Isabel en de regen in Macondo

1955

Toen we op een zondag de kerk uitkwamen, was het opeens winter. De nacht was nog drukkend heet geweest en zelfs die zondagochtend had niemand kunnen vermoeden dat er regen op komst was.

Maar na de dienst, voordat we zelfs ook maar de kans gekregen hadden om onze parasols los te maken, werd de lucht loodgrijs en kwam er een harde wind opzetten, die in één wijde warreling het stof en het verdorde mos deed opwaaien. Naast me hoorde ik iemand zeggen: “Dat is een regenwind.”

Maar dat wist ik al, al vanaf het moment dat we in het voorportaal van de kerk kwamen en een wee gevoel in mijn buik me plotseling had doen huiveren. De mannen vluchtten naar de dichtstbijzijnde huizen, één hand aan de hoed en in de andere hand een zakdoek om zich tegen de wind en de stofwolken te beschermen.

Toen begon het te regenen. En de hemel veranderde in een geleiachtige, grijze wolkenmassa die vlak boven onze hoofden drilde.

De rest van die morgen zaten mijn stiefmoeder en ik bij de balustrade van de galerij, verheugd dat de regen de rozemarijn en de nardus weer deed opleven, die dorstig in hun potten stonden na zeven maanden van intense hitte en verschroeiend stof. Tegen het middaguur nam de aarde het water eindelijk op en verdwenen de spiegelende plassen, en de geur van omgespitte aarde, van ontwaakte en vernieuwde groei, vermengde zich met de frisse, heilzame geur van regen op rozemarijn. Mijn vader zei, toen we aan tafel zaten: “Meiregen luidt een goede regentijd in.”

Een en al blijdschap om het begin van het nieuwe seizoen zei mijn stiefmoeder glimlachend tegen me: “Dat werd ook al in de preek gezegd.” Mijn vader lachte wat. Hij at met smaak en na het eten bleef hij zelfs een tijdje op de galerij zitten, zwijgend; hij had zijn ogen dicht maar hij sliep niet, zodat je zou zeggen dat hij wakend droomde.

Het bleef de hele middag gestaag regenen. De eentonig vallende regen ondergingen we op den duur als het monotone gedreun van een trein na urenlang reizen.

Maar ongemerkt drong de regen al te diep door in onze zintuigen. Maandagmorgen vroeg, toen we de deur sloten om de snijdende, ijskoude wind die over de patio blies buiten te sluiten, waren onze zinnen van water verzadigd. En naarmate de maandag vorderde, liepen ze zelfs over. Mijn stiefmoeder en ik gingen weer naar de tuin zitten kijken. De harde, grauwgrijze grond was gedurende de nacht veranderd in een donkere, papperige massa die op zachte zeep leek. In straaltjes begon het water tussen de bloempotten door te lopen. “Ik denk dat ze na zo’n nacht meer dan genoeg water hebben gehad,” zei mijn stiefmoeder. Ik zag dat haar glimlach verdwenen was en dat haar vreugde van de vorige dag plaats had gemaakt voor een lusteloze gelatenheid. “Dat geloof ik ook,” zei ik. “De knechten kunnen ze beter op de galerij zetten totdat het ophoudt met regenen.” Dat deden ze en inmiddels stapelden de regenwolken zich op als een reusachtige boom boven de bomen. Mijn vader ging op dezelfde plaats zitten als die zondagmiddag, maar over de regen praatte hij niet. Hij zei: “Ik heb vannacht wat slecht geslapen, want ik ben wakker geworden met pijn in mijn rug.”

En daar zat hij, tegen de balustrade geleund, met zijn voeten op een stoel en zijn gezicht naar de lege tuin gekeerd.

Pas tegen de avond – hij had niet aan tafel willen komen – merkte hij op: “Het lijkt wel of het nooit meer zal ophouden te regenen.” En ik moest aan die hete zomermaanden denken. Ik dacht aan augustus, aan die lange, verlammende siësta’s wanneer we bijna bezweken onder het gewicht van dat hete uur, onze kleren aan ons lijf geplakt door het zweet, terwijl we buiten het aanhoudende, doffe gegons hoorden van de tijd die stil scheen te staan. Ik zag de schoongewassen muren, de naden van het hout, opgezet door het vocht. Ik zag het tuintje, voor het eerst leeg, en de jasmijnstruik tegen de muur, die trouw de herinnering aan mijn moeder levend hield. Ik zag mijn vader in de schommelstoel zitten, zijn pijnlijke rug gesteund door een kussen, droevig starend in het labyrint van de regen. Ik moest denken aan die augustusnachten, wanneer het zo wonderlijk stil is dat je alleen maar het eeuwenoude geknars hoort van de aarde die om haar roestige as draait. Plotseling werd ik overvallen door een overstelpend gevoel van droefheid.

Die hele maandag regende het door, net als zondag.

Maar toch was het alsof het op een andere manier regende, want ik voelde iets anders, iets bitters in mijn hart. In de namiddag zei een stem vlak bij me: “Die regen begint wel te vervelen.” Ik hoefde niet om te kijken om te weten dat het Martin was. Ik wist dat hij in de stoel naast me zat te praten, met die kille, uitdrukkingloze blik van hem die niet veranderd was, zelfs niet na die sombere decembermorgen waarop hij mijn man werd. Vijf maanden waren er sindsdien verlopen.

En nu zou ik een kind krijgen. En Martin zat daar naast me en zei dat de regen hem verveelde. “Vervelen is niet het juiste woord,” zei ik. “Maar ik vind die lege tuin er zo triest uitzien en ik heb te doen met die arme bomen die daar maar op de patio moeten blijven staan.”

Toen draaide ik me om, om hem aan te kijken, maar Martin was er al niet meer. Het was alleen nog maar een stem die zei: “Het lijkt wel of het nooit meer zal ophouden,” en toen ik in de richting keek waar die stem vandaan kwam, zag ik alleen een lege stoel.

Dinsdagochtend vroeg stond er een koe in de tuin. Zoals ze daar stond in haar koppige, opstandige onbeweeglijkheid, haar hoeven in de modder weggezakt en de kop gebogen, leek het wel een bult van klei. De hele morgen probeerden de knechten haar met stokken en stenen te verjagen.

Maar de koe was niet uit de tuin weg te slaan; ze stond daar als een onbeweeglijke massa, onaantastbaar, met haar hoeven nog steeds diep in de modder en de reusachtige kop deemoedig gebogen onder de regen. De knechten bleven haar belagen totdat mijn geduldige, verdraagzame vader haar te hulp kwam: “Laat haar toch met rust,” zei hij. “Ze zal vanzelf wel weer weggaan.”

Dinsdag tegen de avond drukte het water als een beklemmend doodskleed op ons hart. De frisse atmosfeer van die eerste morgen werd langzamerhand een hete, kleffe vochtigheid. Het was niet koud en ook niet warm, maar van dat weer dat je rillerig maakt. Je voeten plakten aan je schoenen van het zweet en je kon eigenlijk niet zeggen wat onaangenamer was, je blote huid of de aanraking van kleren op de huid. In huis deed niemand meer iets. We gingen op de galerij zitten, maar we keken niet meer naar de regen met dezelfde ogen als de eerste dag. Het vallen van de regen hoorden we niet meer. In de dampige atmosfeer zagen we alleen nog maar de omtrekken van de bomen in die trieste, troosteloze schemering, die eenzelfde smaak op de lippen achterliet als die waarmee je wakker wordt na gedroomd te hebben van een onbekend iemand. Ik wist dat het dinsdag was en ik dacht aan de tweeling van San Jerónimo, de blinde meisjes die elke week langskwamen om simpele liedjes voor ons te zingen; liedjes die zo droevig klonken door het bittere en hulpeloze van hun stemmetjes. Boven de regen uit hoorde ik het gezang van de blinde tweeling en in gedachten zag ik ze thuis neergehurkt zitten wachten tot de regen zou ophouden en ze uit konden gaan om te zingen. Vandaag zou de tweeling van San Jerónimo niet komen, dacht ik, en ook zou de bedelares na de siësta wel niet op de galerij zitten om zoals elke dinsdag om dat eeuwige takje melisse te vragen.

Van die dag af liepen alle maaltijden in de war. Tegen siëstatijd zette mijn stiefmoeder ons alleen maar een bord soep voor met een stuk muf brood.

Maar eigenlijk hadden we sinds maandagavond al niet meer behoorlijk gegeten en ik geloof dat we toen ook ophielden met denken. We voelden ons verlamd, verdoofd door de regen, in een toestand van vredige, berustende overgave aan het ineenstorten van de natuur. Alleen de koe kwam die middag in beweging. Plotseling voer er een schok door haar lijf en haar hoeven boorden zich nog dieper in de modder.

Toen bleef ze nog wel een half-uur doodstil staan, alsof ze al dood was maar niet kon omvallen, omdat de gewoonte levend te zijn en in een en dezelfde houding de regen op zich neer te laten komen, haar dit belette; tot het moment waarop haar lichaam het won van die gewoonte.

Toen zakte ze door haar voorpoten (het zwarte, glimmende achtereind nog omhoogstekend in een laatste verzet tegen de dood), liet haar kwijlende snuit in de modder zinken en zakte tenslotte geleidelijk onder het gewicht van haar eigen lichaam in elkaar: een stil en waardig ceremonieel van totale ineenstorting. “Zover is het al gekomen,” zei iemand achter me. Ik keek om en zag in de deuropening de bedelares staan die dinsdag altijd kwam en die het noodweer getrotseerd had om haar takje melisse te komen halen.

Misschien zou ik woensdag aan deze griezelige sfeer gewend geraakt zijn, als ik niet toen ik die ochtend in de kamer kwam, had gezien dat ze de tafel tegen de muur hadden geschoven met de meubels erbovenop en dat ze aan de andere kant op een die nacht geïmproviseerde verhoging kisten en koffers met huisraad opgestapeld hadden. Dat alles gaf me een afschuwelijk gevoel van leegte. Er moest ‘s nachts iets gebeurd zijn. Het hele huis lag overhoop; de knechten sjouwden, met ontbloot bovenlijf en op blote voeten, de broekspijpen opgerold tot aan de knieën, de meubels naar de eetkamer. De uitdrukking op hun gezichten en de haast waarmee ze werkten, verried de wreedheid van hun mislukte verzet, van de gedwongen, vernederende onderworpenheid aan de regen. Ik liep maar wat rond, doelloos, als een automaat. Ik voelde me als een troosteloos stuk land, begroeid met algen en korstmos, met slijmerige, weke zwammen, bezoedeld door de walgelijke flora van vocht en duisternis. Ik stond in de kamer te kijken naar het desolate schouwspel van de opgestapelde meubels, toen ik de stem van mijn stiefmoeder hoorde, die me waarschuwde dat ik me zo een longontsteking op de hals zou halen.

Pas toen besefte ik dat ik tot m’n enkels in het water stond, dat het huis ondergelopen was en de vloer bedekt was met een dikke laag slijmerig, dood water.

Die woensdag rond het middaguur was het nog steeds niet echt licht geworden.

En voor drie uur ‘s middags was de duisternis alweer ingevallen, voortijdig, ziekelijk, in hetzelfde ritme, traag, monotoon en meedogenloos, als waarmee de regen op de patio viel. De schemering viel te vroeg in, ongemerkt, luguber, en ze werd steeds dichter, onder het passieve zwijgen van de knechten die neerhurkten op de stoelen tegen de muur, verslagen en machteloos tegenover de beroering van de natuur.

En toen begonnen er berichten binnen te komen. Niet dat iemand ze bracht. Ze kwamen gewoon, duidelijk, één voor één, alsof ze meegevoerd werden door de modder die door de straten stroomde en die huisraad meesleurde, van alles en nog wat, wrakstukken van een verre ramp, puin en dode dieren. Dingen die zondag gebeurd waren toen de regen nog slechts een voorbode was van het verlossende seizoen, werden pas twee dagen later bij ons bekend.

En die woensdag kwamen de berichten binnen alsof ze werden voortgestuwd door de dynamische kracht van de storm zelf. We hoorden toen dat de kerk ondergelopen was en dat men vreesde dat hij in zou storten. Iemand die er totaal niets mee te maken had, zei die avond: “De trein kan al sinds maandag niet meer over de brug. Het schijnt dat de rivier de rails heeft meegesleurd.” En we hoorden dat een zieke vrouw uit haar bed verdwenen was en ‘s middags drijvend in het water op de patio gevonden was.

Dodelijk beangst, geobsedeerd door de verschrikking van die zondvloed, ging ik met opgetrokken benen in de schommelstoel zitten en staarde in de vochtige duisternis, vol onbestemde voorgevoelens. Mijn stiefmoeder verscheen in de deuropening, met opgeheven hoofd, een lamp omhooghoudend. Ze leek een vertrouwde spookverschijning, waarvoor ik helemaal geen angst koesterde omdat ik zelf deel uitmaakte van haar bovennatuurlijke wezen. Ze kwam bij me staan. Nog steeds met opgeheven hoofd en de lamp omhoog en haar voeten klotsten in het water dat op de galerij stond. “Nu moeten we bidden,” zei ze. Ik zag haar gezicht, dor en gebarsten alsof ze zojuist uit het graf was opgestaan, of gemaakt was van een andere materie, niet van vlees en bloed. Ze stond voor me, haar rozenkrans in de hand en zei: “Nu moeten we bidden. Het water heeft de graven weggeslagen en die arme doden drijven op het kerkhof.”

Misschien was ik die nacht toch even in slaap gevallen, toen ik wakker schrok van een scherpe, doordringende lucht, als van halfvergane lijken. Ik schudde Martin die naast me lag te snurken wakker. “Ruik je ‘t niet?” vroeg ik hem.

En hij zei: “Wat?”

En ik zei: “Die stank. Dat moeten die lijken zijn die overal ronddrijven.” Ik huiverde van angst bij dat idee, maar Martin draaide zich naar de muur en zei met een schorre, slaperige stem: “Dat is net weer iets voor jou. Zwangere vrouwen halen zich altijd van alles in hun hoofd.”

Donderdagmorgen vroeg verdween de stank, alle gevoel voor afstand ging verloren. Alle besef van tijd, dat sinds de vorige dag toch al verward was, verdween nu helemaal.

En toen was er geen donderdag. Wat donderdag had moeten zijn, was iets tastbaars, iets slijmerigs, dat je met je handen opzij had kunnen schuiven om de vrijdag in te kijken. Er waren daar mannen noch vrouwen. Mijn stiefmoeder, mijn vader, de knechten, waren vettige, onwezenlijke lichamen die rondwaarden in het winterse moeras. Mijn vader zei tegen me: “Je blijft hier totdat ik je zeg wat er gedaan moet worden,” en zijn stem klonk indirect, van heel ver weg en het was alsof je hem niet hoorde maar voelde, omdat de tastzin het enige zintuig was dat nog functioneerde.

Maar mijn vader kwam niet terug: hij verdwaalde in de tijd. Zodat ik toen het avond werd mijn stiefmoeder riep en haar vroeg me naar mijn slaapkamer te brengen. Ik sliep vredig en rustig, de hele nacht door.

De volgende dag was de atmosfeer nog steeds hetzelfde, zonder kleur, zonder geur en temperatuurloos. Zodra ik wakker werd sprong ik op een stoel en bleef daar onbeweeglijk zitten, omdat iets me zei dat een deel van mijn bewustzijn nog niet helemaal ontwaakt was.

Toen hoorde ik de trein fluiten. Het droeve, aanhoudende gefluit van de trein die vluchtte voor het noodweer. “Het moet ergens opgehouden zijn met regenen,” dacht ik, en een stem achter me scheen op mijn gedachten te antwoorden. “Waar…?” klonk het. “Wie is daar?” vroeg ik, omkijkend. En ik zag mijn stiefmoeder, een lange, magere arm uitgestrekt, naar de muur. “Ik ben het,” zei ze.

En ik zei tegen haar: “Hoor je dat?”

En ze zei ‘ja’ en dat het ergens in de buurt zeker opgehouden was met regenen en dat de spoorlijn weer gemaakt was.

Toen gaf ze me een blad met het ontbijt waar de damp vanaf kwam. Het rook naar knoflooksaus en vet. Het was soep. Onthutst vroeg ik mijn stiefmoeder hoe laat het dan wel was.

En ze zei op effen toon, met iets van verslagen berusting in haar stem: “Het zal ongeveer half-drie zijn. De trein heeft dus toch geen vertraging.” Ik zei: “Halfdrie al! Hoe heb ik zo lang kunnen slapen!”

En zij zei: “Je hebt niet zo lang geslapen. Het is hooguit drie uur.”

En terwijl ik zó beefde dat het bord bijna uit mijn handen viel, zei ik: “Vrijdag half-drie…”

En zij, griezelig kalm: “Donderdag half-drie, meisje, nog donderdag.”

Ik weet niet hoelang ik verzonken was in die toestand tussen waken en dromen, waarbij mijn zintuigen uitgeschakeld waren. Ik weet alleen dat ik na ontelbare uren een stem hoorde in het aangrenzende vertrek. Een stem die zei: “Nu kun je het bed naar die kant schuiven.” Het was een vermoeide stem, niet van een zieke maar van een herstellende. Daarna hoorde ik de stenen in het water plonzen. Ik hield me stokstijf totdat ik merkte dat ik in bed lag.

Toen werd ik me bewust van de immense leegte. Ik voelde de trillende, heftige stilte in huis, de ongelooflijke onbeweeglijkheid die alle dingen in haar greep hield. En plotseling was het alsof mijn hart in een ijskoude steenklomp veranderd was. “Ik ben dood,” dacht ik, “mijn god, ik ben dood.” Ik vloog overeind. Ik schreeuwde: “Ada, Ada!” Van de andere kant klonk onvriendelijk de stem van Martin: “Ze kunnen je niet horen, want ze zijn al buiten.”

Toen pas drong het tot me door dat het was opgehouden met regenen en dat er om ons heen een stilte heerste, een rust, een intense, mysterieuze gelukzaligheid, een staat van volmaaktheid die veel weg moest hebben van de dood.

Toen klonken er voetstappen op de galerij. Er klonk een heldere, echt levende stem. Een fris briesje bewoog de deur, het slot rammelde en als een rijpe vrucht viel er iets zwaars met een plons in de waterbak op de patio. Iets in de lucht duidde op de aanwezigheid van een onzichtbaar iemand die glimlachte in de duisternis.

“Mijn god,” dacht ik toen, totaal in de war gebracht door de verwarring van de tijd. “Nu zou het me niet verbazen als ze me riepen om naar de mis van vorige week zondag te gaan.”