Handelsnatie
In 1594 besloten negen Amsterdamse kooplieden gezamenlijk een handelsonderneming te beginnen. Hun doel was om schepen naar Azië te zenden en daar zelf peper en andere waardevolle specerijen vandaan te halen. Een jaar later zeilden opperkoopman Cornelis de Houtman en schipper Pieter Keyser met een vloot van vier schepen en 249 man aan boord vanaf Texel het zeegat uit. Twee jaar later zouden drie volgeladen schepen en nog maar 89 manschappen in Amsterdam terugkeren.
Azië was tot dan toe het domein van Spaanse en Portugese handelaars. Via Spanje en Portugal werd de Aziatische handelswaar in Nederlandse havens aangevoerd. De Amsterdamse koopluiwilden het Spaanse monopolie doorbreken. Dat halverwege de jaren 1590 besloten kon worden het land waarmee de Republiek in volle oorlog was op eigen terrein te bestrijden, was een teken van sterk gegroeide kracht. Politiek en militair was de Republiek aan het eind van de jaren 1580 inmiddels in rustiger vaarwater gekomen. Daardoor hadden de handelssteden in het kustgebied hun activiteiten, die jarenlang waren belemmerd door de oorlogssituatie, weer kunnen oppakken. Aan deze herleving van de handel gaf het verloop van de oorlog een onverwachte, positieve impuls. Veel Vlamingen en Brabanders waren al in het begin van de jaren 1580 naar het noorden vertrokken. Uiteraard waren het voornamelijk protestanten geweest die toen het zuiden verlieten. Maar de val van Antwerpen deed vanaf 1585 ook een groot aantal kooplieden besluiten naar Zeeland of Holland te verkassen, want zodra Vlaanderen en Brabant door het leger van Parmawaren heroverd en daarmee voorgoed verloren leken voor de opstand, waren schepen van de jonge Republiek begonnen het scheepvaartverkeer naar de Vlaamse zeehavens en naar Antwerpen te blokkeren. Daarmee was het uitzicht op herstel van de handel wel bijzonder klein geworden.
Tussen 1575 en 1625 vestigden zich naar schatting ruim honderdduizend zuiderlingen in het noorden. Dat was op een bevolking van nog geen twee miljoen inwoners een enorm aantal. Omdat verreweg de meeste van hen naar Holland en Zeeland trokken, was hun invloed in die gebieden verhoudin gsgewijs nog veel groter. Het elan, het kapitaal, de kennis en de contacten van deze vluchtelingen veranderden de stedelijke economieën bijna overal ingrijpend en daarmee de economie van de jonge staat. In Leiden bijvoorbeeld kreeg de weggekwijnde textielindustrie door de komst van talloze Vlaamse wevers een enorme duw in de rug en nam de productie van laken en andere wollen stoffen spectaculair toe.
De tocht van De Houtman en Keyser naar Azië was nauwelijks profijtelijk geweest, maar hun terugkeer had bewezen dat de Nederlanders voor Aziatische handelswaar niet langer afhankelijk hoefden te zijn van invoer uit Spanje en Portugal. Het aantal schepen dat vooral vanaf Amsterdam en Middelburg – toen de tweede handelsstad van de Republiek – naar Azië koers zette, groeide razendsnel. De eerste drie jaar was nog geprobeerd boven Rusland langs een alternatieve route te vinden. Die heroïsche maar tot mislukken gedoemde pogingen strandden in dewinter van 1596 op 1597 bij Nova Zembla in het ijs. Stuurman Willem Barentsz en schipper Jacob van Heemskerck waren gedwongen met hun veertienkoppige bemanning in barre omstandigheden de maanden durende poolnacht te doorstaan, waarna hun niets anders restte dan naar huis terug te keren. Via de al bekende route om Zuid-Afrika zetten ondertussen talrijke andere Nederlandse schepen koers naar Azië, vooral naar de kust van Java. In Amsterdam, Rotterdam, Middelburg en Veere hadden allerlei kooplieden hiervoor compagnieën opgericht, die allemaal zo snel mogelijk grote winsten moesten opleveren. De concurrentie werd zo hevig dat het gevaar dreigde dat de ondernemingen elkaar uit demarkt zouden gaan prijzen. Het was de Hollandse raadpensionaris Van Oldenbarnevelt die hier een stokje voor stak. Na moeizame onderhandelingen wist hij een organisatie tot stand te brengen waarin de kooplieden uit Holland en Zeeland gingen samenwerken. Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen, Delft, Rotterdamen Zeeland (Middelburg) stichtten gezamenlijk een nieuwe compagnie, die niet zonder reden de Verenigde Oost-Indische Compagnie (voc) werd gedoopt.
In 1602 verleenden de Staten-Generaal de VOC het alleenrecht om handel te drijven op Azië en daar, namens de Republiek, de hiervoor noodzakelijke militaire activiteiten te ontplooien. Er werden aandelen uitgegeven die iedereen kon kopen. Zes van de zeven hoogste inleggers waren Zuid-Nederlanders. Maar ook dienstbodes legden geld in, zoals ene Trijntje Pieters voor 75 gulden. De betrokken steden, die alle in het bestuur van de VOC – de Heren Zeventien – vertegenwoordigd waren, kregen elk een eigen filiaal en konden elk schepen uitsturen. De belangrijkste VOC-vestigingen kwamen in Amsterdam en Middelburg. Binnen enkele jaren groeide de VOC uit tot een efficiënte organisatie die haar eigen koers kon varen omdat de overheid het bedrijf een grote vrijheid liet. De VOC kan worden gezien als de eerste multinational, met een eigen logo en met filialen in Afrika en in tal van Aziatische landen.
In 1610 werd de leiding van het Aziatische deel van het bedrijf gelegd bij een Gouverneur-Generaal. Negen jaar later werd op de plek van de hiertoe verwoeste Javaanse stad Jakarta als Aziatische hoofdvestiging Batavia gebouwd. Batavia werd de spil waar alle handelsactiviteiten in Azië om gingen draaien. ‘Daar kan in Indië wat groots worden verricht’, had Gouverneur-Generaal Jan Pietersz Coen in 1618 vanuit Batavia aan zijn superieuren in Nederland geschreven. Hij liet geen middel na om zijn voorspelling uit te laten komen. Zo verdreef hij in 1621 de volledige bevolking van enkele Zuid-Molukse eilandjes om deze voor de verbouw van foelie en nootmuskaat geschikt te maken. Twee jaar later lukte het hem op Ambon de kruidnagelteelt te concentreren. Op naburige eilanden waar ook kruidnagel werd verbouwd, liet hij alle struiken grondig vernietigen en kreeg de plaatselijke economie dientengevolge een enorme knauw. De VOC deed dit om een monopoliepositie te verwerven. Op diverse terreinen konden de Nederlanders inderdaad met succes de Spaanse, Portugese en ook Engelse concurrenten van zich afhouden, al ging dat dus nogal eens gepaard met grove middelen ten opzichte van de bevolking. Werkelijk territoriale aspiraties had het bedrijf overigens niet. Doel was een zo groot mogelijke handelswinst. Daartoe sloot men liever verdragen met plaatselijke heersers dan hen te bestrijden en hun land te bezetten. Dat gebeurde pas wanneer het met onderhandelingen niet lukte, zoals op de Zuid-Molukken. Alleen op Ceylon werd de VOC vanaf de jaren 1650 door omstandigheden werkelijk een territoriale mogendheid, maar ook hier was de reden de handel – in kaneel deze keer. Later werd behalve de handel in specerijen ook die in thee, koffie en cacao belangrijk. Steeds meer begon het bedrijf tevens het handelsverkeer binnen Azië – van Perzië tot China – in zijn greep te krijgen. Dat was nodig omde naar Nederland te vervoeren specerijen te kunnen inkopen, want voor Europese handelswaar bestond in Azië maar weinig belangstelling. In 1650 waren de VOC-aandelen uit 1602 inmiddels achtmaal zoveel waard geworden.

Het VOC-schip De Witte Leeuw zonk tijdens de terugreis van Azië naar Nederland in 1613 in een gevecht met twee Portugese schepen op de Atlantische Oceaan bij het eiland Sint-Helena. Aan boord had het allerlei handelswaar, waaronder kostbare specerijen als nootmuskaat en peper, maar ook veel Chinees porselein, dat in Europa zeer gewild was. In 1976 werd onder meer dit enigszins beschadigde, in blauw beschilderde olifantje – een schenkkan voor water – uit het wrak opgedoken.
In 1621 werd, in navolging van de VOC, de wic opgericht, de West-Indische Compagnie. Hierin participeerde behalve Amsterdam, Middelburg, Rotterdam en Hoorn ook Groningen. Deze compagnie kreeg van de Staten-Generaal het alleenrecht voor de handel op de westkust van Afrika en op Amerika. Anders dan de VOC had de WIC koloniale ambities, vooral ten aanzien van gebieden in Amerika die Spaans en Portugees waren. Weliswaar werd in 1625 in Noord-Amerika een kleine kolonie gesticht, Nieuw Nederland, met als hoofdstad Nieuw Amsterdam, het huidige New York, maar de meeste aandacht richtte de WIC op Zuid-Amerika en het Caribisch gebied. De inname van het suikerrijke Brazilië – een Portugese kolonie – was in 1636 een luisterrijk succes, dat evenwel van korte duur bleek te zijn: achttien jaar later werden de Nederlanders hier weer uit verdreven. In 1634 werd het Antilliaanse eiland Curaçao op de Spanjaarden veroverd. Van hieruit werden sindsdien de Amerikaanse activiteiten van de compagnie gecoördineerd.
Dat de Staten-Generaal met de oprichting van de WIC politieke en militaire bedoelingen hadden, bleek het duidelijkst uit de nadruk die de kaapvaart kreeg; vijandelijke schepen mochten in tijden van oorlog worden buitgemaakt. Hierin toonde de compagnie zich succesvoller dan in het stichten van koloniën. Vooral de spectaculaire kaping in 1628 bij Cuba van de rijk beladen Spaanse zilvervloot door de admiraal Piet Heijn bracht zowel de aandeelhouders als de Republiek veel geld in het laatje. In 1675 werd de WIC omgevormd tot een louter commercieel bedrijf. De uitgebreide slavenhandel van de kust van West- Afrika naar Zuid-Amerika bracht veruit het meeste geld op. Veel van deze Afrikaanse slaven werden tewerkgesteld in de suikerplantages van Suriname en aangrenzende gebieden, die in 1667 definitiefwaren veroverd.

Van 1637 tot 1872 bezat Nederland een aantal forten aan de kust van het huidige Ghana, de zogenaamde Goudkust. Het belangrijkste en grootste was Elmina. Hier zetelde de Directeur-Generaal van de Goudkust. Elmina en de andere forten waren vooral belangrijk voor de lucratieve slavenhandel, tot die in 1814 werd afgeschaft. Tussen 1730 en 1734 was Jan Pranger de Nederlandse vertegenwoordiger hier. Hij zorgde ervoor dat ook particuliere bedrijven, en niet alleen de West-Indische Compagnie, in slaven konden handelen. In 1742 liet hij zich door Frans van der Mijn met een slaaf portretteren. Op de achtergrond is de vesting boven Elmina te zien, fort Coenraadsburg; op tafel ligt Prangers commandostaf.