volken juist extra afkerig van het christendom, de godsdienst van de vijand en de overheerser. Maar uiteindelijk, al duurde het eeuwen, werd het nieuwe geloof in slechts één god toch de spil van de maatschappij, waarbij de kerk trouwens niet aarzelde heidense gebruiken in te kapselen in de rituelen van het geloof en heiligen taken te laten overnemen van plaatselijke goden. Steeds meer dorpen kregen een kerk en in veel streken werden kloosters en abdijen gebouwd. De kerkgebouwen met hun torens gingen als bakens van het geloof stad en land steeds meer domineren. Lange tijd waren dit de enige stenen gebouwen temidden van tal van houten huizen. Elke stad en elk dorp kregen verder een beschermheilige aan wie de hoofdkerk was gewijd, en het jaar werd allengs ingedeeld door christelijke feestdagen – Kerstmis, Pasen, Pinksteren – met de hierbij behorende plechtigheden en feesten. Vanaf de tiende eeuw raakte het christendom vast in de samenleving geworteld en ging de kerk van de wieg tot het graf het leven van elke bewoner, althans uiterlijk, bepalen. In dorpen en steden werd de pastoor, die bij geboorte, huwelijk en dood aanwezigwas en bij wie de begane zonden moesten worden opgebiecht, een letterlijk onvermijdelijk persoon.