Tubal-Kaïn smeedt een ster
1948
Hij bleef staan. ‘De ander’ bleef ook staan. Nu was er geen twijfel meer mogelijk. Andere vroege ochtenden had hij zich ertegen verzet die duistere, nevelige wereld, waar al zijn levenskracht hem met onbedwingbare energie naartoe duwde, binnen te gaan. Hij had zich kunnen verweren. Hij had nog de kracht gehad om de helderheid die zich losmaakte, rebelleerde en tussen zijn vingers door probeerde weg te glippen, een panorama achterna dat hem in een al vervlogen tijd had toebehoord en dat vervaagd was in de winter die met strenge volharding op het desolate landschap van de dood regende, in zijn vuist te klemmen. Hij had daar in die regen gestaan, rechtop, roerloos als een standbeeld, de hagelbui verdurend die zijn oogleden striemde, terwijl zijn hersens de beelden vormden, de voluptueuze, bittere beelden die zijn wereld bevolkten.
Maar hij wilde niet terugkeren. In zijn mond proefde hij nog een bittere smaak van koel zout, van nieuw mos; hij had gedacht dat zijn verzet – hoe pijnlijk ook – afdoend zou zijn. Hij had het beetje kracht dat hem na zijn wankele verleden nog restte, gebruikt om zich te verzetten.
Maar nu wist hij dat zijn strijd zinloos was. Het had geen zin zich als een zich terugtrekkend roofdier te verweren en zijn tanden van zwaar gewonde hond aan de spookbeelden van de angst te laten zien. Het had geen zin zich met verscheurde ingewanden voort te slepen om de raven van de wellust te verjagen. Hij probeerde zich in het bolwerk van zijn jeugd te verschansen. Hij probeerde tussen zijn verleden en zijn heden een loopgraaf vol lelies aan te leggen.
Maar het was een zinloze strijd, even zinloos als de beten in de van wormen verzadigde aarde om op zijn tong die lauwe vochtigheid te proeven die de melk van zijn moeder niet had. Ja.
Die wereld was nu naar hem toe gekomen. Ze had zich met haar onverwoestbare werkelijkheid aan hem getoond; ze had zich met een kracht die sterker was dan zijn wil aan zijn dood opgedrongen. Hij wist nu dat hij, ondanks zijn halsstarrige verzet, zou bezwijken. De dorst.
Die eeuwige dorst die zijn keel vulde met zijn door ochtendschemeringen verontruste verleden duwde hem naar de kalk op de muren; want nu, op deze definitieve vroege ochtend, moest hij de confrontatie aangaan met de verschrikkelijke waarheid die zo-even achter hem was blijven stilstaan. Het was treurig te weten dat hij zelf, eigenhandig, de riem van zijn verzet moest breken. De man die binnenin hem woonde beefde. Hij bleef toen roerloos staan, vastgenageld aan dat stuk aarde waar hij moest stilstaan om te weten of ‘de ander’ inderdaad opnieuw was teruggekeerd. In zijn nek voelde hij de keiharde blik die hij zo goed kende, maar die hem nu, heel ongewoon, trof als een loden vuist zodat hij bijna zijn evenwicht verloor en wankelde op zijn benen. Achter hem was ‘de ander’. Hij stond daar ongetwijfeld te wachten tot hij door zou lopen, om hem dan door de zopas natgeregende straten te volgen, te achtervolgen. Hij kon zich nu niet bewegen. Ik moet rustig op deze plek blijven staan. Ik zal als versteend wachten, ook al zal die gespannen houding zeven eeuwen duren. Het is beter dat ik hier ter plekke verander in een zoutpilaar en niet als die bijbelse vrouw achteromkijk.
Als ik mijn hoofd omdraai zal ik misschien oog in oog met ‘de ander’ staan. Misschien is het dezelfde die mij in de laatste onrustige jaren achtervolgde.
Nu, met ingehouden adem, kon hij horen dat ‘de ander’ ook ademde.
Vroeger had hij dat niet gemerkt. Heb je het dan niet gemerkt toen hij voor het eerst kwam en drie jaar lang bij je bleef? Nee.
Maar nu, te midden van die beklemmende stilte, met mijn zenuwen in mijn achterhoofd, kan ik het trage, kalme, af en toe onmerkbare ritme waarnemen dat zwakjes als vanuit een verre long is te horen.
Toch zou iedereen kunnen verzekeren dat het om een normale ademhaling ging. Er was niets bijzonders mee aan de hand, of het moest dat trage, gekwelde ritme zijn. Misschien is die ander een man van vlees en bloed, een vriend van je die je een poets wil bakken. Nee. Het is ‘de ander’. Dat wordt me bevestigd door deze plotselinge warme golf die me in mijn nek slaat.
Die lucht, die walm van alcohol en drugs, is onmiskenbaar. Alleen mijn eigen levende schaduw kan die lucht bij zich hebben.
Want de angst was als een metalen rand in zijn wervels gedrongen, hij wist nu dat hij zou bezwijken. Een huivering die in zijn nagels was ontstaan begon lichtjes, als een etherdamp langs zijn kuiten, langs zijn dijen – zijn dijen! – omhoog te kruipen, terwijl ze op haar verticale traject een trillend gebied achterliet dat vervolgens zijn voeten, zijn benen, dat waren ze niet meer, in beton veranderde. Zijn snelle, sterke ledematen, nu twee betonnen zuilen, twee loden bomen. En hoger, in zijn buik, werd die damp fel en scherp en veranderde in een sterk gebit dat hem beet, dat de warme vrucht van zijn hart doormidden beet. De trillende hand zocht de vaste nabijheid van de muur; maar het was al te laat. Zijn hand verloor zich daar in een bodemloze, eindeloze leegte, alsof hij hem had uitgestoken om de bittere smaak van de dood te grijpen. De gedachten wervelden nu ordeloos door zijn hoofd. Niemand zou hem in die onvermijdelijke val kunnen tegenhouden. Het was of een ijzige, ontvleesde hand hem vanaf de rand van een afgrond de ruimte in had geduwd. Hij voelde zich op een onbestemde manier in een diepte vallen die in een vroegere, een andere, al vergeten tijd was gesitueerd. Alsof hij tijdens die chaotische val in een snelle opeenvolging leeftijden zag opstijgen die ooit van hem waren geweest en zich nu in heel hun verscheurende werkelijkheid, met hun verdorven, slapeloze ochtendschemeringen aan hem vertoonden.
Daar ging hij naartoe, naar de bodem van de afgrond, langs een verticale, rechtstreekse route; langs een loodlijn van vierhonderd jaar. Ja. Het was de duizeling. Opnieuw de duizeling. Wat was de naam van de duizeling? Dat weet ik niet meer.
Nee, vraag me geen namen. Praat nu niet tegen me! Ik wil dat jullie me alleen laten met mijn dood, die dood waarmee ik twaalf jaar geleden kennis heb gemaakt toen ik wankelend, totaal veranderd door de koorts en gehuld in de lauwe adem van die kunstmatige wereld die de mijne was, naar huis terugkeerde. De jouwe? Ja. Hij zit hier rustig in mijn zak. Stil, hij wordt wakker! Zie je niet hoe treurig die stakker is omdat ze zijn blauwe ogen aan het breken zijn? Laat ons hier alleen, want we gaan deze dij met onze dood eten. Morgen zal ik log en onwezenlijk als een slaapwandelaar door deze straten lopen en met de honger van een opstandig dier met kleine slokjes van de vroege ochtend drinken; die opstandigheid die me dwong me mooi te voelen; mooi en alleen onder de bittere hemel van de cocaïne. Nee. Tijd en ruimte…! Wie waagde het die twee woorden uit te spreken? Beseffen jullie niet dat ik bang voor ze ben?
Maar nee, ze bestaan niet. Tijd en ruimte. Ruimte en tijd…Laat ze zo maar, omgekeerd; zo zie ik ze graag, ondersteboven. Wat heeft u hier verdomme te zoeken? U zult het niet vinden. U zult de duizeling niet vinden want ik heb hem al naar bed gebracht. De stakker. Hij was daarbinnen in mijn maag zo moe dat ik hem naar bed heb gebracht. Nu hij slaapt heeft hij de lichtjes in zijn blauwe ogen gelaten. Verroer je niet! Wat is er met je linkerwang aan de hand? Neemt u me niet kwalijk, juffrouw, maar ik heb mijn lucifers vergeten. Nog een sigaret, alstublieft. Bedankt.
Maar bent u niet de vrouw van de trap? Nee. Ik heb u ergens anders gezien. Misschien wel…Kijk, dit is het portret van je gestorven vader. Vraag me niet naar mijn vader, hij leefde in de andere wereld. Hij was een lange, magere, doorschijnende oude man, met een tic in zijn linkerwang. Hij had grote, starre ogen. Kijk naar het portret van hem dat aan de muur hangt. Zie je niet die sprekende gelijkenis? Kijk goed naar hem en dan zal je zien dat ook hij een tic in de linkerwang heeft. Arme ouwe! Nu ligt hij daarbeneden, koud en ondergedompeld in zijn wormen, rammelend met zijn beenderen op het geluid van de dood. Laat hem rustig liggen, want in zijn dijen zitten nog de veertien spijkers. Hij stierf als een christus met naalden in zijn benen, terwijl de avond schemerschaduwen langs zijn zijden huilde.
Maar nu slaapt hij, net als de duizeling. Ze liggen daar samen, als twee broers, bang dat ze hun blauwe ogen zullen breken. Ze begroeven hen met hun blik omhoog gericht.
Maar, dat vergat ik, ik praat met u zonder u te kennen. Bent u niet de vrouw van de trap? Tijd en ruimte. Ach, u kent dat lied ook.
Maar waarom zegt u dat zo? Ruimte en tijd…Ja, zo; ik zie ze graag ondersteboven.
Nu was hij iemand anders. Zijn hart dat een ogenblik geleden gejaagd in zijn borst klopte, begon te verdwijnen. Een golf van gelukzaligheid, van kalmte, drong zijn geest binnen en gaf hem een licht, ijl gevoel, alsof de zwaartekracht geen invloed meer op zijn lichaam uitoefende. Hij vergat – nu wel – dat achter hem ‘de ander’ stond te wachten tot hij zou beginnen te lopen. Hij wilde liever zo blijven staan, wachtend tot zijn vader zou opstaan uit die dood waarin zijn portretten hem verzonken hielden en buitensporig zou beginnen te groeien. Ja. Zijn vader was mooi als hij uit de lijst stapte en op de rand van zijn bed kwam zitten. Hij zag opnieuw – zoals hij heimelijk in zijn jeugd had gezien – hoe hij de naald in zijn dij stak om de kiem van de droom naar binnen te brengen. Zijn gezicht kreeg dan de kleur van smerige, loodgrijze aarde en zijn lichaam werd reusachtig in de kamer. Hij kon vaag het lichaam onderscheiden dat groeide, willekeurige vormen aannam en zich vertakte tegen het plafond dat begon te trillen. Hij voelde de trots van een zoon wanneer hij zag hoe zijn vader zich uitrekte en hij het moment beleefde waarop zijn vader tegen de hemel van het huis duwde dat al met veel kabaal instortte. Zijn vader was dan niet zijn vader. Het was een lange, scherpe man; scherp op een pijnlijke manier, als gehouwen in een kreet. Hij hoorde hem met zijn krachtige longen voluit zingen, terwijl hij met zijn stem de diep onder de grond begraven wortel van de bomen deed sidderen, de mensen in verwarring bracht, de steden in stof veranderde en de kerken met zijn geheven vuist in puin legde om met donderende klokslagen als een wild kind zijn immense vreugde te verwelkomen.
Daar ging hij met geheven hoofd, steeds krachtiger, op zijn reis naar boven de duiven verjagend, op zoek naar de hoge, donkere lucht, die troebele, grauwe lucht van gedoofde as, die zijn enorme vleugels schudde, zijn monsterlijke vleermuizenvleugels op de onoverwinnelijke schouders. Ja, zijn vader was de baas van de wereld!
Op de verwoeste aarde bleef hij eenzaam en ontroostbaar achter, terwijl hij de dingen veranderde, de rivieren en de zeeën verdeelde, steeds ontevredener over zijn werk, als een verveelde god op de eerste dag van de zondvloed.
Maar die groei zal maar een paar seconden duren. Hij zag hem al naar beneden komen. Spoedig zou hij in een piepklein wezentje veranderen, dat zich zou splitsen en zich in alle hoeken van de kamer zou vermenigvuldigen tot een handvol gelijke, identieke, beweeglijke figuurtjes, die ordeloos, als door het vuur verspreide mieren, rond zouden hollen. Hij vond het heerlijk om op dat monstrueuze feest te zijn; hij voelde een duidelijk genot, een irrationeel genot, wanneer hij zijn vader vermenigvuldigd zag. Het gaf hem voldoening dat legertje lilliputters te achtervolgen dat angstig samendromde in de hoeken van de kamer, terwijl ze hem met hun priemende, gemene oogjes aanstaarden en tegen elkaar aan botsten en zich maar bleven vermenigvuldigen tot de kamer propvol was. De eerste keer voelde hij zich van zijn stuk gebracht; maar nu was hij al met dat dagelijkse schouwspel vertrouwd geraakt. Het verbaasde hem niet meer dat hij zijn vader overal zag, op de tafels, onder de bedden, op de boeken, of doodsbang wegvluchtend door het muizenhol. Hij kon integendeel niet meer leven zonder dat dagelijkse feest. Hij was zo tevreden als een groot kind als het hem lukte tien of vijftien van die piepkleine poppetjes te pakken te krijgen en in zijn handpalm op ooghoogte te houden. Zo kon hij ze beter zien. Hij genoot van de angstige uitdrukking op het gezicht van de lilliputters als ze hun evenwicht probeerden te bewaren om niet op de grond te vallen. Ze waren allemaal gelijk, exact gelijk: bleek, aardachtig, en met dezelfde nerveuze tic in de linkerwang als zijn vader vroeger had en die later het portret had. Alle dijen met blauwe plekken en vol diepe gaten, stinkend naar alcohol, naar nachtelijke drugs. Met hoeveel genoegen zag hij ze beven wanneer hij zijn vingers begon samen te knijpen, zijn hand begon te sluiten om ze plat te drukken, in zijn vuist te vermorzelen. Een merkwaardig gezicht zoals ze razendsnel tussen de meubels door renden, in de vissenkommen verdronken, door hongerige vissen verslonden werden. Zijn verveelvoudigde vader was dan een weerzinwekkende muizeninvasie.
Het was hem nu volkomen duidelijk. De terugkeer van ‘de ander’ betekende de terugkeer van al die morbide gewaarwordingen, waarvan de pijnlijke ervaring hem zelfs na zijn herstel met onweerstaanbare kracht naar het hartverscheurende gebied van de koorts bleef duwen. Hij probeerde zich te herinneren wanneer hij ‘de ander’ voor het eerst had gezien, maar de duizeling hield aan, bleef naar zijn maag komen, rondtollend, met onderbrekingen. Hij probeerde zich vertwijfeld als een gepijnigd dier aan een enkele gedachte vast te klampen, aan een mast te midden van die benauwende cerebrale storm, maar de gedachten gingen er allemaal snel, verward in een chaotische maalstroom van herinneringen, vandoor. De wereld week plotseling onder zijn voeten en – opnieuw, zoals de eerste nacht – trok de strop om zijn hals strak aan. Nee. Ditmaal kan het niet misgaan. Hier is mijn oor dat wacht op het moment dat de halswervels zullen breken. Vandaag wil ik dat huiveringwekkende gekraak wél horen. Zo. Zo…Neemt u me niet kwalijk, maar bent u niet de vrouw van de trap? Tijd en ruimte. Nee. Zo niet. Ruimte en tijd…Zo, ondersteboven! Heel goed! Laat niemand nu zeggen dat ik een lafaard ben, dat ik niet in staat ben geweest me aan een boom, aan een balk op te knopen, zodat mijn ruggengraat definitief zou breken. “Wij zijn de marihuanarokers, wij zijn de homo’s!” Wie zegt ‘dat’ achter mijn rug? Vandaag zal de vrouw niet komen. Nee. Laat ze maar ergens anders naartoe gaan met haar trap. Morgen zullen ze me als een vrucht, met mijn door de strop gebroken stem, aan de zoldering zien hangen.
Dan zal ik wel kunnen zeggen: tijd en ruimte…Nee: ruimte en tijd, prachtig, ondersteboven. Ik moet al dood zijn. Ik hang al een tijd aan dit touw door de lucht te zwaaien. Ik ben al koud. Verdorie, ik ben al bijna aan het rotten. Nu zal er niemand met zijn koor van slaapwandelende stemmen komen en mij in de oren schreeuwen: “Wij zijn de marihuanarokers…!” Buiten hoorde hij stemmen die angstig, met een bijna moederlijke intonatie zijn naam riepen, en dreunen van een sterke schouder deden de wanden van de kamer trillen. Het oude liedje! Iemand hoorde het rumoer en de buren verzamelden zich in het huis. Deze keer, zoals de andere keren, zouden de deuren bezwijken onder het gewicht van al die schouders die daar stevig en vastberaden duwden en hem aan de dood probeerden te ontrukken. Wat een lafaard ben ik, wat een stomkop! Allemaal omdat ik zo zwak ben! Omdat ik bang ben voor die cirkel van kou die een moment bij mijn hoofd bleef hangen en aanstalten maakte om mijn slapen te breken. Misschien was het beter voor mijn waardigheid geweest als ze me met mijn hoofd in een spiegel van bloed hadden aangetroffen. Misschien was het beter geweest de geur van de dood met een roos van kruit te verwelkomen.
Die keer begon hij de aanwezigheid van ‘de ander’ op te merken. Hij meende hem overal te zien. In de hoeken, achter de deuren, terwijl hij elk gebaar, elke beweging van hem bespiedde. Hij kon de glibberige vorm zien, de overhaaste vlucht. Hij zag hoe ‘hij’ er in de eetkamer vandoor ging nadat hij een fles laudanum over de etenswaren had uitgegoten. Hij was overal, verveelvoudigd, gesplitst net als zijn vader: in het huis, in de stad, in de hele wereld.
♦
‘s Nachts hoorde hij ‘hem’, terwijl hij hijgend probeerde de muren te slopen om zijn kamer binnen te komen en hem te wurgen, vurige naalden door zijn oogleden te steken, zijn voetzolen met zijn roodgloeiende ijzers te schroeien. Nee. Vannacht kan ik niet slapen. Zodra ik slaap zal ‘de ander’ dat moment gebruiken om de deuren in te trappen en binnenkomen om mijn lakens dicht te naaien. Ik heb gevoeld hoe hij probeerde stekels van sinaasappelbomen tussen mijn nagels en huid te steken. Ik moet me verdedigen. Ik moet die deur dichtspijkeren, er kruiselings twee dikke balken voor zetten, zodat hij niet kan binnenkomen. Hier, aan de binnenkant, hang ik een slot.
Daar nog een. En nog een. Ik ga vandaag nog een dozijn sloten ophangen. Duizend hangsloten! En ik zal een versperring om het bed maken, een echte loopgraaf.
Midden in de kamer zal ik een klok neerzetten.
Maar waar haal ik een klok vandaan? Wie zit me daar in die hoek vragen te stellen? Wie! Een klok. Een klok. Een klok! Waarom zou het woord ‘klok’ als klokken klinken? Waar haal ik een klok vandaan? Juffrouw, ik wil een klok kopen.
Om ‘de ander’ op te merken als hij me komt wurgen. Verkoop me een dozijn klokken.
Maar bent u dan niet de vrouw van de trap? Een klok. Wat een prachtig woord! Juffrouw, kunt u me zeggen wat voor kleur de woorden hebben? Sommige woorden breken als klokken. Wat zegt u? Dat ik gek ben? Ach. Een…Maar zou ik gek zijn? Gek in de tijd en de ruimte. Ruimte en Tijd…Zo, met hoofdletters en ondersteboven!
Maar ziet u niet dat ‘de ander’ hierheen komt? Let maar niet op hem als hij u naar de vrouw van de trap vraagt.
Maar het was op een vroege ochtend, zoals nu, dat het hem lukte ‘de ander’ lijfelijk te voelen. Een vroege ochtend, waarop hij op weg naar huis de zekere gewaarwording onderging dat iemand hem volgde. ‘De ander’ bleef staan, zoals hij ook nu bleef staan. Stilte. Niemand verbrak die verschrikkelijke rust, die wanhopige kalmte. Hij had nog twee of drie blokken te gaan. De gebruikelijke route van de kroeg naar huis. De route die hij elke vroege ochtend onbekommerd, bijna automatisch had afgelegd.
Maar nu wist hij dat iemand, meedogenloos, achter hem stilstond. Hij wachtte een ogenblik, terwijl hij probeerde zijn gejaagde adem in te houden en zijn best deed om de golf bloed die naar zijn hoofd steeg tegen te houden. Zijn oor – dat gehoororgaan van hem dat een speld kon horen vallen – was gespitst op alle tekens. Een verre klok sloeg drie uur in de ochtend. Drie trage, rustige slagen, die hem hoopgevend in de oren klonken, alsof een levende klokkenluider zich had voorgenomen hem uit zijn angst te wekken. Hij was bang geweest! Bang, ik. Ik, die drie keer iedere mogelijke dood in de ogen heb gezien en altijd ongeschonden van de ontmoeting terugkwam. Hij begon te reageren. Zouden mijn hypergevoelige oren me soms bedriegen of was het misschien een ellendige grap van mijn zenuwstelsel? Hij moest doorlopen. Ik moet die twee blokken lopen en de angst overwinnen die me als een achterlijk kind in zijn ban heeft.
Langzaam maar beslist liep hij door. ‘De ander’ liep ook door. Hij hoorde duidelijk de voetstappen op het plaveisel. Het waren twee gelijkluidende, gelijktijdige, precieze stappen. Ja. Iemand volgde hem. Nu onderging hij het niet als de vorige keren. Nu hoorde hij hem, nu kon hij hem achter zijn rug bijna aanraken. Een bovennatuurlijke kracht duwde hem voort, dwong hem door de verlaten straat te rennen. Hij hield zich in. Hij bleef lange tijd roerloos staan, als verlamd. Hij kon zich niet herinneren hoe lang, maar er was iets in die warboel van herinneringen dat hem altijd bij zou blijven: die ijzige vlaag die hem in het gezicht spuwde toen hij zich op zijn hielen omdraaide en oog in oog met ‘de ander’ stond. Wat hij zag zou hij de rest van zijn leven niet vergeten.
De strop trok definitief, nu wel, strak om zijn hals. Hij hoorde het gekraak, de verschrikkelijke klap van de halswervels die braken. In het aangrenzende vertrek zei iemand wie weet wat voor onzinnige dingen: iets dat met de vrouw van de trap te maken had. En een stem als vanuit de diepte van een geknevelde mond begon hem hardnekkig bij zijn naam te noemen. Het was een bekende, bijna vertrouwde stem; de stem van ‘de ander’ die zich daarbeneden, heel ver, in de troebele diepte van zijn koorts verloor. En die keer – zoals nu – greep hij zich als een gebroken man, een verslagen hond, vast aan de flanken van de dood.