17 Misleiding

 

De wind gierde over de kantelen.

Robert gaf de boogschutters het teken klaar te staan om de naderende ruiters dekking te bieden. Twee verkenners kwamen in volle galop over de helling omhoog naar de ophaalbrug, hun schuimende paarden tot grotere spoed manend om op tijd bij de poort te komen. Robert hoopte dat hij het goed had ingeschat. Te vroeg, en de ruiters strandden buiten de muren; te laat en de vijandelijke ruiters bereikten het poortgebouw; en met het geringe aantal verdedigers tot zijn beschikking vormde iedere vijand in het kasteel een serieuze bedreiging.

De voorste ruiter bereikte de brug toen die net omhoog begon te gaan, en de tweede moest zijn paard de sporen geven om hem de sprong naar de opstijgende planken te laten wagen, maar ze haalden het, en Robert gaf het bevel tot schieten.

De boogschutters losten een pijlensalvo op de achtervolgers, die zich terugtrokken toen er drie ruiters in de voorhoede uit het zadel werden geschoten. Het waren bijna allemaal vogelvrij en, met slechts twee moredhel ertussen. Vlak buiten schootsbereik bleven ze rondrijden, tot Robert het teken gaf een katapult af te vuren. De stenenregen velde er nog zes. De rest trok zich terug over de kasteelweg.

Nog voordat het gejuich op de kantelen verstierf, was Robert beneden in het poortgebouw. 'Wat hebben jullie gezien?'

De voorste ruiter, een jonge korporaal, gaf antwoord. 'Geen spoor van hulp in het zuiden, en verrekte veel van de vijand, die oprukt vanuit het noorden.'

'Hoe ziet het er in het noorden uit?'

De tweede ruiter, een jonge kapitein, antwoordde kalm: 'Voorpostendetachementen te paard, jonker, die er niet erg blij mee waren dat wij kwamen neuzen. In de verte zag ik een hoop stof en wat van die belegeringsmachines waar u ons over vertelde. Het ziet ernaar uit dat ze nog voor het vallen van de avond onder aan de weg staan.'

'Uitstekend werk,' zei Robert. 'Ga wat eten en rust uit. We krijgen het morgen druk.'

Robert ging op zoek naar Joolstein, aan wie hij de verdeling van voorraden en wapens had toevertrouwd. Hij vond hem midden in een van de voorraadruimten, met een vies gezicht kijkend in een ton.

'Wat is er, Jool?'

'Het vlees zit vol maden. Die Nachtraven zullen hier zijn geweest om wat onheil aan te richten voordat ze de officieren gingen vermoorden. Ze wilden de mannen niet al te veel redenen geven om hier te blijven, denk ik.'

'Hoe erg is het?'

'Al het opgeslagen vlees is bedorven. In bijna al het meel zitten beestjes. Die kunnen we er wel uit zeven, denk ik, maar ik zou het brood alleen maar eten als ik echt doodging van de honger. Het harde brood ziet er nog goed uit, en het gedroogde fruit is grotendeels goed te eten. We houden het wel even vol.'

'Ik denk niet dat voedsel ons probleem is.'

Joolstein keek Robert aan. 'Komen ze eraan?'

'Morgen zijn ze er.'

'Dan zullen we hen opwachten.'

Robert knikte. Hij wist dat hij het beste kon verwachten van zijn mannen. Stuk voor stuk hadden ze ruime ervaring met de grensoorlogen, maar geen van hen was ooit op de proef gesteld in een rechtstreekse bestorming van het kasteel. Robert kende de theorie, want hij was bij prins Arutha in de leer geweest, en hij kende de realiteit, want hij had gevochten in Armengar en in Hoogstein. De aanvallers hadden tien man nodig voor iedere verdediger op de muur. Wat Robert echter zorgen baarde, was wat er zou gebeuren als Delekhan met meer dan tien tegen een op zijn positie af zou komen.

 

Owyn liep met de beker in zijn handen naar de zuil en drukte hem ertegenaan. Meteen klonk Dhatsavans stem in zijn hoofd. U bent teruggekeerd met de beker. Dat is goed. 

'Waar hebt u hem voor nodig?' vroeg Owyn.

Ik heb hem niet nodig. Ik moest hem alleen uit de handen van de Panath-Tiandn houden. 

'Waarom?'

Het is een voorwerp van immense macht, die op velerlei wijzen kan worden toegepast, en een van die wijzen is als sleutel. Deze beker geeft toegang tot andere werelden. De verlaten kinderen van Alma-Lodaka zullen zich voorlopig tot deze wereld moeten beperken. Op zich zijn ze niet meer dan hinderlijk, maar onder leiding van hun Pantathische neven zijn het gevaarlijke werktuigen. Uiteindelijk zal iemand hen wellicht van onze verschroeide wereld halen, maar voorlopig is de rest van het heelal veilig voor hen. Neem de beker mee en bewaar hem goed.

'Maar het gaat ons om Pucs welzijn. We hebben deze beker voor u aan de andere kant van het eiland opgehaald. Waar is Puc?'

Hij is in veiligheid, in een gebouw van de Panath-Tiandn. De isolerende barrières die hem binnen houden worden verwijderd zodra jullie hem vinden. Hij heeft de krachten van de beker verkeerd ingeschat. Toen hij die wekte om de gedachten van zijn verloren dochter op te vangen, werd hij erdoor overweldigd en verzwakt tot hij weinig meer was dan een hulpeloos kind.

'Hebt u hem gevangen gezet om hem te beschermen?'

Het antwoord van de vroegere god had een geamuseerde klank, al vroeg Owyn zich af of het gevoel dat hij ervoer wel in menselijke termen viel uit te drukken. Als individu is hij voor ons nauwelijks van belang, maar een tijdlang had hij zijn nut door de beker uit handen van de Panath-Tiandn te houden. Ze waren betrokken bij een langdurig proces om het geheim van de beker te ontrafelen, en bijna was hen dat gelukt. Puc onderbrak dat proces, hetgeen hun jaren kostte. Dat op zich is voldoende voor onze dankbaarheid. Nu u hier bent, kan de beker van deze wereld worden verwijderd, en als beloning voor uw dienst zullen we uw vriend in vrijheid stellen. Puc heeft zijn identiteit en geheugen vrijwel helemaal terug, maar zijn vermogens zullen nog vele dagen verzwakt zijn. Ga naar een hut ten westen van de plek waar u de beker hebt gevonden. Daar vindt u Puc. 

'Hoe komen we weer thuis?' vroeg Owyn.

De weg is nu geopend naar een plek in de bergen, grotten die u leiden naar een spelonk waarin de Valheru verbleven. Haal Puc uit de hut. In het noorden vindt u een ingang in de bergen. Daar vindt u de voorwerpen waarmee u thuis kunt komen. Gebruik de beker om Puc te leren wat u weet, en neem de beker veilig met u mee. Ineens wist Owyn hoe hij de beker moest gebruiken. Zoek dan zijn dochter op een plek nabij de bergen, waar de Panath-Tiandn haar bewaken, in de veronderstelling dat zij een voorbode van Alma-Lodaka is. Bevrijd haar en keer terug naar uw eigen wereld. Maar talm niet, want ik kan de poort naar uw wereld slechts beperkte tijd open houden. Mijn krachten zijn niet meer zo groot als voorheen. Ga nu.

'Bedankt,' zei Owyn en hij wenkte Gorath.

'Waarheen nu?' vroeg de zwarte elf

Wijzend in de richting waaruit ze gekomen waren, zei Owyn: 'Vanaf de plek waar we deze beker hebben gevonden, gaan we naar het westen, en daar is Puc. Als hij is bevrijd, kunnen we de weg naar huis vinden.'

'Laten we dan opschieten,' zei Gorath. 'Ik ben dit ongastvrije en verlaten land beu.'

Daar was Owyn het mee eens.

 

Robert rende de trap op naar de muur toen er op de trompetten werd geblazen. Buiten de muren dreunden trommen, en nog voordat hij op de tinnen stond, hoorde hij al dat er kruisbogen en korte handbogen werden afgevuurd.

'Ze komen af op de noordwand!' schreeuwde Joolstein.

Robert knikte, wierp een blik in oostelijke richting en zag de grote belegeringstorens de weg op rijden. Hij rende naar de noordmuur en zag gnomen langs de heuvelhelling onder het kasteel klimmen, allemaal met rollen touwen enterhaken. Met hun kleine gedaanten waren de gnomen bijna grappig om te zien, als ze niet zo hun best deden om je dood te maken, bedacht Robert. Zwart haar vormde een dikke ragebol boven borstelige wenkbrauwranden. Hun huid had een blauwe tint, als van een blanke mens die een licht verfbad had genomen, en hun ogen hadden geel-met-zwarte irissen. Ze droegen een klein beukelaarschild aan de arm en een kort zwaard aan de heup.

De verdedigers begonnen te schieten op de gnomen, die in ploegen oprukten: een paar voet naar boven kruipen, het kleine schild boven het hoofd houden, en zodra het schild was getroffen, weer een paar voet verder klauteren.

'Stenen! Hierheen!' riep Robert.

Onmiddellijk kwamen soldaten aanrijden met platte karren op houten wielen, die waren volgeladen met stenen, variërend van vuistgroot tot de omvang van een meloen. Ze staken lange palen onder de karren door en tilden ze daaraan op, tot boven de kantelen. Vervolgens werden de zij schotten van de karren weggetrokken, en de inhoud gleed over de muur, de gnomen bedeivend onder stenen. Geschreeuw van beneden was het bewijs van de doelmatigheid waarmee ze van de helling af werden geveegd.

'Dit is een afleidingsmanoeuvre,' zei Robert. 'Jool, controleer de andere twee muren terwijl ik naar het poortgebouw ga.'

Joolstein rende weg en Robert haastte zich langs de kantelen naar het poortgebouw. Het zou een lange veldslag worden, zonder een moment respijt. 'Als we hen maar af kunnen slaan,' mompelde hij in zichzelf terwijl hij naar de poort rende.

 

Behoedzaam naderde Gorath de hut. Onderweg waren ze aangevallen door drie Panath-Tiandn, en Owyn had zijn kristallen staf al uitgeput. Hij had zich een van hen van het lijf moeten houden door te maaien met de staf, tot Gorath de andere twee had gedood en de laatste kon uitschakelen.

Met een grimas van pijn trok Gorath zijn zwaard terug. 'Wat is er?'

'Er is een barrière bij de deur. Zodra ik hem raakte met mijn zwaard ging er een schok door mijn arm.'

Owyn aarzelde even en haalde toen de Beker van Rlyn Skrr uit zijn buidel. Voorzichtig bracht hij hem naar de deur. Hij voelde een stroom van macht de beker in vloeien en zag hem even opflikkeren, alsof hij werd verlicht. Verder gebeurde er niets. Hij duwde het gordijn opzij en ging naar binnen.

In het midden van de hut zat Puc, met zijn ogen knipperend tegen het licht. 'Tomas?' vroeg hij en probeerde overeind te komen, steunend op een kristallen staf, die het evenbeeld was van die van Owyn, maar na enkele zwakke pogingen liet hij zich terugvallen.

'Nee,' zei Owyn. Hij liep naar binnen, met Gorath achter zich aan. 'Tomas is gewond geraakt tijdens een aanval op Elvandar. Hij is herstellende van een vergiftigde wond. Wij zijn in zijn plaats gekomen.'

'Wie zijn jullie?' vroeg Puc. Toen kneep hij zijn ogen tot spleetjes. 'Wacht, ik weet het weer. Jij bent die jongen die met jonker Joolstein naar Krondor is gekomen, maanden geleden.'

'Ja, en kent u Gorath ook nog?'

Puc knikte. 'De moredhel die door mijn dochter is doorvorst.' Ineens werden zijn ogen groot. 'Gamina! Ik moet mijn dochter zoeken.'

'We weten waar ze is,' zei Owyn, en voegde er op zachtere toon aan toe: 'Min of meer.'

Puc leek gedesoriënteerd. 'Ik ben nog zwak, maar mijn geheugen keert weer terug.' Hij keek naar zijn rechterhand, en in de palm zag Owyn een lelijk oud litteken. 'Maar mijn krachten zijn verdwenen en ik herinner me bijna niets meer.' Hij keek Owyn en Gorath aan. 'Jullie zeggen dat je in plaats van Tomas komt, maar hoe kan ik er zeker van zijn dat jullie hier niet namens onze vijanden zijn?'

Gorath keek verbolgen. 'Beschuldig jij ons van verraad? Denk je soms dat we spionnen zijn?'

'Ik weet alleen dat jullie al een keer door Makala zijn gebruikt,' antwoordde Puc.

'Makala?' Owyn keek verbaasd op. 'Die Tsuranese magiër?'

'Dit was zijn plan,' verklaarde Puc. 'Ik zeg niet dat Gorath met hem meewerkt, maar hij maakt evenzeer deel uit van Makala's plan als Delekhan.'

'Wordt Delekhan ook door die Makala gebruikt?' vroeg Gorath.

'Ik geloof van wel. Toen jullie met het bericht kwamen dat Delekhan de krijgsbanier van Murmandamus op de muur van Sar-Sargoth had geplant, schrok ik. Aangezien ik Murmandamus' lijk met mijn eigen ogen heb gezien, wist ik dat hij dood was, maar ik achtte het mogelijk dat de Pantathiërs het gerucht verspreidden dat Murmandamus nog steeds leefde, als lokaas om de moredhel andermaal bijeen te brengen en Sethanon te veroveren. Met mijn vermogens heb ik aan informatie ingewonnen wat ik kon, evenals de spionnen van de prins, en samen kwamen we erachter dat er geen verband bestond tussen de Pantathiërs en Delekhan. Daarop meende ik dat Delekhan slechts een gewoon krijgsheer was die, onder het mom van de bevrijding van Murmandamus, de macht voor zichzelf wilde grijpen.'

Puc zag er zwak uit, vond Owyn. 'We hebben water en wat voedsel.' Hij bood Puc wat aan, en Puc dronk gretig, maar wuifde het voedsel weg.

'Later. Iets wat Gorath zei toen hij met mijn dochter sprak, bleef aan me knagen, en inmiddels weet ik dat het bewijs al voor me lag, als ik maar zo slim was geweest om het te zien.'

'Wat was dat dan?' vroeg Gorath.

'Je zei dat Delekhan de helm van Murmandamus had laten zien als bewijs dat hij nog leefde.'

'Ja, de drakenhelm. Zwart, met vleugels aan weerskanten van het hoofd.'

'Maar de laatste keer dat ik die helm zag, lag hij in een onderaards gewelf onder de veste van Sethanon,' zei Puc. 'Op geen enkele mij bekende wijze kon Delekhan bij die helm zijn gekomen. Iemand anders heeft hem voor hem moeten halen, en er zijn er maar vier die de macht hebben om die grot te lokaliseren en bovendien een weg naar binnen te vinden: Macros de Zwarte, ikzelf, Elgahar van de Assemblee, en Makala. Macros is al sinds het einde van de Oorlog van de Grote Scheuring niet meer gezien, Elgahar verricht uitstekende diensten voor me met de studenten op Sterrewerf, zodat er maar één overblijft.'

'Makala,' zei Owyn. 'Maar waarom doet hij dit? Ik bedoel, het verklaart een deel van het mysterie waar jonker Robert zijn hoofd over heeft gebroken, de rol die de Tsurani hierin hebben gespeeld -'

'Zo kwam ik op het idee,' zei Puc. Eindelijk wist hij op te staan, een beetje beverig. 'Als er niets tastbaars met een transactie wordt gewonnen, moet je ervan uitgaan dat er iets ontastbaars wordt uitgewisseld.'

'Informatie,' begreep Gorath.

'En dienstverlening,' voegde Puc eraan toe. 'Inmiddels weet ik zeker dat de Zes waar je het over had Tsuranese Grootheden onder Makala's leiding zijn. Dat heeft hij zelf ook toegegeven.'

'Maar waarom zet Makala Delekhan aan tot een oorlog met het Koninkrijk? Om de Oorlog van de Grote Scheuring te wreken?'

Puc was een tijdlang stil om zijn antwoord te formuleren. 'Wat ik jullie nu ga vertellen, betreft het allergrootste belang voor Midkemia, niet alleen maar voor het Koninkrijk. Tijdens de slag om Sethanon schoten er Tsuranese soldaten te hulp, en met hen twee vrienden van mij uit de Assemblee te Kelewan, Hochopepa en Shimone. Ondanks de typisch Tsuranese zwijgzaamheid is er kennelijk toch over bepaalde gebeurtenissen tijdens die slag op Kelewan gepraat.' Puc haalde diep adem, alsof het hem al zijn krachten kostte het verhaal te vertellen. 'Diep onder de stad Sethanon ligt een eeuwenoude grot.' Hij legde een hand rond een gebalde vuist om zijn woorden te illustreren. 'Maar in werkelijkheid zijn het twee grotten in één ruimte, de ene buitentijdig met de ander.'

Owyns ogen werden groot. Verplaatst in de tijd? Zoiets zou alleen door de allermachtigste magiërs kunnen worden gedaan.'

Puc knikte. 'De eerste grot, in onze tijd, is de plek waar Murmandamus is gestorven, en daar zal Makala de helm hebben gevonden die hij Delekhan heeft gegeven. Maar de andere grot, die altijd een paar seconden voor ligt op de eerste, is zijn echte bestemming. Daarin bevindt zich een voorwerp van ontzettende macht, zo gevaarlijk dat er een einde aan al het leven op de wereld Midkemia kan worden gemaakt. Een gewone sterveling zou zijn hele leven in die grot kunnen staan zonder ooit de dingen "in te halen" die er in de tijdsverschuiving zijn geplaatst. Hij zou altijd een paar seconden te laat zijn om ze te zien. En daar is deze oorlog voor bedoeld: een afleidingsmanoeuvre op immense schaal om Makala in staat te stellen tot het doen van de bezwering om de tijd zodanig te verschuiven dat hij in die grot terechtkomt.'

'Met welk nut?' vroeg Gorath. 'Waarom zou je duizenden onnodig de dood injagen om die tweede grot te bereiken als die op dezelfde plek is als de eerste? Als hij dan zo'n kunstig magiër is, waarom glipt hij dan niet gewoon stiekem die andere tijd binnen?'

'Al bijna tien jaar heb ik dat voorwerp bestudeerd, en pas nu begin ik een beetje te begrijpen wat het is en hoe het kan worden gebruikt. In de verkeerde handen kan er waarlijk onvoorstelbare schade mee worden aangericht. En omdat het zo belangrijk is dat niemand die tweede grot kan bereiken, heb ik er extra verdediging in aangebracht. Zoals ik al zei, is hij verschoven in de tijd. Dat hebben de Valheru gedaan en ik heb het zo gelaten. En,' voegde Puc eraan toe, 'verborgen in die enorme spelonk ligt een eeuwenoude en zeer bijzondere orakeldraak op wacht. Zelfs mijn krachten zouden zwaar worden belast om dit opmerkelijke wezen te verslaan, en zodra de draak zich voelt bedreigd, doet ze een oproep aan de koning, die een bijzonder garnizoen vlak bij Sethanon heeft opgericht, gelegerd in het Schemerwoud, juist voor dit geval. Een van Makala's spionnen zal die strijdmacht hebben ontdekt, en ik vermoed dat hij dat garnizoen door Delekhan wil laten aanvallen, zodat hij zich toegang tot de onderaardse grot kan verschaffen zonder dat de draak door soldaten te hulp wordt geschoten. Want ook wanneer de draak zou zijn verslagen, hebben Makala en zijn samenzweerders de handen vol om de in de tijd verplaatste grot te bereiken, dus dat kunnen ze wel vergeten wanneer ze onderwijl door Koninkrijkse troepen worden aangevallen. Ze moeten zich uren voorbereiden nadat ze hebben afgerekend met de draak.'

'De draak!' riep Owyn uit. 'Daar heb ik mee gesproken, in Malachskruis!'

'Ja,' zei Puc. 'Dat oude standbeeld staat er om contact met het orakel te maken, zodat iedereen die naar haar gaat zoeken op een dwaalspoor wordt gebracht. Terwijl je met haar sprak, bevond je geest zich in Sethanon.'

Owyn keek Gorath aan. 'Daarom zei ze dus dat jij er een beslissende rol in zou spelen.' Zijn blik ging weer naar Puc. 'En het is ook een verklaring voor Delekhans plan! Prins Arutha heeft ons gestuurd om u te zoeken omdat hij vreest dat Delekhan gebruik gaat maken van magie wanneer hij Noordwacht aanvalt. Robert denkt dat ze via Noordwacht komen en dat Delekhans leger met boten over de rivier naar Romnee gaat en vervolgens over land naar Sethanon. Kunt u hen tegenhouden?'

'In mijn huidige staat niet,' antwoordde Puc. 'Steeds meer herinneringen dienen zich weer aan, en ook mijn lichamelijke kracht herstelt zich, maar ik vrees dat het nog wel even duurt voordat mijn macht volledig is teruggekeerd. In mijn blinde haast om mijn dochter te vinden, heb ik gebruik gemaakt van een magisch werktuig dat beloofde kennis te verschaffen, maar ik had er beter met mijn vingers af kunnen blijven.'

Owyn knikte, stak een hand in zijn buidel en haalde de Beker van Rlyn Skrr te voorschijn. Hij hield hem Puc voor. 'Het wezen dat zich Dhatsavan noemde, zei dat dit voorwerp, wat u van uw vermogens heeft beroofd, ze ook terug kon geven, maar dat ik daarbij moest helpen.'

Puc stak zijn hand uit en aarzelend raakte hij de beker aan die Owyn in zijn handen hield. Owyn voelde iets tintelen in zijn vingers. Beelden, gevoelens, onbekende herinneringen, een gevoel van macht - van alles stroomde er door hem heen. 'Het is niet ongevaarlijk, Owyn,' zei Puc, 'en in de komende dagen zul je misschien merken dat de last groter is dan je had verwacht. Maar voorlopig ben ik er gigantisch mee geholpen.'

Toen gleden Puc en Owyn de duisternis in.

 

Owyn en Puc kwamen tegelijkertijd bij, als uit een diepe trance, en troffen Gorath zittend bij hen aan. 'Ik was al bang dat jullie nooit meer wakker zouden worden,' zei hij terwijl hij hen allebei overeind hielp.

'Hoe lang zijn we weggeweest?' vroeg Owyn.

'Twee dagen,' antwoordde Gorath. jullie waren in trance, en als ik water of voedsel naar jullie lippen bracht, dronken en aten jullie, maar verder zaten jullie alleen maar met die beker in je handen.'

Owyn knipperde met zijn ogen en zag allerlei beelden en ideeën door zijn hoofd tollen. Als hij zijn aandacht richtte op een voorwerp in de hut of zich concentreerde op een onderwerp, vervaagde het, maar als hij zich ontspande begonnen de gedachteflitsen weer door zijn hoofd te wervelen. Hij stond op en voelde zich duizelig.

Ook Puc stond op en pakte de kristallen staf. Hij staarde naar zijn hand en er verscheen een vlam in zijn handpalm. 'Interessant. Dat heb ik nooit gekund.'

'Dat is een trucje dat ik van een magiër heb geleerd,' zei Owyn. 'Patrus heette hij.'

'Ik schijn nu nieuwe vermogens te hebben, terwijl de dingen die me juist bekend zouden moeten zijn me steeds net ontglippen.'

'En ik heb allerlei nieuwe en vreemde beelden in mijn hoofd waar ik ook niet helemaal bij kan.'

'Mettertijd kunnen er zich dingen aan je openbaren,' zei Puc. 'Mocht je hulp nodig hebben om ze te begrijpen, kom er dan mee bij mij.'

Owyn keek naar Pucs staf. 'De mijne is zijn magische vermogen kwijtgeraakt, schijnt het.'

'Dan zullen we weer op zoek gaan naar het kristal dat de essentie van magie is: mana, zoals het ook wel wordt genoemd.'

'Ik dacht dat de staf mana was.'

'Nee. Kom maar mee, dan zal ik het laten zien.' Puc ging hen voor naar buiten en keek rond in het vreemde landschap. De meeste plan ten waren vezelig en taai, met uitgroeisels die eruit zagen als bevroren kristallen. 'Die daar,' zei hij. Te midden van andere stond een enkele plant die goud van kleur was, in plaats van blauw of paars. 'Dit is eigenlijk geen plant,' legde Puc uit. 'Raak hem maar eens aan met je staf.'

Dat deed Owyn. Even zag hij een flits, en de plant verdween. Hij voelde nu macht kloppen in zijn staf.

'Zoek tijdens het lopen naar meer gouden planten,' zei Puc. 'Dan gaan we nu mijn dochter bevrijden en daarna terug naar huis.'

'Als het niet al te laat is,' merkte Gorath op.

'Dhatsavan moet hebben geweten hoe lang het zou duren,' zei Owyn. 'Als we weg hadden gemoeten voordat we onze vermogens hadden uitgewisseld, dan zou hij ons daarvoor hebben gewaarschuwd.'

Gorath knikte. 'Laten we maar hopen dat het zo is.'

Owyn wees. 'Hij zei dat we ten noorden van hier een gebied konden vinden waar de Valheru gebruik van maakten toen ze op deze wereld streden. Daar vlakbij kunnen we uw dochter vinden. Hij zei dat de Panath-Tiandn haar als heilig beschouwen en haar geen kwaad zullen doen.'

'Dat is een zegen, als het waar is,' zei Puc, zichtbaar opgelucht. 'Laten we gaan.'

Ze haastten zich noordwaarts, en terwijl de dag verstreek, hielden ze slechts eenmaal halt om wat water te drinken en te rusten. Onderweg zag Owyn verscheidene gouden planten, die hij alle aanraakte met zijn staf, om hem op te laden met magie.

Tegen zonsondergang hoorden ze een vreemd laag geluid vanuit het noorden. Naarmate ze dichterbij kwamen, werd het geluid harder. Ze kwamen boven aan een heuvelkam en zagen zes serpentlieden in een kring, met nog eens twaalf in een rij daarachter, alle buigend in de richting van een grote hut die was beschilderd met mystieke symbolen.

'Dit wordt moeilijk,' zei Gorath, 'vooral met die twee aan weerszijden, met net zo'n staf als die van jullie.'

'Een moredhels spreukenwever, genaamd Nago, heeft mij eens onschadelijk willen maken met een bezwering,' zei Owyn. 'Ik heb er al een keer gebruik van kunnen maken.'

Puc sloot zijn ogen. 'Ik... weet welke je bedoelt. De magische ketenen die schade brengen. Ik... denk dat me die wel lukt.'

'Als we die twee kunnen uitschakelen, en dan een vuurbal smijten naar de rest, zaaien we misschien genoeg paniek om binnen naar uw dochter te gaan zoeken,' meende Owyn.

Ze bespraken een aanvalsplan, en toen Gorath het teken gaf, stonden Puc en Owyn op, hun kristallen staven stevig in de hand. Hun bezweringen schoten over de open plek en troffen de twee serpentmagiërs. Beiden werden gegrepen door krachten die hen deden verstenen, en terwijl de energie knetterde in het laatste avondlicht leden ze helse pijnen.

De andere Panath-Tiandn stonden verstijfd van schrik, zodat Puc en Owyn ruim de gelegenheid kregen om hen met vuurballen te bekogelen. Verscheidene hagedis mannen zetten het krijsend op een lopen, met hun brandende gewaden de vlammen verspreidend. Anderen keerden zich naar de plek vanwaar de aanval kwam, doch troffen Gorath.

Met zijn verblindingsbezwering hield Owyn er een tegen, terwijl Puc nog een schicht van de gemene purperen energie afschoot om een ander te doen verstijven.

Gorath hieuw de eerste Panath-Tiandn neer die bij hem kwam, en wendde zich tot de tweede, die naar hem zwaaide met een zwaard. Hij blokkeerde de slag, veranderde hem van richting en stapte achteruit, klaar voor de volgende aanval.

Twee hagedislieden draaiden zich om en vluchtten weg, en Puc en Owyn sloegen met hun kristallen staven naar de anderen. Als knots bleken ze verrassend sterk, en er vielen rake klappen zonder dat er een barst of splinter verscheen. Weldra waren alle hagedismannen dood of op de vlucht.

Puc rende naar de hut en trok het merkwaardige weefwerk voor de deur opzij. Midden in de hut verrees een standbeeld, in de vorm van een vrouw, maar oeroud en kenmerkloos.

'Waar is Gamina?' vroeg Puc hardop.

'Misschien in de oude verblijfplaats van de Valheru?' opperde Owyn, die de tent in keek.

Gorath kwam binnen. 'Het is hier al doordrongen van haar essentie.'

Puc zocht naar iets wat de weg kon wijzen naar zijn dochter. In de hoek stond een stoffige bundel, die duidelijk al heel lang niet meer was verplaatst. Gorath pakte hem op en eronder vond hij een wapenrusting, wit, met rode en gouden randen. Gorath liet hem vallen alsof hij zich brandde. Valheru!' riep hij uit.

Puc raakte het harnas aan. 'Ja, hij lijkt erg veel op de wapenrusting die Tomas draagt.'

'Is het gevaarlijk?' vroeg Owyn.

Puc streek erover met zijn hand. 'Nee,' zei hij even later, 'er huist geen geest van de Valheru in. Ik denk dat dat alleen bij Tomas' harnas het geval was.' Hij keek Gorath aan. 'Hij is echter verrassend duurzaam en bijna ondoordringbaar. Waarom neem jij hem niet?'

Heftig schudde Gorath het hoofd. 'Nee, ik hoef geen overblijfselen van onze vroegere meesters aan mijn lijf. De zucht naar dergelijke uiterlijkheden is een belangrijke reden waarom er zo veel van mijn volk het Onzalige Pad hebben bewandeld. Meer dan iets anders was deze lust de reden dat mijn volk is blijven steken in gewelddadigheid, terwijl onze eledhelse verwanten een gratie bereikten die mijn volk zich niet eens kan voorstellen.'

Het was de meest gepassioneerde uitspraak die Owyn ooit van de zwarte elf had gehoord.

Puc vond een oud ogende tekstrol en maakte hem open. 'Kijk dit eens,Owyn.'

De jonge magiër kwam achter Puc staan en las mee over zijn schouder. 'Wat is het?'

'Zeker weet ik het niet, maar volgens mij is het de bezwering waar Dhatsavan je van vertelde, waarmee de kracht van die wezens van Rlyn Skrr kan worden afgevoerd.'

Verder lezend zei Owyn: 'Ik voel me... raar.'

'Knipper met je ogen en wend je blik af,' raadde Puc hem aan. Dat deed Owyn en hij merkte dat de lethargie verdween. 'Wat was dat?'

'Het oog wordt gevangen door magie, zodat het de spreuk moet volgen tot die in je geheugen is gegrift. Laat me dit een poosje bestuderen voordat je het probeert te onthouden.'

'Daar kunnen we beter een andere plek voor zoeken,' vond Gorath. 'Die slangmannen komen straks weer terug.'

Puc rolde het perkament op en keek de hut rond. Er stonden nog meer dingen, maar Puc kreeg de tijd niet meer om ze te bekijken, want Gorath zei: 'Te laat. Daar komen ze aan.' Hij rende naar de achterkant van de hut en sneed het tentdoek open. 'Hierlangs!'

Ze haastten zich door de scheur in de achterkant van de tent en vluchtten via een zandpad de heuvels in. Daar renden ze verder tot ze aankwamen bij de ingang van een grot.

Owyn deed zijn lichtbezwering. 'Hier naar binnen!' zei hij, en ging de anderen voor de grot in, waar ze zich rond een bocht verstopten en bleven luisteren. Na geruime tijd stilte waren ze er gerust op dat de Panath-Tiandn hen niet achtervolgden. Ze lieten zich op de grond zakken.

'Wel,' zei Puc, 'als we hier toch zitten, hou dan je hand zodanig dat ik dit kan lezen.'

Owyn voldeed aan het verzoek, en lange tijd bleef Puc de tekstrol bestuderen. De minuten kropen voorbij, maar Owyn hield het licht aan, zodat Puc kon lezen.

Uit verveling ging Gorath naar de ingang van de grot, en vervolgens een stukje het pad af om te zien of de Panath-Tiandn ergens te bekennen waren. Korte tijd later kwam hij terug naar de grot, en zag dat nu zowel Owyn als Puc volkomen opging in het bestuderen van de tekstrol.

Aangezien hij toch niets beters te doen had dan wachten, besloot hij het pad te verkennen. Hij liep verder omhoog naar een kleine pas en aan de andere kant van de helling zag hij het pad veranderen. De stenen werden gladder, alsof dit eens een veel gebruikte weg was geweest. Met zijn veel betere nachtzicht dan dat van mensen liep hij moeiteloos door het duister van de door vreemde sterren verlichte nacht. Hij maakte voort, aangezien hij de nawerking voelde van een eeuwenoude magie.

Hij beklom een volgende helling en keek omlaag langs een lang pad naar een reusachtige grot. In de rotswand waren twee enorme draken uitgehouwen. Hij bleef staan, aarzelend of hij terug zou ke ren om zijn metgezellen te halen, of alleen verder gaan. Na een ogenblik van tweestrijd draafde hij het pad af en betrad de donkere spelonk.

 

Robert stond te hijgen, zijn armen en borst nat van het bloed. Zes keer hadden de gnomen en moredhel met stormladders gedreigd de muren te beklimmen, en drie van die keren had hij persoonlijk de aanval moeten afslaan.

Bijna doodop kwam Joolstein naar hem toe. 'Het ziet er niet naar uit dat ze zich terugtrekken voor de nacht! Ze blijven maar komen!'

'Hoe is de situatie?'

'Die eerste toren, die we met de blijden hebben tegengehouden, is opgeruimd, en nu komen ze met twee nieuwe. Van de zes belegeringstorens die in het noorden zijn gebouwd, zijn er drie vernield met de blijden langs de noordmuur. Helaas hebben we daar alle grote keien voor nodig gehad. De drie andere zijn langs de bocht in de weg gekomen en naar de westpoort geduwd. De eerste is verwoest door de twee grote katapulten op het poortgebouw:'

'Hoe staat het met die katapulten?'

'Die hebben we nog niet kunnen repareren. Een moet er eerst helemaal uit elkaar worden gehaald, en de andere vergt meer tijd dan we hebben. Ik dacht erover om de torens dichterbij te laten komen en ze dan met brandende pijlen te bestoken, zodat ze in de fik staan voordat ze bij de muren komen.'

Robert keek bedenkelijk. 'Daar hebben ze beslist iets tegen-'

'Hé!' riep Patrus, die aan kwam denderen. 'We hebben een probleempje.'

Robert schudde zijn hoofd om het helder te krijgen. 'Wat dan?' 'Zie je die verrekt grote torens die deze kant op worden gereden?' Zonder gevoel voor humor hield Robert een van het bloed druipende hand omhoog. 'Ik heb het druk gehad.'

'O,' reageerde de oude magiër. 'Goed dan. Er worden drie verrekt grote torens onze kant op gereden.'

'We stonden net te bespreken hoe we die in brand konden steken,' verduidelijkte Joolstein.

'Ik zei net dat ik me niet kon voorstellen dat Delekhans legerleiders daar geen voorzorgsmaatregelen voor hebben getroffen.'

'Geen idee,' zei Patrus. 'Maar waarom zoeken we dat niet even uit?' Hij liep langs hen heen en legde zijn staf dwars over de muur. Precies op dat moment sloeg er een stormladder tegen de stenen. Twee uitgeputte soldaten duwden hem met gevorkte stelen weg en van beneden klonk de schrille kreet van de gnoom die er afviel. Patrus sloeg geen acht op een salvo stenen van slingeraars beneden, dat rondom hem tegen de muur sloeg.

'Maar goed dat ze hun pogingen zo slecht coördineren,' merkte Joolstein op. 'Als onze jongens daarnet hadden moeten bukken voor die stenen, zouden die gnomen over de muur zijn geweest.'

'Wees dankbaar voor de kleine dingen,' zei Robert.

Patrus richtte zijn staf op de dichtstbijzijnde van de twee torens, en sprak een korte zin. Er schoot een vuurstraal uit zijn staf.

'Dat vuurboltrucje dat hij toen ook in de pas deed!' riep Joolstein uit.

Robert keek om en zag een derde en vierde vuurbol tegen het bouwwerk slaan, en hij hoorde de moredhel en gnomen erin schreeuwen. Twee treffers hadden brand veroorzaakt.

Patrus mikte op de tweede toren, miste met zijn eerste stoot, corrigeerde, en raakte hem driemaal. Op elke toren wist hij nog eens zes vuurbollen af te schieten, en al gauw stonden ze allebei in lichterlaaie. De uitgeputte verdedigers op de muren begonnen te juichen en in de verte klonk een trompet.

Robert zeeg neer op de borstwering. 'Ze blazen de aftocht,' zuchtte hij, helemaal leeg van uitputting. 'We hebben het gehouden.' Joolstein liet zich naast hem op de stenen zakken. Aan de andere kant van de kantelen hoorden ze de aanvallers zich terugtrekken, onder luid gejuich van de verdedigers. 'Wat een dag.'

Patrus knielde bij hen neer. 'Dat was een mooi pak slaag, zeg.' Met levendige blik keek de oude magiër hen aan. 'Niet al te gemakzuchtig, jongens. Er is nog een hoop werk te doen voor morgenochtend.'

'Wat is er dan morgenochtend?' vroeg Robert half versuft.

Zo opgewekt dat Robert de oude man het liefste wilde wurgen, antwoordde Patrus: 'Nou, wanneer ze weer aanvallen.'

Zwijgend hees Robert zich overeind. De oude man had gelijk. Hij stak zijn hand uit naar Joolstein, die zich eraan optrok, met een gekreun als van een man van viermaal zijn leeftijd.

Nog steeds zwijgend gingen ze de veste in, voor de voorbereidingen op de volgende aanval, terwijl de twee belegeringstorens achter hen brandden als fakkels in de nacht.

 

Knipperend met hun ogen keerden Puc en Owyn terug in het hier en nu. 'Wat...?' vroeg Owyn.

'Jullie hebben bijna een hele dag zitten studeren op die tekstrol,' zei Gorath.

'Het is een hele oude bezwering,' legde Puc uit. 'Erg krachtig, en hij staat nu in mijn geheugen gegrift.'

'En in het mijne,' voegde Owyn eraan toe. Hij rechtte zijn rug, nadat hij al die tijd over Puc heen gebogen had gestaan. 'Hij is bedoeld om de energie af te voeren van die wezens waar Dhatsavan het over had, die elementalen van Rlyn Skrr.'

Puc stond op. 'Hoe lang?'

'Het is bijna weer ochtend.' Gorath wees naar de uitgang van de grot. 'Ik ben op verkenning uit geweest.'

'Wat heb je ontdekt?' vroeg Puc.

'Dat Valheru-oord waar je het over had. Ik vermoed dat je dochter daar is. Het is daar net een tempel.'

Zonder nog een moment te wachten, rende Puc de grot uit. 'Waar?'

Gorath liep achter hem aan en nam de leiding om Puc de weg te wijzen naar de grot met de stenen draken aan weerszijden van de ingang. 'Een klein stukje naar binnen loopt een trap omlaag naar een enorme zaal. Van binnen klonken geluiden als van de wind, en ik voelde een oude angst die ik niet kan benoemen. Ik achtte het beter op jullie te wachten voordat ik me verder waagde.'

'Verstandig,' vond Puc. 'Erg verstandig.'

Ze kwamen aan bij de grot en gedrieën liepen ze naar binnen door een stenen tunnel naar de trap waarover Gorath had gesproken. Onder aan de trap betraden ze de reusachtige zaal. Er was genoeg plaats voor een heel leger aanbidders, maar momenteel was de grot leeg. Aan de andere kant zagen ze twee stenen deuren. Zoals Gorath al had gezegd, scheen er een kwalijk riekende wind door de zaal te waaien, die hen allen met vrees vervulde.

Bij de deuren aangekomen, legde Gorath zijn hand op een ervan en duwde. Het immense gewicht van de stenen deur was met uiterste precisie gecompenseerd, zodat hij langzaam maar moeiteloos openzwaaide. Zodra de opening groot genoeg was, liet Gorath los en glipte naar binnen, gevolgd door Owyn en Puc. In de zaal erachter stond een fonkelend blauw kristal op een verhoging midden op de vloer, beschenen door een enkele lichtbundel van boven. Midden in het kristal hing de gedaante van een meisje. Haar bleekblonde haren zweefden als een witte stralenkrans rond haar hoofd.

'Gamina!' schreeuwde Puc.

Vanuit de duisternis aan weerszijden van het juweel verschenen twee gedaanten, tien voet hoog, met de kleur van een grijze lijkwade. Hun ogen brandden als blauw ijs. Hun schimmige gelaatstrekken veranderden telkens, maar hun bouw was buitengewoon krachtig, met hun grote vleugels uitgespreid.

Gorath aarzelde, maar Puc riep: 'Owyn, de bezwering!'

Beide magiërs sloten hun ogen, en even bleef Gorath onzeker staan. Toen sloeg hij met zijn zwaard naar het wezen dat op Puc af ging. Het zwaard ging dwars door het wezen heen, alsof het uit lucht bestond. De enige tekenen van contact waren een lichte vertraging in de vaart van de kling en een verlammende kou die door zijn arm omhoog schoot. Met een klap als van een orkaan haalde het monster uit, en Gorath vloog door de grot.

Uit de handen van de beide magiërs schoten vonken in alle kleuren van de regenboog, van elk van hen naar een van de twee monsters, die terstond verstijfden, alsof ze zich niet meer konden verroeren. De kleuren golfden door hun lijven en schoten weg door de vloer, als duizenden kleine vonkjes kleur, het ene na het andere. Ieder helder vonkje scheen iets van het wezen met zich mee te voeren, en voor de ogen van de twee magiërs begonnen de twee elementale wezens te vervagen, tot er tenslotte slechts nog een holle echo van de wind in de zaal over was.

Gorath stond op en schudde de uitwerkingen van de klap van zich af.

'Gamina!' riep Puc nogmaals. Hij rende naar het kristal en zag dat zijn dochter was geconserveerd als een levende beeltenis van de godin der Panath-Tiandn. Hij raakte het kristal aan en voelde energie door zijn vingers stromen. Daarop sloot hij zijn ogen, volgde de energiepatronen met zijn geest, en zei uiteindelijk: 'Gorath! Hier slaan!' Hij wees op een facet onder de voeten van het meisje.

Zonder aarzelen hief Gorath zijn zwaard, en met al zijn kracht sloeg hij precies op de plek die Puc had aangeduid. Het kristal spatte in honderdduizenden kleine stukjes, over hen heen klaterend alsof er een miljoen kleine diamanten uit een vat over hen werd uitgestort. Zonder acht op de vallende kristallen te slaan, sprong Puc naar voren om zijn vallende dochter op te vangen. Ze scheen in trance, maar ze leefde.

'De goden zij geprezen!' zei de magiër. Terwijl de tranen hem over de wangen liepen, drukte hij zijn dochter aan zijn borst, en wiegde haar alsof ze nog steeds het kleine meisje was dat jaren geleden bij zijn gezin was komen wonen. Het kind dat niet kon spreken, maar haar geest kon gebruiken als een wapen, was hem even dierbaar geworden als was zij zijn bloedeigen dochter, en in zijn hart was ze dat ook evenzeer als Wiliam zijn zoon was.

Voorzichtig bracht hij haar kin omhoog en fluisterde haar naam. Haar oogleden trilden, en ze bewoog. Papa? 

Goraths ogen werden groot. Hij keek naar Owyn, die knikte. 'Ik hoorde het ook.'

Ze deed haar ogen open en sloeg haar armen rond haar vaders hals. 'Papa!' Ze drukte hem stevig tegen zich aan, en hij hield haar vast alsof hij haar nooit meer zou loslaten. 'Hij loog, papa. Makala heeft al die tijd gelogen. Hij heeft me beetgenomen. Hij gaf me iets waarvan ik ging slapen, en toen werd ik hier wakker. Hij zei dat hij me geen kwaad wilde doen, maar dat hij jou uit Krondor wilde weglokken!'

'Ik weet het, lieverd,' zei Puc zacht. 'Het geeft niet. We gaan nu naar huis.'

'Hoe dan?' vroeg Gorath.

'Volgens Dhatsavan moet er hier ergens een poort zijn,' zei Owyn. 'Ik vermoed dat hij daarmee een scheuring of zoiets bedoelde.'

Puc keek de zaal rond. 'Ik zie hier niets.' Hij keek zijn dochter weer aan. 'Hoe voel je je?'

Ze ging staan. 'Eigenlijk wel goed,' stelde ze hem gerust.

Owyn staarde naar het meisje, amper een tiener, maar het trof hem wat voor een mooie vrouw ze op een dag zou worden. Ze betrapte hem en glimlachte, waarop hij blozend zijn ogen neersloeg.

Ook Puc glimlachte. 'Je herinnert je Owyn en Gorath vast nog wel uit Krondor.'

'Ja,' zei ze, verlegen glimlachend. 'Bedankt dat jullie mijn vader hebben geholpen met zoeken.'

'De eer is aan ons,' zei Gorath.

Owyn knikte slechts, glimlachend.

Ze liepen de grot door en vonden aan de andere kant nog een gang. Voor hen doemde een deur op, en Gorath deed hem open. Aan de andere kant lag een zaal waarin een immens houten toestel stond.

Puc wierp er één blik op en wist meteen: 'Het is een scheuringsmachine!'

'Weet u dat zeker?' vroeg Owyn.

'Ik heb op Kelewan meer onderzoek naar scheuringen gedaan dan alle andere Zwarte Gewaden bij elkaar,' antwoordde Puc. 'Maar al had ik dat niet, dan nog zou ik dat toestel hebben herkend. Hij is van Tsuranese makelij.'

'Kunnen we hem gebruiken?' vroeg Owyn.

Puc liep ernaar toe, bekeek hem lange tijd, en zei tenslotte: 'Hij is gedeactiveerd.'

'Gedeactiveerd?' vroeg Owyn.

Puc trok een grimas. 'Afgezet. Hij doet het niet meer.'

'Je bedoelt dat we hier vast zitten?' vroeg Gorath.

Puc ging zitten. 'Als ik niet iets kan verzinnen om hem weer aan de praat te krijgen, ja, dan zitten we vast op deze verdorde wereld, zonder een weg naar huis.'

Gamina sloeg haar armen rond haar vaders hals, en Gorath en Owyn gingen allebei zitten op de vloer, bij gebrek aan iets beters.