Dialoog met de spiegel

1949

De man in de voorkamer werd wakker, na urenlang de slaap des rechtvaardigen geslapen te hebben, bevrijd van zijn angsten en zorgen, toen de zon al hoog aan de hemel stond en de geluiden van de stad – duidelijk – door het half geopende raam de kamer binnendrongen. Hij had eigenlijk moeten denken – als hij niet in een andere gemoedstoestand had verkeerd – aan de zware benauwenis van de dood, aan zijn diepe angst, aan het kluitje aarde – stof van zijn stof – dat zijn broer onder zijn tong moest hebben.

Maar de vrolijke zon die de tuin met zijn licht overgoot, richtte zijn aandacht op een ander leven, gewoner, aardser en misschien minder reëel dan zijn bewogen innerlijke leven. Hij leidde zijn leventje van doorsneemens, gewoontedier, wat hem deed denken – zonder daarbij rekening te houden met zijn zenuwstelsel en zijn gevoelige lever – aan de volstrekte onmogelijkheid om als een burgerman te kunnen slapen. Hij dacht – en in die gedachte school zeker iets van burgerlijke wetmatigheid – aan de ingewikkelde cijferreeksen, aan de moeilijke financiële problemen op kantoor.

Twaalf over acht. Ik kom nu beslist te laat. Hij streek met zijn vingertoppen over zijn wang. De huid voelde ruw en stoppelig aan, zijn gevoelige vingers registreerden de stekelige baardharen. Daarna beklopte hij afwezig en behoedzaam met een half geopende handpalm zijn gezicht, met de kalme rust van een chirurg die de kern van de tumor kent; en van de zachte oppervlakte begon de harde substantie naar binnen door te dringen van een waarheid die zijn angst al vaker had blootgelegd. Daar, onder zijn vingertoppen – en voorbij zijn vingertoppen, bot tegen bot – was door zijn vaste anatomische samenstelling een reeks van opbouwsels begraven, een compleet universum van weefsels en miniwerelden, die hem instandhielden en zijn sterfelijk omhulsel verhieven naar een plan dat minder blijvend was dan de natuurlijke en laatste houding van zijn gebeente.

Ja. Zo met zijn hoofd weggezonken in de zachte stof van het kussen, terwijl zijn lichaam zich overgaf aan de rust van zijn organen, had het leven een horizontale smaak die beter paste bij zijn eigen instelling. Hij wist dat hij alleen maar de moeite hoefde te nemen om zijn ogen te sluiten, en de lange, vermoeiende taak die hem wachtte zou volbracht worden in een ongecompliceerd klimaat, zonder concessies te doen aan tijd en ruimte: zonder dat zijn lichaam, dat chemische avontuur, onder de uitvoering ervan ook maar in het minst zou lijden. Integendeel, zo te liggen met gesloten ogen betekende een totale besparing van vitale onderdelen, een absolute afwezigheid van organische slijtage. Zijn lichaam, ondergedompeld in de zee van zijn dromen, kon zich bewegen, leven, evolueren naar andere bestaansvormen waarin zijn reële wereld, om aan zijn innerlijke behoeften te voldoen, even intense emoties zou beleven – zo niet nog intenser – zodat aan de noodzaak om te leven geheel werd voldaan zonder dat zijn lichaam als geheel er schade van ondervond. De opgave om samen te leven met wezens en dode dingen zou – dan – veel gemakkelijker zijn, terwijl hij toch precies zo zou handelen als in de reële wereld. Zich scheren, de bus nemen, de problemen op kantoor oplossen, dat alles zou in zijn droom eenvoudig en ongecompliceerd zijn en hem uiteindelijk dezelfde innerlijke voldoening verschaffen.

Ja. Het was beter het op deze kunstmatige manier te doen, zoals hij ook al deed, nu hij in de lichte kamer op weg was naar de spiegel. En hij zou ermee door zijn gegaan, als niet op dat moment het lawaai van een zware machine op de wrede, absurde manier de lauwe substantie van zijn opkomende droom had verscheurd. Nu hij terugkwam in de conventionele wereld, nam het probleem beslist ernstiger vormen aan.

Toch had de vreemde theorie, die hem zojuist door zijn loomheid was ingegeven, hem in een sfeer van begrip gebracht en diep in zijn binnenste voelde hij hoe zijn mond zich verbreedde tot iets wat onwillekeurig een glimlach moest zijn. Vervelend. (Inwendig bleef hij glimlachen.) “Me nog te moeten scheren als ik binnen twintig minuten over de boeken gebogen moet zitten. Baden acht, snel vijf, ontbijten zeven. Onsmakelijke ranzige worstjes. Winkel van Mabel, specerijen, schroeven, drogerijen, likeuren, dit lijkt wel op de doos van weet ik veel wie, ik ben het woord vergeten. (De bus heeft pech op dinsdag en komt zeven te laat.) Pendora. Nee: Peldora. Dat is het niet. Alles bij elkaar een half-uur. Ik heb geen tijd. Ik ben het woord vergeten, een doos waar van alles in zit. Pedora. Het begint met een p.”

In zijn ochtendjas stond hij al voor de wastafel, toen een slaperig, ongeschoren gezicht met verwarde haren hem vanuit de spiegel een verveelde blik toewierp. Een lichte schrik liep als een koud straaltje over zijn rug, toen hij in dat beeld zijn eigen dode broer herkende als hij pas was opgestaan. Hetzelfde vermoeide gezicht, dezelfde blik als van iemand die nog niet goed wakker is. Hij maakte opnieuw een beweging om het licht zó in de spiegel te laten vallen dat zijn gezicht er een aangename uitdrukking door zou krijgen, maar de gelijktijdige weerkaatsing van dat licht liet hem – tegen zijn bedoeling in – een groteske grijns zien. Water. De heetwaterkraan is wijdopen gedraaid en de dichte wolk witte stoom hangt tussen hem en het spiegelglas. Zo lukt het hem – door met een snelle beweging gebruik te maken van de onderbreking – zijn eigen tijd in overeenstemming te brengen met de tijd in de spiegel.

Op de leren scheerriem werd het ijskoude metaal vlijmscherp; en in de al optrekkende damp zag hij opnieuw het andere gezicht, vertrokken door de fysieke complicaties, de mathematische wetten waarin de geometrie een nieuw soort volume uitprobeerde, een vaste vorm van licht. Daar, voor hem, had het gezicht – met het leven en de hartslag van zijn eigen wezen – dat opdook in het andere beslagen glas waarop de condens van de stoom was achtergebleven, een andere uitdrukking aangenomen waaruit een tegelijk vrolijke en spottende ernst sprak.

Hij glimlachte. (Hij glimlachte.) Hij stak – tegen zichzelf – zijn tong uit. (Hij stak – tegen de echte man – zijn tong uit.) De man in de spiegel had een geel beslagen tong. “Je maag is niet in orde,” stelde hij vast (lipbewegingen zonder woorden) met een grijns. Hij glimlachte weer. (Hij glimlachte weer.)

Maar nu merkte hij op dat er iets stompzinnigs, iets vals en kunstmatigs school in de glimlach die hij terugkreeg. Hij streek zijn haar glad. (Hij streek zijn haar glad) met zijn rechter(linker)hand, om onmiddellijk daarna zijn blik beschaamd af te wenden (en te verdwijnen). Hij was er zelf verbaasd over dat hij voor de spiegel stond te gebaren als een idioot. Hij bedacht echter dat iedereen zich voor de spiegel op dezelfde manier gedroeg, en toen nam zijn verontwaardiging nog toe want hoewel iedereen al idioot was droeg hij ook nog eens het zijne bij aan de vulgariteit. Zeventien over acht.

Hij wist dat hij zich moest haasten als hij niet ontslagen wilde worden op kantoor. Dat kantoor dat sinds enige tijd het vertrekpunt was geworden van zijn eigen dagelijkse begrafenis.

Door het wrijven met de kwast over de zeep was er een blauwig schuim gevormd, wat hem zijn zorgen deed vergeten. Dit was het moment waarop het zepige schuim in zijn lichaam werd opgenomen via zijn bloedvaten waardoor zijn levensmachine soepeler liep…En zo, weer terug in de normale toestand, leek het hem gemakkelijker in zijn verzeepte brein te zoeken naar het woord waarmee hij de winkel van Mabel wilde vergelijken. Peldora. De bazar van Mabel. Paldora. De kruidenwinkel of drogisterij. Of alles tegelijk. Pendora.

De zeep schuimde overvloedig.

Maar hij bleef bijna hartstochtelijk met de kwast wrijven. Het kinderlijke schouwspel van de zeepbelletjes verschafte hem oprecht plezier alsof hij een groot kind was en het steeg zwaar en hinderlijk naar zijn hoofd, als een goedkoop drankje. Een nieuwe poging om de lettergreep te pakken te krijgen zou op dat moment voldoende geweest zijn om het overrijpe woord bruusk open te laten barsten en aan de oppervlakte te brengen van het vuile, troebele water van zijn geheugen dat hem in de steek liet.

Maar net zoals de vorige keren zouden de stukjes die losgeraakt waren van eenzelfde systeem niet precies in elkaar passen om het organische geheel te vormen en hij nam zich voor om het woord voorgoed te laten schieten: Pendora!

En het werd tijd dat hij ophield met dit zinloze zoeken, want – beiden sloegen hun blik op en hun ogen ontmoetten elkaar – zijn tweelingbroer, met de schuimende kwast, was begonnen zijn kin te bedekken met het frisse, blauwige schuim en liet zijn linkerhand – hij imiteerde hem met zijn rechter – zachtjes en nauwgezet langs zijn wang glijden totdat de zijkant van zijn gezicht bedekt was. Hij liet zijn blik afdwalen en het leek wel of in de geometrische stand van de wijzers een oplossing gevonden moest worden voor een nieuwe, moeilijke wiskundige stelling: achttien over acht. Dat ging erg langzaam. En zo, vastbesloten om gauw klaar te zijn, hanteerde hij het mes met het benen heft dat nauwgezet de bewegingen van zijn pink volgde.

Terwijl hij uitrekende dat hij er in drie minuten mee klaar zou kunnen zijn, tilde hij zijn rechter(linker)arm op tot op de hoogte van zijn rechter(linker)oor en merkte terloops op dat niets zo moeilijk moest zijn als zich te scheren op de manier waarop zijn spiegelbeeld bezig was het te doen. Daarvan had hij een hele reeks zeer ingewikkelde berekeningen afgeleid met de bedoeling uit te zoeken wat de snelheid was van het licht dat bijna tegelijkertijd heen- en terugging om de beweging te reproduceren.

Maar na een strijd die ongeveer gelijkstond met de in het kwadraat verheven wortel van de snelheid die hij had kunnen uitrekenen, won de estheet in hem het van de wiskundige; en de aandacht van de kunstenaar richtte zich op de bewegingen van het mes dat blauw-groen-wit flonkerde in de wisselende lichtval. Snel – de wiskundige en de estheet waren het nu eens – gleed de scherpe kant van het mes langs zijn rechter(linker)wang omlaag tot aan zijn bovenlip en hij merkte tot zijn voldoening op dat de linkerwang van zijn spiegelbeeld glad tevoorschijn kwam uit het schuim.

Hij was nog niet klaar met het aanzetten van het mes, toen uit de keuken de scherpe geur van gebraden vlees doordrong. Hij voelde de prikkeling onder zijn tong en hij merkte dat zijn mond zich vanzelf vulde met dun speeksel door de pittige geur van het hete vet. Gestoofde niertjes. Eindelijk eens iets anders in die verdomde winkel van Mabel. Pendora. Ook niet. Het gesis van de niertjes in de saus deed hem pijn in zijn oren en herinnerde hem aan het gekletter van de regen, inderdaad, dezelfde van die vroege ochtend. Hij moest daarom zijn overschoenen en zijn regenjas niet vergeten. Niertjes in saus. Geen twijfel mogelijk.

Van al zijn zintuigen was er geen die hem zoveel wantrouwen inboezemde als zijn reuk.

Maar – los van zijn vijf zintuigen en zelfs als dat festijn niets anders zou blijken te zijn dan het optimisme van zijn slijmvliezen – de meest dwingende eis die zijn vijf zintuigen op dat moment stelden, was zo snel mogelijk klaar te zijn. Nauwgezet en behendig – de wiskundige en de kunstenaar lieten elkaar hun tanden zien – haalde hij het mes van voren (achteren) naar achteren (voren) tot aan zijn linker(rechter)-mondhoek, terwijl hij met zijn linker(rechter)hand zijn huid spande om het glijden van het scherpe metaal te vergemakkelijken, van voren (achteren) naar achteren (voren) en van boven (boven) naar beneden, waarna ze – allebei hijgend – tegelijkertijd hun werk beëindigden.

Maar toen hij al bijna klaar was en met zijn rechterhand de laatste streken over zijn linkerwang haalde, zag hij opeens zijn eigen elleboog voor de spiegel. Hij was groot, vreemd en onbekend en met schrik zag hij hoe boven de elleboog een ander paar ogen, ook groot en ook onbekend, uit hun kassen puilend keken naar de richting waarin het staal zich bewoog. Iemand, een machtige arm, probeert mijn broer te vermoorden. Bloed! Het is ook altijd hetzelfde als ik me haast.

Hij zocht in zijn gezicht naar dezelfde plek, maar zijn vinger bleef droog en hij kon op de tast geen enkele oneffenheid vaststellen. Hij schrok. Hij had geen wondjes in zijn gezicht, maar daar, in de spiegel, bloedde de ander een beetje. En in zijn binnenste nam de vrees weer vaste vorm aan dat de ellende van de afgelopen nacht zich zou herhalen. Dat hij nu, voor de spiegel, de verdubbeling zou voelen en er zich bewust van worden.

Maar daar zag hij zijn kin al (rond: gelijke gezichten).

Die haartjes in het kuiltje vroegen om een puntig mes.

Hij meende op te merken dat een vlaag van verwarring de uitdrukking van haast op het gezicht van zijn spiegelbeeld versluierde. Was het mogelijk dat de snelheid van het licht door de grote haast waarmee hij zich schoor – en de wiskundige was de situatie nu helemaal meester – de afstand niet kon overbruggen om al zijn bewegingen te registreren? Zou hij in zijn haast het spiegelbeeld voor zijn en zijn taak één beweging eerder afmaken dan de ander? Of, was het mogelijk – en na een korte strijd slaagde de kunstenaar erin de wiskundige te verjagen – dat het spiegelbeeld een eigen leven was gaan leiden en had besloten – omdat het in een tijd zonder complicaties leefde – langzamer te werk te gaan dan zijn beeld buiten de spiegel?

Zichtbaar bezorgd opende hij de warmwaterkraan en voelde de warme, dichte stoom opstijgen, terwijl het gespetter van het stromende water waarmee hij zijn gezicht afspoelde als een gorgelend geluid in zijn oren klonk. De ruwheid van de pas gewassen handdoek tegen zijn huid voelde prettig aan en hij haalde diep en voldaan adem als een hygiënisch dier. Pandora! Dat is het woord: Pandora.

Hij keek met verbazing naar de handdoek en sloot verward zijn ogen, terwijl daar, in de spiegel, net zo’n gezicht als het zijne hem aankeek met een paar grote, domme ogen en een paarse striem er dwars overheen.

Hij opende zijn ogen en glimlachte (hij glimlachte). Het kon hem allemaal niets meer schelen. De winkel van Mabel is een doos van Pandora.

De warme geur van niertjes in saus streelde zijn reukorgaan nu nog dwingender. En hij voelde met voldoening – met positieve voldoening – dat er binnen in zijn ziel een grote hond was begonnen te kwispelstaarten.