19 Krachtmeting
Puc beduidde de anderen achteruit te gaan.
Hij stapelde de materiële mana op en pakte zijn kristallen staf en die van Owyn. 'Als ik het goed heb begrepen, is deze poort opgehouden te bestaan toen de verbinding aan de andere kant werd verbroken, want dat moet de plek zijn waar de macht vandaan kwam.'
'Maar waar is de andere kant?' vroeg Owyn.
'Ergens in het paleis te Krondor, of daar in de buurt. Ze kunnen Gamina eerst buiten bewustzijn hebben gebracht en naar een andere plek hebben gebracht alvorens haar naar deze wereld te transporteren, maar dat denk ik niet, want de truc die Makala uithaalde met die tijdelijke doorgang vanuit mijn werkkamer kon alleen maar slagen als de oorspronkelijke poort vlakbij was.'
'Waarom?' vroeg Owyn.
'Als we tijd hebben, zal ik je de theorie uitleggen die erachter zit, maar neem voorlopig maar van me aan dat het apparaat dat Makala me gaf de macht niet bezat om mij van de ene wereld naar de andere te verplaatsen. Dat ding heeft me simpelweg gestuurd naar een scheuring die er in de buurt al was.'
Dat scheen Owyn te begrijpen. 'Bent u er eigenlijk al achter waarom Dhatsavan en de andere goden van deze wereld de mana hebben laten kristalliseren?'
Puc schudde zijn hoofd, stond op en liep achteruit bij de machine vandaan. 'Ik denk dat het een laatste redmiddel was. Als ze het in het heetst van de strijd hebben gedaan, meenden de Valheru wellicht dat de wereld was verwoest, zodat ze verder trokken. Of misschien voelden ze dat alle magie verdween, en waren ze bang hier te stranden.
We zullen het nooit precies weten. En ik heb weinig zin om naar die zuilen te gaan en het te vragen.'
'Hoe stemmen we dit ding af, zonder een machtsbron?' vroeg Owyn.
Puc hield de Beker van Rlyn Skrr omhoog. 'Hiermee gaan we de macht kanaliseren. Dhatsavan heeft je gezegd dat het een sleutel was, waarmee je naar andere werelden kon.'
'Natuurlijk,' zei Owyn.
Puc wees naar zijn hoofd. 'Hier heb ik de kennis. En daarvoor heb ik jouw hulp nodig.'
Owyn knipperde met zijn ogen. 'Hoezo?'
'Ik moet jullie allemaal waarschuwen,' zei Puc. 'Wat we nu gaan doen, kan ook mislukken, en zelfs leiden tot onze vernietiging.' Hij keek naar zijn dochter en Gorath. 'Ik wou dat ik jullie het risico kon besparen, maar mijn ervaring met scheuringen heeft me geleerd dat we maar een paar tellen hebben om door deze poort te gaan.'
'Zeg maar wat we moeten doen, vader,' zei Gamina.
'Nadat ik Owyn zijn rol heb uitgelegd, tel ik hardop tot drie, en als ik drie zeg, proberen we de scheuring opnieuw te activeren. Als het lukt, verschijnt er tussen die twee palen een glinsterend zilveren licht, dat daarna matgrijs wordt. Zodra je het zilver ziet veranderen in grijs, spring je zo snel mogelijk tussen de palen door. Het scheelt misschien als Gorath en jij elkaar bij de hand pakken. Owyn en ik komen vlak achter jullie aan.'
Hij liet hun zien waar ze moesten staan, en wendde zich toen tot Owyn. 'Dit is misschien het moeilijkste wat je ooit is gevraagd te doen. Je hebt zowel de energie als de kennis, al beschik je over het laatste nog maar sinds kort.'
'Ik begrijp u niet,' zei Owyn.
Puc knikte. 'Mijn macht is nog steeds verzwakt, vanwege mijn misbruik van de beker. Mijn geheugen is terug, maar het kan nog even duren - enkele dagen, wellicht - voordat ik mijn krachten ook maar gedeeltelijk terugvind. Maar jij hebt de krachten die je met je mee hebt gebracht, evenals de kennis die je van mij kreeg toen we gebruik maakten van de beker.'
'Maar ik heb helemaal geen verstand van scheuringen,' protesteerdeOwyn.
'Doe je ogen dicht en denk niet na over wat je moet doen. Ontspan je gewoon en laat het tot je komen.'
Owyn keek bedenkelijk, maar hij sloot zijn ogen.
Puc wachtte nog even. 'Je doet nog te veel je best. Denk aan iets anders.'
'Aan wat dan?'
'Iets saais, misschien een boek dat je moest lezen, maar wat je geen bal interesseerde, of anders een van Elgahars lezingen op Sterrewerf.'
Owyn moest lachen en ineens schoot hem iets door het hoofd. 'Ik... wacht, iets... ' Hij deed zijn ogen open. 'Ik lachte, en ineens, heel even, wist ik iets over scheuringen.'
'Sluit je ogen en denk aan iets anders,' zei Puc.
Owyn haalde diep adem en deed zijn ogen weer dicht. Hij liet zijn gedachten dwalen, en de herinneringen dienden zich aan. Zijn oudere broers, die hem pestten toen hij zat te lezen in een van de weinige boeken die zijn vader bezat; een meisje in de stad dat hij wel leuk vond, maar nooit had aangesproken, ook al zou ze waarschijnlijk gevleid zijn geweest met de aandacht van de zoon van een baron. Toen dacht hij ineens aan zijn ontmoeting met Patrus, de allerminst eerbiedige houding van die schurk ten opzichte van zijn vader, en de grote wijsheid die schuilging achter dat ruige plattelandsuiterlijk. Hij zag de oude man voor zijn geestesoog, en kon hem zelfs horen praten over de bezweringen die hij de jongen kon leren.
'Ik zeg je, jongen,' sprak Patrus, 'dat trucje om vuur uit je vingers te laten komen is niets. Je hoeft alleen maar te willen dat de lucht rond je vinger heet wordt, en als je die heet genoeg krijgt, verschijnt er vanzelf een vlammetje.' Owyn herinnerde zich dat hij het urenlang had geoefend, tot het hem plotseling was gelukt.
Toen sprak Patrus weer in Owyns geheugen: 'De structuur van een scheuring kan je het beste begrijpen als je aan de gewone referenties aan driedimensionale locaties voorbij gaat. Het idee om eerst "hier" en dan "daar" te zijn is eerder een belemmering dan een hulpmiddel. Als je een scheuring ziet als een "poort" tussen twee plekken die zich gewoon naast elkaar bevinden, en als je...' Patrus' stem dreunde verder in Owyns hoofd, maar de les die Owyn hoorde was overduidelijk.
Ineens deed hij zijn ogen open. 'Ik weet wat ik moet doen!'
'Mooi,' zei Puc. 'Macros is een keer mijn gids geweest, toen ik mijn macht aanwendde om een scheuring binnen te gaan en te vernietigen, en nu zal ik jouw gids zijn. Gamina?'
'Ja, vader?'
'Als je Owyn met mij in verbinding wilt brengen, en dan klaar gaat staan om te springen, alsjeblieft?'
Ze pakte Goraths hand. 'Zijn jullie zover?'
Puc knikte en plots voelde Owyn dat zijn denken via Gamina aan dat van Puc werd gekoppeld. Puc hield de Beker van Rlyn Skrr in de ene hand, en de kristallen staf in de andere. Hij plaatste de staf stevig op de grond en vroeg: 'Klaar?'
Owyn stak zijn staf in de stapel mana. 'Klaar!'
'Eén, twee, drie!'
Owyn nam de energie van de staf in zijn hand, en liet die door de staf heen omlaag vloeien naar de stapel mana die vlak voor de scheuringsmachine lag. Vervolgens stuurde hij alles terug, via de staf, door hem heen, naar Puc, en naar de beker die hij in zijn hand hield. Er schoot een oogverblindende energieflits uit de beker, die de ruimte tussen de twee palen opvulde.
Het was alsof je je hand uitstak en een gordijn opzij schoof, bedacht Owyn. Hij wist zelfs waar hij de scheuring wilde laten ontstaan. Hij deed zijn ogen open, en zag een glinsterend zilveren muur tussen de palen grijs worden. Meteen namen Gamina en Gorath een sprong, en ze verdwenen erdoorheen. 'Nu!' schreeuwde Puc, en Owyn, met Pucs hand nog steeds in de zijne, sprong zijn metgezellen achterna.
Gedurende een moment van gewaarloosheid voelde hij zich door een grijze leegte glijden, en toen raakten hun voeten een stenen vloer, en moesten ze oppassen om niet over Gorath en Gamina te struikelen. Het was donker in de kamer, waar een flauw licht door het raam naar binnen viel.
'Waar zijn we?' vroeg Gorath.
Puc begon te lachen. 'In mijn studeerkamer, in Krondor.'
Gamina sprong overeind en klapte verrukt in haar handen. Nog voordat ze iets kon zeggen, vloog de deur open en rende Katala naar binnen, gekleed in haar nachtjapon. Ze drukte haar dochter aan haar hart en sloeg een arm om haar man. 'Ik wist dat je haar zou vinden,' zei ze.
Puc genoot even van de aanwezigheid van zijn vrouwen kind, en zei: 'Makala heeft heel wat op zijn geweten.'
'De Tsuranu?' zei Katala. 'Zat hij achter jullie verdwijning?'
'Dat is een heel verhaal, mijn lief. Gamina zal het je allemaal vertellen, als jullie allebei veilig op Sterrewerf zijn.'
Katala keek haar man aan. 'Waar ga jij dan heen?'
Pucs blik ging naar Gorath en Owyn. 'Wij moeten naar Sethanon.'
Patrus keek naar Robert. 'Maak jij je maar zorgen over jezelf, jongen,' riep de oude magiër. 'Ik kan wel op mezelf passen.'
Daar moest Robert het mee eens zijn. Arutha's genezingspriester had een herstellingsmiddel gebrouwd, en hoe moe ze ook waren wanneer ze zich te slapen legden, door de thee van magische kruiden werden ze de volgende ochtend weer volledig uitgerust wakker.
Ze hadden gereden als gekken, de paarden afgejakkerd, en tot viermaal per dag van rijdier gewisseld door onderweg paarden te vorderen. Nadat ze baron Hoogstein hadden gewaarschuwd, hadden ze zich de luxe van één nacht slapen in een bed veroorloofd, om de volgende dag te vertrekken met een nieuw gevolg en wisselpaarden, terwijl de uitgeputte soldaten die niet zo gelukkig waren om het magische middel te kunnen gebruiken met Hoogsteins garnizoen in geforceerde mars naar het Schemerwoud zouden volgen.
Toen ze boven op een heuvel in de weg kwamen, zagen ze in de verte tenten en banieren. Bij de noordelijke rand van het Schemerwoud minderden ze vaart toen ze door Koninkrijkse schildwachten werden aangehouden. Ze hielden halt voor een sergeant van het Koninklijk Krondoriaans Garnizoen, die de beide jonkers herkende.
'Waar is de Ridder-Maarschalk?' vroeg Robert.
'Bij de hertog in de bevelvoerders tent, heer.'
'Welke hertog?'
'De Hertog van Schreiborg, jonker,' antwoordde de sergeant.
'Martin is hier?' zei Robert. 'Mooi.' Hij beduidde de anderen hem te volgen en reed naar het grote paviljoen dat uitstak boven de andere tenten in het kamp. Daar aangekomen, steeg Robert af en gaf de teugels van zijn paard aan een bediende. De anderen volgden hem op de hielen, al zag Patrus eruit alsof de lange rit hem eindelijk parten ging spelen.
Bij de ingang van het paviljoen zei Robert: 'Zeg de Ridder-Maarschalk dat de jonkers Robert en Joolstein er zijn.'
De wachter verdween naar binnen, en wenkte hen een ogenblik later. In de bevelvoerders tent troffen Robert en zijn metgezellen Ridder-Maarschalk Gardaan, gebogen over een op tafel uitgespreide landkaart. Hij keek op, en zijn donkere, gerimpelde gezicht spleet in een grijns die de tent scheen te verlichten. Niettemin stonden zijn ogen bezorgd. 'Ik hoop dat jullie komst betekent dat Arutha ook snel volgt.'
'Hij is onderweg,' zei Robert, 'en Hoogstein ook, en over een kleine week kunnen ze hier zijn.'
'Een week!' riep Gardaan uit.
'We hebben diverse paarden afgereden om hier te komen,' verklaarde Joolstein.
'U moet meteen naar het Sethanese garnizoen,' zei Robert. Hij keek rond. 'Ik had gehoord dat Martin er was.'
'Dat klopt,' zei Gardaan, 'maar hij is met zijn spoorzoekers al de bossen in gegaan.'
'Hoe komt hij hier terecht?' vroeg Joolstein.
'Tomas heeft bericht naar Schreiborg gestuurd, waarin hij suggereerde dat het een goed idee zou zijn als er hier in de bossen wat mensen met bijzondere talenten zouden verschijnen.' Hij wees in zuidelijke richting. 'Martin en zijn spoorzoekers zijn met een compagnie elfen daar ergens door de bossen aan het sluipen, op zoek naar Onzalige Broeders.'
'Dus Delekhan is al onderweg?' vroeg Robert.
'Hij is al hier,' antwoordde Gardaan en hij tikte met zijn vinger op de kaart, bij de v van de twee rivieren die door het Schemerwoud stroomden. 'Twee dagen geleden zat hij ineens achter ons. Ik weet niet hoe hij het heeft gedaan, maar zonder dat we hem aan zagen komen dook hij achter ons op.'
'We vermoeden dat hij een scheuringsmachine gebruikt,' legde Robert uit.
Gardaan vloekte. 'Als we iets van de Oorlog van de Grote Scheuring hebben geleerd, dan is het wel dat ze er net zo snel soldaten doorheen kunnen sturen als ze kunnen marcheren.'
'Maar een grote kan het niet zijn,' zei Patrus.
'Wie is dat?' vroeg Gardaan.
'Patrus is mijn naam,' antwoordde de oude magiër. 'Als het een grote was, dan zou hij nu allang op mars zijn gegaan.' Hij wees op een plek ten zuidwesten van de plaats die Gardaan had aangeduid. 'Is er daar ergens een voorde of een brug?'
'Dat zijn we aan het uitzoeken,' antwoordde de Ridder-Maarschalk.
'Kom op, jongens,' zei Patrus.
'Wacht!' riep Robert. 'Waar gaan we heen?'
'Als die puntorige duivel er al is, dan is hij zich aan het voorbereiden om op weg te gaan. Als hij er nog niet is, en wij kunnen die rotmachine afsluiten voordat hij erdoor komt, rennen zijn jongens naar het noorden alsof hun staarten in de fik staan, als ze die tenminste zouden hebben.' Hij grijnsde. 'Die zwarte elfen zijn nu eenmaal niet graag ver van huis.'
Gardaan keek Robert aan. 'Wie is dat?'
'Dat is een lang verhaal,' zei Robert. 'Dat vertel ik nog wel als dit voorbij is. Maar het is de enige magiër die we hebben, en zolang Puc nog niet opduikt, moeten we het ermee doen.'
'Het ermee doen?' blafte Patrus. 'Eigenlijk zou ik naar huis moeten gaan en het jullie allemaal mooi zelf laten uitzoeken.'
'Neem me niet kwalijk,' zei Robert. 'Het is de vermoeidheid.'
'Geeft niet, Robbie. Breng jij me nou maar naar die pokkenmachine, dan maak ik hem wel dicht.'
Joolstein keek sceptisch. 'Ik had de indruk dat het een bijzondere soort van magie was, scheuringen bedoel ik.'
'Om te maken, ja,' zei Patrus. 'Het bee* dat ik over scheuringen heb gehoord is niet zo best. In de meeste gevallen verschijnen ze omdat een magiër iets fout heeft gedaan.' Hij knipoogde. 'Maar magie in de war schoppen, da's een eitje.'
'Ik hoop het,' zei Robert, 'want als het ons lukt om Delekhans leger grotendeels af te snijden voordat ze er zijn, kunnen we het deksel misschien nog op deze kokende ketel houden tot Arutha met de rest van het leger komt.'
Gardaan maakte een zwaaibeweging met zijn hand. 'We hebben een erg veranderlijk front. Ze hebben zich hier, hier en hier al verschanst.' Hij wees naar drie verschillende plekken langs een rivier. 'Heer Martin is hierheen gegaan.' Zijn vinger ging naar een pas tussen de twee dichtstbijzijnde punten. 'Hij dacht dat hij daar misschien langs de zwarte elfen kon glippen.'
Robert schudde zijn hoofd. 'Als er een mens bestaat die langs zwarte elfen door de bossen kan glippen, dan is dat Martin Langboog, maar zelfs van hem kan ik het me nauwelijks voorstellen.' Gardaan glimlachte. 'We helpen hem met wat afleidingsmanoeuvres.'
Robert grijnsde terug. 'Wel, als het er daar dan toch zo levendig aan toe gaat, kunnen we er net zo goed achteraan.'
'Krijgen we dan nooit een keertje rust?' jammerde Joolstein.
Met een blik vol minachting keek Patrus de jongeman aan. 'Als je dood bent, jongen, dan krijg je alle rust die je maar hebben wilt. Kom op nou, dan gaan we erachteraan.'
Joolstein knikte berustend.
'We hebben de meeste kans wanneer we zo min mogelijk meenemen,' zei Robert. 'Zijn er nog verkenners in het kamp?'
Gardaan schudde zijn hoofd. 'Nee, die zitten allemaal met Martin en de elfen langs die rivier. Maar als je geluk hebt, loop je hen tegen het lijf voordat je troepen van Delekhan tegenkomt.'
'Nou,' zei Robert, 'we hebben nog een halve dag licht te gaan, dus laten we maar meteen vertrekken.'
'Hoe zitten jullie in je proviand?' vroeg de Ridder-Maarschalk.
'We hebben nog voor een week te eten,' antwoordde Joolstein. 'Bij de laatste wisseling van paarden hebben we nog wat ingeslagen,'
'Goed. Het huidige wachtwoord is: Adelaar van Krondor. Dat zullen jullie nodig hebben, aangezien er hier in de buurt ook nog vogelvrije mensen uit Queg rondlopen.'
'Toen ik Gorath in Krondor had afgeleverd, hoopte ik nooit meer zo'n vervloekte Quegse huurling te zien,' mopperde Joolstein.
'Je hebt mijn permissie om er zo veel te doden als je lief is, jonker, als je ze tegenkomt. En nu ophoepelen.'
Lachend nam Robert de andere twee mee de tent uit. Wijzend naar hun paarden, vroeg hij een wachter: 'Zijn er ergens verse wisseldieren?'
'Die kant uit, jonker; antwoordde de soldaat. 'Kapitein Philip heeft de leiding over de cavalerie van de maarschalk. Hij kan u aan verse paarden helpen.'
Ze namen hun paarden mee naar de cavaleriepost. 'Hiep, hiep, hoera!' zei Patrus. 'Weer een nieuw paard!'
'Gaat u soms liever lopen?' vroeg Joolstein.
'Op dit moment, jongen, niets liever dan dat,' was zijn antwoord, gevolgd door het hem kenmerkende gemene lachje.
Robert schudde zijn hoofd. Hij vond de ongemanierde oude ma giër best sympathiek, maar hoe langer hij met hem omging, hoe moeilijker het werd zijn neiging om hem te wurgen te bedwingen.
Robert gebaarde de anderen verder toen ze de overblijfselen van een recente schermutseling in zicht kregen. Op een open plek lagen drie vogelvrije mensen en een moredhel, en uit het aantal pijlen in de lijken leidde Robert af dat ze in een hinderlaag waren gelopen. Alleen elfen waren in staat een moredhelse verkenner in de val te lokken, dus hopelijk waren hertog Martin en zijn metgezellen in de buurt.
'Denk je dat de elfen zich ons nog kunnen herinneren van ons laatste bezoek aan Elvandar, of zouden ze ons aanzien voor Quegse vogelvrij en en meteen beginnen te schieten?' vroeg Joolstein.
'Waarom vraag je het hun niet?' antwoordde een stem van achter een boom rechts van hem, nog voordat Robert antwoord kon geven.
Joolstein en Robert hielden hun paarden in en er stapte een rijzige man te voorschijn, gekleed in bruin en groen leer.
'Martin!' riep Robert uit. 'Het doet me deugd je te zien, excellentie.'
Martin, Hertog van Schreiborg, vroeger bekend als Langboog, leunde op het wapen dat hem zijn naam had gegeven. 'Blij jullie te zien, Robert, Joolstein. Wie is jullie vriend?'
Patrus keek rond naar de elfen, die schijnbaar uit het niets te voorschijn kwamen. 'Patrus is mijn naam.'
'Hij is magiër,' verduidelijkte Joolstein, 'en hij komt ons helpen om de scheuringsmachine af te sluiten.'
'Dit is heer Martin, Hertog van Schreiborg,' zei Robert.
Patrus knikte. 'Beetje rare kleren voor een hertog, als je het mij vraagt.'
Op Martins gezicht verscheen een halve glimlach die het evenbeeld was van die van zijn broer Arutha. 'Hofkledij is niet bepaald handig wanneer je door de bossen rent, heb ik gemerkt.'
'Wel, dat is zo,' gaf de oude man toe, krabbend in zijn hals. 'We zijn op zoek naar die machine. Hebt u enig idee waar die is?'
'Ik weet precies waar die is,' antwoordde Martin. 'Er is vanochtend een grote groep moredhel naar het zuiden vertrokken. Wij zijn achter hun gelederen geglipt en langs de rivier teruggekomen. De machine zelf heb ik niet gezien, maar wel genoeg bewakers op een kleine open plek om er vrij zeker van te zijn waar hij staat. Trouwens, er hangt daar een merkwaardig sfeertje in de lucht, dat me doet denken aan die Tsuranese machine in de Grijze Torens, tijdens de oorlog. Ik stuur bericht naar Gardaan, zodat hij met de troepen kan komen als Arutha er is.'
'Te laat,' zei Robert. 'Patrus is van mening-'
'Patrus heeft niemand nodig om zijn mening te laten verkondigen, jongen,' blafte de oude man. 'Hertog, die puntorige smiecht heeft waarschijnlijk nog maar een paar compagnieën mee over weten te krijgen, want anders was hij hier de bossen al aan het uitkammen naar Koninkrijkse troepen. Hij is vrijwel zeker onderweg naar Sethanon, waar hij volgens deze jongens naar toe wil, dus u ziet waarschijnlijk niets anders dan de achterhoede. Maar als die machine open blijft tot de prins er is, wel, wie weet tegenover hoeveel gnomen en trollen en andere bloedzuigers jullie dan komen te staan, voordat jullie je een weg naar Sethanon kunnen vechten.'
Martin maakte zich te bezorgd om wat de woorden van de oude magiër betekenden om zich te storen aan diens gebrek aan protocol. 'Wat is uw voorstel?'
'Breng ons zo dicht mogelijk bij dat verrekte apparaat, en zorg voor een afleidingsmanoeuvre om er zo veel mogelijk weg te lokken, bijvoorbeeld met een zogenaamd grootscheeps offensief, waarna u zich langzaam terugtrekt. Als wij er dan langs kunnen, maak ik die machine wel onklaar.'
Martin wierp een blik op Robert, die zijn schouders ophaalde. 'Goed dan,' zei Martin. 'Kom maar mee, maar jullie zullen te voet moeten gaan.'
De drie ruiters stegen af, en een van de elfen nam de paarden mee. 'Breng ze maar terug naar de Ridder-Maarschalk en zeg hem wat je hier hebt gehoord. Zeg hem ook dat ik verwacht steun nodig te hebben ten westen van de oude stenen brug.'
De elf knikte en liep weg met de paarden. Martin wierp een blik op de hemel tussen de takken. 'Mooi, dan zijn we tegen zonsondergang bij de brug, en kunnen jullie in het donker de rivier oversteken terwijl wij hen bezighouden bij de brug.'
'De rivier oversteken?' vroeg Patrus. 'En nat worden?'
'Ja,' antwoordde Martin met een glimlach. 'Ik ben bang dat jullie wadend naar de overkant moeten. Een kleine mijl stroomopwaarts is een ondiepe voorde, waar de gnomen volgens mij nog niets van weten.'
'Gnomen?' vroeg Joolstein.
'We zien hier voornamelijk gnomen en Quegse huurlingen. Ik denk dat de meeste moredhel met Delekhan naar het zuiden zijn, of wie ook dat onderdeel mag aanvoeren.'
Robert was een tijdlang stil. 'Joolstein, hoe is jouw Quegs?'
'Vrij aardig. En het jouwe?'
'Lang niet zo goed als dat van jou,' zei Robert. 'Ik ben niet opgegroeid in een havenstad, zoals jij.'
'En Krondor dan? Ligt dat soms niet aan zee?'
'Zo veel Quegse handelaars kom je in het riool niet tegen, bedoel ik daarmee.'
'O,' zei Joolstein. 'Waarom vraag je dat, eigenlijk?'
'Nou, veel kans om in Noordwacht een gnoom of een zwarte elf tegen het lijf te lopen die Quegs sprak was er niet, maar ik durf er een goede maaltijd onder te verwedden dat we hier wat van die vervloekte Queganen tegenkomen.'
'Je wilt toch niet dat wij de Quegse huurling uit gaan hangen, hè?' zei Joolstein met een bezorgd gezicht. 'Bij die trollen lukte dat prima, maar als er hier echte huurlingen zijn... zo goed spreek ik het nou ook weer niet; in ieder geval niet goed genoeg om een Quegaan voor de gek te houden.'
'Daar maken we ons dan wel zorgen over als het eenmaal zover is,' zei Robert.
Joolstein wierp een blik ten hemel. 'Prachtig.'
'Martin,' zei Robert, 'waarom jaag je ons niet in de armen van de vijand, in plaats van een aanval op touw te zetten?'
Martin trok verbaasd een wenkbrauw op. 'Weet je dat zeker?'
'Nee, maar laten we het toch maar doen,' antwoordde Robert met een grijns.
Toen de zon in het westen onderging, hoorden de huurlingen op de brug hulpgeroep in de Quegse taal. Drie mannen, twee jonge en een oude, renden naar de brug en achter hen waren in de verte de hen achtervolgende soldaten te zien.
Robert was als eerste bij de brug, buiten adem en met opgejaagde blik. Hij wees en schreeuwde in het Quegs: 'We worden aangevallen!'
'Verdedig deze brug!' riep de tweede jongeman. 'Wij gaan hulp halen!'
De huurlingenleider draaide zich om naar de trol die de leiding over zijn compagnie voerde en wilde net vragen wat ze moesten doen, toen er een pijl over hem heen scheerde en vlakbij in de grond sloeg. Wegduikend achter de schamele beschutting van de zijkant van de oude stenen brug richtte hij zijn aandacht op de aanvallende elfen, terwijl het drietal dat hen had gewaarschuwd hulp ging halen.
Onder het rennen keek Robert over zijn schouder. Martin en de elfen deden hun best om de verdediging op de brug ervan te overtuigen dat er een grootscheepse aanval op hen werd geopend.
Robert bleef staan en beduidde Joolstein halt te houden, zodat Patrus hen kon inhalen. De oude man snakte naar adem en Robert vroeg: 'Gaat het?'
Patrus knikte. 'Niet meer zo snel als vroeger. Geef me eventjes, dan doen we dit nog een keer.' Hij grijnsde zijn gemene grijns. Nog even bleven ze staan terwijl Patrus op adem kwam. Toen knikte hij en gingen ze weer verder.
Ze renden in de richting van de plek waar ze de scheuringsmachine vermoedden, in een kleine vallei tussen twee beschuttende heuvels. Er kwam hen een groep moredhel tegemoet gerend, en Joolstein schreeuwde in het Quegs: 'De brug wordt aangevallen!'
De leider was een lange moredhel, met een paar schouders zo breed als die van Gorath. Hij droeg een kort jasje van dik bont, dat zijn immense borst bloot liet. 'Ik spreek die Quegse hondentaal van jullie niet.'
Robert bleef staan en haalde diep adem. 'Ik spreek de Koninkrijkse taal,' zei hij met een zwaar accent. 'De brug wordt aangevallen. De trollen hebben ons gestuurd om versterking te halen.'
'Aangevallen?' Hij draaide zich om naar een van zijn krijgers en stuurde hem naar de brug. 'Ik ben Moraeulf, zoon van Delekhan, en onderbevelhebber van mijn vader. Onder wiens bevel staan jullie?' Joolstein wierp een blik op Robert, die zei: 'Wij staan onder-'
'Vertel hem over die elfen!' onderbrak Joolstein hem, zoals ze hadden afgesproken.
'Elfen?' vroeg Moraeulf. 'Wat is er met elfen?'
'En er is ook een lange mens bij met een boog die je op een afstand van duizend el kan raken,' zei Robert.
'Langboog!' zei Moraeulf meteen. 'Dat kan alleen maar Langboog zijn. Zijn dood zal mij tot eer strekken.'
'En hoe noemde hij die andere?' vroeg Robert.
'Caelin, geloof ik,' zei Joolstein.
'De Prins van Elvandar is hier?' riep Moraeulf. Hij greep Robert bij de tuniek en tilde hem moeiteloos van de grond.
'Zo heette die, ja,' zei Robert, die niet eens zijn best hoefde te doen om angstig te kijken. 'Prins Caelin, zei hij tegen hem.'
'Roep mijn lijfwacht! We gaan de elfenprins en zijn mensenvriend doden! Vanavond eet ik hun harten!' Moraeulf liet Robert vallen. 'Waar zijn ze?'
'Bij de brug in het westen,' antwoordde Robert, achterover neergeploft op de grond.
De zes moredhel renden weg in de richting van de brug en Robert riep hen na: 'Ik stuur de rest wel achter jullie aan!'
Joolstein hielp hem overeind. 'Niet te geloven. Het lukte nog ook.'
'Maar het lukt alleen maar tot dat heethoofd het beu is om achter Langboog en de elfen aan door het bos te rennen, dus we hebben misschien maar een half uur. Kom op.'
Robert rende weer verder door de bossen, en toen hij op een open plek nog een groep moredhel de wacht zag houden, riep hij: 'Moraeulf zegt dat jullie naar de westelijke brug moeten komen!'
De leider van de moredhel, een al wat oudere veteraan, zei: 'Wij moeten deze machine bewaken.' Hij wees naar de scheuringsmachine, en Robert besefte dat hij er vlak voor stond. In de avondschemering tussen de bomen zou hij er zo voorbij zijn gerend, als hij niet op de bewakers af was gekomen.
'Moraeulf zei dat wij die taak moesten overnemen,' zei Joolstein.
De krijger wierp hem een sceptische blik toe, maar Robert zei: 'Hij zei ons tegen jullie te zeggen dat wij Quegse honden goed genoeg zijn om de machine te bewaken, maar dat jullie mee moesten om op jacht te gaan naar de eledhel. Prins Caelin en Martin Langboog vallen de westelijke brug aan.'
Dat ressorteerde ogenblikkelijk effect. De moredhel stoven weg in westelijke richting.
Robert ging bij de machine staan. 'Ik vraag me af of Caelin weet in wat voor hoog aanzien hij bij zijn onzalige neven staat.'
'Ik denk dat hij al wel genoeg heeft meegemaakt om daar enig idee van te hebben,' reageerde Joolstein. Met een blik op Patrus vroeg hij: 'Kunt u dat ding uitzetten?'
Nauwelijks had hij het gevraagd, of er verscheen een groep van zes moredhel door de poort, die de loopplank af kwam lopen. Meteen nam Robert een gezaghebbende houding aan. 'We worden aangevallen in het westen! Moraeulf heeft steun nodig!'
Ze renden weg in de aangegeven richting.
'Vandaag of morgen loop je nog eens een moredhelse hoofdman tegen het lijf die je niet zomaar gelooft,' merkte Joolstein op.
'Laat me eens kijken naar dat ding,' zei Patrus. Hij liep rond de machine, een platform van slechts zes voet diep en tien voet breed. Twee mannen konden er gemakkelijk naast elkaar doorheen, maar meer ook niet. 'Ik zie dat ze een hoop spullen hierheen hebben moeten brengen om hem te bouwen,' zei de oude magiër. 'Daarom is hij zo klein.'
'De machine die de Tsurani in de Oorlog van de Grote Scheuring gebruikten was zeker zes tot acht keer zo groot, heb ik van Arutha gehoord. Ze konden er wagens doorheen brengen.'
'Deze zou een kleine handkar misschien aankunnen,' gaf de magiër toe. 'Wel, eens even zien wat ik kan doen om hem uit te zetten.' In de houten paal vlak naast hem vond hij verscheidene figuren, die erin waren gekerfd. Ze waren ingelegd met diamanten. Van boven naar beneden liet hij zijn hand eroverheen glijden. Toen hij bijna beneden was aangekomen schoot er een vonk uit, waar hij van achterover sloeg. Terwijl Robert hem overeind hielp, zei Patrus: 'Nou, één ding weet ik in ieder geval al zeker.'
'Wat dan?' vroeg Joolstein.
'Dat je niet aan dat verrekte kristal moet komen.'
Hij liep nogmaals om de machine heen, en toen hij weer bij Robert was aangekomen, verschenen er nog eens zes moredhel. Ook hen wees Robert achter Moraeulf aan, en ze volgden zijn instructies op.
'Kunt u het wel?' vroeg Joolstein. 'Misschien moeten we hem gewoon in brand steken.'
'Dat zou ook nog kunnen,' zei de oude magiër, maar op zachtere toon voegde hij eraan toe: 'Al betwijfel ik het. Een dergelijke magie brandt niet zo makkelijk. Geef me een paar minuutjes, jongen, om dit ding te bestuderen.'
Robert en Joolstein keken elkaar aan, en allebei dachten ze hetzelfde: misschien hadden ze geen paar minuutjes meer om hem te geven.
Puc haalde diep adem. 'Owyn, je zult me weer moeten helpen. Mijn macht keert terug, maar nog niet zodanig dat ik ons ermee naar Sethanon kan brengen. Jij zult ons daarheen moeten transporteren.'
'Ik?' protesteerde Owyn. 'Maar ik weet niet hoe.'
'Jawel, dat weet je wel,' wierp Puc tegen. 'Veel van wat ik weet, weet jij net zo goed. Je beseft het alleen nog niet. Dus, ontspan je, dan zal ik je leiden.' Hij hield een metalen bol omhoog.
Aangezien ze nog steeds via Gamina met elkaar in verbinding stonden, was Puc in staat Owyns magie te helpen richten. 'Je moet je ernaar uitstrekken. Sethanon ligt... daar,' zei hij zachtjes, bijna fluisterend. 'Strek je ernaar uit en -' Ineens werden zijn ogen groot. 'De scheuring! Ik voel hem!'
'Waar?' vroeg Gorath.
'Ergens vlak bij Sethanon! Daar moeten Makala en de anderen werkzaam zijn.'
'Laten we daar dan heen gaan!' zei Gorath dringend. 'Als Delekhan en zijn bondgenoten daar zijn, moet ik erheen.'
Puc knikte en pakte Owyn bij de schouders. 'Sluit je ogen en laat me je leiden. Het is net alsof je door een deur stapt.'
Owyn volgde zijn instructies op, en voor zijn geestesoog zag hij de doorgang. Hij voelde Goraths handen neerploffen op die van Puc en stapte mentaal door de opening.
En viel door de leegte.
Ze belandden languit op de grond. Opkijkend zagen ze Robert, die aan Patrus vroeg: 'Hoe deed je dat?' Vervolgens stak Robert zijn handen uit naar Puc en Owyn, terwijl Joolstein Gorath overeind hielp. 'Een gunstiger tijdstip om te komen had ik me niet voor kunnen stellen,' zei Robert opgewekt. 'Jullie zijn van harte welkom.'
'Dank je, Robert,' zei Puc, en wierp een blik op Patrus. 'Wie is dat?'
'De naam is Patrus,' zei de oude magiër, langs Puc heen lopend om de machine te bestuderen.
'Dit is Puc,' vertelde Robert hem.
'Weet ik,' zei Patrus terug. 'Ik heb hem een keer van een afstand gezien, toen hij in Timons kwam zoeken naar magiërs voor zijn academie. Hallo, Owyn.'
'Hallo, Patrus. Hoe kom jij hier terecht?'
'Lang verhaal.'
Op dat moment verscheen er weer een groepje moredhel in de scheuringsmachine. 'Moraeulf wordt door elfen aangevallen in het westen!' riep Robert. 'Ga hem helpen!'
De moredhel waren gedesoriënteerd door de transportatie, en een van hen keek van Robert naar Gorath. 'Ben je soms doof?' bulderde Gorath. 'Schiet op!'
De moredhel renden weg.
'Ze komen met tussenpozen van zo'n vijf minuten binnen,' legde Robert uit. 'Niet meer dan zes per keer.'
'Dat is nog steeds zeventig per uur,' rekende Joolstein uit, 'en Arutha is nog zeker een dag onderweg. Martin en de elfen zorgen ten westen van hier voor wat onrust, en Gardaan komt vanuit het noorden, maar als we dit ding niet gauw afsluiten, zitten we morgen met zo'n duizend moredhel extra.'
'Waar is Delekhan?' vroeg Gorath.
'Die is met zijn erewacht al op weg naar Sethanon,' zei Robert, 'volgens zijn zoon.'
'Daar moeten we heen!' zei Gorath.
'Eerst moeten we deze machine uitzetten,' wierp Robert tegen.
'Ik kan wel helpen,' sprong Puc bij, 'maar ik heb er zelf de macht niet voor.'
'Wat moet ik doen?' zei Owyn.
Patrus sprong op het platform. 'Jij blijft daar gewoon staan, jongen, op veilige afstand.'
'Wat bent u aan het doen?' vroeg Puc.
'U weet wat er moet gebeuren, magiër. Dit soort dingen kunnen niet netjes of zonder gevaar worden gedaan.' Hij glimlachte naar Owyn. 'Let goed op hem, jongen. Van hem kan je nog wel een paar dingen leren.' Toen sprong hij door de poort.
'Dat is de verkeerde kant!' riep Puc.
Maar in plaats van terug te stuiteren, zoals Puc had verwacht, scheen Patrus langzaam het gat tussen de palen van de machine binnen te gaan. Zijn staf begon op te gloeien, en met grote ogen van vastberadenheid schreeuwde hij: je weet wat je te doen staat, jongen! Eén van ons moet dit ten uitvoer brengen, en ik ben toch al oud en het einde nabij. Vooruit!'
Puc kneep in Owyns schouder. 'Geef hem je kracht!'
'Hè?'
'Hij kan de scheuring alleen van binnenuit sluiten! Geef hem je kracht! Maak voort!'
Owyn deed zijn ogen dicht en liet zich andermaal door Puc leiden. Hij hief zijn hand op, en er stroomde een golf van energie door zijn arm, via zijn vingers naar de oude magiër, die nog halverwege in de poort hing. Patrus schreeuwde, en het was niet duidelijk of het een schreeuw van pijn of van triomf was. Toen was de scheuring ineens verdwenen, en de wind die daarop bulderend door de palen gierde sloeg hen allemaal tegen de grond.
Robert was als eerste weer op de been, en keek rond. 'Waar is hij gebleven?'
Puc schudde zijn hoofd. 'Hij is niet meer.'
'Is niet meer?' vroeg Owyn.
'Hij wist wat hij deed,' zei Puc. 'Ik heb ook eens een scheuring van binnenuit gesloten. Toen had ik de hulp van Macros de Zwarte, en desondanks heb ik het maar amper overleefd.'
'Hij is dapper gestorven,' zei Gorath.
Owyn kneep zijn ogen dicht en liet de pijn door zich heen gaan. Patrus was zijn eerste leraar geweest, en al was het een norse ouwe man met maar weinig innemende eigenschappen geweest, de jongen respecteerde en bewonderde hem. Na geruime tijd slaakte hij een zucht en stond op.
'Ik weet niet hoe lang het nog duurt voordat Moraeulf en de anderen terugkomen,' zei Robert. 'Maar die stormvlaag die zojuist hierlangs ging moet iemand hebben gewaarschuwd.'
'We moeten hoe dan ook weg,' zei Puc.
'Welke kant op?' vroeg Robert. 'Ik heb weinig zin om ons nog een keer door de gelederen van de moredhel te bluffen. Ik ben door mijn listen en misleidingen heen.'
'We moeten naar Sethanon,' zei Puc. Hij keek Joolstein en Robert nadrukkelijk aan. 'Jullie weten waarom, en de anderen straks ook.'
'Als Delekhan in Sethanon is moet ik daarheen!' zei Gorath.
'Ga in een kring staan,' zei Puc. Ze namen elkaar bij de hand. 'Breng jezelf tot kalmte, Owyn, dan zal ik je nogmaals leiden.'
Owyn deed wat hem werd gezegd, en Puc voerde hem mentaal mee. Het ging de jonge magiër steeds makkelijker af, en hij reageerde nu al sneller op Pucs aanwijzingen.
Ze voelden dat ze werden verplaatst, en ineens bevonden ze zich ergens anders. We zijn bijna-'
Ze sloegen tegen een barrière van pijn, en zelfs Gorath schreeuwde het uit toen ze van hun bestemming werden weggeslingerd. De sterke moredhel was de laatste die het bewustzijn verloor, en hij zag de anderen liggen op de koude aarde, stuiptrekkend van pijn. Toen viel ook hij in zwijm.