Calvinistisch land?

Terwijl in Vlaanderen en Brabant al in de jaren 1550 de eerste calvinistische geloofs gemeenschappen waren ontstaan, gebeurde dat in de noordelijker gelegen gewesten pas in 1566 na afloop van de Beeldenstorm, toen het landsbestuur een flexibeler houding leek aan te nemen. Tot dan toe waren aanhangers van Calvijn meestal binnen de katholieke kerk gebleven. Dat gold zelfs voor enkele priesters, die waren doorgegaan met het opdragen van de katholieke mis maar in hun preken protestantse ideeën naar voren hadden gebracht. De noordelijke gewesten lagen ver van het Brusselse machts centrum en van de Leuvense universiteit, hét katholieke bolwerk. Het katholicis me was er minder militant en de autoriteiten waren er lankmoediger, waardoor de tegenstellingen boven de grote rivieren aanmerkelijk minder scherp waren dan in Vlaanderen en Brabant en het calvinisme er minder radicale trekken kreeg. Niettemin had juist hier de opstand succes en kreeg die hier een openlijk calvinistisch karakter. Door het onbehouwen optreden van Alva werden de meeste katholiek gebleven gematigden – de grote middengroep – de zijde van de opstand opgedreven. Tegelijkertijd zorgden zij er zo voor dat de opstand gematigde trekken behield.

De Republiek die het resultaat was van de opstand, kreeg een calvinistisch karakter, maar was niet strikt protestants: de calvinistische aanhang bedroeg in 1585 slechts zo’n tien procent van de bevolking. Dat was deels het gevolg van de strenge eisen die die kerk aan haar lidmaten stelde, maar werd ook veroorzaakt door het feit dat de grote meerderheid zich nog steeds neutraal opstelde. De bevolking werd ook niet gedwongen voor de calvinistische kerk te kiezen: die kerk verving niet de katholieke kerk als enig bestaande en getolereerde kerk, wat voor het Europa van die tijd een unieke situatie betekende. Wel werd de ‘Nederduits Gereformeerde Kerk’ de officiële kerk. In de ogen van gematigde bestuurders moest deze een publieke kerk zijn, een kerk die voor zo veel mogelijk mensen openstond, al te strikte dogma’s vermeed en een afspiegeling van de samenleving vormde. Veel stadsbesturen vonden het noodzakelijk greep te houden op de kerk en wilden de rol van de kerk in de samenleving beperkt houden. Predikanten werden daarom door de overheid aangesteld.

Een beperkte rol voor hun kerk was niet bepaald wat de echte calvinisten als hun ideaal zagen; zij streefden juist naar een volkomen calvinistische samenleving. Vooral veel uit de Zuidelijke Nederlanden afkomstige dominees waren met hun radicalere achtergrond streng in de leer. Niet alleen ageerden zij onophoudelijk tegen paapse maar populaire gebruiken, zoals het vieren van Sinterklaas en het houden van kermissen, ook wilden zij de staat ondergeschikt zien aan de kerk in plaats van andersom. Zij streefden niet naar een algemene, publieke kerk, maar naar een zuivere kerk waar de leden bewust en uit volle overtuiging voor kozen, zich daarmee onderwerpend aan de strakke beginselen van het geloof.

Het conflict tussen wat men meestal ‘precieze’ en ‘rekkelijke’ groeperingen noemt, leidde meer dan eens tot forse botsingen, die behalve de fundamenten van de kerk ook die van de staat en de samenleving konden raken en dan een politieke dimensie kregen. De eerste keer was een meningsverschil over de leer van de predestinatie aanleiding voor een diepgaand conflict. Die leer vormde de kern van het calvinistische geloof: door God was bij voorbaat bepaald wie naar de hemel ging en wie naar de hel. De crisis ontstond nadat in 1604 Jacobus Arminius, hoogleraar theologie aan de in 1575 opgerichte universiteit van Leiden, betoogd had dat het leven, handelen en geloven van de individuele mens wel degelijk invloed konden hebben op dit goddelijke besluit. Zijn collega Franciscus Gomarus viel Arminius als eerste fel aan. Al snel brak het conflict uit de muren van de universiteit en ging het behalve over dit religieuze vraagstuk ook over andere kwesties.

De Arminianen, die naar het in 1610 openbaar gemaakte stuk waarin zij hun gelijk trachtten te bewijzen, werden aangeduid als remonstranten, waren in deminderheid maar hadden relatief veel aanhang in het machtige Holland. De aanhangers van de precieze Gomarus betwistten de vaak remonstrantse overheid het recht zich in het conflict te mengen, terwijl in het bijzonder de bestuurders van Amsterdam en Leiden dat juist wel deden. Zij wensten niet dat kerkelijke tegenstellingen de stedelijke samenleving verdeelden. Het conflict ging uiteindelijk over de greep van de staat op de kerk, over de autonomie van de kerk en over de mate waarin de jonge Nederlandse samenleving een uitsluitend protestantse samenleving moest zijn.

Ondertussen was in 1609 met Spanje een bestand gesloten waarbij was afgesproken dat dewapens twaalf jaar zouden blijven rusten –wat ook werkelijk gebeurde. Het religieuze conflict raakte allengs verweven met een heel ander conflict, waarin Johan van Oldenbarnevelt, als vertegenwoordiger van Holland, en prins Maurits van Oranje, als vertegenwoordiger van de unie van de zeven gewesten – de Generaliteit –, tegenover elkaar kwamen te staan. Van Oldenbarnevelt en zijn medestanders, onder wie de in 1583 in Delft geboren briljante jurist en denker Hugo de Groot, beklemtoonden dat de eigen soevereiniteit van de gewesten een van de belangrijkste redenen was geweest om tegen Filips II in opstand te komen. Die vrijheid moest daarom het wezenskenmerk van de Republiek zijn. In zijn in het Latijn en het Nederlands uitgegeven boekje Tractaet vande Oudtheyt vande Batavische nu Hollandsche Republique (1610) baseerde De Groot dit standpunt zelfs op de Bataafse opstand tegen de Romeinen van 69 na Christus. In feite eiste Holland de beslissende stemop in het internationale beleid van de Republiek. Het conflict spitste zich toe op de vraag of Frankrijk wel de voornaamste bondgenoot kon blijven. Van Oldenbarnevelt had hieraan altijd vastgehouden, maar nu de wapens zwegen, werd steeds scherper de vraag gesteld of dit katholieke koninkrijk wel vertrouwd kon worden.

De conflicten raakten onlosmakelijk met elkaar verbonden en verspreidden zich over het hele land. Omdat de eenheid dreigde teworden verbroken, begon Maurits, stadhouder van onder meer Holland maar legeraanvoerder van de hele Republiek, zich er vanaf 1616 actief mee te bemoeien. Hij koos partij tegen Van Oldenbarnevelt en de Staten van Holland, want hen zag hij als degenen die een splijting doordreven en de Republiek internationaal in het verkeerde kamp dreven. Daarmee koos Maurits voor de preciezen in de kerk. De stadhouder maakte gebruik van zijn recht om zelf bestuurders in steden te benoemen en verving Arminiaanse bestuurders door hun tegenstanders. Met veel tact en geduld wist hij de posities van Van Oldenbarnevelt en zijn medestanders te ondergraven. Maurits kon de zaken steeds meer naar zijn hand zetten en daarmee voorkomen dat Holland zijn eigen weg ging. Het dramatisch dieptepunt volgde op 13 mei 1619, toen de 71-jarige Van Oldenbarnevelt publiekelijk werd onthoofd op het Binnenhof in Den Haag, onder meer op beschuldiging van landverraad. Deze politieke executie is een unicum in de Nederlandse geschiedenis. Zijn medestanders kregen lichtere straffen, al waren die elk op zich ook zwaar. Hugo de Groot werd voor de rest van zijn leven opgesloten in Slot Loevestein, de republikeinse staats gevangenis, maar daar wist hij al binnen twee jaar, verborgen in een boekenkist en met hulp van zijn vrouw, uit te ontsnappen.

Met de terechtstelling van Van Oldenbarnevelt was de politieke strijd voorlopig gestreden. Om ook het kerkelijke conflict op te lossen hadden de Staten-Generaal in 1618 besloten in Dordrecht een nationale synode bijeen te roepen, een vergadering van alle gereformeerde kerken in de Republiek. De Arminiaanse denkbeelden werden er officieel verworpen en verboden en de eenheid binnen de kerk werd hersteld. De bestuurders zorgden er ondertussen wel voor dat zij de controle over de kerk in eigen hand zouden houden. Het waren daarom openbare gerechtshoven die de aanhangers van Arminius veroordeelden en de meeste van hen uit de Nederlanden verbanden.

Op religieus gebied werd op de Synode van Dordrecht de eenheid van de Republiek bevestigd. Voor alle gewesten gold dezelfde kerkorde, die door de Staten-Generaal werd opgelegd en gecontroleerd, al bleven er hierbinnen wel verschillen bestaan. Tijdens dezelfde vergadering werd besloten omslechts één Nederlandse bijbelvertaling toe te staan. Uit de naamdie hieraan werd gegeven – de Statenbijbel – blijkt onomwonden hoe groot de invloed van de overheid was. Het duurde nog tot 1637 voordat de vertaling het licht zag. De invloed van deze nieuwe bijbeltekst was groot. Overal in de Republiek lazen de predikanten sindsdien dezelfde teksten voor en hanteerden zij hetzelfde taalgebruik. Thuis lazen de mensen hierin een ander soort Nederlands dan zij zelf gewend waren te spreken. Vandaar dat de Statenbijbel de taalkundige eenheid van Nederland in belangrijke mate heeft bevorderd. Woorden als ‘zondebok’ en uitdrukkingen als ‘niet van gisteren zijn’ worden dankzij deze bijbellezing nog steeds overal gebruikt.

De synode van 1618 had de eenheid in de kerk hersteld en betekende een triomf voor de orthodoxe stroming. Daarbijwas de steun van de overheid cruciaal geweest. Maar het bestuur in de gewesten en de steden liet zich niet de wil van de kerk opleggen. Hoewel de tolerantie voor andere kerkgenootschappen aanvankelijk aanzienlijk afnam, was er in Holland zeker geen sprake van onderdrukking, laat staan vervolging. Niet-calvinistische protestanten, zoals doopsgezinden en lutheranen, konden hun geloof blijven belijden, na enige tijd zelfs in herkenbare eigen kerkgebouwen. Ook de remonstranten, die zich na 1618 in een eigen kerk hadden verenigd, kregen die ruimte, hoewel hun aanhang erg gekrompen was. In de gereformeerde kerk zelf zou na verloop van tijd weer voldoende plaats blijken te zijn voor vrijzinniger denkbeelden, en na verloop van tijd werd die kerk minder streng dan kort na 1618 waarschijnlijk leek.

Het aantal gereformeerden nam ondertussen tot 1650 maar langzaam toe. Wel bezochten velen de diensten, maar zonder zich direct bij de kerk aan te sluiten. Uiteindelijk was in de loop van de zeventiende eeuw, toen er van de kerkweer veel scherpe kantjes waren afgeslepen, ongeveer de helft van de bevolking lidmaat van de gereformeerde kerk. Dat het moeilijk was als niet-gereformeerde een openbaar ambt te bekleden, droeg daar zeker toe bij, evenals de – althans uiterlijke – twee-eenheid die kerk en staat in de jaren na het grote conflict tentoonspreidden.

De Nederlandse samenleving behield een gematigd karakter. De katholieke minderheid bleef daardoor gedurende de Republiek constant en bedroeg gemiddeld ongeveer eenderde van de bevolking. Er waren gebieden – het hele noorden, de Veluwe en grote delen van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden – waar hun aandeel aanmerkelijk lager was, maar in Holland, Utrecht en delen van Gelderland en Overijssel overtrof hun aantal hier en daar zelfs dat van de gereformeerden. Problemen in de samenleving gaf dit zelden of nooit. Alleen in tijden van crisis kwam het voor dat katholieken als mogelijke handlangers van buitenlandse machten werden aangemerkt. De overheid probeerde zelfs de benoeming van katholieke priesters te beheersen om radicalisering van die kerk tegen te gaan, want ook de katholieken moesten zich solidair voelen met de Republiek.

Spoedig waren katholieke kerken weer toegestaan, zij het dat hiervoor in of achter huizen verscholen ruimten moesten worden gebruikt. De grote dorps- en stadskerken, die voor de opstand vanzelfsprekend katholiek waren, werden uitsluitend gebruikt voor de protestantse eredienst en waren daartoe ontdaan van schilderingen, beelden en andere typisch roomse elementen. De tolerantie die in de praktijk in de Republiek ontstond, was het gevolg van de onwil van de overheden om de bevolking in hun geloof te dwingen. Natuurlijk verschilde die onwil van stad tot stad en streek tot streek, maar er was altijd ruimte voor andersdenkenden. Dit beleid kende vooral pragmatische redenen, waarbij zeker in Holland, en vooral in Amsterdam, het belang van de handel een doorslaggevende rol speelde. Omin 1632 Maastricht in handen te krijgen had prins Frederik Hendrik de inwoners zelfs beloofd dat zij in hun eigen kerken gewoon demis konden blijven vieren, maar dat was wel een uitzondering. In andere delen van Limburg en Brabant die in die tijd werden veroverd, werd het de bevolking niet toegestaan haar geloof openlijk te belijden. Maar van een calvinisering was tegelijkertijd nauwelijks sprake.

De Republiek werd een pluriforme maatschappij, niet alleen op papier maar ook op straat. Zelfs de overal elders vervolgde joden konden in 1675 midden in Amsterdam een grote synagoge in gebruik nemen, al werden ze in het dagelijks leven van allerlei rechten uitgesloten. Gilden stonden bijvoorbeeld niet voor hen open. De bevolking begon het veelzijdiger karakter van de samenleving steeds vanzelfsprekender te vinden; elkaar gedogen hoorde bij het leven.