Proloog

 

WAARSCHUWING

 De wind gierde.

Joolstein, jonker aan het hof van de Prins van Krondor, zat op zijn paard, ineengedoken onder zijn dikke mantel. De zomers in het Noordland en op de bergpassen waren slechts van korte duur. In het zuiden mochten de herfstavonden dan nog zacht en warm zijn, maar hier in het noorden, zo dicht bij de bergen die de Tanden van de Wereld werden genoemd, werd de herfst na een kort bezoek reeds afgelost door de winter, die lang zou blijven. Joolstein vervloekte zijn eigen stommiteit die hem naar deze afgelegen plek had gebracht.

'Het wordt al frisjes hier, jonker,' zei sergeant Bales. De sergeant was op de hoogte van de praatjes over het plotselinge verschijnen van deze jonge edelman in Tyr-Sog. Het had iets te maken met een jongedame die getrouwd was met een vooraanstaand zakenman in Krondor. Joolstein zou niet de eerste mooie jongen zijn die naar de grens werd gestuurd om hem buiten bereik van een woedende echtgenoot te plaatsen. 'Lang niet zo mild als in Krondor, helaas, heer.'

'Werkelijk?' vroeg de jonge jonker droog.

De patrouille volgde een smal pad langs de voet van het voorgebergte dat de noordelijke grens van het Koninkrijk der Eilanden vormde. Joolstein was nog geen week aan het hof van Tyr-Sog geweest toen baron Moyiet had voorgesteld dat het de jongeman wellicht goed zou doen wanneer hij meeging op patrouille ten oosten van de stad. Er deden geruchten de ronde dat er vogelvrijen en moredhel - zwarte elfen die bekend stonden als de Broederschap van het Onzalige Pad - onder dekking van zware regenval en sneeuwstormen doordrongen naar het zuiden. Spoorzoekers hadden er maar weinigen gesignaleerd, maar aangezien diverse boeren volhielden dat ze hele groepen in het zwart geklede krijgers in zuidelijke richting hadden zien trekken, had de baron een patrouille gestuurd.

Joolstein wist net zo goed als de mannen van het plaatselijke garnizoen dat de kans op bedrijvigheden in de smalle passen door de bergen erg klein was in deze tijd van het jaar. Hoewel het voorgebergte nog maar pas door vorst werd bezocht, lag er in de hogere passen reeds een flink pak sneeuw; dat voor een dikke laag modder zou zorgen zodra het even mocht gaan dooien. Maar sinds de oorlog van tien jaar geleden, die de geschiedenis was ingegaan als de Grote Op stand - de invasie van het Koninkrijk door het leger van Murmandamus, de charismatische leider van de onzalige elfen - dienden alle activiteiten te worden onderzocht. Het bevel daartoe kwam rechtstreeks van koning Lyam.

'Ja, het zal best wat anders zijn dan het prinselijk hof, jonker,' viste de sergeant.

Toen Joolstein in Tyr-Sog was aangekomen, had hij zich voorgedaan als een Krondoriaanse ijdeltuit: een lange, slanke, goed geklede jongeman van halverwege de twintig, met een snor en lang krullend haar. Joolstein dacht dat de snor en de dure kleren hem ouder maakten, doch met dit uiterlijk maakte hij juist een tegengestelde indruk. Het plagerige provoceren van de sergeant beu merkte Joolstein op: 'Toch is het nog warmer dan toen ik aan de andere kant van de bergen zat.'

'De andere kant, heer?' vroeg de sergeant.

'Het Noordland,' verduidelijkte Joolstein. 'Zelfs in de zomer zijn daar de nachten koud.'

Van opzij keek de sergeant hem aan. 'Bent u daar dan geweest, jonker?' Buiten de vogelvrije verklaarde lieden en de wapenhandelaren kwamen maar weinigen levend terug uit het Noordland.

'Met de prins,' antwoordde Joolstein. 'Ik ben met hem in Armengar en Hoogstein geweest.'

De sergeant viel stil en keek voor zich uit. De soldaten vlak bij Joolstein keken elkaar aan. Enkelen knikten en een van hen fluisterde iets tegen de man achter hem. Geen soldaat in het noorden had niet gehoord van de Val van Armengar, toen deze mensenstad in het Noordland was verwoest door de horde van Murmandamus, de machtige moredhelleider, die daarop het Koninkrijk was binnengevallen. Pas bij zijn nederlaag te Sethanon, tien jaar geleden, was zijn leger van zwarte elfen, trollen, gnomen en reuzen tot staan gebracht.

De overlevenden van Armengar hadden zich gevestigd in Yabon, niet ver van Tyr-Sog, en de verhalen over de veldslag, de vlucht van de overlevenden en de rol die prins Arutha en zijn metgezellen daarbij hadden gespeeld, waren er alleen maar mooier op geworden. Eenieder die met prins Arutha en Gys van Bas-Tyra had gediend, kon slechts gezien worden als held. Zwijgend wierp de sergeant een herwaarderende blik op de jongeman.

Joolsteins genoegen om het stilzwijgen van de sergeant was van korte duur toen het steeds harder begon te sneeuwen. Hij mocht dan bij het garnizoen zodanig in achting zijn gestegen dat hij in de komende dagen met wat meer respect zou worden behandeld, maar dat bracht hem nog geen stap dichter bij het hof te Krondor, met de goede wijnen en de mooie meisjes. Het zou een wonder zijn als hij weer bij Arutha in de gratie kwam voordat hij het hele jaar had doorgebracht aan dit landelijke hof vol slome duikelaars.

Na tien minuten rijden in stilte zei de sergeant: 'Nog twee mijl, heer, dan kunnen we beginnen aan de terugweg.'

Joolstein zei niets. Tegen de tijd dat ze terug bij het garnizoen waren, zou het donker en nog kouder zijn dan het nu al was. Hij keek al uit naar het warme haardvuur in het soldatenkwartier, waar hij zich waarschijnlijk tevreden zou moeten stellen met een maaltijd in het gezelschap van de troepen, tenzij de baron hem verzocht aan zijn tafel te dineren. Dat achtte Joolstein echter vrijwel uitgesloten, aangezien de baron een kokette jonge dochter had, die al de eerste avond dat hij in Tyr-Sog was gearriveerd naar hem had gelonkt. De baron wist heel goed waarom Joolstein naar zijn hof was gestuurd, en de twee keer dat hij sindsdien met de baron had gegeten was zijn dochter opvallend afwezig geweest.

Niet ver van het kasteel was een herberg, maar tegen de tijd dat ze terug waren, zou hij de kou en de sneeuw veel te beu zijn om de elementen opnieuw te trotseren, ook niet voor dat kleine stukje. Trouwens, de enige twee serveersters daar waren saai en onaantrekkelijk.

Met een stille, berustende zucht besefte Joolstein dat ze hem het volgend voorjaar misschien wel lieflijk en charmant zouden voorkomen.

Hij hoopte maar dat hij terug mocht naar Krondor voor het Midzomerfestival van Banapis. Hij zou een brief schrijven aan zijn beste vriend, jonker Robert, en hem vragen Arutha zover te krijgen hem eerder terug te roepen. Een half jaar in het noorden was straf genoeg.

'Seigneur,' zei sergeant Bales, Joolsteins formele aanspreektitel bezigend, 'wat is dat?' Hij wees langs het rotspad omhoog. Zijn oog was getrokken door beweging over de rotsen.

'Weet ik niet,' antwoordde Joolstein. 'Laten we maar eens gaan kijken.'

Bales gaf een teken en de patrouille sloeg linksaf, het pad volgend. Al vlug zagen ze wat er aan de hand was. Er rende een eenzame gestalte langs het rots pad omlaag en van achter hem klonken geluiden van achtervolgers.

'Zo te zien een vogelvrije die bonje heeft gekregen met wat Broeders van het Onzalige Pad,' concludeerde sergeant Bales.

Joolstein trok zijn zwaard. 'Vogelvrij of niet, we kunnen hem niet door die zwarte elfen aan mootjes laten hakken. Dan gaan ze straks nog denken dat ze zomaar naar het zuiden kunnen komen om de burgers te teisteren.'

'Paraat!' riep de sergeant en de veteranen van de patrouille trokken hun zwaarden.

De eenzame gedaante zag de soldaten, aarzelde even en rende verder. Inmiddels kon Joolstein zien dat het een lange man was, gehuld in een donkergrijze mantel waarin zijn gezicht geheel schuil ging. Achter hem aan kwamen zeker tien onzalige elfen te voet.

'Erop af,' zei de sergeant kalm.

Officieel had Joolstein de leiding over de patrouille, maar hij had genoeg ervaring in de strijd om een stap opzij te doen wanneer een ervaren sergeant bevelen gaf.

In galop stormden de ruiters het pad op, langs de eenzame gedaante, om zich op de moredhel te storten. Wat er ook van de Broeders van het Onzalige Pad kon worden gezegd, laf waren ze niet en onbekwaam in het omgaan met wapens evenmin. Het was een fel gevecht, maar de Koninkrijkse soldaten genoten de voordelen van de paarden en het feit dat de zwarte elfen in dit weer hun bogen niet konden gebruiken. De moredhel namen niet eens de moeite om hun natte boogpezen te spannen, aangezien ze nauwelijks een pijl in de richting van de vijand konden schieten, laat staan een harnas doorboren.

Een van de onzalige elfen, langer dan de anderen, sprong op een rotsblok, zijn blik gevestigd op de vluchtende gedaante. Joolstein manoeuvreerde zijn paard om hem de pas af te snijden en de zwarte elf richtte zijn blik op de jonge edelman.

Even staarden ze elkander aan en Joolstein kon de haat van dit wezen voelen. Zwijgend scheen hij Joolsteins uiterlijk in zijn geheugen te prenten, als om hem zich te herinneren voor een toekomstige confrontatie. Toen riep hij een bevel en de moredhel trokken zich terug over de pas.

Sergeant Bales wist wel beter dan de achtervolging in te zetten door een pas waar het zicht niet verder dan tien el reikte. Daarbij werd het weer er niet beter op.

Joolstein keek om en zag iets verderop langs het pad een eenzame gedaante, leunend tegen een rotsblok. Hij reed wat dichter naar hem toe en riep: 'Ik ben jonker Joolstein van het Prinselijk Hof. Je kunt maar beter een goed verhaal voor ons hebben, vogelvrije.'

De man gaf geen antwoord. Zijn gezicht ging nog steeds schuil in de diepe kap van zijn dikke mantel. De geluiden van het gevecht verstierven toen de moredhel zich omdraaiden en de pas op vluchtten, klauterend over de rotsen boven het pad, waar de ruiters hen niet konden volgen.

De gedaante voor Joolstein keek hem een ogenblik aan en bracht toen langzaam een hand omhoog om zijn kap af te doen. Een paar

donkere, vreemdsoortige ogen keken de jonge edelman aan. Zijn gelaatstrekken waren Joolstein niet vreemd. Hoog voorhoofd, kort haar, gebogen wenkbrauwen en grote, puntige oren zonder oorlellen. Maar dit was geen elf die voor hem stond, dat kon Joolstein tot in zijn botten voelen. In de koolzwarte ogen die hem aankeken, was de minachting te zien.

'Ik ben geen vogelvrije, mens,' zei de man met een zwaar accent in de Koninkrijkse taal.

Sergeant Bales kwam aangereden. 'Verdomd! Een Broeder van het Onzalige Pad. Zal wel iets met stammen te maken hebben, dat die anderen hem wilden vermoorden.'

Geruime tijd bleef de moredhel Joolstein aanstaren. 'Als jij van het prinselijk hof bent, kan je me misschien helpen.'

'Jou helpen?' snoof de sergeant. 'Het ziet er eerder naar uit dat we jou gaan ophangen, moordenaar.'

Joolstein hief zijn hand op om stilte. 'Waarom zouden wij jou helpen, moredhel?'

'Omdat ik jullie prins kom waarschuwen.'

'Waarvoor?'

'Dat mag hij zelf bepalen. Breng jij me naar hem toe?'

Joolstein wierp een blik op de sergeant, die zei: 'We moeten hem eerst aan de baron voorleiden.'

'Nee,' protesteerde de moredhel. 'Ik spreek alleen met prins Arutha.'

'Wij maken zelf wel uit met wie jij spreekt, misdadiger!' Bales' stem was scherp van haat. Zijn hele leven had hij gevochten tegen de Broederschap van het Onzalige Pad, en hij was menigmaal getuige van hun wreedheid geweest.

'Ik ken die jongens,' zei Joolstein. 'Je kunt zijn voeten in de fik steken en hem laten opbranden tot aan zijn nek, maar als hij niet wil praten, dan praat hij niet.'

'Klopt,' zei de moredhel en weer staarde hij Joolstein aan. 'Heb jij eerder met ons te maken gehad?'

'In Armengar,' antwoordde Joolstein. 'En in Hoogstein. Daarna in Sethanon.'

'Het is Sethanon waarover ik met jouw prins moet spreken,' zei de moredhel.

Joolstein keek Bales weer aan. 'Laat ons een ogenblik alleen, sergeant.'

Bales aarzelde, maar de stem van de jonge edelman klonk gebiedend, zonder een spoor van eerbied voor de sergeant. Het betrof een bevel. Hij keerde zijn paard en nam zijn patrouille mee.

'Vertel op,' zei Joolstein.

'Ik ben Gorath, hoofdman van de Ardaniën.'

Joolstein nam Gorath eens goed op. Naar menselijke maatstaven zag hij er jong uit, maar Joolstein kende genoeg elfen en had genoeg moredhel gezien om te weten dat dat misleidend was. Deze man had grijs in zijn baard en een paar rimpels rond de ogen. Volgens Joolstein kon hij best meer dan tweehonderd jaar oud zijn. Gorath droeg een harnas van vakkundig ambachtswerk en een mantel van opvallend goede stof, dus het was best mogelijk dat hij de waarheid over zichzelf had gesproken.

'Waar wil een moredhels hoofdman met een Prins van het Koninkrijk over praten?' vroeg Joolstein.

'Mijn woorden zijn uitsluitend voor prins Arutha bestemd.'

'Als je niet de rest van je leven wilt doorbrengen in de kerkers van de baron van Tyr-Sog, kan je maar beter iets zeggen om mij ervan te overtuigen dat ik je naar Krondor moet brengen.'

Lange tijd keek de moredhel hem aan, tot hij Joolstein dichterbij wenkte. Met zijn hand op een dolk aan zijn gordel, voor het geval de elf iets wilde uithalen, boog Joolstein zich over de hals van zijn paard om zijn gezicht naar dat van Gorath te brengen.

'Murmandamus leeft,' fluisterde Gorath hem in het oor.

Joolstein kwam overeind en was een tijdlang stil. Hij keerde zijn paard. 'Sergeant Bales!'

'Heer!' antwoordde de oude veteraan met enige eerbied voor de bevelende stem van de jonge jonker.

'Sla deze gevangene in de ketenen. We gaan meteen terug naar Tyr-Sog. En niemand mag zonder mijn toestemming met hem spreken.'

'Heer!' herhaalde de sergeant en gaf twee van zijn mannen een teken om te doen wat was opgedragen.

Terwijl de mannen naderden, boog Joolstein zich weer over de hals van zijn rijdier. 'Ofwel je liegt om jezelf het leven te redden, óf je hebt vreselijk nieuws voor prins Arutha, Gorath. Mij maakt het niet uit, want in beide gevallen ga ik terug naar Krondor. We vertrekken morgenvroeg.'

De zwarte elf zei niets en liet zich onbewogen ontwapenen door de twee soldaten. Hij bleef zwijgen toen er kluisters rond zijn polsen werden vastgemaakt, aan elkaar verbonden met een korte dikke ketting. Nadat de kluisters waren gesloten, hield hij zijn handen even omhoog en liet ze langzaam weer zakken. Nog even keek hij naar Joolstein, draaide zich toen om en begon te lopen, in de richting van Tyr-Sog, zonder op zijn bewakers te wachten.

Joolstein beduidde de sergeant te volgen en reed door het slechter wordende weer naar voren tot hij zich naast Gorath bevond.