Cultuurcentrum
De welvaart in het noorden bevorderde vooral in Holland de ontwikkeling van een eigen cultuur. De Zuid-Nederlandse in breng was hierbij op allerlei fronten groot. Veel schilders, schrijvers en geleerden waren van oorsprong Vlaming of Brabander, maar ook een groot aantal onderwijzers was uit het zuiden afkomstig. In Leiden was in 1575 de eerste Noord-Nederlandse universiteit opgericht, die in de protestantse wereld snel een centrum van geleerdheid werd. Ook buiten Holland werden in de loop van de zeventiende eeuw enkele universiteiten opgericht, in de Friese stad Franeker, in Groningen, in Utrecht en in het Gelderse Harderwijk. De wetenschap kwam tot ongekende bloei. Onder meer op het terrein van de exacte wetenschappen werden belangrijke ontdekkingen gedaan. De Bruggeling Simon Stevin zette het tientallig stelsel op papier, de Haagse natuurkundige Christiaan Huygens formuleerde als eerste de lichtwetten en de Amsterdammer Jan Swammerdam ontleedde met behulp van een zelfgemaakte microscoop voor het eerst insecten. Ook de cartografie en de boekdrukkerij stonden in Holland op een hoog niveau. De atlassen van Joan Blaeu werden wereldberoemd, evenals de helder gedrukte pocketboekjes van de gebroeders Elzevier.
In intellectueel opzicht groeide Holland uit tot een soort vrijhaven. Dankzij de relatief tolerante en open houding van de meeste stadsbesturen kon hier meer gedrukt worden dan in het buitenland. Hoewel een van de belangrijkste Nederlandse rechtsgeleerden, Hugo de Groot, vanwege zijn politieke denkbeelden na zijn vlucht van 1621 niet meer naar de Republiek mocht terugkeren en zijn hoofdwerk De iure belli ac pacis (Over het recht van oorlog en vrede) niet in Nederland kon verschijnen, vestigden veel buitenlanders zich juist hier voor korte of langere tijd vanwege de mogelijkheid er, anders dan in hun vaderland, hun mening uit te spreken en te publiceren. Aan het eind van de zeventiende eeuw nam de betekenis van de Republiek als intellectueel knooppunt verder toe toen koning Lodewijk XIV de vrijheid voor de protestantse kerk in Frankrijk ophief en als gevolg daarvan duizenden Franse protestanten – hugenoten – naar Nederland trokken. Tal van boeken en tijdschriften werden hier in diverse talen gepubliceerd. De vooraanstaande achttiende-eeuwse filosoof en schrijver Voltaire karakteriseerde Holland daarom in 1722 als de intellectuele en culturele stapelmarkt van de wereld. Dit alles wil niet zeggen dat tegendraadse meningen steeds op prijs werden gesteld. De Franse filosoof René Descartes, die tussen 1628 en 1649 in Amsterdam verbleef, kreeg het bijvoorbeeld aan de stok met de vooraanstaande rechtzinnige dominee Gijsbert Voetius, en demeest briljante Nederlandse filosoof, Benedictus de Spinoza, werd vanwege zijn ideeën in 1656 uit de joodse gemeenschap gestoten en uit Amsterdam verbannen. Maar Descartes hoefde niet weg en zijn boeken werden niet verboden, en Spinoza kon wel elders in Holland blijven.
Met de Nederlandse taal werd ook de literatuur volwassen. Dichters als P.C. Hooft en Constantijn Huygens werden veel gelezen. Populairder nog was de Zeeuwse dichter Jacob Cats, wiens berijmde zedenpreken in menig huis te vinden waren. Boertige kluchten van Gerard Bredero en op voorbeelden uit de klassieke oudheid en de eigen geschiedenis gestoelde drama’s van Joost van den Vondel werden veel gespeeld, ondanks de afkeer van rechtzinnige predikanten van het wereldse toneel.
Haar grootste faam op cultureel gebied verwierf de zeventiendeeeuwse Republiek door de schilderkunst. In de voorgaande eeuwen bestond er al een invloedrijke Nederlandse schildersschool, die in Vlaanderen en Brabant was geconcentreerd. Het merendeel van de toen gemaakte schilderijen was religieus van aard en bijvoorbeeld als altaarstuk bestemd voor kerken. Dergelijke opdrachtgevers ontbraken na de opstand in de Republiek. Alleen openbare instellingen als stadsbesturen, schutterijen en bestuurders van armenhuizen bestelden schilderijen. Maar dankzij de toegenomen rijkdom en de sterke bevolkingsgroei ontstond in de Republiek een enorm koperspubliek. Honderden schilders maakten vaak letterlijk werk voor de markt. De Engelsman John Evelyn schreef in 1641 dat de markt in Rotterdam vol schilderijen stond, vooral landschappen en komische taferelen. Rond 1650 moeten jaarlijks ruim zestigduizend schilderijen zijn gemaakt, en in totaal moet het om miljoenen zijn gegaan. Kopers waren er in de eerste helft van de zeventiende eeuw genoeg. Het was heel gewoon wanneer ambachtslieden als smeden, schoenlappers en bakkers schilderijen aan demuur hadden hangen, net zoals zij een aantal boeken konden bezitten. De enkele schilders die werkelijk bekend raakten, konden hun schilderijen het gemakkelijkst aan dewelvarender burgerij kwijt en kregen speciale opdrachten, zoals de Vlaming Frans Hals in Haarlemen de Leidenaar Rembrandt van Rijn in Amsterdam. Prenten en tekeningen werden eveneens ongekend populair. Omstreeks 1675 zou de smaak veranderen en zakte de schildersmarkt in. Voortaan versierden burgers hun huizen liever met behangsels of porselein.

In opdracht van het Amsterdamse stadsbestuur ontwierp de vooraanstaande zilversmid Johannes Lutma in 1648 deze penning op de Vrede van Munster. Hij liet zowel gouden als zilveren exemplaren slaan; de gouden waren bestemd voor de stadsbestuurders zelf. Op de penning staat in het Latijn te lezen dat ‘één vrede beter is dan ontelbare overwinningen’. Duidelijk blijkt hieruit dat Amsterdam verwachtte baat te hebben bij de vrede.