3 Openbaring

 

De schildwacht knipperde verbaasd met zijn ogen.

Het ene moment was de weg naar de stad nog leeg en het volgende stonden er drie mannen voor hem. 'Wat?' riep hij uit en bracht zijn oude speer in paraatheid.

'Rustig, vriend,' zei Joolstein. Hij leunde op Owyns schouder en zag eruit alsof hij de dood nabij was. Na het gevecht waarbij hun paarden waren gevlucht, waren ze nog drie hinderlagen tegengekomen voordat ze Haviksholte hadden bereikt. De eerste twee hadden ze weten te omzeilen door langs de menselijke bandieten heen te sluipen. De laatste bleek een ploeg van zes moredhel die te alert waren geweest. De strijd was hen duur komen te staan. Gorath had een lelijke snee in zijn linkerschouder opgelopen, en Owyn had het bloeden maar amper weten te stelpen. Joolstein was opnieuw gewond geraakt en zou zijn bezweken als Owyn niet had ingegrepen. De jonge magiër zelf vertoonde een klein aantal oppervlakkige verwondingen.

'Wie zijn jullie?' vroeg de schildwacht beduusd. Het was duidelijk een boer of een arbeider uit de stad die deel uitmaakte van de burgerwacht.

'Joolstein, Jonker aan het Prinselijk Hof te Krondor, en dit zijn mijn metgezellen.'

'Jullie zien er anders uit als een stel struikrovers,' reageerde de wachter.

'We kunnen het bewijzen,' zei Joolstein, 'maar eerst zou ik graag naar iemand toe gaan die ons kan helpen voordat we doodbloeden.'

'Broeder Malcolm van de tempel van Silban is in de stad, in de taveerne van Logan. Hij komt hier eens in de zes maanden. Hij kan jullie wel helpen.'

'Waar is die taveerne?' drong Owyn aan, aangezien Joolstein het bewustzijn dreigde te verliezen.

'Hier de straat uit. Je loopt er zo tegenaan. Een uithangbord met een dwerg erop.'

Ze liepen verder naar de bedoelde openbare gelegenheid, met aan de gevel een verschoten uithangbord van een komische dwerg, eens in heldere kleuren geschilderd.

Binnen troffen ze verscheidene stadsbewoners aan, wachtend op een priester in het gewaad van de Orde van Silban, die in een hoek bezig was met het verzorgen van een ziek kind. Er zaten wat plaatselijke arbeiders, een met zijn hand in het verband, een ander bleek en zwak.

De priester keek op toen hij klaar was met het jongetje, dat prompt opsprong van zijn moeders schoot en naar de deur rende. 'Bent u stervende?' vroeg de priester aan Joolstein.

'Niet echt,' antwoordde de jonker.

'Mooi, want deze kerels waren hier eerst en die zou ik moeten laten wachten als je niet lang meer had.'

Met alle droge humor die hij onder deze omstandigheden op kon brengen, reageerde Joolstein: 'Ik laat het wel weten wanneer ik dreig te sneven.'

Goraths geduld verdween. Hij ging recht tegenover de priester staan en zei: 'U kijkt nu meteen naar mijn metgezel. Die anderen kunnen wachten.' Woest kijkend torende de zwarte elf hoog boven de kleine priester uit en zijn gezicht en stem lieten geen ruimte voor tegenspraak zonder geweld.

De priester keek nogmaals naar Joolstein. 'Goed, als je denkt dat het zo dringend is. Breng hem maar naar deze tafel.'

Ze droegen Joolstein naar de tafel en legden hem erop neer. 'Wie heeft dit verband aangelegd?' vroeg de priester.

'Ik,' zei Owyn.

'Dat ziet er redelijk uit,' luidde het commentaar van de priester. 'Hij leeft nog, dus dat zegt al een hoop.'

Nadat hij Joolsteins tuniek en het verband had verwijderd, schrok de priester. 'Silban beware ons! Je hebt drie wonden die een groter man zouden hebben geveld.' Hij strooide wat poeder op de wonden en Joolstein snakte naar adem. Zijn ogen sluitend begon de priester aan een monotone zang.

Owyn voelde macht zich manifesteren in de kamer en de haren achter in zijn nek gingen recht overeind staan. Hij was nog maar zelden getuige geweest van de klerikale magie en die was hem altijd vreemd en exotisch voorgekomen.

Een zwakke gloed uit de handen van de priester wierp licht op Joolsteins wonden en terwijl broeder Malcolm eentonig verder sprak, zag Owyn de wonden al genezen. Ze waren er nog steeds, maar niet langer open en rood. Toen de priester ophield, zagen ze eruit als oudere wonden die inmiddels geen gevaar meer opleverden. De priester was bleek van vermoeidheid. 'Meer kan ik op dit moment niet uitrichten. Rust en voedsel doen de rest.' Hij keek naar Owyn en Gorath. 'Zijn jullie ook gewond?'

'Ja,' antwoordde Gorath, 'maar wij kunnen wachten tot die andere twee zijn verzorgd.' Hij wees naar de twee stadsbewoners die wachtten op behandeling.

Malcolm knikte. 'Mooi.' Terwijl hij langs Gorath liep, zei hij: 'Je manieren mogen dan twijfelachtig zijn, moredhel, maar je intuïtie is in orde. Hij had dood kunnen bloeden als we nog een uur hadden gewacht.'

Gorath gaf geen commentaar op het feit dat de priester hem had herkend. Hij ging naast Owyn zitten om te wachten.

Toen de twee boeren, de ene met een kapotte vinger als gevolg van een slecht gerichte hamerslag en de andere met een ernstig geval van koorts, waren vertrokken, wendde Malcolm zich weer tot Gorath en Owyn. 'Wie eerst?'

Gorath wees op Owyn en de magiër ging voor de priester zitten. Geïnteresseerd keek hij toe terwijl de priester vlug zijn wonden behandelde en verbond. Er werd weinig gesproken, want Owyn was bekaf.

Toen Gorath zijn plaats voor de priester innam, zei de zwarte elf: 'U hebt mijn ras herkend, en toch schakelt u de stadswacht niet in. Waarom niet?'

De priester haalde zijn schouders op en bekeek Goraths wonden. 'U bent op reis met mensen die er niet uitzien als vogelvrij en. U komt niet moordend en brandschattend de stad in, dus veronderstel ik dat uw missie een vreedzame is.'

'Waarom denkt u dat ik op een missie ben?' vroeg Gorath.

'Wat zou u anders in de wereld der mensen komen doen?' vroeg Malcolm retorisch. 'Ik heb nog nooit gehoord dat de moredhel voor hun plezier op reis gaan.'

Gorath gromde en onthield zich van commentaar.

Malcolm was al vlug klaar en zei: 'U had u als tweede moeten laten behandelen. Deze wond was veel ernstiger dan die van uw kameraad. Maar u komt er wel weer bovenop.' Hij waste zijn handen en droogde ze af aan een handdoek. 'Het is mijn missie te helpen en te dienen, maar het is gebruikelijk dat degenen die bediend zijn een donatie doen.'

Gorath wees naar Joolstein, die inmiddels rechtop was gaan zitten op de tafel waarop hij had gelegen.

'Broeder,' zei Joolstein, 'ik vrees dat ik u slechts een symbolisch bedrag kan overhandigen, maar mocht u binnenkort naar Krondor komen, zoek mij dan op en ik zal u alsnog het tienvoudige betalen.' Gravend in zijn beurs schatte hij in hoeveel hij nog nodig zou hebben voor een overnachting en andere uitgaven en haalde er een gouden soeverein en twee zilveren royalen uit. 'Dit is alles wat we kunnen missen.'

'Het is genoeg,' zei de priester. 'Waar kan ik u vinden in Krondor?'

'In het paleis. Ik ben een jonker van de prins. Mijn naam is Joolstein.'

'Dan zal ik u komen opzoeken wanneer ik weer in Krondor ben, heer jonker, zodat we de rekening kunnen vereffenen.' Met een blik op Joolsteins pas verbonden wonden vervolgde hij: 'Doe het een paar dagen wat kalmer aan. Morgen zult u zich al beter voelen. Als u kunt voorkomen dat u binnenkort nogmaals wordt gestoken, voelt u zich tegen het einde van de week weer de oude. En nu moet ik gaan rusten. Ik heb op één middag meer geheeld dat ik gewoonlijk doe in een week.'

De priester vertrok, en langzaam stond Joolstein op en liep naar de tapkast, waar de herbergier aan het schoonmaken was.

'Welkom in De Stoffige Dwerg, mijn vrienden,' sprak de lijvige man. Wat kan ik voor u betekenen?'

'Een maaltijd en een kamer,' bestelde Joolstein.

Ze gingen terug naar een tafel* en de herbergier volgde al spoedig met een groot dienblad vol koud vlees, kaas, fruit en brood dat eerder op de ochtend vers gebakken was. 'Ik heb nog wat op het vuur staan voor vanavond, maar zo vroeg op de dag heb ik alleen maar koude kost te bieden.'

Owyn en Gorath waren hun monden al aan het volproppen voordat Joolstein kon zeggen: 'Dat maakt niet uit. En wat bier, alsjeblieft.'

'Komt eraan.'

In een oogwenk was de man terug met het bier.

'Meneer,' vroeg Owyn, 'wat is het verhaal achter de naam van deze gelegenheid?'

'De Stoffige Dwerg?' zei de man.

'Ja.'

'Nou, eerlijk gezegd is dat niet zo'n verhaal. Ene Strubel was de vorige eigenaar. Die had het De Vrolijke Dwerg genoemd. Geen idee waarom. Maar buiten hing een kleurig uithangbord. Maar in al die jaren dat hij de eigenaar was, heeft hij dat bord nooit opnieuw laten schilderen, dus tegen de tijd dat ik de tent van hem kocht, waren de kleuren al flink verbleekt. Iedereen noemde het hier toen al De Stoffige Dwerg, dus dat heb ik gewoon zo gelaten. Het bespaarde me nog de kosten om het bord te laten schilderen ook.'

Owyn glimlachte om het verhaal en de kastelein repte zich weg om een andere klant te bedienen.

'Goed,' zei Joolstein met een gezicht alsof hij zo in slaap kon vallen. We kunnen kiezen. Of we nemen de grote weg naar Queesters Panorama, of de omweg door Eggly en Tannerus, wat ons een paar dagen extra kost.'

'Het is maar een idee,' zei Owyn, 'maar volgens Gorath houden die Nago en die Narab door gedachtenspraak contact met hun ondergeschikten. Zoals ik al eerder zei heb ik niet veel verstand van gedachtenspraak, maar ik weet wel dat het behoorlijk belastend is. De dochter van de magiër Puc is er een van de besten ter wereld in en kan over enorme afstanden spreken, maar haar talent is zeldzaam, uniek zelfs. Voor een minder begaafd magiër vereist het veel rust.'

Gorath bleef onbewogen kijken, maar Joolstein zei: 'Kom eens ter zake, als je het niet erg vindt, want het valt me niet mee om wakker te blijven.'

'Ik bedoel: wie de magiër ook is, hij houdt zich schuil op een plek die waarschijnlijk bewaakt is, en hij heeft misschien een of twee sleutelfiguren in een bepaald gebied. De rest van zijn bevelen worden volgens mij gebracht door koeriers. Ze weten dus waar we zijn geweest en hebben misschien enig idee waar we ons vandaag bevinden, maar daar kunnen ze niet zeker van zijn en ze weten evenmin welke kant we straks op gaan.'

'Akkoord,' zei Joolstein, 'maar wat heeft dat te maken met de keuze van onze route?'

'Het betekent dat hij zijn mannen over de twee routes moet verdelen,' begreep Gorath, 'dus de beste oplossing is de weg te nemen waar we ons het beste kunnen verdedigen of mee te reizen met een grotere groep, zoals een handelskaravaan.'

Joolstein wenkte de herbergier, die een sleutel kwam brengen en hen verwees naar de kamer boven aan de trap. Terwijl ze naar boven liepen, merkte Joolstein op: 'Als we uit Kesh zouden komen, zou een karavaan een goede dekmantel kunnen zijn, maar aangezien er langs de Koningsheerbaan gewoonlijk goed gepatrouilleerd wordt, nemen de meeste handelaars genoegen met een klein aantal gehuurde bewakers of soms helemaal geen. De meeste handel langs de kust verloopt per schip.'

'Kunnen we dan niet naar Queesters Panorama gaan en daar een schip huren?' stelde Owyn voor toen ze de kamer bereikten.

'Waarvan?' wierp Joolstein tegen. 'Kapitein Belfords introductiebrief is nou niet direct een bevelschrift van de koning. Als er een vlootschip voor anker ligt, krijg ik het wel voor elkaar dat we naar Krondor worden gebracht, maar ik heb weinig zin om te gaan zitten wachten tot er eentje op komt dagen. Trouwens, eerst wil ik een nacht fatsoenlijk slapen, dan op zoek gaan naar Isaac om dat raadsel van die bijzondere robijn op te lossen, en daarna zien we wel weer hoe we zo snel mogelijk in Krondor komen.'

'Over die nacht fatsoenlijk slapen zal je mij niet horen mopperen,' reageerde Owyn.

Gorath zei niets.

 

Een uur na zonsopgang verlieten ze de herberg en Joolstein voelde zich opmerkelijk hersteld. De vorige dag waren al zijn bewegingen nog gepaard gegaan met een vlammende pijn, maar nu voelde hij zich slechts een beetje stijf en zwak.

Beginnend aan een wandeling naar het noordelijke deel van de stad zei hij: 'Als ik Isaac ken, logeert hij in het huis van zijn neef, een zekere jongeheer genaamd Austin Delacroix.'

'Uit Bas-Tyra?' vroeg Owyn.

In de drukke straat die ze volgden, waren verkopers bezig hun waren voor hun winkels uit te stallen, en huisvrouwen openden hun ramen om zon en frisse lucht binnen te laten.

'Oorspronkelijk wel, ja,' bevestigde Joolstein. 'Hij komt uit een familie die nog net van adel is, aangezien die afstamt van een eertijdse held uit een vergeten oorlog toen Bas- Tyra nog een stadstaat was. Op meer is hun status niet gebaseerd.'

'Dat gedoe van jullie mensen over rangen en standen is... moeilijk te begrijpen,' vond Gorath.

'Hoezo?' vroeg Owyn. 'Hebben jullie dan geen hoofdmannen?'

'Jawel,' beaamde Gorath. 'Maar die rang wordt verdiend, en niet verleend bij de geboorte. Delekhan is opgeklommen door verraad en bloedvergieten, al genoot hij bescherming vanwege zijn jaren onder Murmandamus en Murad.' Hij spuwde die twee namen bijna uit. 'Als zijn zoon Moraeulf zo ambitieus wordt om zijn vader op te volgen, zal dat pas gebeuren over de lijken van velen zoals ik. In betere tijden zou hij worden gezien als een gewaardeerd zwaard tegen de vijanden van ons volk, maar dit zijn niet zulke goede tijden.'

'Dit is het huis, geloof ik,' zei Joolstein, wijzend naar een wat haveloos ogend gebouw: Evenals de huizen aan weerskanten was het een klein, maar gedegen gebouw van steen en hout, met een robuuste deur en luiken voor de ramen. Maar dit huis was lang niet zo schoon en goed onderhouden als de andere ernaast.

Joolstein bonsde op de deur en een poosje later klonk er een slaperige stem van binnen: 'Wie is daar?'

'Isaac?' riep Joolstein.

De deur ging open en een jongeman met lang blond haar stak zijn hoofd naar buiten. Jool?' De deur ging wijd open en de jongeman liet hen binnen. Hij droeg slechts een gekreukte tuniek en broek, waar hij duidelijk in had liggen slapen. 'Ik kwam net uit bed,' zei hij.

'Ja hoor,' zei Joolstein toegeeflijk.

Binnen was het donker, met de luiken nog dicht, en de lucht was muf van oud voedsel, zweet en de zure geur van gemorst bier. De kamer was eenvoudig gemeubileerd. Vier stoelen rond een houten tafel, erachter een enkele boekenplank en nog een klein tafeltje met een lamp erop. Een trap leidde naar een slaapvliering erboven. Het enige voorwerp van waarde was een verschoten wandtapijt, dat beslist eens had gehangen in een veel mooiere omgeving dan tegenwoordig. Het hing achter Isaac, hem omlijstend met een tafereel van een ontmoeting van prinsen die geschenken uitwisselden, omringd door de notabelen uit die tijd.

'Joolstein,' zei Isaac, alsof hij de klank van diens naam op zijn tong proefde. 'Wat een genoegen. En je ziet er nog zo goed uit. Leuk, die snor. Dat flamboyante heb jij altijd al kunnen hebben.' Hij deed een paar stappen, zichtbaar hinkend. 'Ga zitten. Ik wil je best koffie of thee aanbieden, maar mijn neef is momenteel op bezoek bij familie in Bas-Tyra en ik ben gisteravond pas aangekomen, dus we hebben niet zo veel in huis.'

'Dat geeft niets,' zei Joolstein. 'Hoe lang is het nu geleden? Sinds Arutha's bruiloft?'

Isaac nam plaats op een houten stoeltje, met zijn benen over elkaar, zodanig dat zijn gewicht op zijn goede been bleef rusten. 'Precies die dag was het. Je had die ouwe ceremoniemeester DeRosa tekeer moeten horen gaan toen hij erachter kwam dat ik helemaal niet de zoon van de Baron van Dorgin was.'

'Omdat er helemaal geen Baron van Dorgin bestaat,' vulde Joolstein aan. 'Als je je huiswerk had gedaan, zou je je die blunder hebben bespaard.'

'Hoe moest ik nou weten dat de gebieden rond de dwergen enclave onder het bestuur staan van de Hertog van de Zuidelijke Marken?'

'Door studie?' opperde Joolstein.

'Nooit mijn sterkste kant geweest,' zei Isaac, wuivend met een hand.

'Maar in ieder geval had DeRosa het zo druk met de bruiloft dat hij je pas de dag daarna eruit heeft gegooid, zodat we een mooie avond hebben gehad,' herinnerde Joolstein zich. 'Wat heb je sindsdien allemaal gedaan?'

'Ik ben een tijdje in het Oosten bij familie geweest en een paar jaar geleden terug naar het Westen gekomen. Sindsdien heb ik allerlei klusjes langs de grens gedaan. Maar vertel eens, wat brengt een lid van de Krondoriaanse hofhouding in zulk ongebruikelijk gezelschap zo ver van huis?'

'Bepaalde dingen, waaronder enkele bloedige, die me helaas naar jou hebben gewezen.'

'Naar mij?' zei Isaac. Je maakt een geintje, zeker?'

'Ik maak net zo min een geintje als de beul van de koning, Isaac, en als je niet naar de volle waarheid antwoord op mijn vragen geeft, mag je dat straks zelf gaan controleren, want dan laat ik Gorath boven op je zitten terwijl ik de stadswacht erbij ga halen. Dus, we kunnen hier een prettig gesprek voeren, of anders een erg onprettig gesprek in Krondor.'

Joolstein was in het geheel niet van zins om de stadswacht te ontbieden om die vervolgens van zijn rang en gezag te moeten overtuigen, zeker niet zonder een koninklijke volmacht of bevelschrift. Maar Isaac wist dat niet en Joolstein was niet van plan hem wijzer te maken.

'Ik heb geen idee waar je het over hebt,' zei Isaac, langzaam overeind komend.

'Laat dat zwaard daar achter je maar liggen, mens; siste Gorath zacht, 'want je goede been is net zo kreupel als het andere voordat je vingers het gevest hebben aangeraakt.'

'Verdomme,' zei Isaac zacht en liet zich weer op zijn stoel zakken.

'De robijn,' zei Joolstein.

'Welke robijn?' vroeg Isaac.

'De robijn die je van Kiefer Alescook hebt gekocht en die je hebt betaald met goud waarmee Delekhan wapens gaat kopen. De robijn die is gestolen van een belangrijk Tsuranees magiër. De robijn die de laatste is van een hele reeks van dergelijke transacties.'

Isaacs hand ging over zijn gezicht en vervolgens door zijn haar. 'Jool, ik heb het hard te verduren gehad.'

Joolsteins gezicht betrok en zijn stem kreeg een dreigende toon waar Owyn verrast van opkeek. 'Net zo hard als wanneer je zou worden beschuldigd van hoogverraad, Isaac? Net zo hard als wanneer je aan het touw van de beul hangt?'

'Wie heeft er iets gezegd over hoogverraad, Jool?' Isaacs houding kreeg iets smekends. 'Hoor eens, voor mijn ongeluk waren wij al vrienden. Als wij in de omgekeerde positie hadden verkeerd, zou je het begrijpen, dan zou je weten wat het is om een huurling met een mank been te zijn. Jool, ik ging bijna dood van de honger toen deze gelegenheid zich voordeed. En ik was er al te ver in verzeild geraakt toen ik ontdekte wie erachter zit.'

'Vertel ons wat je weet, dan zal ik je matsen; beloofde Joolstein.

Isaac keek bedrukt en begon berouwvol te vertellen. 'Ik zat er al tot over mijn oren in voordat ik wist met wie ik zaken deed. Alescook is een oude bekende. Ik weet alleen dat hij van tijd tot tijd juwelen en edelstenen "vindt" die een wat, eh... troebele achtergrond hebben, zal ik maar zeggen.'

'Gestolen,' zei Joolstein.

Isaac wist zich geen raad. 'Hoe het ook zij, de Koninkrijkse markt is moeilijk, dus die stenen vinden hun weg naar het zuiden, naar Kesh, of over het water naar Queg of de Vrijsteden. Ik ben gewoon een tussenpersoon, iemand die een reisje kan maken naar het Dal of naar Krondor of om iets aan boord van een schip te brengen. Meer niet.'

'De robijn?' vroeg Joolstein.

Isaac kwam weer overeind en aarzelde toen Gorath zich voorover boog, zijn hand op het gevest van zijn zwaard. Langzaam stond Isaac op en liep toen de trap op naar de vliering. Joolstein gebaarde met zijn hoofd naar Owyn, die opstond en vlug door een deurtje in de muur naast het wandtapijt ging. Daar vond hij een klein keukentje, zo vies dat hij er zelfs met een lege maag niet over peinsde om er iets uit te eten. Hij dook door de achterdeur en keek naar boven, waar het hoofd van Isaac van achter een raam weer naar binnen verdween. Owyn glimlachte. Joolstein had gelijk gehad. De kreupele ex-huurling mocht dan proberen te ontsnappen uit een raam van de bovenverdieping, maar hij wist dat hij niet snel genoeg kon zijn wanneer er beneden iemand op hem stond te wachten.

Een ogenblik later riep Joolstein hem terug en Owyn ging naar binnen. In de kamer bleef hij staan. De haren op zijn armen stonden recht overeind. 'Laat mij die steen eens zien.'

Isaac gaf hem de robijn. 'Zo'n dure is het eigenlijk niet eens, maar ik krijg goed betaald.'

'Van stenen heb ik geen verstand,' zei Owyn, 'maar ik weet wel dat dit niet zomaar een robijn is.' Hij bekeek hem aandachtig. 'Deze is geprepareerd.'

'Waarvoor?' vroeg Joolstein. 'Om te worden gezet?'

'Nee, om als een soort richtpunt te dienen voor magie. Veel verstand heb ik niet van dat soort dingen.' Hij legde de steen neer. 'Eerlijk gezegd heb ik niet veel verstand van magie in het algemeen, wat ook de reden is dat ik van Sterrewerf ben weggegaan. De enige magie die ik tot nog toe heb geleerd, was van Patrus, een chagrijnige oude plattelandsmagiër. Maar mijn vader maakte bezwaar en het laatste wat ik heb gehoord is dat Patrus naar het noorden ging... ' Hij schudde zich wakker uit zijn mijmerij. 'Doet er niet toe. Maar van hem heb ik gehoord dat sommige vormen van magie harmonisch zijn en gericht kunnen worden door edelstenen. Of erin kunnen worden opgeslagen. Hij heeft zelfs een keer beweerd dat magie onder de juiste omstandigheden de vorm van een edelsteen kan aannemen. Zo kan je bijvoorbeeld met bepaalde edelstenen een val opstellen. Iemand die in een gegeven gebied stapt, zit dan gevangen.'

'Kan je zeggen waar deze voor is gebruikt?'

'Nee.' Owyn schudde even met het hoofd. 'Maar het kan ook zijn dat hij nog gebruikt moet worden.'

'Dus volgens jou is het een belangrijk ding?' vroeg Gorath.

'Ja. Ik snap nu waarom die Tsuranese magiër zo kwaad werd toen hij was verdwenen.'

Joolstein pakte de steen op en gooide hem een paar keer in de lucht. Onderwijl dacht hij na. Even later stak hij de steen weg en keek Isaac aan. 'Vertel eerst eens wat je nog meer weet.'

Isaac keek verslagen. 'Goed. De stenen komen op onregelmatige tijdstippen door de scheuring. Soms een boel tegelijk, soms een enkele, zoals deze. Op verschillende manieren krijg ik in Krondor mijn geld, steeds weer anders. Er is een nieuwe bende in Krondor, met aan het hoofd iemand die zichzelf de Kruiper noemt, en die werkt de Snaken danig op de zenuwen.'

'Snaken?' vroeg Gorath.

'Dieven,' vertaalde Joolstein. 'Dat leg ik later wel uit. Ga door,' zei hij tegen Isaac.

'In Krondor zit iemand die voor edelstenen betaalt. Ze worden gebracht door de Tsurani, die ze doorgeven aan de moredhel. Die gaan ermee naar Alescook, en ik ga ze halen om ze naar Krondor te brengen. Het is een vrij simpele overeenkomst.'

'Maar er zit iemand achter die het allemaal organiseert. Wie en waar?'

Isaac zuchtte. 'Ten zuiden van Sarth ligt een dorpje. Het heet Ezelgeel. Ken je dat?'

'Aan de rand van dergelijke dorpjes staat nooit een bord, maar als het aan de Koningsheerbaan ligt, ben ik er wel eens doorheen gereden.'

'Het ligt niet aan de Koningsheerbaan. Zo'n twintig mijl ten zuiden van Sarth kom je op een tweesprong, en als je landinwaarts gaat, kom je op een oud pad de bergen in. Een mijl of vijf verder langs die weg en je bent in Ezelgeel. Daarom maken de moredhel er gebruik van. Er komt nooit iemand en voor iemand van hen' - met zijn kin wees hij naar Gorath - 'is het makkelijk te bereiken zonder te worden gezien. Er woont daar tegenwoordig een oude smokkelaar die boer is geworden, ene Cedric Rowe. Trouw kent hij niet, behalve dan aan goud. Hij verhuurt zijn schuur aan een Onzalige Broeder genaamd Nago.'

'Nago!' riep Gorath uit. 'Als we hem uitschakelen, hebben we een kans om aan zijn ondergeschikten te ontkomen. Zonder hem zijn ze blind en kunnen wij naar Krondor.'

'Misschien,' zei Joolstein. 'En als we hem daar laten zitten, weten we zeker dat ze ons des te makkelijker kunnen vinden naarmate we dichter bij Krondor komen.'

'Hoezo?' vroeg Owyn.

'Hij trekt het net dicht, knul,' legde Isaac uit. 'Het gebied dat zijn mannen moeten uitkammen, wordt dan steeds kleiner.'

'Nu snap ik dat van die Queganen ook,' knikte Joolstein. 'Die Rowe heeft al zijn hele leven contact met Quegse piraten gehad en hoeft maar een berichtje te sturen aan iemand in Sarth. Het eerste schip dat naar Queg gaat, neemt de boodschap mee en binnen een maand heeft hij zo veel buitengaatse krachtpatsers als hij nodig heeft. En als Nago met goud aan het smijten is, zitten er meer Queganen langs de wegen naar Krondor dan luizen op een bedelaar.'

'En Queganen lopen ook niet zo gauw naar de soldaten van de koning als er iets verkeerd afloopt,' voegde Isaac eraan toe. 'In het ergste geval sluipen ze terug naar de dichtstbijzijnde havenstad voor een schip naar huis. Weinig kans om te worden verraden door iemand wie het wit om de neus wordt.'

'Wat nog meer?' vroeg Joolstein.

'Verder niets,' antwoordde Isaac. Hij stond op en haalde een mantel van een haakje aan de muur. 'Zodra ik een briefje aan mijn neef heb geschreven, ga ik naar Kesh. Ik heb zojuist de huurmoordenaars van Nago op mijn spoor gezet, al weet hij het zelf nog niet. Met ieder uur dat ik win voor hij erachter komt, wordt de kans groter dat ik Kesh weet te bereiken.'

'Ik heb gezegd dat ik je zou matsen, Isaac, en dat zal ik ook doen. Ik zal je laten vluchten naar Kesh, omdat jij het bent en omdat je je aan de afspraak hebt gehouden, maar alleen als je ons alles vertelt.'

'Waarom denk jij dat er nog meer is?'

Plotseling trok Joolstein zijn zwaard en legde de punt op Isaacs keel. 'Omdat ik je ken. Je houdt altijd iets achter, voor het geval je een ander toch nog te slim af moet zijn. Naar mijn idee is dit toneelstukje bedoeld om jou in staat te stellen eerder dan wij de stad uit te zijn, voor het geval je een van Nago's mannetjes kunt vinden om hem op ons af te sturen voordat ze hebben uitgevist dat jij hen verlinkt hebt. Zoiets.'

Isaac grijnsde. 'Jool! Dat zou ik toch nooit -'

Joolstein duwde met de zwaardpunt en Isaac hield zo plotseling op met praten dat hij bijna zijn tong inslikte. 'Voor de draad ermee,' eiste Joolstein op dreigende fluistertoon.

Langzaam bracht Isaac een hand omhoog en duwde de zwaardpunt voorzichtig opzij. 'Er staat een slotkist -'

'Een wat?' onderbrak Joolstein hem.

'Een kist met een slot om kostbaarheden in op te bergen. Wij maken ze om belangrijke dingen in te vervoeren.'

'Ga door,' gebood Joolstein.

'Er staat een slotkist buiten de stad. Vijf mijl langs de weg naar Queesters Panorama. Aan de rechterkant staat een boom die door de bliksem is getroffen. Daarachter staat een plukje struiken. Als je daar zoekt, vind je de kist vanzelf. Daar moest ik de robijn vanavond in doen en als ik dan morgen terugkwam, zou daar het goud op me liggen te wachten.'

'Dus je ziet je contactpersoon uit Krondor niet eens?'

'Nooit. Dat hoorde bij de afspraak die ik met Nago heb gemaakt.'

'Heb je die moredhel dan wel ontmoet?' vroeg Joolstein.

'Ja,' zei Isaac. 'In Ezelgeel. Het is een grote, net als jouw vriend hier, en niet zo dun als ze kunnen zijn. Een nare kerel zonder een greintje gevoel voor humor. Met een raar licht in zijn ogen, als je begrijpt wat ik bedoel.'

'Ik kan me er wel iets bij voorstellen,' zei Joolstein. 'Wat kan je ons vertellen over het gezelschap dat hij houdt?'

'Hij heeft altijd maar een paar soldaten bij zich. Meer dan drie tegelijk heb ik er nog nooit gezien, want anders valt het misschien op. En er komen zo veel Queganen langs dat hij in korte tijd een legertje kan vormen als dat nodig is. Maar hij bedient zich van magie, Jool, en als je hem bedondert, kan hij je braden met zijn blik.'

Joolstein keek naar Gorath, die even knikte om te bevestigen wat er zojuist was beweerd. 'Goed dan, Isaac,' zei Joolstein. 'Ik zal je vertellen wat je gaat doen. Pak iets om mee te schrijven.'

Isaac keek de kamer rond en zag in een hoek een oud stukje verschoten leer. Hij liep naar de kleine haard en viste er een stukje houtskool uit. 'Wat schrijf ik op?'

'Je schrijft: "Robijn gejat door jonker van de prins. De drie die jullie zoeken zijn op weg naar Eggly. Ik ben verloren en moet vluchten." Je ondertekent met je naam.'

Isaac werd bleek toen hij de woorden opschreef. 'Dit is mijn doodvonnis, Jool.'

'Jouw doodvonnis werd al getekend toen je het goud aannam waarmee je je tegen je koning keerde. Je verdient de strop, Isaac, en uiteindelijk zul je ook worden opgehangen, tenzij je je leven drastisch betert, maar dan wel voor een andere misdaad dan deze.'

'Tenzij Nago's mannetjes je eerder vinden,' voegde Gorath eraan toe.

Meer had Isaac niet nodig. 'Wat doe ik hiermee?'

'Stop hem in de kist waar je de robijn moest achterlaten en zet het dan op een lopen. Als je dat bericht niet in die kist doet en ik kom in Krondor, dan stuur ik huurmoordenaars op je af, al moeten ze naar de verste uithoeken van Kesh om je te vinden. Je kan je haar afknippen en kleuren, je kan een baard laten staan, je kan je als een Brianer in bont kleden, maar dat kreupele been kan je niet verbergen, Isaac. En maak nu maar dat je wegkomt.'

Isaac aarzelde geen moment. Hij greep zijn zwaard, zijn mantel en het bericht en rende de achterdeur uit.

'Waarom heb je die verrader gespaard?' vroeg Gorath.

'Dood is hij ons van weinig nut, maar levend kan hij onze vijanden op een dwaalspoor brengen.' Joolstein keek Gorath aan. 'En is het niet een beetje raar dat jij zo'n minachting toont voor een verrader?'

De blik waarmee Gorath hem aankeek kon alleen maar moordlustig worden genoemd. 'Ik ben geen verrader. Ik probeer mijn volk te redden, mens.' Zonder nadere uitweidingen draaide hij zich om en zei: 'We moeten op weg. Die kerel is onbetrouwbaar en kan rare dingen doen om zich het leven te redden.'

'Ik weet het,' zei Joolstein, 'maar óf hij laat dat bericht achter, óf hij wordt gesnapt en zegt hun wat hij weet, en dat is bijna niets. En voordat we de robijn hadden, deden ze toch al hun uiterste best om ons dood te maken, dus daar komt hoe dan ook geen verandering in nu we hem hebben.'

'Ik denk dat ik een manier weet om een tijdlang ongezien te blijven en misschien zelfs bij Nago te kunnen komen,' zei Gorath.

'Hoe dan?' vroeg Joolstein.

'Ik weet de weg die zij gebruiken om in dat dorpje Ezelgeel te komen. Als we de weg door de bergen nemen naar het stadje dat jullie Eggly noemen, zoals ook in het bericht staat, kunnen we een dag ten zuiden van hier een pad inslaan dat hoger de bergen in gaat. Volgens mij is dat hetzelfde pad dat uitkomt bij Rowe's boerderij.'

'Hoe kan jij dat weten?' vroeg Joolstein, ineens argwanend.

Goraths geduld scheen op, maar hij wist op vlakke toon te antwoorden: 'Omdat ik als kind in deze bergen heb gewoond, voordat jullie mensen ons het leven zuur kwamen maken. Voordat dit land zo vergeven was van jullie soort, woonde mijn volk in deze bergen. Ik heb in deze rivieren gevist en in deze bergen gejaagd.' Zijn stem werd zachter. 'Misschien heb ik op deze plek, waar jullie mensen dit huis hebben gebouwd, mijn kampvuur laten branden. Op weg, nu. Voor een moredhel is het geen lange reis, maar jullie mensen worden snel moe en daarbij worden jullie gehinderd door je verwondingen.'

'En jij niet?' vroeg Owyn.

'Niet dat je zou merken,' antwoordde de zwarte elf. Zonder op een reactie te wachten draaide hij zich om naar de deur en verliet het gebouw:

Haastig gingen Joolstein en Owyn achter hem aan en troffen Gorath wachtend aan. 'We moeten proviand kopen. Hebben we genoeg goud?'

'Voor proviand wel,' zei Joolstein. 'Voor paarden niet.'

Ze liepen naar een herberg in het oosten van de stad en Joolstein regelde reisrantsoenen - voedselpakketten in perkament met een dikke laag bijenwas. Het voedsel was voornamelijk gedroogd of zwaar gepekeld om bederf te voorkomen. Terwijl ze wachtten, informeerde Joolstein naar de toestand van de weg naar Eggly, opzettelijk zo luid dat een paar wantrouwig kijkende mannen in de gelagkamer het konden verstaan. Mocht iemand naar hen komen vragen, dan zou de valse informatie in Isaacs bericht alleen maar worden bevestigd.

Ze verlieten de herberg en vertrokken in stevige pas over de weg richting het dorp Eggly. Joolstein wierp een blik omhoog, zag de steil oplopende bergrug boven de bomen aan de westkant van het pad, en vroeg zich af of het wel zo verstandig was om op die hoogte door de bergen op weg te gaan naar een moordenaarshol dat werd geleid door een gevaarlijke moredhelse tovenaar. Uiteindelijk bleef er maar één antwoord over: een beter idee had zich niet aangediend.

Berustend in het vooruitzicht op een wandeling met koude nachten liep hij naast Owyn achter Gorath aan.