De heilige

1981

Tweeëntwintig jaar later ontmoette ik Margarito Duarte opnieuw. Hij dook plotseling op in een van de verborgen straatjes van Trastevere, maar door zijn moeizame Spaans en zijn treffende uiterlijk als van een oude Romein kostte het mij moeite hem op het eerste gezicht te herkennen. Hij had dun, grijs haar, en er was geen spoor meer te bekennen van het sombere voorkomen en de begrafeniskleding van Andesjurist waarmee hij de eerste maal naar Rome was gekomen, maar in de loop van ons gesprek ontrukte ik hem geleidelijk aan de bedrieglijkheid van zijn jaren en zag ik hem weer zoals hij was: zwijgzaam, onvoorspelbaar en taai als een steenhouwer. Vóór de tweede kop koffie in een van onze cafés uit vroeger tijden, waagde ik het de vraag te stellen die van binnen aan mij knaagde. “Wat is er met de heilige gebeurd?”

“Daar staat de heilige,” zei hij. “Ze wacht op me.” Alleen de tenor Rafael Ribero Silva en ik konden begrijpen hoe verschrikkelijk de menselijke last van zijn antwoord was. Wij waren zo vertrouwd met zijn drama dat ik jarenlang heb gedacht dat Margarito Duarte het personage op zoek naar een auteur was waarop wij schrijvers ons hele leven zitten te wachten, en als ik mij nooit door hem heb laten vinden, dan was dat omdat het einde van zijn geschiedenis mij onvoorstelbaar leek.

Hij was naar Rome gereisd in die stralende lente waarin Pius xn aan een kritieke hik leed die artsen noch tovenaars met hun goede of slinkse kunsten hadden kunnen genezen. Hij verliet voor de eerste maal zijn hooggelegen dorpje in Tolima, in de Colombiaanse Andes, en dat was zelfs aan zijn manier van slapen te zien. Hij verscheen op een ochtend in ons consulaat met zijn koffer van glanzend gewreven grenenhout die naar vorm en afmeting op een cellokist leek en deed aan de consul de verbazingwekkende reden van zijn reis uit de doeken. De consul belde vervolgens zijn landgenoot, de tenor Rafael Ribero Silva, met het verzoek een kamer voor hem te huren in hetzelfde pension waar wij woonden. Zo maakte ik kennis met hem.

Margarito Duarte was niet verder gekomen dan de lagere school, maar zijn roeping voor de schone letteren had hem een bredere ontwikkeling gegeven omdat hij hartstochtelijk alle gedrukte materiaal waar hij de hand op kon leggen verslond.

Op zijn achttiende, hij was toen gemeenteklerk, trouwde hij met een mooi meisje, dat kort daarna bij de geboorte van haar eerste kind stierf. Dat kind, mooier nog dan haar moeder, stierf op zevenjarige leeftijd aan een zware koorts.

Maar de ware geschiedenis van Margarito Duarte was zes maanden voor zijn komst naar Rome begonnen, toen het kerkhof van zijn dorp moest wijken voor de aanleg van een stuwmeer. Margarito groef, zoals alle bewoners van de streek, de botten van zijn doden op om ze naar het nieuwe kerkhof over te brengen. Zijn vrouw was tot stof vergaan.

Maar in het graf ernaast lag het meisje er na negen jaar nog ongeschonden bij. Zelfs zo dat men, toen het deksel werd opgelicht, de geur van de verse rozen rook waarmee ze was begraven. Het wonderbaarlijkste was echter dat het lichaam gewichtloos was.

Het dorp werd overstroomd door honderden nieuwsgierigen die door het opzienbarende wonder waren aangelokt. Er was geen twijfel mogelijk. De onbedorven staat van het lichaam was een ondubbelzinnig teken van heiligheid, en zelfs de bisschop van het diocees was het ermee eens dat een dergelijk wonder aan het oordeel van het Vaticaan moest worden onderworpen.

En dus werd er een openbare collecte gehouden om Margarito Duarte in staat te stellen naar Rome te reizen voor een zaak die niet meer alleen de zijne of die van de directe omgeving van zijn dorp was, maar een nationale kwestie was geworden.

Terwijl hij ons in het pension in de vredige wijk Parioli zijn geschiedenis vertelde, maakte Margarito Duarte het hangslot open en deed het deksel van de prachtig bewerkte kist. Zo werden de tenor Ribero Silva en ik deelgenoot van het wonder. Het was niet zo’n verwelkte mummie die je in zovele musea van de wereld ziet, maar het leek op een als bruidje gekleed meisje dat na een langdurig verblijf onder de grond nog steeds sliep. Haar huid was glad en warm, haar geopende ogen waren doorschijnend en wekten de ondraaglijke indruk dat ze ons vanuit de dood aankeken. Het satijn en de valse oranjebloesem van de krans hadden de tand des tij ds minder goed doorstaan dan de huid, maar de rozen in haar handen bloeiden nog. Het gewicht van de grenenhouten kist bleef inderdaad gelijk toen we het lichaam eruit haalden.

De dag na zijn aankomst begon Margarito Duarte stappen te ondernemen. In het begin met diplomatieke hulp, die eerder meelevend dan doeltreffend was, en vervolgens met inzet van alle listen die hem invielen om de ontelbare hinderpalen van het Vaticaan te omzeilen. Hij was altijd zeer terughoudend over zijn handelingen, maar we wisten dat ze talrijk en vruchteloos waren. Hij klopte aan bij alle religieuze congregaties en humanitaire instellingen die hij op zijn pad tegenkwam; ze hoorden hem aandachtig, maar zonder verbazing aan en beloofden hem subiet stappen te ondernemen die nooit iets opleverden. Eigenlijk was het niet de meest geschikte periode. Alles wat met de Heilige Stoel te maken had was uitgesteld tot het moment waarop de paus verlost zou zijn van zijn hik, die niet alleen bestand bleek tegen de meest verfijnde middelen van de medische wetenschap, maar tegen alle magische middelen die hem vanuit de hele wereld werden toegezonden.

Eindelijk, in de maand juli, herstelde Pius xn en vertrok voor zijn zomervakantie naar Castelgandolfo. Margarito nam de heilige naar de eerste de beste audiëntie mee, in de hoop haar aan de paus te kunnen tonen. De paus verscheen op het binnenplein, op een balkon dat zo laag was dat Margarito zijn glanzende nagels kon zien en zijn lavendelgeur kon ruiken. Hij begaf zich echter niet, zoals Margarito gehoopt had, tussen de toeristen die uit de hele wereld gekomen waren om hem te zien, maar hij sprak dezelfde rede in zes talen uit en besloot met de algemene zegen.

Na al dat uitstel besloot Margarito de zaken persoonlijk aan te pakken. Hij leverde op het ministerie een brief van bijna zeventig handgeschreven vellen af, waarop hij geen antwoord ontving. Hij had dat voorzien, want de functionaris die de brief met de gebruikelijke formaliteiten in ontvangst nam, keurde het dode meisje amper een blik waardig en de passerende ambtenaren wierpen een ongeïnteresseerde blik op haar. Een van hen vertelde hem dat ze het jaar daarvoor ruim achthonderd brieven uit alle hoeken van de wereld hadden ontvangen met verzoeken om heiligverklaring van onaangetaste lijken. Margarito verzocht de functionaris tenslotte om vast te stellen dat het lichaam gewichtloos was. Hij stelde dat vast, maar weigerde het te erkennen.

“Het moet een geval van collectieve suggestie zijn,” zei hij.

In zijn schaarse vrije uren en op de saaie zomerse zondagmiddagen bleef Margarito op zijn kamer en verdiepte zich in de lectuur van willekeurig wat voor boek dat hem van belang leek voor zijn zaak. Aan het eind van elke maand tekende hij op eigen initiatief en met zijn zeer precieuze schoonschrift van hoofdklerk in een schoolschrift een minutieus verslag op van zijn uitgaven, waarin hij getrouw en eerlijk rekenschap aflegde aan de donateurs van zijn dorp.

Voor het einde van het jaar was hij in de doolhoven van Rome thuis alsof hij er geboren was, sprak hij een eenvoudig Italiaans van even weinig woorden als zijn Andes-Spaans en wist hij tot in de finesses alles van canonisatieprocessen af.

Maar er ging heel wat tijd overheen voordat hij zijn begrafeniskledij en het vest en de magistratenhoed die in het Rome van die tijd typerend waren voor sommige geheime genootschappen met obscure doelstellingen, had ingewisseld. Hij ging ‘s morgens in alle vroegte met de kist van de heilige de deur uit en keerde soms laat in de avond terug, uitgeput en terneergeslagen, maar altijd met een vonkje vuur dat hem nieuwe moed voor de volgende dag gaf.

“De heiligen leven in hun eigen tijd,” zei hij dan.

Ik was voor het eerst in Rome, waar ik aan de filmacademie studeerde, en ik leefde zeer intens met zijn lijdensweg mee. Het pension waar wij woonden was in feite een modern appartement, vlak bij Villa Borghese, waarvan de eigenares twee kamers bewoonde en vier aan studenten verhuurde. Wij noemden haar María Bella, ze was knap, temperamentvol, in de rijpheid van haar herfst, en altijd trouw aan de heilige norm dat iedereen een absoluut vorst binnen zijn eigen kamer was. Degene die in werkelijkheid de last van het dagelijkse leven torste was Antonieta, haar oudste zuster, een engel zonder vleugels die zich overdag urenlang voor haar uitsloofde en overal in het huis met haar emmer en bezem het marmer liep te boenen tot het onmogelijk schoner kon. Zij was het die ons leerde de zangvogeltjes te eten waar Bartolino haar echtgenoot jacht op maakte, een slechte gewoonte die hij aan de oorlog had overgehouden, en Margarito tenslotte in haar huis liet wonen toen hij te armlastig was om de prijzen van María Bella te kunnen betalen.

Dat chaotische huis paste volstrekt niet bij Margarito’s natuur.

Op elk uur van de dag had het iets nieuws voor ons in petto, zelfs vroeg in de ochtend als we door het huiveringwekkende gebrul van de leeuw in de dierentuin van Villa Borghese werden gewekt. De tenor Ribero Silva had zich het voorrecht verworven dat de Romeinen geen aanstoot namen aan zijn matineuze oefeningen. Hij stond om zes uur op, nam zijn geneeskrachtige ijskoude bad, verzorgde zijn baard en Mefistofeles-wenkbrauwen, en pas wanneer hij gehuld was in zijn Schots geruite ochtendjas, zijn sjaal van Chinese zijde en eigen eau de cologne wijdde hij zich met lichaam en ziel aan zijn zangoefeningen. Hij zette het raam van zijn kamer wijdopen, zelfs als er winterse sterren glinsterden, en begon zijn stem op te warmen met oplopende fraseringen van beroemde liefdesaria’s, tot hij op volle sterkte losbarstte. De dagelijkse verwachting was dat wanneer hij de hoge c zong, de leeuw uit Villa Borghese hem met een gebrul als van een aardbeving antwoordde.

“Jij bent de reïncarnatie van de heilige Marcos, figlio mio,” riep tante Antonieta met oprechte verbazing uit. “Hij alleen kon met de leeuwen praten.”

Op een ochtend was het niet de leeuw die hem van repliek diende. De tenor had het liefdesduet uit Othello ingezet: Gid nella notte densa s’estingue ogni clamor. Plotseling kwam van achter op de binnenplaats het antwoord van een prachtige sopraan. De tenor zong door en de twee stemmen brachten het complete duet ten gehore, tot genoegen van de buren, die de ramen wijd openzetten om hun huizen met de stortvloed van die onweerstaanbare liefde te wijden. De tenor viel bijna flauw toen hij hoorde dat zijn onzichtbare Desdemona niemand minder dan de beroemde María Caniglia was.

Ik heb de indruk dat die episode voor Margarito Duarte een geldige reden was om aan het huiselijke leven deel te nemen.

Vanaf dat moment at hij met ons allen aan de gemeenschappelijke tafel, en niet zoals daarvoor in de keuken, waar tante Antonieta hem bijna dagelijks haar topgerecht van zangvogeltjes voorschotelde. María Bella las ons na het eten de krant van die dag voor om ons aan de uitspraak van het Italiaans te wennen en gaf dan zo’n eigenmachtige en geestige aanvulling op het nieuws dat we ons kostelijk vermaakten. Naar aanleiding van de heilige vertelde zij ons een keer dat er in Palermo een immens museum was met de onaangetaste lijken van mannen, vrouwen en kinderen, en zelfs van verscheidene bisschoppen, die op een kerkhof van de kapucijner monniken waren opgegraven. Margarito was zo gealarmeerd door dat nieuws dat hij niet eerder rust had totdat wij naar Palermo vertrokken.

Maar hij had genoeg aan een zijdelingse blik op de overweldigende galerijen met mummies zonder glorie om een troostend oordeel te vellen.

“Dit is een heel ander geval,” zei hij. “Aan deze zie je meteen dat ze dood zijn.”

Vanaf het middagmaal gaf Rome zich aan de slaperige hitte van augustus over.

Rond het middaguur stond de zon roerloos hoog aan de hemel en in de stilte van twee uur ‘s middags hoorde je alleen maar het geruis van water, de natuurlijke stem van Rome.

Maar tegen zeven uur ‘s avonds gingen plotseling de ramen open om de frisse lucht die zich begon te roeren op te roepen, en een uitgelaten menigte die niets anders wilde dan leven, vulde de straten, te midden van het geknetter van de motoren, het geschreeuw van de watermeloenverkopers en de liefdesliedjes tussen de bloemen op de terrassen.

De tenor en ik hielden geen siësta. Wij reden rond op zijn Vespa, hij aan het stuur en ik achterop, en brachten ijsjes en chocola naar de zomerhoertjes die onder de eeuwenoude laurierbomen van Villa Borghese scharrelden, op zoek naar toeristen die midden op de dag wakker waren. Ze waren mooi, arm en lief, zoals het gros van de Italiaanse vrouwen uit die tijd, uitgedost in blauw organdie, roze popeline en groen linnen, en ze beschermden zich tegen de zon met parasols die door de regen waren aangevreten tijdens de recente oorlog. Het was een genot om in hun gezelschap te verkeren, want ze ontdoken de wetten van hun beroep en permitteerden zich de luxe een goede klant te verliezen om onder een goed gesprek koffie met ons te drinken in het café op de hoek, in een huurrijtuig over de paden van het park te rijden of medelijden te hebben met de onttroonde koningen en hun tragische geliefden die tegen de avond paardreden in het galoppatoio. Meermalen waren wij de meisjes behulpzaam als tolk bij een of andere ontspoorde gringo.

We namen Margarito Duarte niet voor de hoertjes naar Villa Borghese mee, maar om kennis te maken met de leeuw. Hij leefde in vrijheid op een woestijnachtig eilandje dat omgeven was door een diepe gracht, en toen hij ons aan de overkant in het oog kreeg begon hij zo angstaanjagend te brullen dat zijn bewaker perplex stond. De bezoekers van het park kwamen er verrast op af. De tenor probeerde zich met zijn matineuze hoge c te legitimeren, maar de leeuw lette niet op hem. Hij leek naar ons allemaal te brullen, maar de bewaker had meteen door dat hij alleen naar Margarito brulde. En inderdaad: in welke richting hij ook liep, de leeuw liep met hem mee, en zodra hij zich verschool stopte hij met zijn gebrul. De bewaker, een doctor in de klassieke talen aan de universiteit van Siena, dacht dat Margarito die dag bij andere leeuwen was geweest waardoor hij hun geur meedroeg. Behalve deze verklaring, die overigens niet klopte, kon hij niets anders bedenken.

“Het is in elk geval geen oorlogszuchtig, maar een meewarig gebrul,” zei hij.

Het was echter niet deze bovennatuurlijke scène die op de tenor Ribero Silva indruk maakte, maar de emotie van Margarito toen ze bleven staan om een praatje te maken met de meisjes van het park. Hij bracht dit aan tafel ter sprake en allemaal vonden we, sommigen uit plaagzucht en anderen uit begrip, dat het een goede daad zou zijn om Margarito uit zijn eenzaamheid te verlossen. María Bella, ontroerd door onze weekhartigheid, drukte haar met fantasieringen belegde handen tegen haar bijbelse moederborst.

“Ik zou het uit naastenliefde doen,” riep ze, “maar ik heb het nooit gekund met mannen die een vest dragen.”

Zo kwam het dat de tenor om twee uur ‘s middags door Villa Borghese reed en achter op zijn Vespa het hoertje meevoerde dat hem het meest geschikt leek om Margarito Duarte een uur prettig gezelschap te houden. Hij zorgde ervoor dat zij zich in zijn kamer uitkleedde, waste haar met geurige zeep, droogde haar af, parfumeerde haar met zijn eigen eau de cologne en poederde haar hele lichaam met zijn naar kamfer geurende talkpoeder voor na het scheren. Tenslotte betaalde hij haar voor de tijd die al verstreken was plus een uur en vertelde haar van a tot z wat ze moest doen.

De naakte schone liep, als een sièstadroom, op haar tenen door het schemerduistere huis en tikte zachtjes op de deur achter in de gang. Margarito Duarte, blootsvoets en zonder hemd, deed de deur open.

Buona sera, giovanotto, zei ze, met de stem en de manieren van een schoolmeisje. Mi manda il tenore.

Margarito verwerkte de schok in alle waardigheid. Hij liet haar binnen, en terwijl zij zich op het bed uitstrekte, trok hij in aller ijl zijn hemd en schoenen aan om haar met gepast respect onder ogen te komen. Vervolgens nam hij naast haar plaats op een stoel en knoopte een gesprek aan. Het meisje zei verbaasd dat hij haast moest maken omdat ze maar een uur hadden. Hij deed alsof hij het niet begreep.

Het meisje zei later dat ze hoe dan ook gebleven zou zijn, zolang hij maar wilde, zonder dat hij ook maar een cent hoefde te betalen, want geen man op de wereld gedroeg zich hoffelijker dan hij. Zonder te weten wat ze intussen moest doen, liet ze haar blik door de kamer gaan en ontdekte de houten kist op de schoorsteen. Ze vroeg of het een saxofoon was. Margarito zei niets, maar hij deed het rolluik half-open om een beetje licht binnen te laten, droeg de kist naar het bed en tilde het deksel op. Het meisje probeerde iets te zeggen, maar haar mond viel open. Of zoals ze later tegen ons zei: Mi si geld il culo (ik scheet in mijn broek van angst). Ze ging er ontzet vandoor, maar in de gang sloeg ze de verkeerde richting in en liep ze tegen tante Antonieta op, die een nieuw peertje in de lamp van mijn kamer wilde doen. Ze schrokken beiden zo hevig dat het meisje pas laat in de avond de kamer van de tenor durfde te verlaten.

Tante Antonieta heeft nooit begrepen wat er aan de hand was. Ze kwam helemaal overstuur mijn kamer binnen en haar handen beefden zo dat het haar niet lukte om de gloeilamp in de lamp te schroeven. Ik vroeg haar wat er gebeurd was. “Het spookt in dit huis,” zei ze. “En nu ook al midden op de dag.” Ze vertelde me met veel overtuiging dat een Duitse officier tijdens de oorlog zijn liefje in de kamer van de tenor de keel had afgesneden. Tante Antonieta had terwijl ze aan het werk was de geest van de vermoorde schone vaak in de gangen haar voetsporen zien oprapen.

“Ik zag haar zojuist in haar blootje door de gang wandelen,” zei ze. “Het was dezelfde.”

In de herfst herwon de stad haar sleur. De met bloemen getooide terrassen van de zomer gingen bij de eerste windvlagen dicht en de tenor en ik keerden terug naar de oude trattoria in Trastevere, waar we regelmatig gingen eten met de zangleerlingen van graaf Carlo Calcagni en een paar vrienden van mij van de filmacademie. Van deze laatsten was Lakis, een intelligente en sympathieke Griek, de trouwste; het enige wat er aan hem mankeerde was dat hij slaapverwekkende verhandelingen over het sociale onrecht hield. Gelukkig slaagden de tenor en de sopranen er bijna altijd in hem te overstemmen met uit volle borst gezongen operafragmenten die niemand stoorden, zelfs niet na middernacht. Integendeel, sommige passerende nachtbrakers voegden zich bij het koor en de buren zetten de ramen open om te applaudisseren.

Terwijl we op een nacht aan het zingen waren, kwam Margarito binnen, op zijn tenen om ons niet te storen. Hij had de grenenhouten kist bij zich omdat hij geen tijd had gehad die in het pension achter te laten nadat hij de heilige aan de pastoor van San Giovanni in Laterano had getoond, wiens invloed bij de Heilige Congregatie van de Ritus een publiek geheim was. Uit mijn ooghoeken zag ik dat hij de kist onder een tafel achterin schoof en ging zitten, terwijl wij ophielden met zingen. Zoals altijd schoven we precies om middernacht, toen de trattoria begon leeg te lopen een paar tafeltjes bij elkaar en bleven we achter met onze vrienden terwijl we zongen en over film praatten. Een van hen was Margarito Duarte, die daar al bekendstond als de zwijgzame, sombere Colombiaan van wie niemand iets wist. Lakis, geïntrigeerd door hem, vroeg of hij cello speelde. Ik schrok hevig, want het leek me een onbescheiden vraag die moeilijk te omzeilen was. De tenor, die zich net zo opgelaten voelde als ik, wist zich geen raad met de situatie.

Maar Margarito beschouwde het als een doodnormale vraag. “Het is geen cello,” zei hij. “Het is de heilige.”

Hij zette de kist op tafel, opende het slot en lichtte het deksel op. Een vlaag van ontsteltenis deed het restaurant huiveren. De andere gasten, de obers en tenslotte ook de mensen uit de keuken met hun bebloede schorten, dromden verbijsterd bijeen om het wonder te aanschouwen. Sommigen sloegen een kruis. Een van de kokkinnen knielde koortsig trillend met gevouwen handen neer en bad in stilte.

Maar toen de eerste opwinding voorbij was, raakten we verwikkeld in een luide discussie over de schaarste aan heiligheid in onze tijd. Lakis was vanzelfsprekend het meest radicaal. Het enige wat uiteindelijk duidelijk werd, was zijn idee om een kritische film over het thema van de heilige te maken.

“Ik ben er zeker van,” zei hij, “dat de oude Cesare zich dat thema niet zou laten ontgaan.”

Hij doelde op Cesare Zavattini, onze leermeester in plot en scenario, een van de grootsten uit de geschiedenis van de film en de enige die buiten de school persoonlijke contacten met ons onderhield. Hij probeerde ons niet alleen het vak bij te brengen, maar ons ook een andere kijk op het leven te geven. Hij was een bedenkmachine van thema’s. Ze borrelden er bijna tegen zijn wil uit.

En zo haastig dat hij altijd de hulp van iemand nodig had om hardop te denken en de ideeën in hun vlucht te grijpen.

Maar zodra hij er de laatste hand aan had gelegd, liet hij de moed zakken. “Jammer dat we het moeten verfilmen,” zei hij dan. Want hij dacht dat het op het doek veel van zijn oorspronkelijke betovering zou verliezen. Hij bewaarde zijn ideeën op kaartjes die naar thema waren ingedeeld en met spelden aan de muur waren geprikt, en hij had er zoveel dat een kamer van zijn huis ermee behangen was.

De zaterdag daarop gingen wij met Margarito Duarte naar hem toe. Hij bruiste zo van leven dat we hem in de deur van zijn huis in de via Angela Merici aantroffen, popelend van verlangen naar het idee dat we hem telefonisch hadden aangekondigd. Hij begroette ons zelfs niet met zijn gebruikelijke hartelijkheid, maar voerde Margarito mee naar een gereedstaande tafel en maakte zelfde kist open.

En toen gebeurde er iets wat we zeker niet hadden voorzien. In plaats van door het dolle heen te raken, zoals we verwacht hadden, werd hij door een soort mentale verlamming getroffen.

Ammazza,” mompelde hij geschrokken.

Zwijgend observeerde hij de heilige een paar minuten, sloot toen eigenhandig de kist en leidde Margarito zonder een woord te zeggen als een kind dat zijn eerste stappen zet naar de deur. Met een paar schouderklopjes nam hij afscheid van hem.

“Bedankt, jongen, bedankt,” zei hij. “Moge God je bijstaan in je strijd.”

Toen hij de deur had gesloten, wendde hij zich naar ons en gaf zijn oordeel.

“Het deugt niet voor de film,” zei hij. “Niemand zou het geloven.”

Die verrassende les bleef ons op de terugweg in de tram bij.

Als hij dat zei, dan konden we het wel uit ons hoofd zetten: de geschiedenis deugde niet. María Bella ontving ons echter met de dringende boodschap dat Zavattini ons nog diezelfde avond verwachtte, maar zonder Margarito.

Wij troffen hem op een van zijn topmomenten aan. Lakis had een paar medeleerlingen meegenomen, maar hij leek ze niet eens te zien toen hij de deur opendeed.

“Ik heb het,” schreeuwde hij. “De film wordt een sensatie als Margarito het wonder verricht om het meisje op te wekken.”

“In de film of in werkelijkheid?” informeerde ik.

Hij onderdrukte zijn ergernis. “Wees niet zo stom,” zei hij.

Maar onmiddellijk zagen we in zijn ogen het vonkje van een onweerstaanbaar idee oplichten. “Tenzij hij in staat is om haar in het echte leven op te wekken,” zei hij, en toen, ernstig: “Hij zou het moeten proberen.”

Het was maar een kortstondige verleiding voordat hij de draad weer opnam. Hij begon als een gelukkige gek door het huis te ijsberen, onderwijl heftig met zijn armen zwaaiend en luidkeels de film reciterend. Wij luisterden geïmponeerd naar hem en hadden de indruk de beelden voor ons te zien als lichtgevende vogels die hem bij bosjes ontsnapten en bezeten door het hele huis vlogen.

“Op een avond,” zei hij, “als er al zo’n twintig pausen gestorven zijn die hem niet wilden ontvangen, komt Margarito moe en afgeleefd thuis, opent de kist, streelt het gezicht van de kleine dode en zegt met alle tederheid van de wereld tegen haar: ‘Uit liefde voor je vader, meisje, sta op en wandel.’”

Hij keek ons allen aan en besloot met een triomfantelijk gebaar: “En het meisje staat op.”

Hij verwachtte iets van ons.

Maar wij waren allemaal zo perplex dat we niet wisten wat we moesten zeggen. Behalve Lakis de Griek, die schools zijn vinger opstak om het woord te vragen.

“Mijn probleem is dat ik het niet geloof,” zei hij, en toen wij verbaasd opkeken, richtte hij zich rechtstreeks tot Zavattini.

“Het spijt me, maestro, maar ik geloof het niet.”

Toen was het de beurt aan Zavattini om verbaasd te zijn.

“En waarom niet?”

“Geen idee,” zei Lakis zorgelijk. “Het kan gewoon niet.”

Ammazza,” riep de maestro toen met een bulderstem die de hele buurt moest horen. “Dat is het wat me in die stalinisten het meest dwarszit: dat ze niet in de werkelijkheid geloven.”

Zoals Margarito me zelf vertelde, bracht hij in de vijftien jaren daarna de heilige naar Castelgandolfo, voor het geval dat hij de kans zou krijgen om haar te tonen. Tijdens een audiëntie voor zo’n tweehonderd pelgrims uit Latijns-Amerika slaagde hij erin zijn geschiedenis, onder veel geduw en gestoot met de ellebogen, aan de beminnelijke Johannes xxm te vertellen.

Maar hij kon hem het meisje niet tonen omdat hij haar bij de ingang had moeten achterlaten, samen met de rugzakken van andere pelgrims, uit voorzorg tegen een aanslag. De paus schonk hem zoveel aandacht als tussen de menigte mogelijk was en gaf hem een bemoedigend tikje op zijn wang.

Bravo, figlio mio,” zei hij. “God zal je volharding belonen.”

Maar het moment waarop hij werkelijk het gevoel had dat hij dicht bij de verwezenlijking van zijn droom was, was tijdens het kortstondige bewind van de glimlachende Albino Luciani. Een verwant van deze paus was onder de indruk van Margarito’s geschiedenis en zegde hem zijn bemiddeling toe. Niemand schonk aandacht aan hem.

Maar twee dagen later, tijdens de lunch, belde iemand naar het pension met een snelle en eenvoudige boodschap voor Margarito: hij moest Rome niet verlaten, want voor donderdag zou hij door het Vaticaan gebeld worden voor een privé-audiëntie.

Het is nooit duidelijk geworden of het misschien om een grap ging. Margarito dacht van niet en bleef waakzaam. Hij zette geen stap buiten de deur.

Als hij naar de wc moest, kondigde hij dat luidkeels aan met: “Ik ga naar de wc.” María Bella, die aan de vooravond van haar ouderdom nog altijd even geestig was, schaterde het uit met haar lach van een vrijgevochten vrouw.

“We weten het al, Margarito,” riep ze, “voor het geval de paus belt.”

In de week daarna, twee dagen voor het aangekondigde telefoontje, stortte Margarito ineen toen hij de kop las van de krant die onder de deur werd doorgeschoven: Morto il papa. Een moment lang klampte hij zich vast aan de illusie dat het om een oude krant handelde die per abuis was bezorgd, want het viel niet mee te moeten geloven dat er om de maand een paus stierf.

Maar het klopte: de glimlachende Albino Luciani, die drieëndertig dagen daarvoor was gekozen, was die ochtend in zijn slaap gestorven.

Tweeëntwintig jaar nadat ik Margarito Duarte had leren kennen keerde ik naar Rome terug, en misschien had ik niet eens aan hem gedacht als ik hem niet toevallig tegen het lijf was gelopen. Ik was te bedrukt door de verwoestingen van de tijd om aan iemand te denken. Er viel een gestage, miezerige motregen als lauwe soep, het schitterende licht was troebel geworden en de plaatsen die de mijne waren geweest en mijn nostalgische gevoelens levend hadden gehouden, waren anders en van anderen. Het huis waarin het pension was gevestigd was onveranderd, maar niemand wist iets van María Bella af. Niemand kwam aan de telefoon op de zes telefoonnummers die de tenor Ribero Silva me in de loop van de jaren had gegeven. Tijdens een lunch met de nieuwe mensen van de film riep ik de herinnering aan mijn maestro op. Een plotselinge stilte wiekte even over de tafel, tot iemand durfde te zeggen: Zavattini? Mai sentito.

Zo was het: niemand had van hem gehoord. De bomen van Villa Borghese stonden piekerig in de regen, de gahppatoio van de trieste prinsessen was verslonden door struikgewas zonder bloemen en de schoonheden van vroeger waren vervangen door androgyne, als meisjes verklede atleten. De enige overlevende van een uitgestorven diersoort was de schurftige, verkouden oude leeuw op zijn eiland in muf water. Niemand zong of stierf van liefde in de geplastificeerde trattorias van het piazza di Spagna. Want het Rome van onze nostalgische dromen was nu een ander antiek Rome binnen het antieke Rome van de keizers.

Opeens deed een stem die vanuit het hiernamaals leek te komen mij in een straatje in Trastevere stokstijf stilstaan: “Hallo, dichter.”

Hij was het, oud en vermoeid. Er waren vijf pausen gestorven, het eeuwige Rome vertoonde de eerste symptomen van verval en hij wachtte nog steeds.

“Ik heb zo lang gewacht dat het niet lang meer kan duren,” zei hij bij het afscheid tegen mij, nadat we bijna vier uur lang nostalgische herinneringen hadden opgehaald. “Een kwestie van maanden misschien.” Hij schuifelde weg over het midden van de straat, met zijn oorlogsbottines en zijn verschoten pet van een oude Romein, zonder zich te bekommeren om de regenplassen waarin het water begon te rotten.

Toen was er bij mij geen enkele twijfel meer, als ik die al ooit had gehad, dat hij de heilige was. Zonder het te weten voerde hij bij zijn leven, door middel van het ongeschonden lichaam van zijn dochter, al tweeëntwintig jaar strijd voor de rechtmatige zaak van zijn eigen heiligverklaring.

Augustus 1981