Een nieuw koninkrijk

Op 30 november 1813 landde de zoon van de zeven jaar daarvoor overleden stadhouder Willem V vanuit Engeland op het strand van Scheveningen. Een dag later al werd Willem, Prins van Oranje, in de Amsterdamse Nieuwe Kerk ingehuldigd als Soeverein Vorst van de Verenigde Nederlanden. Plotseling was Nederland opnieuw een zelfstandige staat. De nieuwe onafhankelijkheid was te danken aan het initiatief van enkele vooraanstaande oud-regenten, van wie de orangist Gijsbert Karel van Hogendorp de belangrijkste was. Hij had willen voorkomen dat het land na het vertrek van de Fransen in een machtsvacuüm terecht zou komen en dat de grootmachten die Napoleon hadden verslagen – Engeland, Rusland, Oostenrijk, Pruisen – zouden bepalen wat er met Nederland zou gebeuren. Vandaar dat de zoon van Willem V werd opgeroepen terug te keren, al was het contact tussen Nederland en Oranje al die tijd miniem geweest.

Onbekend met de stemming in Nederland besloot de prins eerst de kat uit de boom te kijken. Zorgvuldig beklemtoonde hij dat hij de soevereiniteit van het volk had ontvangen – dat had hem immers teruggeroepen – en hij zich dus in dienst van dat volk wilde stellen. Daarmee gaf hij aan niet het oude regime te willen herstellen, maar een op verlichte principes berustend en op een grondwet gevestigd koningschap te wensen. Die grondwet kwam er in maart 1814, op basis van een schets die Van Hogendorp een paar jaar eerder had geschreven. De na 1798 ontstane eenheidsstaat bleef gehandhaafd; een herstel van de Republiek werd niet overwogen. Wel werden de gewesten in ere hersteld, maar die kregen hun soevereiniteit niet terug. De nieuwe vorst kreeg de uitvoerende macht, waarin een raad van ministers hem zou bijstaan. De wetgevende macht kwam bij een kamer te liggen, waarvan de leden werden gekozen door de provinciale statenvergaderingen. Om de breuk met het verleden en zijn andere positie aan te geven, werd de nieuwe vorst niet Willem VI, maar Willem I genoemd.

Het was gelukt het eigen bestaan van Nederland veilig te stellen, maar het waren in juni 1814 de Europese grootmachten die als de overwinnaars van Napoleon bepaalden dat Nederland werd samengevoegd met de Zuidelijke Nederlanden. Daarbij verwerkelijkten zij wel de door Willem en veel anderen gekoesterde wens om de situatie van vóór 1580 te herstellen. Willem werd nu officieel Koning der Nederlanden en Nederland een staat die de kans had uit te groeien tot een middelgrote Europese natie. In april 1815 werd hiertoe een nieuwe grondwet ingevoerd, waarin onder meer bepaald werd dat de volksvertegenwoordiging uit twee kamers zou bestaan en het land zeventien provincies zou tellen – evenveel als er onder Karel V gewesten waren geweest. Maar de taak omtwee gebieden aaneen te smeden die meer dan twee eeuwen gescheiden waren geweest en daarvoor maar in beperkte mate een eenheid hadden gevormd, bleek zwaar te zijn. De tegenstellingen waren enorm: het noorden was grotendeels protestants, het zuiden uitsluitend katholiek; het noorden was een op zee gerichte handelsnatie, het zuiden een op het continent gericht land met veel grootgrondbezit; in het zuiden overheerste de aristocratie, het noorden was en bleef een burgermaatschappij; het noorden had een vooraanstaande rol op het wereldtoneel gespeeld, het zuiden was sinds de jaren 1580 onderdeel van een groter rijk – eerst Spanje, later Oostenrijk – gebleven; het noorden had inmiddels tientallen jaren van economische misère achter de rug, terwijl in het zuiden de economie al sinds 1750 in opgang was, er eenmoderne, door stoommachines aangedreven industrie was ontstaan en Antwerpen weer een belangrijke havenstad was geworden.

Zijn onafhankelijkheid had Nederland teruggekregen en zijn internationale positie was zelfs verstevigd, maar het land bevond zich na de terugtrekking van de Franse troepen in een overigens weinig riante positie. De handel stelde weinig voor, de vloot was geminimaliseerd en een aantal van de belangrijkste koloniën was voorgoed in Engelse handen terechtgekomen: alle nederzettingen in India, heel Ceylon, het gebied rond Kaap de Goede Hoop, delen van Guyana. De nieuwe koning hoopte weer wat elan in de maatschappij te brengen en zag de aansluiting met het economisch modernere zuiden als een mogelijkheid daartoe. Het goede van noord en zuid wilde hijmet elkaar verbinden. In zijn optiek moest het noorden verhandelen wat het zuiden in zijn fabrieken produceerde, enmoesten de overgebleven koloniën – Suriname en enkele Indonesische eilanden, in het bijzonder Java – daarbij een dragende rol spelen. Hiertoe richtte hij in 1824 onder meer de Nederlandsche Handel-Maatschappij op. Om handel en nijverheid een duw in de rug te geven, zette Willem I zich verder in voor de aanleg van enkele belangrijke kanalen, waarvan sommige, zoals de Zuid-Willemsvaart, noord en zuid met elkaar gingen verbinden.

Tegelijkertijd probeerde de regering op een ander niveau de twee landsdelen aan elkaar te koppelen, bijvoorbeeld door het Nederlands als officiële taal en als gebruikstaal in het zuiden te stimuleren – een lastige klus, aangezien het Frans in Vlaanderen, zeker in de hogere kringen, al tijden de boventoon voerde en in andere gebieden alleen maar werd gesproken. Hoewel het zuiden anderhalf keer zoveel inwoners telde als het noorden, waren de twee gebieden in de in 1815 gevormde gezamenlijke Staten-Generaal gelijkelijk vertegenwoordigd. Den Haag en Brussel vormden afwisselend steeds voor een half jaar de regeringszetel, maar tot het vaststellen van één gezamenlijke hoofdstad kon men niet besluiten. Hoewel de nieuwe staat zijn interne evenwicht in de loop van de jaren twintig enigszins leek te vinden, hielden velen in het zuiden toch het gevoel dat Zuid-Nederlandse en ook katholieke belangen en tradities stelselmatig werden genegeerd en het noorden een overheersende plaats innam. Andersom ervoer het noorden de potentieel sterkere Zuid-Nederlandse economie als een constante bedreiging.

Vooral in het zuiden namen de gevoelens van onvrede steeds verder toe, waarbij moderne liberalen en traditionele katholieken ondanks hun grote onderlinge verschillen elkaar zelfs wisten te vinden. Willem I hield zich voor de door deze groeperingen geuite bezwaren doof, wat de zaak van de oppositie alleen maar bevorderde. In augustus 1830 barstte in Brussel figuurlijk de bom: de rellen die op een zomeravond bij de Muntschouwburg uitbraken, groeiden uit tot een volksopstand. De grote mogendheden die de koning vijftien jaar geleden nog aan zijn machtspositie hadden geholpen, weigerden in te grijpen. Nog hetzelfde jaar was de nieuwe Zuid-Nederlandse staat, die België ging heten, een feit. Het duurde vervolgens acht jaar voordat Willem de nieuwe situatie officieel aanvaardde. In 1839 ten slotte ondertekende de Nederlandse regering het verdrag waarmee de Belgische onafhankelijkheid werd erkend.

De oude generaliteitslanden in Vlaanderen en Brabant – tijdens de Republiek bezet gebied – hadden zich niet achter de Belgische opstand geschaard. De katholieke bevolking daar reageerde over het algemeen lauw op de Brusselse gebeurtenissen. Anders ging het in Limburg: die provincie sloot zich in 1830 onder aanvoering van enkele vooraanstaande burgers juist wel bij België aan. Hier was de solidariteit met het noorden – Holland – nog kleiner dan in Brabant. Grote delen van dit gebied hadden tot 1815 nooit bij Nederland gehoord en die streken en steden die wel onder de Republiek vielen, waren over het algemeen slechts enclaves geweest te midden van vaak vijandelijk gebied. Maar Belgisch bleef Limburg slechts tot 1839. Bij de definitieve erkenning van de Belgische onafhankelijkheid besloten de opnieuw betrokken grote mogendheden het toenmalige Limburg te splitsen en het oostelijke deel toch bij Nederland te voegen. Tegelijkertijd werd deze provincie lid van de Duitse Bond, waarin een groot aantal zelfstandige Duitse staten zich na 1815 verenigd had. Aan deze merkwaardige en dubbelzinnige situatie kwam pas een eind toen de Duitse Bond in 1866 werd opgeheven. Sindsdien hoort dit deel van Limburg bij Nederland en zijn de grenzen met Duitsland en België niet noemenswaard veranderd.